Boeddhistisch Woordenboek

Handleiding van boeddhistische termen en leerstellingen. Het Boeddhistisch Woordenboek vormt de centrale informatiebron ter aanvulling van de vele teksten van Sleutel tot Inzicht.

Dit woordenboek bevat 2909 hoofdonderwerpen.

a

abbhācikkhana

Synoniem: abbhakkhāna.

abbhācikkhasi

Grammatica: van abbhācikkhati.

abbhācikkhati

'Verkeerd voorstellen'; 'lasteren'; 'valselijk beschuldigen'; (Com) 'onwaarheden spreken' (over).

abbhācikkhi

'Verkeerd voorgesteld'; 'belasterd'; 'valselijk beschuldigd'.

abbhakkhāna

'Verkeerd voorgesteld'; 'belasterd'; 'valselijk beschuldigen (van) iemand'. Synoniem: abbhācikkhana.

abbhakkhānaṁ

Grammatica: van abbhakkhāna.

abbhanumodanā

'Blij zijn met de verdiensten van anderen', is een van de 'bases van verdienstelijke daden' (puñña kiriya vatthu).

abbhokāsikaṅga

Eén van de 13 dhutaṅga praktijken voor woudmonniken. Zie dhutaṅga.

abbhuta

A. 'Wonderbaarlijk'; 'buitengewoon'; 'ongelooflijk'; 'verbijsterend'; 'epitheton van Nibbāna'.

B. 'Wonder'.

C. 'Weddenschap'; 'gok'; 'inzet'.

abbhutadhamma

A. 'Wonderbaarlijke verslagen'; 'ongelooflijke verhalen'; 'een van de negen soorten sutta's'. Constructie: abbhuta + dhamma.

B. 'Buitengewone kwaliteit'; 'wonderbaarlijke eigenschap' (in). Constructie: abbhuta + dhamma.

C. 'Met verwijzing naar M123 — Acchariya Abbhuta Sutta'. Letterlijk: 'wonderbaarlijke kwaliteiten'. Constructie: abbhuta + dhamma.

abhabbāgamana

'Onbekwaam in vooruitgang'. "Die wezens die belemmerd worden door hun slechte daden (akusalakamma), door het resultaat (vipāka) van hun slechte daden, of die verstoken zijn van geloof (saddha), energie (viriya) en kennis (vijjā), en niet in staat zijn het rechte pad op te gaan en perfectie te bereiken door het doen van heilzame dingen; van al diegenen wordt gezegd onbekwaam te zijn in vooruitgang." Pug 13

Overeenkomstig het commentaar duiden de 'kwade daden' op de vijf afschuwelijke daden met onmiddellijk gevolg (ānantarikakamma), terwijl de 'bezoedelingen' verwijzen naar de 'verkeerde inzichten die bestemmingen vaststellen' (niyatamicchādiṭṭhika). Zie diṭṭhi.

ābhassara

'De stralenden'. Zie deva.

ābhassaradevā

'De goden van stralende luister'. Zie deva.

abhi

'Hoog'; 'belangrijk'; 'speciaal'; 'specifiek'; 'vooraanstand'.

abhibhāyatana

'Fasen van meesterschap'; 'dimensie van meesterschap'; 'vakgebied'; 'basis voor transcendentie'; 'meester van het domein'. Zie attha abhibhāyatana.

abhibhū

'Overwinnaar'. Een aspect van de verlichting van de Boeddha dat zijn superieure kracht en wijsheid laat zien, wat vooral benadrukt wordt tijdens zijn interacties met de asceten.

abhibhūta

'Overmand'; 'bedwelmd'; 'overwonnen'; 'verslagen'.

abhidhamma

Zie abhidhamma piṭaka.

abhidhamma piṭaka

'Mand van de Hogere Leer'. Derde divisie van de Pāḷi canon. Zie Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon

abhijjhā

'Begeerte'; 'hebzucht'; 'jaloersheid ten opzichte van de bezittingen van anderen'. Synoniemen zijn: lobha; taṇhā; raga; kāma. Het tegenovergestelde is anabhijjhā.

Abhijjhā is opmerkelijk gecombineerd met domanassa om een samenstelling te vormen (abhijjhā domanassa) die exclusief voorkomt in de satipatthana formules of in de formules omtrent de beheersing van de zintuigen. Voorbeeld: M038.30.

Abhijjhā wordt soms ook aangewend als een van de vijf hindernissen (pañcanīvaraṇa) als een geïmproviseerd woord voor zintuiglijk verlangen (kāmacchanda).

Het is een van de bezoedelingen (upakkilesa) en een van de koersen van handeling (kammapatha).

Voor meer, zie ook abhijjhā visamalobha.

abhijjhā domanassa

Zie abhijjhā.

abhijjhā visamalobha

'Begeerte en onrechtvaardige hebzucht'. Een van de bezoedelingen van de geest. Zie upakkilesa. Zie ook M007.

MA biedt een aantal alternatieven voor begeerte (abhijjhā) en onrechtvaardige hebzucht (visamalobha), maar legt dan uit dat, vanuit het standpunt van de hogere training (adhipaññāsikkhā), dat alle hebzucht onrechtvaardig is en de twee termen daarom kunnen worden verstaan als louter verschillende namen voor dezelfde mentale factor, namelijk hebzucht of hartstocht.

abhimāna

'Gericht naar'; 'met de bedoeling van'; 'gefocust op'; 'met de intentie om'. Synoniem: manasa.

abhinibbatti

Een term voor wedergeboorte. Zie punabbhava.

abhinivisati

A. 'Dringt diep door'; 'hecht zich vast'; 'hecht zich' (aan); 'dringt' (aan). Letterlijk: 'dringt volledig naar beneden door'. Synoniem: allīyati; pasajati; sajati; silissati.

B. 'Interpreteert'; 'verkeerd interpreteren'. Letterlijk: 'dringt volledig naar beneden door'.

abhinivissa

'Vastmaken'; 'zich vastklampen'; 'hechten'; 'plakken'; 'zich er volledig aan vastklampen'. Letterlijk: 'volledig naar beneden doordringen'. Synoniem: ajjhosa; ajjhosāya; ajjhossa; upādā; parāmassa. Grammatica: Ger van abhinivisati; Trans (+Acg).

abhiññā

Algemeen: 'ervaringsgericht begrip'; 'realisatie'.

A. 'Directe kennis'; 'hogere kennis'; 'bovenwereldse kennis'; 'specifieke kennis'; 'onbegrensd inzicht'. Letterlijk: 'volkomen weten'.

B. 'Psychische kracht'; 'bovenwerelds vermogen'.

Zie ook Abhiññā — De zes hogere krachten oftewel bovenwereldse kennis; te vijjā.

abhiññāya

'Hogere wijsheid'; 'verlichting'. Zie abhiññā; resultaat van het pad.

abhiññeyya

'Erkennen'. Het erkennen van misslagen, fouten, verkeerde inzichten, feiten etc., is een belangrijke stap op de weg naar een positieve houding omdat het begoocheling (moha) tegenwerkt. Het erkennen van misslagen etc., is erg belangrijk, vandaar het deel abhi in de term.

abhisamaya

'Ware realisatie'; 'waarheid realisatie'. Zie ook abhiññā.

abhisambhavati

Zie khamati.

abhisaṅkhāra

'Specifieke of belangrijkste formaties'. Het woord abhisaṅkhāra is een samenstelling van abhi + saṅkhāra. In deze context verwijst het niet naar louter alle formaties (saṅkhāra) maar naar de specifieke formaties die het kamma proces (kammabhava) in gang zetten.

Abhisaṅkhāra is identiek aan de 2e schakel van de paṭiccasamuppāda, saṅkhāra (zie daar onder A.1) oftewel kamma formaties.

abhisaṅkharoti

A. 'Creëert'; 'construeert'; 'genereert'; 'vormt'; 'fabriceert'.

B. 'Doet'; 'verricht'. Letterlijk: 'construeert'.

abhivādanā

'Het hoogste respect'. Letterlijk: 'Het geven van het hoogste respect'. Grammatica: Ozn; Acg; van abhivādeti; Caus. Zie Abhivādanā — De voordelen van het respect voor de arahat.

Zie ook het deel Respect van de sectie Inzicht meditatie.

abhivādetvā

'Nadat ze een diepe buiging hadden gemaakt'; 'nadat ze veel respect hadden betoond' (aan). Fonetische wijziging: a > ā. Fonetische variant: abhivādayitvā.

acariya

'Leraar'. Vaak als synoniem van upajjhaya gebruikt, maar in principe is de acariya slechts de plaatsvervanger van de upajjhaya. Zo wordt de commentator Buddhaghosa ook vaak aangeduid als Acariya Buddhaghosa en de commentator Anuruddha als Acariya Anuruddha (om een onderscheid te maken tussen de andere Anuruddha die de neef was van de Boeddha en halfbroer van Ānanda).

accantadussīlya

'Volledig gebrek aan discipline en deugdzaamheid'. Zie Dhp162 — Devadatta — Ook in een vorig leven probeerde hij mij te doden.

acchariya

A. 'Prachtig'; 'wonderbaarlijk'; 'verbazingwekkend'.

B. (De) 'prachtige'; 'wonderbaarlijke'; 'ongelooflijke'; 'epitheton van Nibbāna'. Letterlijk: 'prachtige staat'.

C. 'Wonder'.

acchariyamanussa

Een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend. Zie namen voor de Boeddha.

accutaṁ ṭhānaṁ

'De onveranderlijke plaats'; 'epitheton van Nibbāna'.

achtvoudige pad

Zie Ariya Aṭṭhaṅgika Magga.

āciṇṇakamma

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, C.2.

acinteyya

Letterlijk: 'Dat waarover niet kan of waarover niet nagedacht zou moeten worden', het ondenkbare, onbegrijpelijke, ondoordringbare, dat wat de grenzen van het denken overstijgt en waarover men daarom niet moet nadenken.

Deze 4 ondenkbare zaken zijn:

1. het potentiële bereik (visaya) van een Boeddha (buddhavisaya); 2. het potentiële bereik (visaya) van de meditatieve verdiepingen (jhānavisaya); 3. het potentiële bereik (visaya) van de gevolgen van wilshandelingen (kammavipāka); 4. piekeren over de wereld (lokacintā), vooral over een absoluut eerste begin ervan. A04-077

"Daarom, monniken, pieker niet over de wereld over de vraag of deze eeuwig of tijdelijk is, beperkt of eindeloos is (…). Zulk een gepieker monniken, is zinloos, heeft niets te maken met echt zuiver gedrag (ādibrahmacariyaka sīla), leidt niet tot ontgoocheling (nibbida), onthechting (viraga), uitdoving (nirodha), noch tot vrede, tot volledig begrip, verlichting en Nibbāna, (…)." S56-041

acira

(Van tijd) 'niet lang'; 'spoedig'; 'recent'. Synoniem: ittara. Antoniem: cira. Constructie: na > a + cira. Grammatica: Adj; van na cira; Neg. Samenstelling: SamenstellingUitgesteld. Variant: nacira.

aciraṁ

'In korte tijd;'; 'spoedig'; 'binnenkort'. Antoniem: ciraṁ. Constructie: ConstructieUitgesteld. Grammatica: Onb; Bijw; Acg Ev van na cira; Neg. Samenstelling: SamenstellingUitgesteld.

aciraṁ vata

'Zeer spoedig, zonder enige twijfel'.

De toestand van het menselijk lichaam is, dat het met zekerheid spoedig tot verval zal komen.

Zie Dhp041 — De eerwaarde Tissa met het stinkende lichaam.

adanimmadana

'Hoogmoed/eigendunk verpletteren'; 'ijdelheid wegnemen'; 'trots bedwingen'. Letterlijk: 'ontgiften van dronkenschap'.

adassana

'Niet-begrijpen'. Synoniem: avijjā; aññāṇa; moha.

adassāvī

'Die geen achting heeft' (voor). Letterlijk: 'die niet heeft gezien'. Antoniem: dassāvī.

addha

A.1 'Bevuild'; 'vies'; 'vochtig'.

B.1 'Tijd'; 'periode'; 'omvang'.

B.2 'Pad'; 'weg'; 'reis'; 'afstand'; 'duur'.

C.1 'Half'; 'deel'.

C.2 'Deel'.

addhā

A. 'Zeker'; 'ongetwijfeld'.

B. 'Vast en zeker'; 'absoluut'; 'definitief'. Variant: addhaṁ.

addhaṁ

Zie addhā.

addhuva

Zie adhuva.

adhamma

'Wangedrag'; 'verkeerde doctrine' etc. Het staat voor alles wat de Dhamma niet is.

adhicitta

'Het hogere bewustzijn', verwijst naar de geest die de acht meditatieve verdiepingen (jhāna) bereikt die worden gebruikt als een basis voor inzicht (vipassanā). Het wordt 'het hogere bewustzijn' genoemd omdat het hoger is dan het gewoonlijke (heilzame) bewustzijn van de tien heilzame koersen van handling (kammapatha). Zie ook nimitta.

adhicittasikkhā

'De training in hogere mentaliteit'. Zie tividha sikkhā.

Adhikakka

Rivier de Adhikakka. Geen toelichting.

adhimokkha

'Besluitvaardigheid'; 'bepaling'; 'beslissing'; 'vastberadenheid' is een van de samenwerkende mentale factoren (cetasika) en behoort tot de groep van mentale formaties (saṅkhārakkhandha). Het betekent de vrijheid van geest van de 'weifelende staat' tussen de twee oorzaken "is het?", of "is het niet?" In M111 wordt het genoemd met andere samenhangende mentale factoren. Zie cetasika; Tabel II.

adhipajjati

'Neemt als'; 'beschouwt als'; 'concludeert'. Letterlijk: 'bereikt'. Synoniem: dahāti; dhārayati; maññati. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

adhipajjatidahati

Constructie: adhipajjati + dahāti.

adhipaññādhammavipassanā

'Inzicht in verschijnselen hetgeen de hogere wijsheid is'.

adhipaññādhammavipassanānupassanā

'Contemplatie van inzicht in verschijnselen hetgeen de hogere wijsheid is', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; adhipaññādhammavipassanā.

adhipaññāsikkhā

'Hogere training in wijsheid'. Zie tividha sikkhā.

adhipati

A. 'Heer'; 'meester'; 'heerser' (van).

B. (Abh) 'dominantie'; 'overwicht'. Fonetische variant: adhipa; ādhipati.

adhipatipaccaya

'Overheersende voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden (paccaya). Indien ontwikkeld, wordt dit gezien als de viervoudige weg naar kracht (iddhipāda).

adhisīlasikkhā

'Hogere training in moraliteit'. Zie tividha sikkhā.

adhiṭṭhāna

Als een leerstellige term verschijnt deze hoofdzakelijk in twee betekenissen:

A. 'Fundament': vier fundamenten van de mentaliteit van de arahat worden genoemd en verklaard in M140: het fundament van wijsheid (paññā), van waarheidsliefde (sacca), van liefdadigheid (cāga) en van vrede (upasama).

B. 'Besluitvaardigheid'; 'vastberadenheid', in: 'de magische kracht van besluitvaardigheid' (adhiṭṭhāna iddhi, zie iddhi; 'de perfectie van vastberadenheid' (adhiṭṭhānapāramī).

adhiṭṭhāna iddhi

'De kracht van vastberadenheid', zie iddhi.

adhiṭṭhānapāramī

'Perfectie van vastberadenheid'. Zie pāramitā.

adhivacana

'Term' (voor); 'naam' (voor); 'uitdrukking' (voor); 'epitheton' (van); 'aanduiding' (voor). Letterlijk: 'hoger spreken'.

adhivacanasamphassa

'Benoembare indruk'; 'uitdrukking van indruk' (van). Letterlijk: 'naam contact'. Antoniem: paṭighasamphassa. Constructie: adhivacana + samphassa.

adhivāsayati

Zie khamati.

adhivāseti

Zie khamati.

adhomukha

'Somber'; 'neerslachtig'; 'moedeloos'. Letterlijk: 'neerslachtig gezicht'.

adhomukhaṁ

Grammatica: van adhomukha.

adhomukho

Grammatica: adhomukha.

adhuva

'Instabiel'; 'onbestendig'; 'niet duurzaam'; 'niet permanent'; 'niet eeuwig'; 'vergankelijk'. Synoniem: addhuva. Antoniem: dhuva.

ādibrahmacariyaka sīla

'Moraliteit van echt zuiver gedrag' bestaat uit juiste spraak, juist handelen, juiste wijze van levensonderhoud, de 3e, 4e en 5e factor van het Achtvoudige Pad. Vergelijk Vis 1.

"Met betrekking tot die morele staten die verband houden en overeenkomen met het echte zuivere gedrag, is hij moreel sterk, moreel standvastig en oefent hij zichzelf in de morele regels die hij heeft aangenomen. Na het overwinnen van de drie mentale banden (saṁyojana): geloof in persoonlijkheid, sceptische twijfel en gehechtheid aan louter regels en rituelen, wordt hij iemand die nog 'hooguit zeven keer wedergeboren zal worden' (sotapanna). En na nog maar zeven keer door deze ronde van wedergeboorten onder mensen en goddelijke wezens te hebben rondgezworven, zal hij een einde maken aan het lijden."

A02-086

ādiccabandhu

Een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend. Zie namen voor de Boeddha.

ādīnava

'Gevaar'; 'ellende'; 'nadelig kenmerk van verschijnselen'; 'nadeel'; 'slecht gevolg'. Zie Ādīnava — Gevaar.

ādīnavānupassanā

'Contemplatie van gevaar', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; ādīnava.

ādīnavasaññā

'Het waarnemen van gevaar'. Zie ādīnava.

adinnādāna

'Nemen wat niet gegevens is'; 'stelen'. De onthouding ervan is een aspect binnen de 4e factor van het Edel Achtvoudige Pad en valt binnen de 2e divisie van het Pad, namelijk de groep van moraliteit.

Ga naar de beschrijving van Onthouding van nemen wat niet gegeven is op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

adinnādāna veramaṇī

'Onthouding van nemen wat niet gegeven is'. Zie adinnādāna.

adosa

'Afwezigheid van haat', is een van de 3 karmische morele wortels. In ethische zin betekent het vriendelijkheid van de geest naar de richting van een object of zuiverheid van geest. Het wordt ook 'zonder kwade wil' of vrede van geest (avyapada) genoemd en liefdevolle vriendelijkheid (mettā). Voor meer uitleg, zie mula.

Zie cetasika; Tabel II.

adukkhamasukhavedanā

Letterlijk: 'Noch onaangenaam noch aangenaam gevoel', is gelijk aan 'neutraal gevoel' of 'gelijkmoedig gevoel' (upekkhāvedanā). Zie vedanā.

affix

Een affix is een klein, betekenisdragend deeltje dat toegevoegd kan worden aan een woord, maar op zichzelf geen betekenis draagt. Het toevoegen van affixen kan een woord laten veranderen van woordsoort.

āgacchati

agāra

A. 'Woning'; 'gebouw'; 'huis'; 'hut'. Grammatica: Ozn.

B. 'Huishoudelijk leven'; 'huiselijk leven'. Grammatica: Ozn.

agārasmā

Grammatica: Znw Ozn Abl Ev van agāra.

agārasmā anagāriyaṁ pabbajito

'Van het huislijke leven het uitgaan naar het thuisloze leven' van een monnik. Zie pabbajjā.

Constructie: agārasmā + anagāriya + pabbajito.

agati

'Verkeerde pad'.

De '4 verkeerde paden' zijn: het pad van hebzucht (chanda), van haat (dosa), van begoocheling (moha), en van angst (bhaya).

Vanwege angst is er een vastklampen en is er een intens hechten (upādāna). Vandaar ook dit een verkeerd pad is. Waar geen hechten is, is ook geen angst.

Iemand die bevrijd is van 4 kwade impulsen is niet langer in staat om het verkeerde pad van hebzucht, haat, begoocheling en angst te nemen.

Zie A04-007; A04-017; A04-019; D31.

agga

A.1 'Meest vooraanstaand', 'meest belangrijk'; 'hoogste'; 'allerhoogste'; 'voornaamste'; 'opperste'; 'ultieme'.

A.2 'Meest'; 'zeer'; 'extreem'; 'uitstekend'.

A.3 'Punt'; 'top'; 'piek'.

A.4 'Voornaamste' (onder); 'beste' (van); 'hoogste' (van); 'ultieme'.

A.5 'Uitkomst'; 'conclusie'; 'resultaat'.

B.1 'Hal'; 'kamer'; 'plaats'; 'positie'.

aggamakkhāyati

'Wordt beschouwd als de hoogste'; 'wordt gezegd dat het de beste is' (van). Zie A04-034.

aggappasāda

'Hoogste vertrouwen'; (of) 'vertrouwen in de voornaamste'. Zie A04-034.

aggihutta

'Vuuroffer'. Dit werd en word door veel mensen in India gepraktiseerd. Zie S35-028 — Adittapariyaya Sutta — De vuur toespraak.

ahaṁ

'Ik'. Grammatica: Pron.

ahaṁ satthā anuttaro

Een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend. Zie namen voor de Boeddha.

āhāra

'Voeding'; 'voedsel'. Zie Āhāra — Voeding.

āhārapaccaya

'Voeding voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

āhārepaṭikūlasaññā

'Het bespiegelen van de walgelijkheid van voeding'. Zie bhāvanā; āhāra.

ahetu paṭisandhika

Zie paṭisandhi A.

ahetuka

'Zonder wortel'. Zie hetu.

ahetukacitta

Zie hetu.

ahetukadiṭṭhi

De fatalistische 'mening van niet-oorzakelijkheid' van het bestaan; van mening zijn dat er geen oorzakelijkheid bestaat. Onderwezen door Makkhali Gosala. Zie ook diṭṭhi.

ahetukapaṭisandhika

Zie paṭisandhi.

ahicchatta

Zie Naga.

ahiṁsā

'Zachtmoedigheid'; 'onschadelijkheid'; 'geweldloosheid'; 'afwezigheid van wreedheid'. Equivalenten zijn: avihesā; avihiṁsā.

Zie ook mettā.

ahiṁsāya rata

'Positieve vreugde vinden in geweldloosheid'; 'vreugde vinden in het cultiveren van liefdevolle vriendelijkheid'. Zie Mettābhāvanā — De meditatie van liefdevolle vriendelijkheid; ahiṁsā.

Zie ook Dhp296-301 — De zoon van de houthakker.

ahiṁsāya rato

Zie ahiṁsāya rata.

ahirika

'Gebrek aan morele schaamte'. Wanneer men op het punt staat een kwade daad uit te voeren, ontstaat er geen gevoel van schaamte in hem die schaamteloos is, zoals: "Het zou erg verkeerd zijn als ik dit zou doen", of "sommige mensen zullen dit van mij weten". Men schaamt zich niet waar men zich voor zou moeten schamen. Het is een van die mentale factoren die onafscheidelijk verbonden zijn met immoreel bewustzijn (akusala sādhāraṇa cetasika). Zie cetasika; Tabel II. Hier tegenover staat de morele factor hiri.

Zie ook de beschrijving onder ahirikānottappa.

ahirikānottappa

'Gebrek aan morele schaamte en gebrek aan moreel ontzag', zijn twee van de 4 onheilzame factoren die samengaan met karmische onheilzame staten van bewustzijn, de twee andere zijn rusteloosheid (uddhacca) en begoocheling (moha). Hier tegenover staan de morele factoren hiri en ottappa. Zie cetasika; Tabel II.

"Er zijn twee onheilspellende dingen, namelijk, gebrek aan morele schaamte en gebrek aan moreel ontzag (…)". A02-006

"Zich niet schamen waarvoor men zich zou moeten schamen; zich niet schamen voor kwaad, onheilzame dingen: dit wordt gebrek aan morele schaamte genoemd." Pug 59

"Niet vrezen wat men zou moeten vrezen (...) dit wordt gebrek aan moreel ontzag genoemd." Pug 60

Zie ook de afzonderlijke beschrijving van ahirika en anottappa.

ahita

A. 'Niet goed'; 'onvoordelig'; 'schadelijk'. Antoniem: hita.

B. 'Slecht persoon'; 'onvriendelijk persoon'; 'vijand'. Antoniem: hita.

C. 'Schade'; 'nadeel'; 'tegenslag'. Letterlijk: 'niet ondersteunend'. Antoniem: hita.

ahitāya

'Schadelijk' (voor); 'onvoordelig'. Letterlijk: 'voor de schade' (van).

aho

Een uitdrukking van consternatie (opschudding; verslagenheid) zoals 'Ooh'; 'aah'; 'jeetje'.

aho sukhaṁ

"Oh, wat een geluk!" Dit bleek de eerwaarde Maha Kappina voortdurend in het Jetavana te zeggen terwijl hij gedurende de dag of nacht rustte. De monniken hoorden hem dit zo vaak per dag zeggen, dat zij het aan de Boeddha vertelden. De Boeddha antwoordde tot hen: "Mijn zoon Kappina, heeft de smaak van de Dhamma geproefd, en leeft met een zuivere geest; het is uit verrukking dat hij deze woorden uitroept, die verwijzen naar Nibbāna." Zie Dhp079 — De eerwaarde Maha Kappina.

ahosikamma

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, A.1 en A.2.

āhuneyya

'Offerwaardig'. Het is een van de kenmerken van de Saṅgha. Zie aveccappasāda.

ājānāmi

Grammatica: van ājānāti.

ājānāsi

Grammatica: van ājānāti.

ājānātha

Grammatica: van ājānāti.

ājānāti

A. 'Kent'; 'begrijpt'; 'bevat'.

B. 'Vindt uit'; 'leert'.

C. 'Herkent'; 'erkent'. Letterlijk: 'weet hier'.

ājāneyyātha

Grammatica: Opt 2P Mv van ājānāti.

ajara

Grammatica: Znw Mnl Voc Ev van ajaras.

ajaras

'Zonder ouderdom (of verval)', d.w.z. Nibbāna.

ajaṭākāsa

'Eindeloze ruimte'. Zie ākāsa.

ajāti

'Geen geboorte'; 'geen wedergeboorte'; 'geen conceptie', d.w.z. Nibbāna. Antoniem: jāti. Grammatica: Vrl; Abstr; van na jāti; Neg.

ājīva

'Levensonderhoud'.

Ājīvaka

'Kluizenaar/asceet'; 'lid van een religie van asceten'; 'naakte asceet'. Ājīvika is een alternatieve naam. Voor meer, zie info bij de stichter Makkhali Gosala.

ājīvapārisuddhisīla

'Zuivering van levensonderhoud', is een van de 4 soorten moraliteit die bestaan uit zuivering (catupārisuddhisīla). Zie sīla.

Ājīvika

Zie Ājīvaka.

ajjhatta

'Innerlijk; 'intern'; 'persoonlijk'; 'in zichzelf'; 'binnen het individu'; 'zichzelf'. Het benadrukt de interne dimensies van persoonlijke waarneming, het subject. Het is een verwijzing naar het individu (niet naar 'het zelf'). Zie o.a. S22-059; āyatana B.

Synoniem: ajjhattika; antara. Grammatica: Adj van atta.

ajjhattaṁ

Grammatica: van ajjhatta.

ajjhattika

Synoniem: ajjhatta. Antoniem: bāhira; anajjhattika.

Zie ook ajjhatta.

ajjhattikassa

Grammatica: Adj Mnl Dat Ev van ajjhattika / Adj Ozn Dat Ev van ajjhattika / Adj Mnl Gen Ev van ajjhattika / Adj Ozn Gen Ev van ajjhattika.

ajjhattikassa upādāya

'Gerelateerd aan het inwendige', d.w.z. gerelateerd aan iemands persoonlijke vijf aggregaten (pañcupādānakkhandhā). Zie A04-199 — Taṇhā Sutta — Begeerte — De verstrikker en de ideeën van ik; chattiṁsā sota.

ajjhattikāyatana

'De zes inwendige zintuigbases'. Zie āyatana B.

Zie ook ajjhattikassa upādāya.

ajñāna

Een sekte ten tijde van de Boeddha. Hun leraar was Sañjaya Belathiputtha. Zie ook diṭṭhi.

akālika

'Niet vertraagd'; 'onmiddellijk van deze tijdloze wereld'; 'onmiddellijk effectief'. Het is een van de kenmerken van de Dhamma. Zie aveccappasāda.

akaliko

Zie akālika.

akaniṭṭha

'De Groten', dat wil zeggen, 'de Hoogste Goden', de bewoners van de vijfde en hoogste hemel van de Zuivere Verblijven (Suddhavasa).

akaniṭṭhadevā

'De goden die niemand de mindere zijn'. Zie deva.

akaṅkhī

'Niet twijfelen'; 'vol vertrouwen zijn'; 'zeker zijn'. Zie Dhp338-343 — De jonge zeug; chattiṁsā sota.

akaṅkhī viragam

'Vol vertrouwen zijn voor onthechting'.

Dit verwijst naar de persoon die niet moet twijfelen en vol vertrouwen (akaṅkhī) moet zijn om de staat van onthechting (viraga) te bereiken — d.w.z. Nibbāna. Zie Dhp338-343 — De jonge zeug; chattiṁsā sota.

akanta

Het tegenovergestelde is kanta.

akaravati saddha dassanamulika

'Goed overdacht en geworteld in begrip'. Zo moet het geloof zijn van een boeddhist. Zie saddha.

ākāsa

'Ruimte'. Zie Ākāsa — Ruimte.

ākāsadhātu

'Begrensde ruimte'. Zie ākāsa.

ākāsānañcāyatana

'De sfeer van oneindige ruimte'. Zie jhāna.

ākāsānañcāyatanūpagadevā

'De goden van oneindige ruimte'. Zie deva.

akicca

A. (Iets wat) 'niet gedaan zou moeten worden'; 'niet gemaakt zou moeten worden'; Letterlijk: 'niet te doen'.

B. 'Niet te doen'.

ākiñcañña cetovimutti

'Bevrijding van de geest omtrent de begeleidingen'. Zie cetovimutti.

ākiñcaññāyatana

'De sfeer van niets-heid'. Zie jhāna.

ākiñcaññāyatanūpagadevā

'De goden van de sfeer van niets-heid'. Zie deva.

akiriyadiṭṭhi

'De mening van het ineffectieve van handeling'; 'van mening zijn dat handelingen geen effect hebben'. Onderwezen door Purana Kassapa. Zie ook diṭṭhi.

akkhara

'Geluiden'; 'tonen'; 'woorden'.

akovida

'Onbekwaam' (in); 'niet deskundig' (in); 'niet bedreven' (in); 'geen meester' (van). Antoniem: kovida.

akuppa cetovimutti

'Onwrikbare (of onwankelbare) bevrijding van de geest'. Zie cetovimutti.

akusala

'Onheilzaam'; 'immoreel'; 'afkeurenswaardig'. Zie Akusala — Onheilzaam; cetanā; kammacetanā; kammapatha; mula; kamma; paṭiccasamuppāda 1; Tabel II.

akusala kāyakamma

'Onheilzame lichamelijke wilshandeling'. Zie kammapatha.

akusala manokamma

'Onheilzame mentale wilshandeling'. Zie kammapatha.

akusala sādhāraṇa cetasika

'Algemene immorele mentale factoren die samengaan met alle onheilzame wilshandelingen'. 4 in getal: 1. gebrek aan morele schaamte (ahirika); 2. gebrek aan moreel ontzag (anottappa); 3. rusteloosheid (uddhacca); 4. begoocheling (moha). Zie cetasika; Tabel II.

De corresponderende term in het gebied van heilzaam bewustzijn is sobhana sādhāraṇa cetasika.

akusala vacīkamma

'Onheilzame verbale wilshandeling'. Zie kammapatha.

akusalacetanā

'Onheilzame wilshandeling'. Zie kamma.

akusalacitta

'Onheilzaam bewustzijn'.

akusaladhamma

'Onheilzame dingen', verwijst doorgaans naar onheilzame mentale staten. Zie ook dhamma; akusala.

akusalakamma

'Onheilzame wilshandeling', zie kammapatha.

akusalakamma vipāka

'Gevolg van onheilzame wilshandeling'. Zie ook kamma.

akusalakammapatha

'Onheilzame koers van handeling'. Zie kammapatha.

akusalavipāka

'Gevolg van onheilzame wilshandeling'. Zie ook kamma.

akusalavitakka

'Onheilzame gedachten'. Zie saṅkappa.

akuttima

'Ongekunsteld'; 'echt'. Antoniem: kutta.

alabha

'Verlies'; 'het niet verkrijgen'. Het is een van de wereldse wisselvalligheden waar het tegenover labha staat. Zie lokiyadhamma.

ālayasamugghāta

'Ontwortelen van gehechtheid'; 'uitrukken van gehechtheid'; 'vernietiging van hechten'.

alobha

'Afwezigheid van hebzucht'; 'afwezgheid van hartstocht'; 'afwezigheid van begeerte', is een van de 3 karmische morele wortels. Letterlijk: 'Geen interesse van de geest wanneer het een object aanschouwt'. Het wordt ook genoemd 'het element van verzaking' (nekkhammadhatu) en vrijheid (anabhijjhā). Voor meer uitleg, zie mula.

Zie cetasika; Tabel II.

āloka

'Licht'. Zoals bijvoorbeeld 'het licht van inzicht dat in mij verrezen is' in S56-011.

ālokakasiṇa

'Licht-kasiṇa'.

ālokasaññā

'Waarnemen van licht'. De terugkerende canonieke passage luid: "Hier aanschouwt de monnik de waarneming van licht. Hij vestigt zijn geest op de waarneming van de dag; zowel overdag als bij nacht, en zoals bij nacht, zo ook bij overdag. Op deze manier ontwikkelt hij, met een heldere en onbewolkte geest, een staat van de geest die vol van helderheid is."

Het is een van de methoden voor het te bovenkomen van verwardheid, door de Boeddha aanbevolen voor Maha Moggallana, A07-058. Volgens D33, strekt het tot de ontwikkeling van 'kennis en visie' (zie visuddhi), en er wordt gezegd dat het behulpzaam is voor de verwerving van het 'goddelijke oog', zie abhiññā.

aṁ

Nasale medeklinker.

amacca

'Collega'.

āmagandha

'Stank'. Zie Āmagandha — De boeddhistische betekenis van stank.

amahaggata

'Nauw'; 'niet vergroot'; 'niet verheven'; 'niet omvangrijk'; 'niet indrukwekkend'. Letterlijk: 'niet groot worden'. Antoniem: mahaggata.

amahaggatacitta

'De onontwikkelde geest'. Het is het gewone wereldse bewustzijn dat doorgaans in mensen huist (kāmāvacaracitta).

Dit is het bewustzijn van de zintuiglijke sfeer (kāmaloka oftewel kāmāvacara). Iemand kan natuurlijk in deze sfeer leven terwijl zijn/haar geestelijke ontwikkeling van een hoger of lager niveau is. Afhankelijk van die ontwikkeling wordt hij/zij wedergeboren in de sfeer overeenkomstig zijn/haar ontwikkeling. Dat is bijvoorbeeld duidelijk te zien aan de vele verschillende karakters van mensen hier in de zintuiglijke sfeer (kāmāvacara).

Antoniem: mahaggatacitta. Constructie: amahaggata + citta.

amanāpa

'Onbehaaglijk'; 'onprettig'; 'onaardig'; 'onaangenaam'. Het tegenovergestelde is manāpa.

āmantehi

Grammatica: Gw 2P Ev van āmanteti.

āmantesi

Grammatica: Aor van āmanteti; Trans (+Acc).

āmanteti

'Nodigt uit'; 'roept op'; 'dagvaardt'. Synoniem: abhineti; avhāyati; nimanteti. Constructie: ā + mante + ti. Grammatica: Tt; Trans (+Acc). Fonetische variant: āmantayati.

amara

'Onsterfelijk', een adere naam voor Nibbāna.

amata

'Onsterfelijkheid'. Zie amara.

amatapadaṁ

'De onsterfelijke staat'; 'het doodloze'; 'epitheton van Nibbāna'.

amatassa data

Een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend. Zie namen voor de Boeddha.

amatassa dvāra

'Deur tot de doodloze staat', d.w.z. Nibbāna.

Wanneer er een bereidwilligheid is om te leren en jezelf te trainen, jezelf te overwinnen, dan wordt de weg oftewel de deur in deze idiomatische uitdrukking tot Nibbāna geopend. In dit licht moet dit worden gezien. Door mensen die er niets van begrepen hebben wordt het ook wel vertaald als 'ingang naar Nibbāna', maar Nibbāna is niet een plaats waar je 'in gaat' omdat Nibbāna het ongeconditioneerde is. Het is een staat die verwerkelijkt (sacchikātabba) moet worden.

amāya

'Open'; 'eerlijk'; 'transparant'. Letterlijk: 'geen illusie'. Antoniem: māya. Grammatica: Adj; van na māyā; Neg.

amāyā

'Openheid'; 'eerlijkheid'; 'transparantie'. Letterlijk: 'niet-bedrog'. Antoniem: māyā. Grammatica: Vrl; Abstr; van na māyā; Neg. Variant: amāyāvitā.

amhā

A. 'Wij zijn'.

B. 'Loeien'; 'het gebrul van een koe'.

amhākaṁ

A. 'Ons' (object). Synoniem: amhe; asmākaṁ; no.

B. 'Aan ons'; 'voor ons'. Synoniem: amhaṁ; amhe; asmākaṁ; no.

C. 'Onze'; 'van ons'. Synoniem: amhaṁ; no.

D. (Koninklijk meervoud) 'mijn'. Letterlijk: 'onze'.

amhe

A. 'Wij'.

B. 'Ons'.

C. (Koninklijk meervoud) 'ik'. Letterlijk: 'wij'.

D. (Koninklijk meervoud) 'ik'. Letterlijk: 'ons'.

āmisadāna

'Materiële gift'; 'zichtbare gift'.

āmisapūjā

'Aanbidding van materiële dingen'. Zie ook puja.

amogha

'Vruchtbaar'; 'effectief'; 'niet tevergeefs'; 'niet nutteloos'; 'niet zelf bewonderend'. Antoniem: mogha.

amoha

'Afwezigheid van begoocheling' of 'de dingen kennen zoals zij zijn', is een van de 3 karmische morele wortels. Het wordt ook kennis (ñāṇa) genoemd, wijsheid (paññā), ware kennis (vijjā) en juist begrip (sammādiṭṭhi). Voor meer uitleg. Zie mula.

Zie cetasika; Tabel II.

an

A. 'Niet'; 'negatief voorvoegsel voor klinkers'. Constructie: na > an. Grammatica: Prefix; Neg.

B. 'Verkeerd'; 'slecht'; 'ongeschikt'. Constructie: na > an. Grammatica: Prefix; Neg.

anabhijjhā

'Zonder begeerte'; 'zonder hebzucht'. Het is het tegenovergesteld van abhijjhā en in die zin betekent het ook 'vrijheid'. Zie ook alobha.

Het is een van de koersen van handeling (kammapatha).

anāgāmī

'De niet terugkerende'. Zie Anāgāmī — De niet terugkerende; ariyapuggala; saṁyojana.

anāgāmimagga

'Het pad van niet meer terugkeren'. Zie ariyapuggala; magga; phala; lokuttara.

anāgāmiphala

'De vruchten van niet meer terugkeren'. Zie ariyapuggala; magga; phala; lokuttara.

anagāriya

A. 'Thuisloosheid'; 'thuisloze staat'. Letterlijk: 'geen thuisstaat'. Constructie: na > an + agāra + iya. Grammatica: Ozn; Abstr; van na agāra; Neg. Samenstelling: kammadhāraya (na + agāriya). Antoniem: gihibhūta. Synoniem: anāgāriya; anāgāriyatā. Variant: anagāriyā; anāgāriya.

B. 'Thuisloos'; 'zonder een vaste verblijfplaats'. Constructie: ConstructieUitgesteld. Grammatica: Adj; van na agāra; Neg. Samenstelling: kammadhāraya (na + agāriya). Antoniem: agāriya.

anagāriyā

Synoniem: anāgāriyā; anāgāriyatā. Antoniem: agāriyā. Variant: anagāriya; anāgāriya. Grammatica: Vrl; Abstr; van na agāra; Neg.

anāgata

A. 'Niet komen'; 'niet gearriveerd'; 'niet aanwezig'. Letterlijk: 'hier niet komen'.

B. 'Toekomst'. Letterlijk: 'hier niet komen'.

āṇaka

'Oproeper' is de naam van een soort keteltrommel waarbij aan één kant op geslagen werd. Het was een trommel die gemaakt was van de klauw van een enorme krab. Het geluid was tot wel twaalf yojanas ver te horen en werd daarom op feestdagen gebruikt om de bevolking op te roepen bijeen te komen. Zie o.a. S20-007.

ānanda bodhi boom

Boom die Anathapindika heeft geplaatst zodat mensen eerbied konden betuigen aan de Boeddha wanneer hij niet in de omgeving was. Omdat de organisatie — met betrekking tot het planten van de boom — in handen was van Ānanda, werd de boom 'de Ānanda Bodhi boom' genoemd.

Langs het hoofdpad van het Jetavana zijn er funderingen van verscheidene structuren met een boom die er groeit en vaak geïdentificeerd wordt als de Ānanda bodhi boom. Overeenkomstig de toelichting op de Jātaka's, kwamen mensen eerbied betuigen aan de Boeddha, en als zij hem niet thuis troffen, hingen zij bloemen en offerkransen aan de deur van de Geur Kamer (Gandhakuti). Toen Anathapindika hiervan hoorde, vroeg hij de Boeddha hoe de mensen hun respect aan hem konden tonen wanneer hij afwezig was, en de Boeddha stelde voor dat dat gedaan kon worden door de offergave bij een Bodhi boom te leggen. Zodoende werd een vrucht van de Bodhi boom van Bodh Gaya (Uruvela) gehaald en met een grote ceremonie geplant in het Jetavana. Omdat het Ānanda was die de organisatie op zich genomen had, werd de boom bekend als de 'Ānanda bodhi boom'. Anathapindika vroeg koning Pasenadi om de boom te planten, maar de koning zei dat het zijn land was en dat de eer aan Anathapindika toekwam. Hoe dan ook, het Jetavana is bijna duizend jaar door de jungle opgeslokt geweest, en omdat er geen archeologisch bewijs is dat aangaf waar de Ānanda Bodhi boom nu werkelijk stond, is de identificatie met de originele boom hoogst twijfelachtig. De toelichting op de Jātaka zegt dat de boom geplant was naast de hoofdingang van het Jetavana, waarvan aangenomen wordt dat die ergens in de nabijheid van de Birmaanse tempel was. Plaats: Savatthi (het moderne Sahet Mahet), India.

anaṅgaṇa

'Zonder bezoedelingen'. Zie aṅgaṇa.

Constructie: an + aṅgaṇa.

anaṅgaṇassa

'De persoon zonder bezoedelingen'. Zie aṅgaṇa.

Constructie: an + aṅgaṇa + ssa. Grammatica: van aṅgaṇa.

anañña

'Niet een ander'; 'geen ander'.

anaññaṁ

Grammatica: van anañña.

anaññanti

Constructie: anaññaṁ + iti.

anaññaposī

Letterlijk: 'Wie niet een ander onderhoudt'.

anantākāsa

'Eindeloze ruimte'. Zie ākāsa.

anantarapaccaya

'Nabijheid voorwaarde' oftewel 'verwantschap voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden (paccaya). Anantara betekent: 'zonder interval'.

Anantarapaccaya en samanantarapaccaya (contiguïteitsvoorwaarde) zijn verschillend in naam, maar hebben dezelfde betekenis (Vis 17-74).

ānantarikakamma

De 'vijf afschuwelijke daden met onmiddellijk gevolg', zijn: 1. vadermoord; 2. moedermoord; 3. een arahat doden; 4. een Boeddha verwonden; 5. een schisma (scheuring) creëren in de Saṅgha. In A. 5: 29 staat:

"Er zijn vijf soorten van licht opvliegende en ziekelijke mensen die bestemd zijn voor de lagere werelden, namelijk: de vadermoordenaar, (...)" etc. Over de 5e, zie A. 10: 35; A. 10: 38. Met verwijzing naar de eerste misdaad, wordt in D22 gezegd dat als koning Ajatasattu niet zijn vader, koning Bimbisara, had vermoord, hij een in de stroom getredene (sotapanna) zou zijn geworden.

Devadatta veroorzaakte een scheuring in de Saṅgha en verwondde de Boeddha in een poging hem te vermoorden.

anantarūpanissaya

'Nabijheid doorslaggevende ondersteunende voorwaarde', is een variëteit van een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

ananussutesu

'Niet (of nooit) van gehoord'. Zoals bijvoorbeeld in S56-011.

ananvāhatacetasa

'Wiens geest niet gewond of aangetast is' door begeerte, haat etc. Zie Dhp038-039 — De eerwaarde Cittahattha.

ānāpānasati

'Indachtigheid met betrekking tot de in- en uitademing'. Ana = inademing; apana = uitademing. Zie De ānāpānasati oefening.

anata

A. 'Ongebogen'; 'zonder neiging'. Letterlijk: 'niet gebogen'.

B. 'Vrij van schijn'. Letterlijk: 'niet gebogen'.

Zie ook anatam.

anatam

'Het ongekunstelde' is één woord voor meerdere betekenissen (zie anata) en is het 'epitheton van Nibbāna'.

anātha

A. 'Onbeschermd'; 'hulpeloos'; 'zonder ondersteuning'; 'noodlijdend'. Antoniem: sanātha.

B. 'Wees'.

anāthā

Van anātha.

anatta

'Niet-zelf'; 'geen-zelf'; 'zonder-zelf'; 'ego-loos'; 'zelf-loos'; 'niet jezelf'; 'zielloos'; 'onpersoonlijk'; 'onwezenlijkheid'; 'instabiliteit'; 'leegheid'; 'nadelig'; 'niet jezelf'; 'niet geschikt om je mee te identificeren'; 'zonder vast kern'; 'zonder essentie'.

Het is een van de drie kenmerken van het bestaan. Zie tilakkhaṇa.

anattā

Grammatica: van anatta.

anatta vādī

'De Leer van geen-zelf'. Satthā is 'Leraar'. De samenvoeging van satthā + anatta vādī maakt dan: 'de Leraar van de Leer van geen-zelf' (satthā anatta vādī).

Zie ook namen voor de Boeddha.

anattānaṁ

'Wat niet het zelf is'; 'iets anders dan het zelf' (object). Constructie: na > an + atta + ānaṁ / anatta + ānaṁ. Grammatica: Mnl; Acc Ev van na atta; atta groep; Neg.

anattani

'In wat niet jezelf is'; 'binnen wat niet je ware natuur is'. Antoniem: atta. Constructie: na > an + atta. Grammatica: Mnl; atta groep; van na atta; Neg.

anattani anattāti

'Wat niet-zelf is als zijnde niet-zelf' (beschouwen). Zie vipallāsa.

Constructie: anattanianattā + iti.

Dit betreft het juiste inzicht bij een niet-verdraaiing van: waarneming (nasaññāvipallāsa); bewustzijn (nacittavipallāsa); visie (nadiṭṭhivipallāsa).

anattani attāti vipallāsa

'De verdraaiing van wat geen-zelf is beschouwen als zijnde een zelf'. Zie vipallāsa.

Constructie: anattaniattā + itivipallāsa.

anattānupassanā

'Contemplatie van 'geen-zelf', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; anatta.

anattatā

'Zelf-loosheid'. Zie anatta.

anattha

A. 'Schade'; 'nadeel'; 'tegenslag'; (moreel) 'verlies'; 'letsel'; 'pijn'; Synoniem: upaghāta; byābādha; vyābādha. Antoniem: attha. Grammatica: Mnl; van na attha; Neg.

B. 'Wat nutteloos is'; 'wat geen voordeel oplevert'; 'wat betekenisloos is'. Letterlijk: 'zonder nut'. Antoniem: attha. Grammatica: Mnl; van na attha; Neg.

anavāhatacetaso

Zie ananvāhatacetasa.

anavajja

'Niet laakbaar'; 'prijzenswaardig'.

Zie ook savajja.

anavassuta

A. 'Niet sijpelend'; 'niet druipend' (van lust); 'niet etterend'; 'niet lekkend'. Letterlijk: 'niet naar beneden gestroomd'. Antoniem: avassuta.

B. 'Onbewogen'; 'onaangetast'; 'onbevlekt'; 'niet verdorven'. Letterlijk: 'niet naar beneden gestroomd'. Antoniem: avassuta.

anavassutacitta

'Wiens geest niet doordrenkt is (van lust)'; 'die niet mentaal doordrenkt is'; 'onaangetaste geest'. Zie Dhp038-039 — De eerwaarde Cittahattha.

Constructie: anavassuta + citta. Grammatica: Adj; Sam.

anavassutacittassa

Zie anavassutacitta.

anavaṭṭhitacitta

'Een wispelturige of onstabiele geest'. Zie Dhp038-039 — De eerwaarde Cittahattha.

aneja

'Onverstoord'; 'onbewogen'; 'onverstoorbaar'; 'onwrikbaar'. Grammatica: Adj; van na ejati; Neg.

anekapariyāyena

'Op verschillende manieren'; 'op uiteenlopende wijze'; 'op diverse manieren'.

anekapariyāyenāvuso

'Op veel verschillende manieren vriend'. Constructie: anekapariyāyena + āvuso.

aneñja

A. 'Onbewogen'; 'niet te verstoren'; 'onverstoorbaar'.

B. 'Onbeweeglijkheid'; 'onverstoorbaarheid'; 'onwankelbaarheid'.

Zie ook de groep pagina Wat is het onverstoorbare?

āneñjābhisaṅkhāra

Zie saṅkhāra A.1; aneñja. Voor meer uitleg, zie het synoniem: avyakata.

aṅgaṇa

A. 'Vlek'; 'bezoedeling'; 'smet'. Letterlijk: 'uitsmeren'.

B. (Van de geest) 'onreinheid'; 'onzuiverheid; 'verdorvenheid'. Letterlijk: 'uitsmeren'.

C. 'Binnenplaats'. Letterlijk: 'wandelpad'.

Aṅgaṇa's zijn bezoedelingen die ontstaan zijn uit hartstocht (raga), haat (dosa) en begoocheling (moha). Deze worden omschreven als aṅgaṇa's (letterlijk: 'open ruimtes'; 'speelplaatsen') omdat kwaad hier rond kan spelen (de vrije ruimte heeft) zonder remming. Ten tijde van de Boeddha werden 'bezoedelingen' ook wel omschreven als aṅgaṇa's. In etymologische zin, betekent aṅgaṇa ook 'de capaciteit om een persoon te bederven die bevuild is met bezoedelingen'. In sommige contexten impliceert aṅgaṇa 'smerigheid'. Een individu die zonder bezoedelingen is, wordt dan ook aangeduid als anaṅgaṇassa.

angst

Zie bhaya.

aṅguttara nikāya

'Oplopende Collecties'. Zie A00-000 — Oplopende collecties — Aṅguttara Nikāya; Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

āṇi

A. 'Pin van een wielas'; 'borgpen'.

B. 'Pen'; 'pin'; 'bout'.

anicca

'Vergankelijk'; 'vergankelijkheid'; 'onbestendigheid'; 'tijdelijkheid'. Het is een van de drie kenmerken van het bestaan. Zie tilakkhaṇa.

aniccaṁ

Constructie: anicca + aṁ.

aniccānupassanā

'Contemplatie van vergankelijkheid', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; anicca.

aniccasaññā

'Erkenning van vergankelijkheid'; 'waarneming van instabiliteit' (in); 'concept van inconsistentie'. Constructie: anicca + saññā.

aniccatā

'Vergankelijkheid'. Zie anicca.

anicce

Grammatica: van anicca.

anicce aniccanti

'Wat vergankelijk is als zijnde vergankelijk' (beschouwen). Zie vipallāsa.

Constructie: anicce van aniccaanicca van aniccaṁ + iti.

Dit betreft het juiste inzicht bij een niet-verdraaiing van: waarneming (nasaññāvipallāsa); bewustzijn (nacittavipallāsa); visie (nadiṭṭhivipallāsa).

anicce niccanti vipallāsa

'De verdraaiing van wat vergankelijk is beschouwen als zijnde onvergankelijk'. Zie vipallāsa.

Constructie: anicce van aniccaniccaṁ + itivipallāsa.

animitta

'Het tekenloze'; 'het ongeconditioneerde'; 'epitheton van Nibbāna'.

Zie ook animitta cetosamādhi; animitta cetovimutti.

animitta cetosamādhi

Letterlijk: 'tekenloze concentratie van de geest'. In DA wordt deze term verklaard met verwijzing naar het verwerven van de vruchten van arahatschap (phala samapatti).

In D16.2.25 geeft de Boeddha te kennen dat hij geabsorbeerd wordt door Nibbanische ervaringen en geen acht slaat op externe objecten of alledaagse gevoelens. Zie ook nimitta.

animitta cetovimutti

Letterlijk: 'tekenloze bevrijding van de geest'. Ook wel 'bevrijding van de geest van de voorwaarde van het bestaan' (oftewel ongeconditioneerde bevrijding van de geest), of 'tekenloze staat van de geest'. Zie cetovimutti.

animitta vimokkha

'De ongeconditioneerde oftewel tekenloze bevrijding'. Zie vimokkha; animitta.

animittānupassanā

'Contemplatie van het ongeconditioneerde' of 'het tekenloze', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; animitta.

ānisaṁsa

A. 'Winst' (in); 'voordeel' (in); 'baten' (van); 'goed resultaat' (van), (zoals nekkhammānisaṁsa).

B. 'Ten voordele van'; 'ten voordele van'; 'ten goede van'.

C. 'Verwachtend'; 'anticiperend'.

anissita

A. 'Onafhankelijk' (van); 'onthecht' (van); 'losgekoppeld' (van); 'gescheiden' (van). Synoniem: asāratta; pavivitta; vippayutta; visaññutta; visaṁyutta. Antoniem: nissita.

B. (Van spraak) 'vrij stromend'; 'onbelemmerd'. Letterlijk: 'zonder ondersteuning'. Antoniem: nissita.

C. (Vinaya) 'zonder formele ondersteuning'; 'vrij van afhankelijkheid'. Letterlijk: 'niet ondersteund'. Antoniem: nissita.

Zie ook Wat is conditionering?; Anissita — Onafhankelijkheid; Niet gehecht zijn aan kennis.

anissito

Antoniem: nissito. Grammatica: van anissita.

aniṭṭha

'Onaantrekkelijk'; 'niet-welkom'; 'onaangenaam'; 'onprettig'. Het tegenovergestelde is ittha.

aniṭṭhato

Van aniṭṭha.

añjalikaraṇīya

'Eerbiedige begroeting waardig'. Het is een van de kenmerken van de Saṅgha. Zie aveccappasāda.

añña

A.1 'Anders'; 'niet hetzelfde'; 'verschillend'; 'een ander'; 'iemand anders'.

A.2 'Een andere'; 'een tweede'; 'anders'; 'verder'.

A.3 'De anderen'; 'de rest'.

B.1 'Onwetend'; 'dwaas'; 'dom'. Letterlijk: 'die het niet weet'.

aññā

'Spiritueel inzicht'; 'ontwaking'; 'uiteindelijke kennis'.

aññadatthuhara

Een van de gedefinieerde slechte vrienden. Zie mitta.

aññamaññapaccaya

'Wederkerende voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

aññāṇa

A.1 'Onwetendheid' (van); 'gebrek aan begrip' (van); 'niet weten' (over). Synoniem: avijjā; aññāṇaka. Antoniem: ñāṇa.

'Niet-kennen'; 'niet-weten'. Synoniem: avijjā; adassana; moha.

Aññāṇa is het tegenovergestelde van kennis (ñāṇa, zie daar). Het is ook niet exact hetzelfde als onwetendheid omdat dat specifiek verwijst naar 'gebrek aan hogere kennis'. In bijvoorbeeld A04-010 is aññāṇa een specifieke verwijzing naar iemand die de zintuigen niet kent (aññāṇa) en niet weet hoe die functioneren.

A.2 'Niet wetend'; 'onwetend'; 'dom'. Antoniem: ñāṇa.

B.1 'Wetend'; 'begrijpend'; 'ontdekkend'; 'lerend'. Synoniem: ājānana; jānana; ñāṇa; vijānana; viññāṇa.

aññatara

A. 'Een bepaalde'; 'een'.

B. 'Een'; 'een van beide'.

C. 'Een andere'; 'verder'; 'volgende'.

aññataraṁ

Grammatica: van aññatara.

aññātāvindriya

'Het vermogen van hij die weet'. Zie indriya.

aññatha

'Anders'; 'op een andere manier'. Grammatica: Ww Gw 2P Mv van aññāti.

aññāti

'Weet'; 'begrijpt'; 'is zich gewaar' (van).

aññatra

A. 'Elders'; 'weg'; 'op een andere plaats' (van).

B. 'Apart' (van); 'afgezien' (van); 'anders' (dan); 'behalve' (voor); 'zonder'.

aññattha

'Elders'; 'op andere plaatsen'; 'ergens anders' (dan).

aññaya

'Bevrijd van weten'. Zie de rubriek Vredig en onbewogen in Arahat — De heilige; In de Pāḷi namen van de sferen (zie jhāna) komt ook de reeks aññaya voor.

Zie ook Dhp096 — De novice monnik van Kosambi.

aññindriya

'Het vermogen van de hoogste kennis'. Zie indriya.

annupaññatti

Zie sikkhāpada.

Anoma

Rivier de Anoma.

anottappa

'Gebrek aan moreel ontzag'; 'morele onbevreesdheid', niet vrezen wat gevreesd moet worden, nonchalant zijn ten opzichte van consequenties en geen enkel zelfverwijt hebben zoals: "Dat was dwaas van me, dat heb ik verkeerd gedaan" etc., en beschuldigingen van anderen, straf, door bijvoorbeeld regeringsleiders hier in de huidig wereld of in een volgende bestaansvorm niet serieus nemen. Het is een van die mentale factoren die onafscheidelijk verbonden zijn met immoreel bewustzijn (akusala sādhāraṇa cetasika). Zie cetasika; Tabel II. Hier tegenover staat de morele factor ottappa. Zie cetasika; Tabel II.

Zie ook ahirikānottappa.

anta

A. 'Einde'; 'limiet'; 'einde'; 'conclusie' (van). Synoniem: pariyanta. Grammatica: Mnl (+Gen).

B. 'Einde'; 'zijkant'; 'uiterste'. Grammatica: Mnl.

C. 'Eindigend als'; 'eindigend in'; 'resulterend in'. Synoniem: pariyanta. Antoniem: ananta. Grammatica: Adj; in Sams.

D. 'Darmen'; 'ingewanden'. Letterlijk: 'einde'. Grammatica: Ozn.

E. 'Binnenin' (van); 'binnenin'. Letterlijk: 'einde'. Synoniem: antara. Antoniem: ananta. Grammatica: Adj; Vz; in Sams (+Gen).

F. 'Doel'. Letterlijk: 'einde'.

G. 'Het slechtste'; 'het laagste' (van). Letterlijk: 'einde'. Synoniem: pariyanta. Antoniem: ananta. Grammatica: GraMnl (+Gen).

H. 'Uiteindelijk'; 'eindigend met'; 'klaar met'. Letterlijk: 'einde'. Grammatica: Adj; in Sams.

I. (Gram) 'Einde'; 'laatste letter'; 'laatste lettergreep'; 'laatste klinker' (van). Grammatica: Mnl (+Gen).

antaggāhika

'Een extreme positie innemen'. Letterlijk: 'zich vastklampen aan één uiteinde'.

antagonisme

Zie paccuṭṭhāpanā.

antagonist

Zie paccuṭṭhāpanā.

antaka

'De beëindiger van alles', d.w.z. de dood. Dit is een aanduiding voor Māra. Zie ook antakena.

antakena

Letterlijk: 'de beëindiger', de dood. Dit is een aanduiding voor Māra. Zie ook antaka.

antakenādhipanna

'Gegrepen door de dood'; 'aangevallen door de dood'; 'overweldigd door de dood'.

antakenādhipannassa

Grammatica: van antakenādhipanna.

antakenādhipannassa natthi ñātisu tāṇatā

'Als een persoon door de dood gegrepen wordt, kan ook een gezinslid hem geen bescherming bieden'.

Constructie: antakenādhipannassa + natthi + ñātisu + tāṇatā.

Zie ook Dhp288-289 — De eerwaarde non Patacara — Vanwege haar ellende de dood overwonnen.

antaradhāna

'Verdwijnen'; 'wegsmelten'; 'vervliegen'. Letterlijk: 'ertussenin plaatsen'.

antaradhāyati

'Verdwijnt'; 'vervliegt'. Letterlijk: 'plekken ertussenin'.

antarāparinibbāyī

'Iemand die het Nibbāna heeft bereikt in de eerste helft van het leven', is een van de 5 niet terugkerenden. Zie anāgāmī.

Antaratthaka

De koudste acht dagen van de winter van Noord India, omstreeks de volle maan in januari of februari. Er valt dan sneeuw.

antarayam na bujjhati

'Ziet niet het gevaar dat hij dood kan gaan'. Zie Dhp286 — Mahadhana de koopman; Maraṇasati bhāvanā — De meditatie van de indachtigheid van de dood.

antoniem

Zie Componenten en beleid bij het woordenboek.

ānubhāva

A. 'Pracht'; 'majesteit'; 'grandeur'; 'praal'.

B. 'Macht'; 'vermogen'.

C. 'Bovennatuurlijke kracht'; 'paranormale gave'.

anubodhañāṇa

'De kennis die bestaat uit conceptueel begrijpen'. Zie saccañāṇa.

anukampaka mitta

Een van de gedefinieerde goede vrienden. Zie mitta.

anuloma

Letterlijk: 'aanpassing'.

A. 'Voorwaartse richting' van het afhankelijk ontstaan (paṭiccasamuppāda) waarin het lijden toeneemt. Het tegenovergestelde is paṭiloma.

B. 'Aanpassing moment van bewustzijn'. Zie anulomacitta.

anuloma javana

'Impulsmoment van aanpassing'. Zie javana; javana citta.

anulomacitta

'Aanpassing moment van bewustzijn', staat voor het derde van de 4 impulsmomenten (zie javana) die opflitsen onmiddellijk voordat ze ofwel de verdiepingen (jhāna) of de bovenwereldse paden bereiken (zie ariyapuggala). Deze impulsmomenten zijn: het impulsmoment van voorbereiding (parikammajavana), het impulsmoment van inleiding (upacāra javana), het impulsmoment van aanpassing (anuloma javana) en het impulsmoment van volwassenheid (gotrabhū javana).

Voor meer details, zie javana, gotrabhū.

anulomañāṇa

'Aanpassingskennis' of 'conformiteit kennis', is identiek met de 'aanpassing tot waarheid kennis', de laatste van de 9 soorten van inzicht-kennis (vipassanāñāṇa) die de 'zuivering van kennis en visie op de voortgang van het pad' vormen (zie onder visuddhi 6.9. Vergelijk Vis 21.

anummattaka

'Verstandig'; 'niet gek'; 'niet gestoord'. Antoniem: 'ummattaka'; 'khittacitta'.

anumodana

'Een toespraak uit dank'.

anupādā

'Niet vasthouden' (aan); 'niet vastgrijpen' (aan); 'niet hechten'; 'niet vastklampen'; 'niet in bezit nemen' (van). Letterlijk: 'niet dichtbij brengen'. Antoniem: upādā; upādāya.

anupādāparinibbānattha

'Met het doel volledig te uit te doven, maar niet vast te grijpen'; 'met het doel totaal te doven door onthechting'; (Comm) 'met het doel absoluut en onvoorwaardelijk uit te doven'. Constructie: anupādā + parinibbāna + attha.

anupādāya

'Niet vasthouden' (aan); 'niet vastgrijpen' (aan); 'losmaken' (van); 'geen bezit nemen' (van). Letterlijk: 'niet in de buurt komen'. Antoniem: upādāya. Grammatica: Ger van na upādiyati; Neg; Trans (+Acg). Variant: anupādā; nānupādāya.

anupaddave dalhe

'In tact, onbeschadigd en sterk'.

De vergelijking met een boom. Zelfs als een boom is omgekapt, maar de wortels onbeschadigd en sterk zijn, zal hij opnieuw aangroeien. Zie Dhp338-343 — De jonge zeug; chattiṁsā sota.

anupadinna dhamma

'Staten die niet vastgepakt zijn door hunkering en verkeerde visie'.

anupādisesa

'Zonder overblijfsel van het vastgrijpen'; 'zonder resterende brandstof van het bestaan'. Antoniem: saupādisesa. Constructie: na > an + upādi + sesa.

anupādisesanibbāna

'Nibbāna zonder de groepen van het bestaan resterend'. Een Nibbāna element. Constructie: an + upādi / na + upādi + nibbāna.

Zie ook nirodha.

anupaparikkhanta

'Niet verkennen'; 'niet bekijken'; 'niet onderzoeken'; 'niet inspecteren'; 'niet navragen' (naar). Letterlijk: 'niet overal om zich heen kijken in de buurt' (niet verder kijken dan je neus lang is). Antoniem: upaparikkhanta. Grammatica: Tdw van na upaparikkhati; Neg; Trans (+Acc).

anupasama

'Opwinding'; 'beroering'; 'opgewonden zijn'. Letterlijk: 'niet kalmte'. Antoniem: upasama.

anupassanā

'Contemplatie'; 'indachtigheid'; 'bespiegelen'; 'observeren in groepen'; 'overdenken'; 'analyseren'. Zie Anupassanā — Contemplatie; vipassanā; satipatthana.

anuppanna

'Niet ontstane'; 'niet verrezen'; 'niet opgekomen'; 'niet bestaand'. Letterlijk: 'niet omhoog gaan'. Zoals in o.a. M002.

anuppiyabhāṇī

'Vleiend'; 'alleen zeggen wat je wilt horen'.

Een van de gedefinieerde slechte vrienden. Zie mitta.

anupubba

'Geleidelijk'; 'stap voor stap'; 'opeenvolgend'. Letterlijk: 'volgend op'.

anupubbanirodha

'Opeenvolgende (fase van) uitdoving'. Zie Anupubbanirodha — De negen opeenvolgende uitdovingen; nirodha; anupubba.

anupubbasamāpatti

'Opeenvolgende bereiken'. Zie anupubbavihāra; anupubbanirodha.

anupubbavihāra

De 9 'opeenvolgende verblijven' zijn identiek aan de 9 'opeenvolgende uitdovingen' (anupubbanirodha), zie daar.

In A09-033 worden ze de opvolgende bereiken (anupubbasamāpatti) genoemd. Zie ook anupubbanirodha.

anupubbikathā

'Geleidelijke instructie'; 'opgebouwde toespraak', gegeven door de Boeddha wanneer het nodig was om eerst de geest van de luisteraar voor te bereiden voordat hij tot hem sprak over de geavanceerde Leer van de Vier Edele Waarheden. De standaard passage zoals bijvoorbeeld in D03; D14; M056 is als volgt:

"Toen gaf de Gezegende hem een geleidelijke instructie (anupubbikathā), dat wil zeggen, hij sprak over vrijgevigheid (dāna), over moreel gedrag (sīla) en over de hemelen (sagga); hij verklaarde het gevaar, de ijdelheid, en de verdorvenheid van zintuiglijke verlangens, en over de voordelen van verzaking. Wanneer de Gezegende bemerkte dat de geest van de luisteraar gereed was, plooibaar, vrij van obstakels, geraakt en helder was, dan verklaarde hij tot hem die verheven Leer die zo kenmerkend voor de Boeddha's is (Buddhanam samukkamsika desanā), namelijk: het lijden, de oorzaak, de opheffing en het Pad."

anurakkhana

'Tot groei brengen'; 'het behouden', van heilzame staten. Zie Anurakkhana — Het tot groei brengen van heilzame staten; padhāna.

anurakkhanāppadhāna

'De inspanning van het tot groei brengen', is een van de 4 inspanningen. Zie padhāna.

anurodhapaṭivirodha

'Voorkeur en afkeer' betekent het reageren met de aantrekkingskracht van hartstocht (kāmarāga) en met de afkeer van haat (paṭigha). Deze zijn twee van de zeven latente neigingen (anusaya).

anusāsana

A. 'Bevelen'; 'orders geven'.

B. 'Adviseren'; 'instrueren'.

C. 'Administratie'; 'beheer'; 'organisatie'.

D. 'Religie'; 'kloosterorde'; 'religieuze groepering'.

anusāsati

A. 'Adviseert'; 'waarschuwt'; 'instrueert'; 'onderwijst'. Synoniem: ovadati; pasāsati; vadati; vāceti; sikkhāpeti. Constructie: anu + sāsa + ti.

B. 'Beveelt'; 'gebiedt'; 'deelt uit'; 'straft'. Synoniem: āṇāpeti. Constructie: anu + sāsa + ti.

C. 'Beheert'; 'regeert'; 'bestuurt'. Synoniem: ajjhāvasati. Constructie: anu + sāsa + ti.

D. 'Oordeelt'; 'beslecht'; 'beslist'. Synoniem: panāyati. Constructie: anu + sāsa + ti.

anusāseyya

Grammatica: Ww Opt 3P Ev van anusāsati.

anusaya

'Latente neigingen'; 'latente tendensen'; 'latente inclinaties'. Zie Anusaya — Latente neigingen.

Zie het deel Bezoedelingen van de sectie Inzicht meditatie.

anussaraṇa

'Zich herinneren'; 'zich herinneren'; 'in gedachten houden'.

anussarati

A.1 'Volgt', 'jaagt na'; 'conformeert zich aan'. Letterlijk: 'stroomt achter'. Synoniem: samanussaratisareti; sumarati. Antoniem: nānussarati.

A.2 'Herinnert zich'; 'haalt zich voor de geest'; 'roept iets in herinnering'; 'reflecteert op'. Letterlijk: 'herinnert zich'. Antoniem: nānussarati.

anussati

'Bespiegelen'; 'in herinnering brengen'; 'overdenken'; 'beschouwen'; 'meditatie'; 'contemplatie'. De 6 bespiegelingen die vaak in de sutta's worden beschreven (bijvoorbeeld in A06-010; A06-025; D33) zijn:

  1. Bespiegeling van de Boeddha (buddhānussati).
  2. Bespiegeling van de Dhamma (dhammānussati).
  3. Bespiegeling van de gemeenschap van edele discipelen (saṅghānussati).
  4. Bespiegeling van moraliteit (sīlānussati).
  5. Bespiegeling van vrijgevigheid (cāgānussati).
  6. Bespiegeling van hemelwezens (devatānussati).

In A01-021 en A01-027 worden nog 4 andere bespiegelingen toegevoegd:

  1. De indachtigheid van de dood (maraṇasati).
  2. De indachtigheid van het lichaam (kayagatasati).
  3. De indachtigheid van ademen (ānāpānasati).
  4. De bespiegeling van vrede (upasamānussati).

De eerste 6 bespiegelingen zijn volledig uitgelegd in Vis 7; de laatste 4 in Vis 8. Zie ook anupassanā; bhāvanā.

anuttara

'Onvergelijkbaar'; 'onovertrefbaar'. Zie o.a. aveccappasāda.

anuttara citta

'De onovertrefbare geest', is het type bewustzijn dat tot de onstoffelijke sfeer (arūpaloka) behoort.

anuttara sammāsambodhi

Letterlijk: 'Onvergelijkbare perfecte verlichting'; 'Onovertroffen perfecte verlichting'; 'Ongeëvenaarde perfecte verlichting'. Dit is de staat die door een universele Boeddha (sammāsambuddha) is bereikt.

Een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend. Zie namen voor de Boeddha.

Zie ook sammāsambodhi.

anuttaram dhammacakkam

'Het in beweging zetten van het onvergelijkbare Wiel der Waarheid'.

anuvatti

Letterlijk: 'partij kiezen bij'; 'iemand die volgt of handelt naar'. Zie o.a. dhammānuvattī.

anuvicarati

'Zwerft rond'; 'gaat op avontuur' (van naar).

anuvicarita

'Overdacht'; 'overwogen'; 'overpeinsd'. Grammatica: Vdw van anuvicarati.

anuvicaritaṁ

Grammatica: van anuvicarita.

apacayana

'Eerbied'.

apaciti

'Respect'; 'eerbied'. Apaciti — Respect; puñña kiriya vatthu.

Zie ook het deel Respect van de sectie Inzicht meditatie.

apadāna

'Levensverhalen van Discipelen'. Zie Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

apanidahati

'Verbergt'; 'bedekt'. Letterlijk: 'naar beneden plaatsen'.

Zie ook apanihita.

apanihita

'Vrij van hartstocht' (verbergt (apanidahati)) niets.

apanihita vimokkha

'De hartstochtloze bevrijding'. Zie vimokkha; apanihita.

apaṇihitānupassanā

'Contemplatie van het hartstochtloze', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; apanihita.

aparapaccaya

Zie aparappaccaya.

aparāpariya

'Steeds volgende'; 'opeenvolgende'.

aparāpariyavedanīyakamma

'Kamma dat rijpt in latere geboorten'.

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, A.3.

aparappaccaya

'Niet afhankelijk van anderen'. D.w.z. dat kennis, inzicht, is verrezen zonder dat iemand iets heeft meegedeeld, zonder dat het door iemand of iets is beïnvloed, noch intern noch extern. Het verwijst naar 'andere omstandigheden of redenen'. Zie o.a. S12-049.

Zie ook anissito.

Wees in mentaal opzicht als de onbeweeglijke kikker.

Lees ook eens de methode die cruciaal is in inzicht meditatie: Wees altijd als een passieve toeschouwer.

aparitassanā

'Geen agitatie'; geen onrust'; 'geen angst'; 'geen beroering'; 'geen nervositeit'. Letterlijk: 'niet overal trillen'. Antoniem: paritassanā.

apatisankha

'Onattent'; 'zonder overweging'; 'onbezonnen en zonder nadenken'. Het is het tegenovergestelde is paṭisaṅkhā.

apatti

'Overtreding van de regels'.

apaya

'De lagere werelden van de zintuiglijke sfeer'. Deze zijn:

  1. Het dierenrijk (tiracchana yoni).
  2. De geestenwereld (petaloka).
  3. De demonenwereld (asuranikāya).
  4. De hellen (niraya).

Zie ook avacara.

apaya sahaya

Zie apaya sakha.

apaya sakha

Ook wel 'apaya sahaya'. Een van de gedefinieerde slechte vrienden. Zie mitta.

aphasuka

'Moeilijkheden'; 'ongemak'; 'onaangenaam'; 'ziekte'.

api

A.1 'Alleen'; 'slechts'.

A.2 'Zelfs'; 'zelfs dan'.

A.3 'Als'; 'zelfs als'.

A.4 'Hebben?'; 'deden?'; 'waren?'; 'misschien?'

A.5 'Maar'; 'echter'; 'toch'.

A.6 'Ja'; 'zeker'; 'inderdaad'.

A.7 'Ook'; 'tevens'; 'eveneens'.

B.1 'Op'; 'naar'.

apo

Zie paṭhavīdhātu; dhātu.

āpodhātu

Het 'waterelement' oftewel 'samenhang' is een van de 4 grote elementen. Zie dhātu.

appamāda

'Waakzaamheid'; 'zorgvuldigheid'; 'indachtigheid'; 'oplettendheid'; 'opmerkzaamheid'; 'nauwgezetheid'; 'volharding'; 'ijver'; 'het serieus zijn in de oefening'. Letterlijk: 'De afwezigheid van onoplettendheid'. Antoniem: pamāda; nāppamāda. Grammatica: Mnl; Abstr; van na pamajjati; Neg. Constructie: na > a + pa + √mad > mād + *a + ena / appamāda + ena.

In het Com. wordt het uitgelegd als een vergelijkbare betekenis als sati, maar die term is omvattender omdat het betrekking heeft op meer onderwerpen (zoals in de Satipatthana training). Appamāda is meer specifiek gericht op het verwijderen en vermijden van kwade (pāpaka) onheilzame (akusala) dingen (dhamma).

Bhikkhu Bodhi merkt op: "Appamāda duidt op een kritische, onderzoekende houding gericht op de eigen geest, zowel in zijn innerlijke beweging (intern) als in zijn reacties op externe zaken. De term suggereert ijverige inspanning (padhāna) en scherpe aandacht (āvajjana), en klinkt bovendien als morele voorzichtigheid en zorgzaamheid." Dit is ten volle bevestigt door Peter van LoosbroekĀnanda, auteur van sleuteltotinzicht.nl.

Appamāda komt voor in de laatste aanmoediging van de Boeddha naar zijn discipelen in D16: "Vayadhamma saṅkhāra, appamādena sampadetha." (Alle samengestelde dingen moeten weer vergaan. Bewerkstellig vastbesloten door waakzaamheid jullie eigen bevrijding.)

Appamāda is afgeleid van het woord 'appamādena'.

Met deze woorden die de essentie van zijn Leer weerspiegelen, spoorde de Gezegende zijn monniken voor de laatste keer aan, terwijl hij in Kusiñara op zijn sterfbed lag.

De tegenstelling van appamāda is pamāda, een van de bezoedelingen, zie upakkilesa.

De Boeddha is gestorven toen hij 80 jaar was.

De Boeddha stierf op 80 jarige leeftijd. Zijn laatste woorden reflecteren de kern van zijn Leer (appamāda).

Handa dani bhikkhave amantayami vo: vayadhamma saṅkhāra, appamādena sampadetha.

Welnu, monniken, ik spoor jullie aan: alle samengestelde dingen moeten weer vergaan. Bewerkstellig vastbesloten door waakzaamheid jullie eigen bevrijding.

D16 — Mahāparinibbāna Sutta — Het grote heengaan

appamādarata

'Behagen scheppen in ijver'; 'toegewijd aan gewetensvolheid'; 'genoegen scheppen in waakzaamheid'. Letterlijk: 'behagen scheppen in de afwezigheid van onoplettendheid'. Grammatica: Adj; Sam; Neg.

Zie ook appamāda; Dhp031 — De monnik die alles verteerde.

appamādarato

Zie appamādarata.

appamādena

'Waakzaamheid'; 'zorgvuldig'; 'zorgvuldigheid'; 'indachtig'; 'oplettend'; 'nauwgezetheid'. Letterlijk: 'zonder bezoedelingen'. Antoniem: pamādena. Constructie: na > a + pa + √mad > mād + *a + ena / appamāda + ena. Grammatica: Onb; Bijw; Instr Ev van appamāda; Neg.

appamāṇa

'Zonder maat'; 'onmetelijk'; 'eindeloos'; 'grenzeloos'; 'onbegrensd'; 'alles doordringend'; 'onbelemmerd'.

appamāṇa cetovimutti

'Onbegrensde bevrijding van de geest'. Zie cetovimutti.

appamāṇa paññā

'Alles doordringende wijsheid'. Zie ook appamāṇa vipassanā; pativedha; cetovimutti.

appamāṇa vipassanā

'Alles doordringend inzicht'. Zie ook appamāṇa paññā; pativedha; cetovimutti.

appamāṇābhadevā

'De goden van onbeperkte luister'. Zie deva.

appamāṇacetasa

'Een onmetelijke geest' is een bovenwereldse geest. D.w.z. dat hij het bovenwereldse (lokuttara) pad bezit.

appamāṇasubhadevā

'De goden van onbeperkte glorie'. Zie deva.

appamaññā

'Grenzeloze staten', is een andere naam voor brahmavihāra, zie daar.

appamatta

''Waakzaam' (over); ijverig (in); 'zorgvuldig' (in); 'aandachtig' (voor). Letterlijk: 'niet dronken'. Antoniem: pamatta. Constructie: na > a + pa + √mad + ta. Grammatica: Vdw van na pamajjati; Neg (+Loc). Samenstelling: kammadhāraya (na + pamatta).

Zie ook appamāda.

appanāsamādhi

'Verworven concentratie' of 'volledige concentratie', is de aanwezige concentratie gedurende de meditatieve verdieping (zie jhāna), terwijl nabijheid-concentratie of toegang-concentratie (upacārasamādhi) slechts de 1e jhāna benaderd zonder deze te verwerven. Zie samādhi.

appaṭibhāna

'Niet reagerend'; 'verbijsterd'; 'sprakeloos'; 'stom'; 'niet wetend wat te zeggen'.

appaṭibhānaṁ

Grammatica: appaṭibhāna.

appaṭibhāno

Grammatica: van appaṭibhāna.

appaṭicchanna

'Onverhuld'; 'niet verborgen' (door). Letterlijk: 'niet bedekte achterkant'. Antoniem: paṭicchanna.

appaṭicchanna dukkhatā

'Lijden dat ontstaan is door vele beproevingen en wederwaardigheden, waarvan de oorzaken van ontstaan zichtbaar zijn'. Constructie: appaṭicchanna + dukkhatā.

appaṭivānī

'Onvermoeibaarheid'; 'ijver'; 'onvermoeibare vastberadenheid'; 'resolute intentie'. Letterlijk: 'niet terugdeinzen'.

appaṭivibhatta

'Zonder voorbehoud gedeeld' (met); 'zonder onderscheid gegeven' (aan). Antoniem: paṭivibhatta; Grammatica: Vdw van na paṭivibhajati; Neg (+Instr).

appesakkha

'Van weinig invloed'; 'onbeduidend'; 'onbelangrijk'; (Com) 'zonder gevolg'. Letterlijk: 'weinig roem'. Synoniem: appaññāta. Antoniem: mahesakkha.

appicchata

'Tevredenheid'.

appiyehi

'Iets dat men niet lief heeft'; 'iets waar de voorkeur niet naar uitgaat'. Het tegengestelde is piyehi.

appiyehisampayoga

'Gevoegd worden bij het onaangename'.

apuñña

A.1 'Niet-verdienstelijk' (in daden). Antoniem: puñña. Samenstelling: kammadhāraya (na + puñña).

A.2 'Verdiensteloos'; 'zonder verdienste'; 'slecht'; 'onheilzaam'. Antoniem: puñña. Samenstelling: kammadhāraya (na + puñña).

Zie o.a. ook saṅkhāra A.1.

apuññābhisaṅkhāra

Zie saṅkhāra A.1.

apuññaṁ

Grammatica: van apuñña.

araham

Een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend. Zie namen voor de Boeddha.

arahant

Zie arahat.

arahat

'De heilige'. Zie Arahat — De heilige; ariyapuggala; saṁyojana; mānābhisamaya; lokuttarasammādiṭṭhi; khinasava; abhivādanā; aneñja; puññapapa pahinassa; attanudiṭṭhimuhacca.

arahatschap

Zie arahatta.

arahatta

'Arahatschap; 'heiligheid'; 'verlichting'; 'de staat van de arahat'. Zie arahat.

arahattamagga

'Het pad van heiligheid'. Zie ariyapuggala; magga; phala; lokuttara.

arahattaphala

'De vruchten van heiligheid'. Zie ariyapuggala; magga; phala; lokuttara.

ārakkhasampadā

'Volbrenging van waakzaamheid'. Het is een voorwaarde voor wereldse vooruitgang die de Boeddha adviseert voor lekenvolgelingen. Zie A08-054.

ārambha

'Aanvang van energie'; 'energie van geboorte'; 'de drang om geboren te willen worden', zijn verwijzingen naar deze term. Dit staat gelijk aan bhavataṇhā.

ārammaṇa

'Object'. Er zijn er zes: 1. zichtbaar object; 2. geluid; 3. geur; 4. smaak; 5. lichamelijke indruk; 6. mentaal object.

Het mentaal object, ook wel geestesobject (dhammārammaṇa) kan fysiek of mentaal zijn, verleden, heden of toekomst, echt of denkbeeldig.

De vijf zintuigobjecten behoren tot de groep van lichamelijkheid (pañcupādānakkhandhā 1). Zij vormen de externe fundamenten voor de zintuig-waarnemingen, en zonder hen kan geen zintuig-waarneming en geen zintuig-bewustzijn ontstaan (zien, horen, ruiken, proeven, voelen).

Vergelijk āyatana B.; paccaya.

Zie ook Wat betekent object in meditatief perspectief?

ārammaṇapaccaya

'Object voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya; ārammaṇa.

arammanupanijjhana

'Nauwkeurig meditatief objectonderzoek'.

ārammaṇūpanijjhāna paccaya

'Object doorslaggevende ondersteunende voorwaarde', is een variëteit van een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

āraññikaṅga

Eén van de 13 dhutaṅga praktijken voor woudmonniken. Zie dhutaṅga.

arati

'Afkeer'; 'afkerigheid'; 'aversie'; 'weerzin'; 'tegenzin'; 'antipathie'; 'ontevredenheid'; 'gehechtheid'. Arati is een van Māra's legers en een symbolische aanduiding voor één van zijn dochters. Zie Māra.

ariya

Zie ariyapuggala.

Ariya Aṭṭhaṅgika Magga

'Edel Achtvoudige Pad'. Zie Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad; Cattāri Ariyasaccāni — De vier Edele Waarheden.

Zie ook Dhp188-192 — Aggidatta de brahmaan; Hoe word ik een echte boeddhist?

ariya iddhi

'Edele kracht', zie iddhi.

ariya sammāsamādhi

'Edele juiste concentratie', is de juiste concentratie (sammādiṭṭhi) met betrekking tot het bovenwerelds pad (lokuttaramagga). Constructie: ariya + sammā + samādhi.

Zie o.a. in M117.

ariyadhamma

A. 'Van edel karakter'; 'van edele natuur'.

B. 'Leer van de Boeddha'; 'edele Leer'.

ariyadhammassavana

'Het horen (of lezen) van de edele Leer van de Boeddha'; 'luisteren naar de edele Leer'. Constructie: ariyadhamma + savana.

ariyamagga

'Edel pad', verwijst naar een van de vier bovenwereldse paden. Zie lokuttara.

ariyānaṁ

'De edelen'. Zie ariya.

ariyapuggala

'Edelen'; 'edele personen'. Zie Ariyapuggala — Edele personen; saṁyojana; lokuttara.

ariyasacca

'Edele Waarheden'. Zie Cattāri Ariyasaccāni.

ariyasāvaka

'Edele discipel'. Raadpleeg sekha.

ariyavamsa

'Edele tradities'. Deze zijn: 1. tevredenheid (van de monnik) met elk gewaad; 2. tevredenheid met elk soort van aalmoezenvoedsel; 3. tevredenheid met elk verblijf; en 4. vreugde in meditatie en onthechting. In de Ariyavamsa Sutta (A04-028), en ook in de Sangiti Sutta (D33) wordt gezegd:

Voorbeeldtekst wordt hier nog toegevoegd uit: A04-028.

Komt Dit item wordt z.s.m. uitgewerkt.

ariyavihāra

'Edele staat'; 'edele meditatie'. Letterlijk: 'edele verblijfplaats'. Zie vihara.

ārocema

Grammatica: van āroceti.

ārocemāti

Constructie: ārocema + iti.

āroceti

A. 'Vertelt' (aan); 'informeert' (over); 'legt uit' (aan). Letterlijk: 'doet schijnen'. Synoniem: akkhāti; ācikkhati; āmantayati; āvikaroti; uttānīkaroti; upadisati; kathayati; katheti; jānāpeti; jotayati; joteti; dīpeti; pakāseti; pabrūti; pāvadati; pilapati; bravīti; brūti; bhaṇati; lapayati; vadati; sandasseti; sāvayati. Antoniem: nāroceti. Fonetische variant: ārocayati.

B. 'Kondigt aan'; 'verklaart'; 'stelt' (aan). Letterlijk: 'doet schijnen'. Synoniem: abhivadati; paññāpeti; byākaroti; sāveti. Fonetische variant: ārocayati.

ārogya

A. 'Gezondheid'; 'welzijn'; 'vrijheid van ziekte'; Letterlijk: 'zonder ziektetoestand'. Synoniem: arogiya. Antoniem: rogya.

B. 'Geestelijke gezondheid'. Naam voor Nibbāna. Antoniem: rogya.

arukāya

'Oude wond'; 'zweer'.

arukāyaṁ

Grammatica: van arukāya.

arūpa

Het 'vormloze' of het 'onstoffelijke'. Zie avacara; jhāna.

arūpabhava

'Het in het bestaan komen van de onstoffelijke wereld'. Zie ook bhava.

arūpadhamma

Het 'niet-materiële' of het 'onstoffelijke'.

arūpadhātu

'Het element van de onstoffelijke wereld'.

arūpajjhāna

'De 4 onstoffelijke sferen'. Synoniem: arūpāyatana; arūpāvacarajjhāna.

Zie ook jhāna.

arūpakkhandha

Een collectieve naam voor de vier mentale groepen. Zie pañcupādānakkhandhā.

arūpaloka

'Onstoffelijke sfeer'. Zie loka; avacara.

arūparāga

'Hartstocht naar het vormloze, het onstoffelijke'. Synoniem: arūpataṇhā. Zie taṇhā; avacara; saṁyojana.

arūpataṇhā

'Begeerte naar het vormloze, het onstoffelijke'. Synoniem: arūpataṇhā. Zie taṇhā; avacara; saṁyojana.

arūpāvacara

'De onstoffelijke sfeer'. Zie jhāna; loka; avacara.

arūpāvacarajjhāna

De jhāna's van de fijnstoffelijke sfeer arūpāvacara. Synoniem: arūpāyatana; rūpāvacarajjhāna.

Zie ook jhāna.

arūpāyatana

'De 4 onstoffelijke sferen'. Synoniem: arūpajjhāna; arūpāvacarajjhāna. Zie jhāna.

arūpupādāna

'Hechten aan het onstoffelijke' oftewel arūpāvacara. Zie upādāna.

asabbha

A. (Van taal) 'onbeleefd'; 'vulgair'; 'grof'; 'onbeschaafd'. Letterlijk: 'niet geschikt voor een samenzijn van mensen'.

B. 'Onbeleefdheid'; 'vulgariteit'; 'slechte manieren'. Letterlijk: 'niet geschikt voor een vergadering'.

De term asabbha komt dus neer op asociaal gedrag. Zie Leraar en leerling.

Zie ook Dhp077 — De eerwaarden Assaji en Punabbasuka; asabbha ca nivaraye.

asabbha ca nivaraye

'Iemand weerhouden van asociaal gedrag en hem ervan weerhouden dat hij daar naartoe afbuigt'. Zie asabbha.

Constructie: asabbha + ca + nivaraye van nivāraya.

asadisadana

'Ongeëvenaarde liefdadigheid'. Zie Dhp177.

asakkhi

'Was in staat' (om). Synoniem: sakkhi. Antoniem: nāsakkhi. Constructie: a + sakkho + i. Variant: sakkhi.

asalha

De maand juli. Twee maanden na zijn verlichting predikt de Boeddha voor het eerst op volle maan zijn Leer tot Bhaddiya, Mahanama, Vappa, Kondañña en Assaji te Isipatana. Deze eerste toespraak heet de Dhammacakkappavattana sutta S56-011, waarin de Boeddha de vier Edele Waarheden uiteenzet. In de Maha Satipatthana Sutta D22, worden de vier Edele Waarheden nog meer gedetailleerd uiteengezet.

Asalha is ook de maand waarin de Boeddha (Siddhatta) de wereld verzaakte.

asamāhitacitta

'De ongeconcentreerde geest'. Zie ook abhiññā.

asammoha

'Mentale helderheid'; 'geen verwarring'; 'geen afleiding'.

asammohasampajañña

'Helder begrip omtrent de realiteit'. Constructie: asammoha + sampajañña. Zie sampajañña.

asamsa

'Hoop'; 'verwachting'; 'wens'; 'verlangen'. Hopen is het verlangen hebben naar iets. Dit verlangen kan zowel heilzaam als onheilzame zijn (zie de uitleg bij chanda).

In A03-013 spreekt de Boeddha over hoop in verschillende perspectieven. Zo is iemand die in de laagste kasten is geboren iemand zonder hoop. En de arahat is iemand die hoop heeft overwonnen omdat de arahat hij verlangenloos is.

Zie ook Snp4-15.

Zie verder Hoop, verlangen en angst.

asaṅkhāraparinibbāyī

'Iemand die het Nibbāna bereikte zonder inspanning', is een van de 5 niet terugkerenden, zie anāgāmī.

asaṅkhārikacitta

'De spontane geest', 'de onvoorbereide geest', 'de niet aangezette geest', 'de niet vooropgezette geest'. Dit is een Abhidhamma term die duidt op een 'staat van de geest die spontaan is opgekomen', dat wil zeggen, zonder opzettelijkheid, gekunsteldheid, voorbereiding of door anderen aangezet; vandaar 'spontaan', 'niet ertoe aangezet'. Zonder inspanning = spontaan, niet ertoe aangezet. Deze term en haar tegenpool (sasaṅkhārikacitta), gaan waarschijnlijk terug naar een gelijknamig onderscheid in de sutta's A04-171; Path 184. Zie Tabel I; voorbeelden in Vis 14: 84.

Zie ook De weg van niet-dwang; De niet vooropgezette geest.

asaṅkhata

'Het ongeconditioneerde'; 'het absolute'; 'epitheton van Nibbāna'.

Zie ook saṅkhata.

asaṅkhatadhamma

'Ongeconditioneerde of ongecreëerde staten'. Zie ook ākāsa.

asaṅkhatadhātu

'Nibbāna als een ongeconditioneerd element'. Zie ākāsa.

asaṅkhataparamattha

'Ongeconditioneerde realiteit'; 'epitheton van Nibbāna'.

Zie ook paramattha.

asaṅkheyya

A. '(Van tijd) onberekenbare periode'; 'ontelbare periode'. Letterlijk: 'niet te tellen'.

B. 'Onberekenbaar'; 'onmeetbaar'; 'ontelbaar'. Letterlijk: 'niet te tellen'.

C. 'Groot aantal'; '10 x 140'.

asaññasatta

'Onbewuste wezens', ook wel 'de goden zonder waarnemingsvermogen' (asaññasattadevā) zijn een klasse hemelse wezens in de fijnstoffelijke wereld, zie deva. "Er zijn, monniken, hemelwezens die bekent staan als de onbewuste wezens. Echter, zodra in deze wezens bewustzijn ontstaat, zullen deze wezens uit deze sfeer (fijnstoffelijke wereld) verdwijnen. Het kan gebeuren, monniken, dat een van die wezens, na te zijn verdwenen uit die wereld, wordt wedergeboren in deze wereld (…)." (D24) Voor meer details, zie Kath; Yam.

asaññasattadevā

'De goden zonder waarnemingsvermogen'; 'onbewuste wezens'. Zie asaññasatta; deva.

asappurisa

'Slecht mens'; 'dwaas'; 'onethisch mens'; 'minderwaardig mens'; 'mens zonder integriteit'. Antoniem: sappurisa; suporisa.

asappurisasaṁseva

'Gezelschap van slechte mensen'. Zie samseva.

asassata

'Niet eeuwig'; 'niet eindeloos'; 'niet voortdurend'. Antoniem: sassata; nāsassata.

asassati

'Niet eeuwig'; 'eindig'.

asassatika

'Geloven in niet-eeuwigheid'. Zie asassati.

asassatiko

Zie asassatika.

asauttara citta

'De onovertrefbare geest'. Het type bewustzijn dat tot de onstoffelijke sfeer (arūpaloka) behoort.

asava

'Bezoedelingen'; 'overstromingen'; 'banden'; 'onzuiverheden'; 'invloeden'; 'aantastingen'; 'stromen'; 'instromingen'; 'vooroordelen'; 'bedwelmingen'; 'neigingen'; 'impuls'; 'aanzet'; 'dwang'. Zie Asava — De hoofdbezoedelingen.

Zie ook het deel Bezoedelingen van de sectie Inzicht meditatie.

asavakkhaya

'De vernietiging van de bezoedelingen', is de staat van de geest van een arahat. Zie Abhiññā — De zes hogere krachten oftewel bovenwereldse kennis; khinasava; abhiññā; asava.

āsavakkhayañāṇa

'Het begrijpen dat alle bezoedelingen zijn uitgeblust', is één van de 6 hogere krachten. Zie abhiññā; asava.

Zie ook asavakkhaya.

āsavānaṃ khayañāṇa

'De kennis van de beëindiging van de asava's', die ontstaat bij het bereiken van arahatschap. Zie abhiññā.

Zie ook asavakkhaya.

asayanusaya ñāṇa

'De kennis van de bezoedelingen en de latente neigingen (anusaya)'. Zie buddhacakkhu.

asceet

Zie samaṇa.

asceten

Zie samaṇa.

asekha

Deze term verwijst naar de arahat en betekent letterlijk 'geen leerling meer'. Zie ook sekha.

āsevana paccaya

'Herhalingsvoorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

asita

'Niet gehecht aan'; 'ongebonden'; 'onafhankelijk'; 'vrij'.

asmi māna

De eigendunk (māna) 'ik ben'. Dit is wat veel filosofen erop nahouden, maar de Boeddha leert dat er geen 'ik' is die altijd en eeuwig onveranderlijk is. 'Ik ben' duid op illusie, verbeelding, eigendunk, en onwetendheid is hier debet aan. Dit gegeven valt in de boeddhistische gedachtegang onder de groep 'verkeerde inzichten' (diṭṭhi) en is een van de 10 banden (saṁyojana). Zie ook māna; M002.

asoka

'Zonder verdriet'.

assada

'Schijnbare zintuiglijke bevrediging'; 'genot'; 'bevrediging'; 'zoetheid'; 'allure'; 'geluk'. Zie Assada — Schijnbare zintuiglijke bevrediging; De onderwerping aan zintuiglijk verlangen.

assāsapassāsa

'In- en uitademing' zijn lichamelijke oftewel fysieke functies of 'formaties'(kāyasaṅkhāra) terwijl aanvangende gedachten en aanhoudende gedachten (vitakkavicāra) verbale functies worden genoemd (vacīsaṅkhāra). Zie saṅkhāra A.2.

De in- en uitademing vormt een van de 6 aspecten van het windelement (zie dhātu). Vergelijk M062.

assattha boom

Oorspronkelijke Pāḷi naam voor de Bodhi boom. Sri Lanka: asatu.

assavana

A. (Van een zweer) 'afscheidend'; 'etterend'; 'sijpelend'; 'langzaam uit iets sijpelen of wegsijpelen'.

B. 'Niet horen'.

assosi

'Gehoord'. Antoniem: nāssosi. Grammatica: Aor van suṇāti; Trans (+Acg).

assosuṁ

'Ze hoorden'. Grammatica: Aor 3P Mv van assosi; Trans (+Acg).

assumha

'Wij hoorden'; 'we hoorden'; .

assutavā

'Zonder instructie'. Assutavā verwijst naar de niet-geïnstrueerde wereldling (puthujjana) die de Dhamma niet kent. De sutavā verwijst daarentegen naar de edele discipel (ariyasāvaka) die de Dhamma kent.

In zekere zin zou je kunnen zeggen dat assutavā ook naar de Boeddha verwijst. 'Sutavā' betekent 'met instructie' of 'van horen zeggen'. Assutavā betekent dan 'zonder instructie'; 'niet van horen zeggen'. In dit persfectief zou assutavā naar de Boeddha kunnen verwijzen, maar het is natuurlijk niet zo dat de Boeddha de Dhamma niet kent! Maar hij kent de Dhamma niet van horen zeggen, hij heeft de Dhamma van niemand geleerd, hij had geen leraar. Hij heeft de Dhamma zelf ontdekt. 'Een leraar heb ik niet' (na me acariyo atthi).

asubha

'Onzuiverheid'; 'walgelijkheid'; 'vuiligheid'; 'onaantrekkelijk'. In Vis 6, zijn het de contemplaties op de begraafplaats (sivathika) die 'meditatieonderwerpen van de onzuiverheid' (asubhakammaṭṭhāna) genoemd worden.

In de Girimananda Sutta — Tot Girimananda (A10-060), wordt met de aanschouwing van de onzuiverheden (asubhasaññā) echter verwezen naar de contemplatie van de 32 delen van het lichaam (zie kāyagatāsati).

De contemplatie van de lichamelijke onzuiverheden of walgelijkheden (zie ook kāyagatāsati), is een tegengif voor de hindernis van zintuiglijk verlangen (zie pañcanīvaraṇa) en de mentale verdraaiing (vipallāsa), die datgene wat werkelijk walgelijk is, als zuiver en mooi beschouwd. Zie S46, 51; A05, 36; Dhp007-008; Snp1-11.

asubhakammaṭṭhāna

'Meditatie onderwerpen van onzuiverheid'. Zie bhāvanā.

asubhaṁ

Constructie: asubha + aṁ.

asubhanimitta

Zie nimitta D.

asubhanti

Constructie: asubhaṁ + iti.

asubhanussati

'Bespiegeling van onreinheden'. Zie asubha; bhāvanā; kāyagatāsati.

asubhasaññā

'De aanschouwing van de onzuiverheden'. Zie bhāvanā; kāyagatāsati.

asubhe

Grammatica: van asubha.

asubhe asubhanti

'Wat onaantrekkelijk is als zijnde onaantrekkelijk' (beschouwen). Zie vipallāsa.

Constructie: asubhe van asubhaasubhanti van asubhaṁ + iti.

Dit betreft het juiste inzicht bij een niet-verdraaiing van: waarneming (nasaññāvipallāsa); bewustzijn (nacittavipallāsa); visie (nadiṭṭhivipallāsa).

asubhe subhanti vipallāsa

'De verdraaiing van wat onaantrekkelijk is beschouwen als zijnde aantrekkelijk'. Zie vipallāsa.

Constructie: asubhe van asubhasubhaṁ + itivipallāsa.

asura

'Demonen'; 'titanen'; 'kwade geesten', bewonen een van de 4 lagere werelden (apaya).

asuranikāya

'De wereld van de demonen'. Zie deva.

atapi

'Energiek'; 'ijverig'; 'vurig'; 'gretig'; 'met voortdurende inspanning'. Letterlijk: 'brandend'.

atappadevā

'De goden van niet kwellen'. Zie deva.

atha

A. 'Toen'; 'ook'; 'en dus'; 'daarna'. Synoniem: tato.

B. 'Maar'; 'liever'; 'zelfs'. Synoniem: tu.

ati agge

'De hoogste top', 'het hoogste doel' van het leven.

atimana

'Zelfverheffingswaan'. Een van de bezoedelingen van de geest. Zie upakkilesa. Zie ook māna.

ativiya agge uttamabhave

'Van het hoogste niveau'; 'van de hoogste graad zijn'.

atta

A.1 'Ziel'; 'geest'; 'zelf'; 'ik'; 'essentie'; 'persoonlijkheid'.

Deze woorden (inclusief de woorden onder attā) zijn in het boeddhisme een louter conventionele uitdrukking (vohāradesanā) en geen aanduiding voor iets dat werkelijk bestaat.

Zie ook sakkāyadiṭṭhi; anatta; zelfoverwinning.

Grammatica: Mnl.

A.2 'Persoonlijk'; 'met betrekking tot zichzelf'. Grammatica: Adj.

B.1 'Opnemen'; 'accepteren'; 'aannemen'; 'grijpen'; 'vastpakken'. Letterlijk: 'genomen'. Grammatica: Ozn; Vdw van ādadāti.

B.2 'Opgenomen'; 'geaccepteerd'; 'aangenomen'; 'gegrepen'; 'vastgepakt'. Grammatica: Vdw van ādadāti.

Zie ook de pagina De ware betekenis van 'zelf' en 'geen-zelf'.

attā

'Persoon'; 'zelf'. Attā is een verwijzing naar de alledaagse betekenis hiervan en is niet gelijk aan atta. Meer uitleg hierover volgt.

attadiṭṭhi

'Ego-illusie'. Zie diṭṭhi; sakkāyadiṭṭhi.

attahita

'Het eigen welzijn'; 'het eigen voordeel'; 'het goede voor zichzelf'. Antoniem: parahita. Grammatica: Mnl; Sam.

attajinati

'Zelfoverwinning' (atta + jinati). Zie Zelfoverwinning.

attakilamathānuyoga

'Extreem ascetisme'. Een van de twee extremen die door middel van het Achtvoudige Pad vermeden wordt.

attamatthaṁ

'Iemands eigen welzijn'. Zie Dhp166 — De eerwaarde Attadattha.

attanā

A. 'Met zichzelf'; 'door zichzelf'. Grammatica: van atta.

B. 'Van zichzelf'; 'dan zichzelf'. Grammatica: van atta.

attānaṁ

'Zelf'; 'hemzelf'; 'haarzelf'; 'het zelf'; 'jezelf'; 'zichzelf' (object). Antoniem: anattānaṁ. Constructie: atta + ānaṁ. Grammatica: Mnl; Acc Ev van atta; atta groep. Fonetische variant: attanaṁ.

attānañca

Constructie: attānaṁ + ca.

attani

A. 'In zichzelf'; 'voor zichzelf'. Antoniem: anattani. Constructie: atta + ani. Grammatica: Mnl; Loc Ev van atta; atta groep. Variant: attanī.

B. 'Wanneer zelf'; 'wanneer zichzelf'. Antoniem: anattani. Constructie: atta + ani. Grammatica: Mnl; Loc Ev van atta; atta groep; Loc Abs.

attanī

Grammatica: Mnl; Loc Ev van atta; atta groep; Onr van attani.

attano

A. 'Of zichzelf'; 'voor zichzelf'; 'tot zichzelf'. Grammatica: Mnl; Dat Ev van atta; atta groep.

B. 'Van zichzelf'; 'van zichzelf'; 'van zichzelf'; 'mijn eigen'. Grammatica: Mnl; Gen Ev van atta; atta groep.

attano ahitani sukarani

'Daden die schadelijk zijn voor jezelf zijn makkelijk uit te voeren'. Zie Dhp163 — Devadatta — De scheuring in de Saṅgha

attanudiṭṭhimuhacca

'Het verwijderen, het opgeven, het vrij zijn van het idee van een zelf'. Letterlijk: 'het uitrukken of verwijderen van het idee van een zelf'.

Elke handeling, inclusief het waarnemen, het beschouwen, het schenken van aandacht etc., dient zonder het idee van 'ik' gepaard te gaan. De Pāḷi term hiervoor is attanudiṭṭhimuhacca. Hierdoor vinden er geen verstoringen (iñjita) meer plaats binnen de mentale associaties. Dit kan ook worden gezien als de overwinning op Māra. Zie zelfoverwinning.

Constructie: atta + nu + diṭṭhi + muhacca.

attavādupādāna

'Hechten aan een leerstelling van een zelf', is een van de 4 soorten van hechten. Zie upādāna.

attha

A.1 'Betekenis'; 'zin'; 'significantie'. Synoniem: adhippāya; naya. Antoniem: anattha. Fonetische wijziging: rth > tth. Fonetische variant: aṭṭha.

A.2 'Voordeel'; 'voorspoed'; (morele) 'winst'; 'zegen'; 'welzijn'. Synoniem: ānisaṁsa; lābha. Antoniem: anattha. Fonetische wijziging: rth > tth. Fonetische variant: aṭṭha.

A.3 'Doel'; 'gebruik'; 'functie'; 'streven'. Synoniem: aṭṭhi; bhoga. Antoniem: anattha. Fonetische wijziging: rth > tth. Fonetische variant: aṭṭha.

A.4 'Zaak'; 'aangelegenheid'; 'juridische zaak'; 'rechtszaak'. Fonetische wijziging: rth > tth. Fonetische variant: aṭṭha.

A.5 'Met het doel'; 'ter wille van'; 'ten voordele' (van). Synoniem: atthiya. Antoniem: nirattha. Fonetische wijziging: rth > tth.

A.6 'Zaak'; 'aangelegenheid'. Synoniem: vatthu. Fonetische wijziging: rth > tth.

B.1 'Behoefte'; 'verlangen' (naar).

B.2 'Nodig hebbend'; 'verlangend'; 'zoekend'. Synoniem: aṭṭhika; aṭṭhiya; atthika; atthiya; atthī.

C.1 'Huis'; 'rust'; 'onderdak'. C.2 'Dood; einde'; 'vernietiging'; 'verwoesting'. Synoniem: uccheda; vighāta; saṅkhaya.

C.3 'Westelijke berg' (waarachter de zon ondergaat).

D.1 'Jullie zijn allemaal'.

D.2 Jullie moeten zijn'; 'mogen jullie (allen) zijn'.

aṭṭha

Htw acht (8).

attha abhibhāyatana

'Acht fasen van meesterschap'. Zie abhibhāyatana; Attha abhibhāyatana — De acht fasen van meesterschap.

aṭṭha lokadhamma

Zie lokiyadhamma.

attha lokiyadhamma

Zie lokiyadhamma.

attha purisapuggala

'De acht type individuen'; 'de acht menselijke karakters'. Zie aveccappasāda; ariyapuggala.

Zie ook purisapuggala.

atthakathā

'Uitleg van de betekenis'; 'uiteenzetting van de betekenis'. Commentaar op de canonieke Theravāda Tipiṭaka. Deze commentaren geven de traditionele interpretaties van de geschriften.

atthakathakara

'Commentatoren' van de Pāḷi Canon.

atthakkhayi mitta

Een van de gedefinieerde goede vrienden. Zie mitta.

atthangama

'Verdwijning'; 'vernietiging'; 'het voorbij gaan'; 'uitdoving'. Het tegenovergestelde is samudaya.

Voor de combinatie 'ontstaan', 'verdwijnen', 'schijnbare bevrediging', 'gevaar' en 'ontsnappen', zie A04-010; M011; S36-006.

atthapatisambhida

'Analytische kennis van de ware betekenis met betrekking tot begrip'. Zie patisambhida.

atthesu jatesu

Een van de gedefinieerde slechte vrienden. Zie mitta.

atthi

A.1 'Er is'; 'er bestaat'.

A.2 'Er zijn'; 'zij zijn'.

B.1 'Zoeker'; 'die wil'; 'die nodig heeft'; 'die verlangt'.

atthipaccaya

'Aanwezigheidsvoorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

aṭṭtha sīla

'De acht regels van moraliteit'. Zie Sikkhāpada — De boeddhistische morele regels; sikkhā; uposatha.

aṭṭtha vimokkha

'De acht bevrijdingen'. Zie vimokkha.

attukkamsanaparavambhana

'Zichzelf verheffen en anderen kleineren'. Een van Māra's legers. Zie Māra.

atula

Een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend. Zie namen voor de Boeddha.

aturam

'(Het lichaam) is vol ziekten'. Zie Dhp147 — Sirima de courtisane.

autoriteit

Zie de pagina Een rotsvast zelfvertrouwen; Autoriteit; De innerlijke autoriteit; Geen ideeën van ik.

avaca

A. 'Laag'.

B. 'Zei'; 'vertelde'; 'sprak'. Grammatica: Ovt van vacati; Trans (+Acg).

avacara

'Sfeer'; 'wereld'. Zie Avacara — Sferen van het bestaan; deva; jhāna.

avaharaṇa

'Wegnemen'; 'wegdragen'; 'stelen'. Letterlijk: 'naar beneden brengen'. Grammatica: Mnl; Act; van avaharati.

avaharaṇacitta

'Met de intentie om te stelen'; 'met de bedoeling om te nemen'. Grammatica: Adj; Sam.

avaharati

'Wegnemen'; 'wegdragen'; 'stelen'. Letterlijk: 'naar beneden brengen'. Grammatica: Pr; Trans (+Acc).

āvajjana

'Aandacht schenken'; 'betrokken raken'. Zie Āvajjana — Aandacht, de eerste fase in het proces van bewustzijn; viññāṇakicca.

āvajjanacitta

'Aandacht bewustzijn' of 'betrokken bewustzijn'. De staat waarin bewustzijn aandacht schenkt of ergens in betrokken is. Zie āvajjana.

avassuta

'Sijpelend'; 'druipend' (van lust); 'etterend'; 'lekkend'. Letterlijk: 'naar beneden gestroomd'. Synoniem: assavana. Antoniem: anavassuta.

aveccappasāda

'Onwrikbaar vertrouwen'; 'geloof gebaseerd op begrip'. Een benaming voor de in de stroom getredene (sotāpatti). Zie Aveccappasāda — Onwrikbaar vertrouwen; sotapannassa angani; saddha.

aveccappasādena

'Verwerft een onwrikbaar vertrouwen'. Grammatica: Znw Mnl Instr Ev van aveccappasāda. Zie aveccappasāda.

avekkhati

'Kijken naar'; 'begrijpen'; 'overwegen'; 'zien' etc. Synoniem: passati; maññati; samanupassati.

āveṇika

'Speciaal'; 'uitzonderlijk'; 'verschillend'; 'afzonderlijk'; 'buitengewoon'; 'ongewoon'. Zie bijvoorbeeld S37-003.

avīci

Avīci is de naam van de allerlaagste, en dus meest verschrikkelijkste hel (niraya).

aviddasu

'De onwetende'.

avigatapaccaya

'Niet verdwijningsvoorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

avihadevā

'De goden die baden in hun eigen weelde'. Zie deva.

avihesā

Zie equivalent ahiṁsā.

avihesādhātu

Zie avihiṁsā.

avihiṁsā

Zie equivalent ahiṁsā.

In de verscheidene lijsten van 'elementen' (dhātu) verschijnt ook een 'element van geweldloosheid' (avihesādhātu) in de zin van een elementaire eigenschap van edel denken.

avihiṁsāsaṅkappa

'Gedachten van geweldloosheid, harmonie, mededogen, afwezigheid van wreedheid', is een van de drie juiste gedachten.

Ga naar de beschrijving van juiste gedachten op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

avihiṁsāvitakka

'Gedachten van geweldloosheid'. Zie vitakka; ahiṁsā.

avijjā

'Onwetendheid'; 'gebrek aan ware kennis'. Zie Avijjā — Onwetendheid; moha.

avijjānusaya

'De onderliggende neiging tot onwetendheid'. Zie o.a. S36-006; anusaya.

avijjāsava

'De bezoedeling van onwetendheid' oftewel 'gebrek aan hogere kennis', is één van de vier hoofdbezoedelingen. Zie asava.

avijjāyoga

'De band van onwetendheid' oftewel gebrek aan hogere kennis, staat voor één van de vier hoofdbezoedelingen en is daarmee gelijk aan. Zie A04-010; asava.

avijjāyogavisaṁyoga

'De verbreking van de band van onwetendheid', zie A04-010.

avijjogha

'De overstroming van onwetendheid' oftewel gebrek aan hogere kennis, staat voor één van de vier hoofdbezoedelingen en is daarmee gelijk aan. Zie asava; ogha.

avikkhepa

'Onverstoorbaarheid' is een synoniem voor concentratie (samādhi); geestelijke eenheid (ekaggatā); kalmte (samatha).

avikkhittacitta

'De niet afgeleide geest', is het tegenovergestelde van vikkhittacitta.

avimuttacittatta

'Het feit dat er geen sprake is van een bevrijde geest'; 'het feit dat er geen sprake is van een geëmancipeerd hart'. Constructie: na > a + vimutta + citta + tta / avimuttacitta + tta.

avinīta

'Ongetraind (in)'; 'ongeschoold' (over); 'ongedisciplineerd' (in). Antoniem: suvinīta; vinīta.

avipariṇāmadhamma

'Met een onveranderlijke aard'; 'in stabiele toestand'.

avippamutta

'Niet bevrijd'; 'niet vrijgelaten'; 'niet gered' (van). Synoniem: anissaṭa. Antoniem: vippamutta.

avippati

'De afwezigheid van berouw'. Zie ook tappati; kukkucca; A10-001.

avippatisara

'Het zonder berouw zijn'. Zie ook tappati; kukkucca; A10-001.

avippayoga

Letterlijk: 'Niet-gescheiden van'; 'niet-dissociatie van'. Zie ook sampayoga.

avoca

'Zei' (iets tegen). Grammatica: Aor van vacati; Ditrans (+Acg & +Acc).

āvuso

'Vriend'; 'vrienden'. Zie bhante.

avyakata

'Onbepaald'. Zie Avyakata — Neutrale staten van bewustzijn; nisaṅkhiti.

avyapada

'Zonder kwade wil' oftewel 'vreedzaam van geest'.

avyapada saṅkappa

'Gedachten van welwillendheid, goodwill, liefdevolle vriendelijkheid', is een van de drie juiste gedachten.

Ga naar de beschrijving van juiste gedachten op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

avyapada vitakka

'Gedachten zonder haat'. Zie vitakka.

ayaṁ

'Dit'; 'deze persoon'; 'dit ding'.

ayasa

'Afkeuring'; 'slechte reputatie'; 'schande'. Het is een van de wereldse wisselvalligheden waar het tegenover yasa staat. Zie lokiyadhamma.

ayasma

'Eerbiedwaardige' (heer/vrouw). Zie bhante.

āyatana

'Sferen'; 'bases'; 'bronnen'. Zie Āyatana — De zintuigsferen; chattiṁsā sota.

ayatanam

'De zintuigbases'. Zie āyatana.

ayogakkhema

'Niet veilig voor slavernij'; 'niet vrij van banden'. Zie yoga; A04-010.

ayogakkhemakāma

'De wens hebben dat iemand niet veilig is voor gehechtheid'. Hier staat 'kāma' voor 'wens' of 'verlangen'. Het tegenovergestelde is yogakkhemakāma. Zie ook yoga.

ayonisomanasikāra

'Onwijze overweging'; 'dwaze overweging'. Zie ook manasikara; yonisomanasikāra.

ayu kappa

'De levensspanne'. Hier betekent kappa dus niet 'wereldperiode'.

āyūhana

'Ophoping', d.w.z. 'de ophoping van kamma' (karmische ophoping). Zie Āyūhana — Ophoping; paṭiccasamuppāda (2-10).

b

bahi

A. 'Extern'; 'naar buiten'; 'buiten' (van). Synoniem: bahiddhā. Antoniem: anto. Grammatica: Onb; Vz (+Gen).

B. 'Verder'; 'meer' (dan). Letterlijk: 'buiten'. Synoniem: uttari; paro. Antoniem: anto. Grammatica: Onb; Vz (+Abl).

bāhira

A. 'Buitenste'; 'extern'. Antoniem: ajjhattika. Grammatica: Adj; van bahi.

B. 'Afgelegen'; 'ver weg'. Synoniem: parantī. Grammatica: Adj; van bahi.

C. 'Buiten'; 'extern'. Antoniem: ajjhattika. Grammatica: Ozn; van bahi.

bāhiraka

'Buitenstaanders' oftewel 'de discipelen van hen die niet bekend stonden als discipelen van de Boeddha'. Antoniem: ajjhattika.

bāhirassa upādāya

'Gerelateerd aan het uitwendige', d.w.z. gerelateerd aan de externe vijf aggregaten (pañcupādānakkhandhā). Zie A04-199 — Taṇhā Sutta — Begeerte — De verstrikker en de ideeën van ik; chattiṁsā sota.

bahirāyatana

'De zes uitwendige zintuigbases'. Zie āyatana B.

Zie ook bāhirassa upādāya.

bahu

'Vaak'; 'veel'; 'een hoop'; 'groot'; 'omvangrijk'. Synoniem: pacura; bahuka; mahanta; mahallaka. Antoniem: appa.

bahu bhāsati

'Spreekt onophoudelijk'. Zie Dhp259 — Ekudana de arahat.

Bahuka

Rivier de Bahuka. Geen toelichting.

bahula

A. 'Overvloedig'; 'vol van'. Letterlijk: 'veel'. Synoniem: bahulī. Grammatica: Adj; van bahu.

B. 'Algemeen'; 'gebruikelijk'; 'frequent'. Letterlijk: 'veel'. Grammatica: Adj; van bahu.

bahulīkamma

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, C.2.

bahuṁ

Grammatica: van bahu.

Bahumati

Rivier de Bahumati. Geen toelichting.

bahuñca

Constructie: bahuṁ + ca.

bahusankappam

'(Door velen) beschouwd als iets volmaakts'. Zie Dhp147 — Sirima de courtisane.

bala

A. 'Kracht'; 'macht'. Synoniem: SynoniemUitgesteld. Antoniem: AntoniemUitgesteld. Grammatica: Ozn.

B. 'Krachten'; 'vermogens'. Letterlijk: 'kracht'. Grammatica: Ozn. Zie Bala — Krachten; Het hart; buddhacakkhu; indriya samatta.

C. 'Leger'; 'militaire macht'. Letterlijk: 'kracht'. Grammatica: Ozn.

D. 'Financiële mogelijkheden'; 'middelen'. Letterlijk: 'kracht'. Grammatica: Ozn.

bāla

A. 'Dwaas'; 'onwetend'; 'dom'; 'onvolwassen'. Synoniem: SynoniemUitgesteld. Antoniem: AntoniemUitgesteld. Grammatica: Adj.

Zie ook Dhp064 — De eerwaarde Udayi.

B. 'Dwaas'; 'idioot'; 'onvolwassen persoon'. Synoniem: SynoniemUitgesteld. Antoniem: AntoniemUitgesteld. Grammatica: Mnl.

C. 'Jong in jaren'.

D. 'Kind'.

bālā

A. 'Jong meisje'. Constructie: bāla + ā. Grammatica: Vrl; van bāla.

B. 'Dwaze vrouw'; 'Onvolwassen meisje'. Constructie: bāla + ā. Grammatica: Vrl; van bāla.

bālaṁ

Grammatica: van bāla.

bālo

Grammatica: Adj Mnl Nom Ev van bāla / Znw Mnl Nom Ev van bāla.

bandhita

'In de val'; 'gevangen'; 'gebonden'.

De haas is over het algemeen een schuw dier. Zijn angst zal veel sterker zijn wanneer hij gevangen zit. Zie Dhp338-343 — De jonge zeug; chattiṁsā sota.

Constructie: √bandh + ita. Grammatica: Vdw van bandhita. Variant: bādhita.

bandhito

Grammatica: Mnl Nom Ev van bandhita.

banyan boom

Zie nigrodha boom.

bezoedeld

Zie bezoedelingen.

bezoedeling

Zie bezoedelingen.

bezoedelingen

Vanuit boeddhistisch perspectief gezien zijn bezoedelingen alle onheilzame (akusala) zaken die de geest bezoedelen, verontreinigen, onzuiver maken waardoor bewustzijn niet helder kan zijn. Zie het deel Bezoedelingen van de sectie Inzicht meditatie.

bhaga

A. 'Geluk'; 'Fortuin'. Grammatica: Ozn.

B. 'Perineum'; 'vulva'. Letterlijk: 'verdelen'. Grammatica: Ozn.

C. 'Vrouwelijk orgaan'. Grammatica: Ozn.

bhagavā

'Gezegend'; 'Verheven'; 'Gelukkig'. Grammatica: Mnl; Ev Nom van bhagavant.

Het is een van de kenmerken van de Boeddha. Zie aveccappasāda.

Zie ook bhagavant; namen voor de Boeddha.

bhagavant

A. 'Verhevene'; 'Gezegende'; 'Fortuinlijke'; 'Gunstige'. Epitheton van de Boeddha. Letterlijk: 'iemand met een goede fortuinlijke kwaliteit'. Grammatica: Mnl; van bhaga.

Zie ook bhagavā; namen voor de Boeddha.

B. 'Fortuinlijke'. Letterlijk: 'iemand met een goede fortuinlijke kwaliteit'.

bhagavantaṁ

Grammatica: van bhagavant.

bhagavatā

'Door de Boeddha'; 'met de Boeddha'.

Zie ook bhagavā.

bhagavato

A. 'Aan de Boeddha'; 'voor de Boeddha'. Grammatica: Mnl; Dat Ev van bhagavant.

B. 'Van de Boeddha'. Grammatica: Mnl; Gen Ev van bhagavant.

C. 'Van de Boeddha'. Grammatica: Mnl; Abl Ev van bhagavant.

bhagini

'Zus'.

bhaṇḍati

'Geredetwist'; 'gewedijver'; 'geruzie' (met). Synoniem: vadati; vādayati; vivadati. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

bhaṅḍituṁ

'Redetwisten' (met); 'wedijveren' (met); 'ruzie maken' (met). Grammatica: Inf van bhaṇḍati; Intrans (+Instr).

bhante

'Eerwaarde' (heer/vrouw). Bhante is een genderneutrale term en kan worden gebruikt om zowel monniken als nonnen aan te spreken. Het is de aanspreekvorm van het woord bhadanta, dat erkenning van grootsheid en respect verleent. Bhadanta wordt vaak vertaald als 'eerbiedwaardig' (ayasma). Voor de laatste instructies van de Boeddha over hoe men elkaar aanspreekt, zie D16.6.2.

bharata

'India'. In de tijd van de Boeddha heette India 'Jambudipa' (jambu = bos) en was opgedeeld in 16 deelstaten. De streek waar de Boeddha rondtrok om zijn Leer te prediken heet 'Majjhimadesa', het Midden-Land, het 'thuisland' van de boeddhisten.

bhāsati

A.1 'Spreekt' (over); 'praat' (over); 'zegt'. Synoniem: ālapati; katheti; byāharati; brūti; bhaṇati; vadati; sallapati. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

A.2 'Spreekt' (voor); 'praat' (namens); 'spreekt' (met). Grammatica: Tt; Intrans (+Dat).

A.3 (Van vers) 'reciteert'; 'uitspreekt'. Letterlijk: 'spreekt'. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

B.1 'Schijnt'; 'straalt'. Grammatica: Tt; Intrans.

B.2 'Verhelderen'; (het doen) 'oplichten'. Synoniem: pakāsati; bhāti. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

bhāsita

A. 'Gezegde'; 'toespraak'; 'verklaring'; 'uiting'; 'gesprek'; 'woorden'. Letterlijk: 'wat er gezegd is'. Grammatica: Ozn; Vdw van bhāsati.

B. 'Gezegd' (door); 'gesproken' (door); 'gereciteerd' (door). Grammatica: Vdw van bhāsati (+Instr).

C. 'Sprekend'; 'pratend'; 'zeggend'. Letterlijk: 'gesproken'. Grammatica: Ozn; Vdw van bhāsati.

D. 'Woord'. Grammatica: Ozn; van bhāsati.

bhāsitar

'Spreker'; 'die praat' (over). Grammatica: Mnl; Agent; van bhāsati (+Acg).

bhāsitassa

Grammatica: van bhāsita.

bhassati

'Valt neer'; 'laten vallen'; 'daalt'.

bhata

'Broer'.

bhava

'Worden' oftewel 'in het bestaan komen'. Zie Upapattibhava — Het wedergeboorteproces in alle eenvoud; Bhava — Worden oftewel in het bestaan komen; uppajjati; paṭiccasamuppāda.

bhāva

A. 'Natuur'; 'aard'; 'kenmerk'; 'toestand'. Grammatica: Mnl; Abstr; in Sams; van bhavati. Synoniem: SynoniemUitgesteld. Antoniem: AntoniemUitgesteld.

B. 'Natuurlijke geslacht'. Letterlijk: 'staat'. Het verwijst naar de seksuele kenmerken van het lichaam en behoort tot de groep van lichamelijkheid (zie pañcupādānakkhandhā). Het is een gecommentarieerde term voor de vermogens (zie indriya 7, 8). Grammatica: Mnl; Abstr; van bhavati. Synoniem: SynoniemUitgesteld.

C. (Gram) 'onpersoonlijke stem'. Grammatica: Mnl; Abstr; van bhavati.

D. (Gram) 'substantieve essentie'.

bhavajjhosāna

'De gehechtheid aan worden', d.w.z. van het bestaan. Zie bhava en o.a. A04-010.

bhavamucchā

'De misleiding van worden', d.w.z. van het bestaan. Zie bhava en o.a. A04-010.

bhāvanā

'Mentale ontwikkeling'. Zie Bhāvanā — Mentale ontwikkeling.

bhāvanā mayā paññā

Zie paññā.

bhāvanābala

'Kracht van mentale ontwikkeling'. Zie A02-010.

bhavanandī

'Het zich verheugen in worden', d.w.z. in het bestaan. Zie bhava en o.a. A04-010.

bhāvanāpadhāna

'De inspanning van het ontwikkelen', is een van de 4 inspanningen. Zie padhāna.

bhāvanārāmatā

'Vreugde vinden in meditatie' (bhāvanārāmatā) is een van de edele tradities (ariyavamsa).

bhavaṅga

'Levenscontinuüm'; 'onderbewustzijn'. Zie bhavaṅga sota.

bhavaṅga citta

'Onderbewustzijn'. Zie ook bhavaṅga sota.

bhavaṅga mano

'De onderbewuste geest'. Zie bhavaṅga; bhavaṅga sota; bhavaṅga citta.

bhavaṅga sota

'Onderstroom die de staat van het bestaan vormt'; 'onderbewustzijn'. Zie Bhavaṅga sota — De onderstroom die de staat van het bestaan vormt; viññāṇakicca.

bhavaṅgasantāna

'Continuering van het onderbewustzijn'. Zie santāna.

bhavant

'Meester'; 'heer'; 'gerespecteerde man'. Letterlijk: 'aanwezig zijn'. Synoniem: ayya; bhavaṁ; bho. Grammatica: Mnl; van bhavati; Onr.

bhavanti

Zie bhavati.

bhavapariḷāha

'Het voeden van worden', d.w.z. van het bestaan. Zie bhava; pariḷāha en o.a. A04-010.

bhavapipāsā

'De dorst naar worden', d.w.z. naar het bestaan. Zie bhava en o.a. A04-010.

bhavarāga

'Hunkering naar continuering van bestaan', oftewel worden. Synoniem: bhavataṇhā.

bhavasaṅkhāra

'De vormende kracht van worden', in de zin van wat het bestaan creëert.

bhavasava

'De bezoedeling van worden' oftewel bestaan, is één van de vier hoofdbezoedelingen. Bhava betekent 'worden' dat gelijk is aan 'het in het bestaan komen'. Zie asava.

bhavasneha

'Het kleven aan worden', d.w.z. aan het bestaan. Zie bhava en o.a. A04-010.

bhavataṇhā

'Hunkering naar bestaan'; 'hunkering naar worden'. Zie Taṇhā — De drie vormen van begeerte; bhava; taṇhā.

bhavati

A. 'Is'; 'wordt'; 'plaatsvinden'; 'gebeuren'; 'overkomen'; 'voorvallen'. Synoniem: bhoti; hoti. Antoniem: vibhavati. Grammatica: Tt; Intrans (+Nom).

B. 'Bestaat' (voor). Synoniem: hoti. Antoniem: vibhavati. Grammatica: Tt; Intrans (+Dat).

Over het algemeen prevaleert de betekenis 'bestaan', 'worden', maar er zijn vele nuances mogelijk, afhankelijk van de context en de combinaties. Het gaat te ver om alle nuances op te sommen.

bhavayoga

'De band van worden' oftewel bestaan, staat voor één van de vier hoofdbezoedelingen en is daarmee gelijk aan. Bhava betekent 'worden' dat gelijk is aan 'het in het bestaan komen'. Zie A04-010; asava.

bhavayogavisaṁyoga

'De verbreking van de band van worden', zie A04-010.

bhavetabba

'Cultiveren'; 'ontwikkelen'.

Zie ook bhavetatabbam.

bhavetatabbam

'Moet ontwikkeld worden'. Zie S56-011, 4.1-4.3.

Zie ook Boeddhisme is voor alle mensen.

bhavissāmi

Grammatica: van bhavati; bhavissati.

bhavissati

A. 'Zou kunnen zijn'; 'zou moeten zijn'. Letterlijk: 'zal zijn'. Grammatica: Toe van bhavati; Intrans (+Nom).

B. 'Het behoort' (tot). Letterlijk: 'het zal zijn'. Grammatica: Toe van bhavati; Onp; Intrans (+Dat).

C. 'Zal gebeuren'; 'zal plaatsvinden'. Letterlijk: 'het zal zijn'. Grammatica: Toe van bhavati; Onp; Intrans.

Varianten bhavissati: bhavissatiti; hoti

bhavissatiti

Grammatica: bhavissati +ti. Zie bhavissati.

bhavitam

'Is ontwikkeld'. Zie S56-011, 4.1-4.3.

bhavitattanam

'Een persoon met een ingetoomde en gedisciplineerde geest' (een arahat).

bhavo

Zie bhava.

bhavogha

'De overstroming van worden' oftewel bestaan, staat voor één van de vier hoofdbezoedelingen en is daarmee gelijk aan. Bhava betekent 'worden' dat gelijk is aan 'het in het bestaan komen'. Zie asava; ogha.

bhavupadana

'Hechten aan het bestaan'. Zie upādāna.

bhaya

A. 'Angst'; 'schrik'; 'vrees'; 'beven'; 'onvrede'; 'wankelen'; 'onzekerheid'; 'verwarring'; 'lafheid'. 'Angst', is een van de 4 verkeerde paden. Voorbeeld: Piya vagga — Dhammapada hoofdstuk 16 — Geliefd. Zie verder agati.

In D31 — Sigalovada Sutta — Advies aan Sigala, somt de Boeddha angst op als een van de vier oorzaken van de vier manieren waarop een kwade daad begaan wordt.

Zie ook Afhankelijkheid en angst; Dhp422 — De eerwaarde Angulimala — Zonder bezoedelingen en onbevreesd.

B. 'Gevaar'; 'calamiteit'.

Zie ook ādīnava.

Angst heeft ook een positieve functie, zie verder pamade bhayadassi; natthi jagarato bhayam.

bheda

'Verdeeldheid'; 'schisma'; 'splitsing'; 'breuk' 'geen eenheid'; 'ontbinding'.

Zie ook kāyassa bhedā paraṃ maraṇā.

bhikhi

'Gebedeld'; 'gebedeld om aalmoezen'.

bhikkhave

'Monniken'. Synoniem: bhikkhavo. Grammatica: Mnl; Voc Mv van bhikkhu.

bhikkhavo

Zie bhikkhave.

bhikkhu

'Boeddhistische monnik'. Een volledig ingewijde monnik van de Boeddha wordt een 'bhikkhu' genoemd. 'Bedelmonnik' komt het dichtste bij de betekenis van 'bhikkhu'. Hij is geen priester of intermediair tussen een god en de mens. Hij heeft geen verplichte manier van leven, maar hij is onderworpen aan regels die hij geheel uit eigen beweging naleeft. Hij leidt vrijwillig een leven met minimale behoeften en is ongehuwd. Als hij onbekwaam is het heilige leven (brahmacariya) te leiden, kan hij op elk moment het gele kleed afleggen.

Let op. Een bhikkhu is niet per definitie iemand met waar inzicht. Zie samaṇa.

Zie ook bhikkhuni; pabbajjā.

bhikkhū

Grammatica: Rflx Aor 3P Mv van bhikhi / Mnl Nom Mv van bhikkhu / Mnl Nom Acg van bhikkhu / Mnl Nom Voc van bhikkhu.

bhikkhūhi

Grammatica: Mnl Instr Mv van bhikkhu / Mnl Abl Mv van bhikkhu.

bhikkhuṁ

'De monnik'.

bhikkhuni

'Boeddhistische non'. Het was de Boeddha die voor het eerst in de wereldgeschiedenis de gemeenschap van nonnen (Bhikkhuni Sāsana) stichtte. Vrouwen van alle achtergronden voegden zich bij de gemeenschap. De levens van een groot aantal van deze edele nonnen, hun energieke pogingen om het doel van vrijheid te winnen en hun dankliederen van vreugde door de bevrijding van de geest, zijn opgetekend in de 'Psalmen van de Zusters' (Therigāthā). Vrouwen kunnen net zo goed verlichting bereiken als mannen. Een beroemde uitspraak van de Boeddha is: "Sommige vrouwen zijn beter dan mannen." (Itthi pi hi ekacciya seyya).

Het was Ānanda die de Boeddha aanspoorde de bhikkhuni sāsana te stichten.

Zie ook samaṇa; bhikkhu; pabbajjā.

bhikkhuni sāsana

'Gemeenschap van nonnen'. Zie bhikkhuni.

Het was Ānanda die de Boeddha aanspoorde de bhikkhuni sāsana te stichten.

bhikkhuno

A. 'Voor een monnik'; 'voor de monnik'. Grammatica: Mnl; Dat Ev van bhikkhu.

B. 'Van een monnik'; 'van de monnik'. Grammatica: Mnl; Gen Ev van bhikkhu.

C. 'Wanneer een monnik'. Grammatica: Mnl; Gen Ev van bhikkhu; Gen Abs.

bhiru

'Bevreesd'; timide'; 'laf'. Een van Māra's legers. Zie Māra; bhaya.

bhisakko

Een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend. Zie namen voor de Boeddha.

bho

(Respectvolle aanspreking, vooral tussen brahmanen) 'heer'; 'heren'; 'meester'; 'meesters'; 'vriend'; 'vrienden'; 'goede man'; 'goede mannen'. Grammatica: van bhavant.

bhojane mattaññuta

'Matig en indachtig eten'. Eten doe je niet uit toegeeflijkheid of om het lichaam te sieren, maar om het lichaam fit en gezond te houden om het heilige leven (brahmacariya) te kunnen leiden. Het is een van de vier beperkingen (catupariyanta).

bhoti

A. 'Mevrouw'; 'lieve'. Grammatica: Vrl van bhavant.

B. 'Is'; 'wordt'. Synoniem: bhavati; hoti. Grammatica: Tt; Intrans.

bhūtapubba

'Vroeger'. Letterlijk: 'gebeurt voordat'.

bodhi

'Verlichting'; 'wijsheid'; 'verheven kennis'; 'ontwaking tot de realiteit'.

Komt Dit item wordt z.s.m. uitgewerkt.

bodhi boom

Boom waaronder de Boeddha de Verheven Verlichting bereikte. Plaats: Bodh Gaya, het vroegere Uruvela. Ficus religiosa. Officiele Pāḷi naam: assattha boom. Sri Lanka: asatu. Zie ook nigrodha boom.

bodhipakkhiya dhamma

De 37 'benodigdheden voor verlichting' of 'toebehoren voor verlichting'. Zie Bodhipakkhiya dhamma — De benodigdheden voor verlichting.

bodhisatta

De Boeddha vóór zijn verlichting. Een Bodhisatta is iemand die ooit in een vorig leven de sterke wens had om een Boeddha te worden. Zie o.a. Sumedha; Jātaka. Zie ook pāramitā.

boeddha

'Boeddha' is niet een naam maar de titel. Daarom zeggen we niet 'Boeddha', maar 'de Boeddha'. Zie De Boeddha — Wie was de Boeddha?; Namen en titels voor de Boeddha. Voor zijn Leer, zie de sectie Inzicht meditatie.

boeddhisme

Wil je weten wat boeddhisme echt is? Ga dan naar de pagina Aan de slag. Deze is op elke pagina (bovenaan) te bereiken.

boeddhistische training, de drie aspecten

Wijsheid (paññā) moreel of ethisch gedrag (sīla); concentratie (samādhi). Zie Ariya Aṭṭhaṅgika Magga.

boer

'Een opwaartse wind' . Het is gewoon een onderdeel van het lichaam. Zie ook scheet; vayo dhātu.

bojjhanga

'Factoren van verlichting'. Synoniem: sambojjhaṅga. Zie satta sambojjhaṅga.

brahma

Zie Brahma — De zogenaamde goddelijke schepper.

brahmaan

Een brahmaan is voor wat betreft het Indiase kastenstelsel geboren in de priesterkaste en daardoor 'edel van geest', maar in het boeddhisme wordt dit woord gebruikt om een arahat aan te duiden, iemand die de verlichting verwerkelijkt heeft. De Boeddha gebruikte deze term ook vaak om zich aan te passen aan het reguliere woordgebruik waaronder de term werd gebruikt. Maar zoals gezegd wel met een andere betekenis.

In o.a. de Dhammapada hoofdstuk 26 — De brahmaan, wordt duidelijk aangegeven wat de Boeddha onder een brahmaan verstaat. Wanneer vanuit boeddhistisch perspectief gesproken wordt over 'brahmaan', dan wordt daar de arahat mee bedoeld.

Het heilige leven (brahmacariya), het hoogste en beste in gedrag, is het celibatair geestelijke leven van de bhikkhu of bhikkhuni. Iemand die vrij is van bezoedelingen, dat is een brahmaan. "Iemand wórdt geen uitgestotene door geboorte, iemand wórdt geen brahmaan door geboorte. Het is door de daad, dat iemand een uitgestotene wordt, het is door de daad, dat iemand een brahmaan wordt." Snp1-07.142

Ook in o.a. Snp3-06 en in Snp3-09 geeft de Boeddha duidelijk aan wat een brahmaan is.

brahmacariya

'Brahmacariya' verwijst naar een puur (kuis) of heilig leven en is in principe een term voor het leven van de monnik.

Constructie: brahma + cariya.

Een lekenvolgeling die de 8 morele regels (zie sikkhāpada) op zich genomen heeft, maakt als de derde regel de belofte van kuisheid, dat wil zeggen, volledige onthouding van seksuele relaties. Het hoogste streven en doel van brahmacariya is volgens M029, 'de onwrikbare bevrijding van de geest' (akuppa cetovimutti).

Zie ook maggabrahmacariya.

brahmadaṇḍa

'Hogere straf'. Een straf die iemand opgelegd kan krijgen. Dit houdt in dat monniken die persoon eenvoudigweg negeren en niets met hem te maken hebben. Deze straf werd o.a. opgelegd aan Channa vanwege zijn arrogantie. Zie Dhp078.

brahmakāyika

'Brahmakāyika' staat voor de drie hemelen van de fijnstoffelijke sfeer, (rūpaloka), de hoogste goddelijke sfeer. Zie Brahma; brahmakāyikadevā; deva; Hlp006.

brahmakāyikadevā

'De hemelse wezens van de Brahma-wereld' die in de eerste 3 hemelen van de fijnstoffelijke wereld (rūpaloka) verblijven, welke corresponderen met de 1e meditatieve verdieping (zie jhāna). De hoogste heerser onder hen wordt de Grote Brahma (mahābrahma) genoemd. Op humoristische wijze wordt er van hem gezegd (D11) dat hij zich aldus voordoet: "Ik ben Brahma, de Grote Brahma, de Meest Hoge, de Onoverwinnelijke, de Alwetende, de Heerser, de Heer, de Schepper, de Maker, de Perfecte, de Beschermer, de Beheerder, de Vader van al wat was en van al wat zal zijn." Zie ook deva; Hlp006.

brahmaloka

'Brahma-wereld', is een naam in de meest brede zin voor de fijnstoffelijke sfeer (rūpaloka) en de onstoffelijke sfeer (arūpaloka); alhoewel, in nauwere zin, heeft deze term alleen betrekking op de eerste 3 hemelen van de fijnstoffelijke sfeer. Zie brahmakāyikadevā; Hlp006.

brāhmaṇa

Zie brahmaan.

brahmanen

Zie brahmaan.

brahmanisme

Het brahmanisme was een vedische religie waaruit de eerste vormen van het hindoeïsme zijn ontstaan. Zij hanteren o.a. het kastenstelsel dat door de Boeddha krachtig werd verworpen.

brahmapārisajjadevā

'Brahma's gevolg'. Zie deva.

brahmapurohitadevā

'Brahma's ministers'. Zie deva.

brahmavihāra

Letterlijk: 'goddelijke verblijfplaats' of 'goddelijke sferen'. Ook wel 'grenzeloze staten' en 'verheven bewustzijnsstaten'. Synoniem: appamaññā. Zie Brahmavihāra — De vier verheven bewustzijnsstaten.

brahmavihāra bhāvanā

'De ontwikkeling van de vier verheven staten'. Zie Brahmavihāra bhāvanā — De meditatieve ontwikkeling van de vier verheven staten; brahmavihāra; jhāna; bhāvanā.

buddha

Letterlijk: 'Verlichting'; 'verlicht'. Buddha is het voltooid deelwoord van bujjhati.

buddhacakkhu

'Boeddha-oog'. Buddhacakkhu vormt de kennis van de bezoedelingen en de kennis van de latente neigingen (asayanusaya ñāṇa) en de kennis van domheid en scherpzinnigheid van vermogens (indriya) als geloof (saddha), energie (viriya), indachtigheid (sati), concentratie (samādhi) en wijsheid (paññā).

Dit wordt ook indriyaparopariyattiñāṇa genoemd en is ook gelijk aan de vijf krachten, zie bala oftewel de spirituele vermogens (indriya 15-19).

buddhānussati

Zie buddhānussati bhāvanā.

buddhānussati bhāvanā

'Mediteren op (de kenmerken van) de Boeddha'. Zie Aveccappasāda — Onwrikbaar vertrouwen; bhāvanā.

Zie ook Dhp296-301 — De zoon van de houthakker.

buddhasāsana

'Leer van de Boeddha'; 'boodschap van de Boeddha'; 'religie van de Boeddha'. Zie ook dhammavinaya.

Zie ook religie.

buddhavaṁsa

'Geschiedenis van de Boeddha's'. Zie Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

buddhavisaya

'Reikwijdte van begrip'; 'domein van onderscheidingsvermogen' (van).

buddhicarita

'Degene die intelligent van karakter is'. Zie ook carita.

buddho

Nominatief enkelvoud van buddha.

bujjhati

'Wakker worden'; 'wakker zijn'; 'weten'; 'begrijpen'. Zie ook buddha.

byā

'Inderdaad'; 'waarlijk'; 'zeker'; 'precies'.

byadhi

Gebruik in STI is vyādhi.

byapada

Gebruik in STI is vyapada.

c

ca

A. 'En'; 'beide'. Grammatica: Onb; Vw.

B. 'Maar'; 'hoewel'; 'en als'. Grammatica: Onb; Vw.

C. (Gram) 'en'; 'evenals'; 'maar'; 'algemene voorwaarden zijn van toepassing op een regel'. Grammatica: Onb.

cāga

'Vrijgevigheid'; 'liefdadigheid'; is een van de 'zegeningen' (sampada), een van de fundamenten (adhiṭṭhāna), een van de bespiegelingen (anussati), een van de schatten (dhana). Zie A07-006; A08-054.

Verder is het een voorwaarde voor spirituele vooruitgang die de Boeddha adviseert voor lekenvolgelingen. Zie dāna.

Cāga is een van de 7 schatten (dhana).

cāgānussati

'De bespiegeling van vrijgevigheid'. Zie ook cāga.

cāgasampadā

'Volbrenging van vrijgevigheid'. Het is een voorwaarde voor spirituele vooruitgang die de Boeddha adviseert voor lekenvolgelingen. Zie A08-054; cāga.

cakka

'Wiel'.

cakkani

'Wielen'. Zie o.a. A04-031.

cakkavattirāja

De 'ideale' of de 'rechtvaardige koning' overeenkomstig de boeddhistische traditie. Meestal aangeduid als 'een wiel in beweging zettende koning' of 'een universele koning'. Deze koning is een persoon die alleen de leider van de hele wereld is geworden door de kracht van zijn eerder verrichtte goede kamma. Het is een soortgelijk goed kamma als iemand die een Sammāsambuddha kan worden.

De zeven schatten van deze koning zijn: het wiel-schat, de olifant-schat, het paard-schat, de edelsteen-schat, de vrouw-schat, de rentmeester-schat en de raadgever-schat. Zie M129.

cakkhāyatana

'De basis van het oog'. Zie āyatana B.

cakkhu

'Oog'; 'visie'.

De volgende 5 soorten van 'ogen' die genoemd worden zijn: 1. Het fysieke oog (mamsa cakkhu); 2. het goddelijke oog (dibba cakkhu, zie abhiññā); 3. het oog van wijsheid (paññācakkhu); 4. het Boeddha-oog (buddhacakkhu); 5. Het oog van allround kennis (samanta cakkhu).

Zie ook āyatana.

cakkhupasāda

'Het gevoelige oogorgaan'. Constructie: cakkhu + pasāda.

cakkhusamphassa

Letterlijk: 'oog contact', zie phassa.

cakkhuviññāṇa

'Oogbewustzijn' oftewel 'zien'.

caṇḍāla

A. 'Verstotene'; 'lage kaste'. De Caṇḍāla's zijn de allerlaagsten binnen het kastenstelsel. Synoniem: chapaka; chavaka. Grammatica: Mnl.

B. 'Truc'; 'amusement'; 'vermaak'. Grammatica: Ozn.

C. (Algemeen) 'een spel met ijzeren ballen'; (of) het spel 'hennep wassen'. Grammatica: Ozn.

carana

'Gedrag'. Zie vijjācaraṇa.

carita

'Karakter'; 'natuur'. In Vis 3 worden zes soorten van mensen uitgebeeld: 1. degene die hebzuchtig van karakter is (raga carita); 2. degene die hatelijk van karakter is (dosacarita); 3. degene die dom of stompzinnig van karakter is (mohacarita); 4. degene die gelovig van karakter is (saddha carita); 5. degene die intelligent van karakter is (buddhicarita); 6. degene die overdenkend van karakter is (vitakkacarita).

cāritta sīla en vāritta sīla

'Moraliteit bestaande uit uitvoering en moraliteit bestaande uit vermijding', betekent 'de uitvoering van die morele regels die de Gezegende heeft verordend om te volgen, en het vermijden van die dingen die de Gezegende heeft verworpen als niet te volgen'. Vis 3.

Zie ook sīla.

cariya

'Gedrag'; 'handelswijze'; 'staat van leven'. Synoniem: apadāna; caraṇacāritta. Grammatica: Ozn; in Sams; van carati.

cariyā piṭaka

'De Collectie van de Manieren van Gedrag'. Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

Cattāri Ariyasaccāni

'De vier Edele Waarheden'. Zie Cattāri Ariyasaccāni — De vier Edele Waarheden; Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

Zie ook Dhp188-192 — Aggidatta de brahmaan; Hoe word ik een echte boeddhist?

cattāri mahābhūtāni

'De vier grote elementen', zie dhātu.

cattāri purisayugani

'De vier paren van personen'. Zie ook purisayugani.

cattārome

'Deze vier' (catu).

catthāya

'En met het doel'; 'en ter wille van'; 'en ten goede van'.

catu

Htw vier (4).

catudhātuvavatthāna

'Analyse van de 4 elementen'. Zie dhātuvavatthāna; bhāvanā.

catumaharajika

Een van de zes hemels van de zintuiglijke sfeer: (kāmāvacara) of (kāmaloka) is de sfeer waarin wij leven. Hierin leven ook de catumaharajikadevā. Zie deva.

catumaharajikadevā

'De vier grote koningen', is een klasse goden van de zintuiglijke sfeer. Zie deva.

catupārisuddhisīla

'Viervoudige morele zuiverheid'. Zie sīla.

catupariyanta

'De vier beperkingen'; 'begrenzingen', zijn algemene morele regels waar monniken zich aan dienen te houden. Ze hebben betrekking op: 1. zelfbeheersing (saṁvara sīla) 2. beheersing met betrekking tot de zintuigen (indriyasaṁvara sīla); 3. matig en indachtig eten (bhojane mattaññuta); 4. toepassing van waakzaamheid (jāgariyānuyoga).

Zie o.a. Snp4-16.

catusampajañña

'De vier soorten van helder begrip'. Zie sampajañña.

catutthajjhāna

'4e Meditatieve verdieping'. Zie jhāna.

cavanti

Zie cavati.

cavati

A. 'Beweegt'; 'verschuift'; 'valt weg' (van). Constructie: cava + ti. Grammatica: Tt; Intrans (+Abl).

B. 'Overlijdt'; 'sterft'. Synoniem: kālaṁkaroti. Antoniem: upapajjati. Constructie: cava + ti. Grammatica: Tt; Intrans.

Varianten cavati: cavanti

ce

A. 'Als'.

B. 'Maar'; 'dan'.

cetanā

'Wilshandeling'; 'wilsfactor'; 'wil'; 'intentie; 'keuze'; 'opzettelijkheid'. Zie Cetanā — Wilshandeling; kamma; paṭiccasamuppāda.

cetas

'Geest'; 'gedachte'; 'intentie'. Synoniem: vikappa. Constructie: ConstructieUitgesteld. Grammatica: Mnl; mano groep; van ceteti.

cetasika

'Mentale factoren'; 'mentale dingen'. Zie Cetasika — Mentale factoren; saṅkhāra.

cetasikadhamma

'Factoren omtrent de Dhamma', d.w.z. het overdenken, bespiegelen van onderwerpen van de Dhamma.

cetasikadukkha

'Mentaal lijden'. Zie domanassa; vedanā.

cetasikadukkhavedanā

'Mentaal onaangenaam gevoel'. Zie vedanā.

cetasikasukhavedanā

'Mentaal aangenaam gevoel'. Zie vedanā.

ceteti

'Denkt' (over). Constructie: cete + ti. Grammatica: Tt; Intrans (+Dat).

cetiya

'Object van verering'. Zie ook puja.

cetopariyañāṇa

'Het doorzien van de geest (van anderen)', is één van de 6 hogere krachten (abhiññā).

Zie ook parassa cetopariyañāṇa.

cetosamādhi

'Concentratie van de geest'.

cetovimutti

'Bevrijding van de geest'. Zie Cetovimutti — Bevrijding van de geest; vimutti.

ceva

A. 'Alleen als'; 'als gewoon'. Constructie: ce + eva.

B. 'En zelfs'; 'evenals'. Constructie: ca + eva.

C. 'Maar dan'. Constructie: ca + eva.

D. 'En gewoon'. Constructie: ca + eva.

cha

Htw zes (6).

chanda

'Intentie'; 'verlangen'; 'wil'.

  1. Als een ethische, neutrale psychologische term, in de zin van 'intentie', is het een van die algemene mentale factoren (zie cetasika; Tabel II) die in de Abhidhamma onderwezen wordt en waarvan de morele kwaliteit bepaald wordt door het karakter van de wil (cetanā) die daarmee samengaat. In het commentaar wordt het verklaard als 'een wens om te doen' (kattukamyatāchanda). Als het intensiever wordt, treedt het ook op als een 'overheersende voorwaarde', zie paccaya 3.
  2. Als een slechte kwaliteit heeft het de betekenis van 'begeerte', en is het vaak gekoppeld aan termen als 'sensualiteit', 'hebzucht', etc., bijvoorbeeld: 'zintuiglijk verlangen' (kāmacchanda), een van de vijf hindernissen (pañcanīvaraṇa), 'hartstochtelijk verlangen (chandarāga) (zie kāma). Het is één van de 4 verkeerde paden, zie agati.
  3. Als een goede kwaliteit is het een rechtvaardige wil of ijver (dhammacchanda) en verschijnt het bijvoorbeeld in de formule van de vier inspanningen (zie padhāna): "De monnik wekt zijn wil op (chandam janeti) (...)." Als het intensiever wordt, is het één van de 4 wegen naar kracht, zie iddhipāda.

chandarāga

Hartstochtelijke begeerte, zie kāma; chanda.

chandasamādhi

'Concentratie van intentie'. Als het wordt geintensiveerd is het een van de 4 wegen van kracht (iddhipāda).

Zie ook iddhipāda.

chandasamādhipadhānasaṅkhārasamannāgata

'Concentratie van intentie bestaande uit het samengaan met inspanning'. Constructie: chandasamādhi + padhānasaṅkhārasamannāgata. Fonetische variant: chandasamādhippadhānasaṅkhārasamannāgata.

Zie ook iddhipāda.

chattiṁsā

Htw zesendertig (36).

chattiṁsā sota

Letterlijk: 'zesendertig stromen' waarmee verwezen wordt naar de zesendertig stromen van begeerte.

Sota betekent 'stroom'. Bewustzijn stroomt en daarom stroomt begeerte ook. Begeerte stroomt overal heen en wordt daarom ook wel vergeleken met rivieren die eveneens overal heen stromen. Zie Chattiṁsā sota — Zesendertig stromen van begeerte; āyatana B.

Zie ook A04-199 — Taṇhā Sutta — Begeerte — De verstrikker en de ideeën van ik waar de Boeddha een alternatief geeft voor de 18 inwendige- en 18 uitwendige zintuigsferen in de context van 'ik'. Hier noemt de Boeddha het ook chattiṁsā taṇhāvicarita.

Zie verder Dhp338-343 — De jonge zeug.

chattiṁsā taṇhāvicarita

'Zesendertig gedachtestromen van begeerte'. Constructie: chattiṁsā + taṇhā + vicarita.

Dit is een verwijzing naar de 'zesendertig stromen' (chattiṁsā sota) van begeerte. Tanhavicarita verwijst naar taṇhā (begeerte), vica (m.b.t. gedachten zoals in tanhavicarita) ritani (saritani) (stromend/vloeiend). Zie chattiṁsā sota.

chayimāni

'Deze zes'. Constructie: cha + y + imāni.

chindatha

'Doorkappen'. Grammatica: Ww Tt 2P Mv van chindati / Ww Gw 2P Mv van chindati / Ww Reflx Aor 3P Ev van chindi.

chindati

A. 'Afsnijdt'; 'verbreekt'. Synoniem: ucchindati; upacchindati. Constructie: chinda + ti. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

B. 'In stukken snijden'; 'in delen verdelen'. Constructie: chinda + ti. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

C. (Een boom) 'omhakken'; (iets) 'vellen'; (iets) 'afhakken'. Constructie: chinda + ti. Grammatica: Tt; Trans (+Acg & +Abl).

D. 'Snijdt dwars door'; 'kijken en vooruit bewegen tegen of door (iets)'; 'doorwaadbare plaatsen'. Constructie: chinda + ti. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

E. 'Inbreken'; 'inbraken'. Constructie: chinda + ti. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

F. 'Vernietigt'. Grammatica: Tt (+Acg).

chindi

A. 'In stukken verdelen'; 'afsnijden'; 'scheiden'. Synoniem: sañchindi. Constructie: chinda + i. Grammatica: Aor van chindati; Trans (+Acg).

B. 'Vernietigd'.

C. (Een boom) 'omgehakt'; 'geveld'; 'afgehakt'. Grammatica: Aor van chindati; Trans (+Acg). Constructie: chinda + i.

chuddho

'Zal terzijde geworpen worden'. Zie Dhp041 — De eerwaarde Tissa met het stinkende lichaam.

cinta mayā paññā

Zie paññā.

cira

(Van tijd) 'lang'. Antoniem: acira; nacira. Grammatica: Adj; in Sams.

ciraṁ

'Voor een lange tijd'. Synoniem: SynoniemUitgesteld. Antoniem: aciraṁ; naciraṁ. Constructie: ConstructieUitgesteld. Grammatica: Onb; Bijw; Acg Ev van cira.

ciraṭṭhitika

'Langblijvend'; 'voortdurend'. Letterlijk: 'langdurig'.

cirāya

'Voor lange tijd'.

citta

Letterlijk: 'staat van de geest' of exacter 'staat van bewustzijn'. Het feit dat alle dingen opkomen (uppada) en vergaan (vaya), geldt ook voor de staat van de geest. Elke staat verandert continu van toestand (thitassa aññatattam). Geen enkele staat van de geest is gelijk aan een andere staat.

Elk van de 89 soorten van bewustzijn is een 'staat', een 'toestand', zie Tabel I. Deze staat wordt geconditioneerd door de overige groepen van hechten (pañcupādānakkhandhā). In de sutta's verwijst de Boeddha met citta ook vaak naar 'de geest'. Voor meer toelichting, zie ook mano.

citta ujukata

'Oprechtheid van de geest'. Zie ujukata.

cittacetasika

'Bewustzijn en haar factoren'.

cittakammaññatā

'Aanpassingsvermogen van de geest'. Zie kammaññatā.

cittakata

A. 'Door de geest gemaakt'; 'mentaal gefabriceerd'.

B. 'Geschilderd'; 'versierd; 'aanlokkelijk opgemaakt'. Zie Dhp147 — Sirima de courtisane.

cittakataṁ

Zie cittakata.

cittakkhepa

'Geestelijke stoornis'; 'krankzinnigheid'; 'waanzin'. Letterlijk: 'de geest in de war brengen'. Synoniem: ummāda. Grammatica: Mnl; Abstr; Sam.

Zie ook ummattaka.

cittalahutā

'Vlotheid van de geest'. Zie lahutā.

cittamudutā

'Flexibiliteit van de geest'. Zie muduta.

cittānupassanā

'Indachtigheid van de geest', is een van de vier fundamenten van indachtigheid. Zie de rubriek Indachtigheid van de geest — Cittānupassanā op Satipatthana — De meditatie van indachtigheid.

cittapaguññatā

'Vaardigheid van de geest'. Zie pāguññatā.

cittapārisuddhi

'Zuivering van de geest'. Constructie: citta + pārisuddhi.

cittapārisuddhipadhāniyaṅga

'Een factor die gerelateerd is aan het streven naar de zuivering van de geest'. Constructie: cittapārisuddhi + padhāniyaṅga.

Zie ook pārisuddhipadhāniyaṅga.

cittapassaddhi

'Kalmte van de geest'. Zie passaddhi.

cittasamādhi

'Concentratie van de geest'.

Zie ook iddhipāda.

cittasamādhipadhānasaṅkhārasamannāgata

'Concentratie van de geest bestaande uit het samengaan met inspanning'. Constructie: cittasamādhi + padhānasaṅkhārasamannāgata. Fonetische variant: cittasamādhippadhānasaṅkhārasamannāgata.

Zie ook iddhipāda.

cittasaṅkhāra

'Intentie die resulteert in een mentale handeling'. Zie saṅkhāra A.

cittasantāna

'Continuïteit van bewustzijn', zie santāna.

cittasantati

'De continuïteit van bewustzijn', zie santāna.

cittassa upakkilesa

Zie upakkilesa.

cittassekaggatā

'Geestelijke eenheid'; 'mentale eenheid'. Zie ekaggatā.

cittatthiti

'Stationaire fase van de geest'. Zie nāma.

cittavipallāsa

'Verdraaiing van bewustzijn'. Zie vipallāsa.

Dit wordt ook weleens vertaald als 'verdraaiing van de geest', wat niet echt fout is. Maar 'de geest' (mano) is een ruimer begrip. 'Verdraaiing van bewustzijn' is exacter omdat citta verwijst naar de staat van de geest waar het uiteindelijk om te doen is.

cittavipallāso

Grammatica: Znw Mnl Nom Ev van cittavipallāsa.

cittavisuddhi

'Zuivering van de geest'.

Zie ook sacitta pariyodapanam.

cittavīthi

'Proces van bewustzijn'; 'waarnemingsproces'; 'cognitieve opeenvolgingen'. Zie viññāṇakicca voor de 14 functies van bewustzijn.

cittaviveka

Zie viveka.

cittuttarāsa

'Terreur'; 'vrees'; 'angst'. Constructie: citta + uttarāsa.

cognitief

Cognitief verwijst naar alle mentale processen waarmee je informatie opneemt, verwerkt en gebruikt, zoals denken, leren en onthouden.

conditioneren

Zie conditionering.

conditionering

Conditionering houdt in dat we door een bepaalde conditie, toestand of gebeurtenis, 'worden zoals die conditie, toestand of gebeurtenis' en/of die toestand handhaven, overnemen. Het is een 'pathway' van hoe we onszelf dingen aangeleerd hebben. Binnen de boeddhistische Leer is conditionering de allesbepalende factor die innerlijke vrijheid blokkeert.

Zie Wat is conditionering?; Upapattibhava — Het wedergeboorteproces in alle eenvoud; paṭiccasamuppāda.

conformeren

Zie conformisme.

conformisme

Conformisme is het zich aanpassen aan een traditionele cultuur van een bepaalde samenleving of groep mensen. Hierdoor ga je de gebruiken, opvattingen en gewoonten van die samenleving overnemen. Je gedraagt je dan conform een ander; je manier van denken en doen is dan overeenkomstig wat anderen denken en doen. Dit noemen we ook wel 'worden' omdat je door het gedrag van anderen over te nemen, niet jezelf kunt zijn. Een waar boeddhist is waakzaam hetgeen acties echter maakt en je jezelf kunt zijn. Iemand die het boeddhistische Pad echt verstaat conformeert zich niet aan de gekte van de wereld.

Zie ook revolutionist.

contemplatie

Contemplatie betekent het 'bespiegelen', het 'indachtig zijn'; het 'overdenken', het 'in beschouwing nemen' van essentiele dingen in het leven. Het Pāḷi word is anupassanā.

courtisane

De betekenis van 'courtisane' verwijst vaak naar een vrouw van lichte zeden, vaak in voorname kringen. Maar oorspronkelijk was een courtisane een hofdame, een vrouw met verfijnde en intelligente eigenschappen. Het woord 'courtisane' komt uit het Frans en is afgeleid van het Italiaanse 'cortigiana', wat zowel 'hofdame' als 'hofprostituee' kan betekenen.

cruciaal

Cruciaal betekent dat iets van elementair belang is, dat het een sleutelrol speelt bij het verdere verloop van zaken, of waar rekening mee moet worden gehouden bij het nemen van verdere beslissingen.

cuti

'Dood'; 'sterven'. Zie ook cuti citta.

cuti citta

'Dood bewustzijn', letterlijk 'vertrekkend bewustzijn', is een van de 14 functies van bewustzijn (viññāṇakicca).

cutupapāta

'Vallen en opstaan'; 'dood en wedergeboorte'; 'heengaan en herboren worden'.

Zie ook cutūpapātañāṇa.

cutūpapātañāṇa

'De kennis van de verdwijning en verschijning' (van wezens) is identiek aan het goddelijk oog (dibba cakkhu). Het is één van de 6 hogere krachten (abhiññā) (5). Ook gebruikt voor cutūpapātañāṇa: yathākammūpagañāṇa.

Zie ook De Boeddha — De uren voor zijn verlichting.

d

dabbī

'De lepel'. Zie Dhp064 — De eerwaarde Udayi.

dahāti

'Beschouwt als'; 'neemt als'; 'ziet als'. Letterlijk: 'stelt'. Synoniem: adhipajjati. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

dakkhineyya

'Giften waardig'. Het is een van de kenmerken van de Saṅgha. Zie aveccappasāda.

damma

A.1 'Getraind kunnen worden'; 'geschikt om getraind te worden'; 'tembaar'. Letterlijk: 'trainbaar'.

A.2 'Jonge stier'. Letterlijk: 'trainbaar'.

B.1 'We geven'.

dāna

'Vrijgevigheid'; 'mildheid'; 'daad van liefdadigheid'. Zie Dāna — Vrijgevigheid; cāga; puñña kiriya vatthu.

Zie ook Dhp177 — Ongeëvenaarde liefdadigheid; dhana.

dānapāramī

'Hoogste staat van vrijgevigheid'; 'perfectie van het geven'. Grammatica: Vrl. Zie pāramitā; dāna.

dasa

A. Htw tien (10).

B. 'Zien'; 'begrijpen'.

C. 'Met een franje'; 'met koordjes'; 'omzoomd'; 'afgezoomd'.

dasa pāramitā

'Tien perfectheden' (van de Boeddha), zie pāramitā.

dasa puñña kiriya vatthu

Zie puñña kiriya vatthu.

dasa sīla

'De tien regels van moraliteit'. Zie Sikkhāpada — De boeddhistische morele regels; sikkhā; uposatha.

dasa tathāgatabala

De tien krachten van een Volmaakte; of, hij die de tien krachten bezit, bijvoorbeeld de Boeddha. Over hem is gezegd (bijvoorbeeld in M012; A10-012):

"Daar monniken, begrijpt de Volmaakte overeenkomstig de realiteit het mogelijke als het mogelijke, en het onmogelijke als het onmogelijke (...) het resultaat van verleden, heden en toekomstige handelingen (...) het pad dat naar het welzijn van allen leidt (...) de wereld met haar vele verschillende elementen (...) de verschillende neigingen in wezens (...) de hogere en lagere vermogens in wezens (...) de bezoedeling, zuiverheid en de ontplooiing omtrent de meditatieve verdiepingen, bevrijdingen, concentratie en verworvenheden (...) zich vele vorige geboorten herinnerend (...) het doordringen met het goddelijke oog van hoe wezens verdwijnen en weer verschijnen overeenkomstig hun handelingen (kamma) (...) winst, door de uitblussing van alle bezoedelingen (…) 'de bevrijding van de geest' (cetovimutti) en 'de bevrijding door wijsheid' (paññāvimutti) (...)."

dasaṅgasamannāgata

'Begiftigd met tien factoren'; 'met tien onderdelen'.

dassana

dassāvī

A. 'Zien'; 'weten'; 'zich bewust zijn van'. Letterlijk: 'wie heeft gezien'. Synoniem: dassī. Antoniem: adassāvī.

B. 'Wie heeft gezien'. Antoniem: adassāvī.

C. 'Wie achting heeft' (voor). Letterlijk: 'wie heeft gezien'.

dassī

A. 'Zien'; 'waarnemen'; 'weten'; 'begrijpen'. Synoniem: jāna; ñū; dasa; dassāvī; vijāna; vidū.

B. 'Die ziet'; 'die waarneemt'; 'die weet'; 'die begrijpt'. Synoniem: cakkhubhūta; vedī.

C. 'Ziende'; 'beschouwende' (als).

DefTerm

Een DefTerm op STI staat voor 'gedefinieerde term'. D.w.z. een term die in het woordenboek is gedefinieerd zodat er uniek naar kan worden gelinkt. Of de naam van een persoon in Personen, een afkorting in Afkortingen, een plaatsnaam in Plaatsnamen etc. Op elk van deze pagina's heeft de DefTerm een andere opmaak.

desanā

'Prediking'; 'uiteenzetting'; 'onderwijs'.

deseti

A. 'Onderwijst'; 'instrueert'; 'uitleggen' (iets aan); 'predikt'. Letterlijk: 'oorzaken om aan te wijzen'.

B. (vinaya) 'bekent'; 'geeft toe' (aan een feit dat).

C. 'Benoemt'; 'wijst toe'; 'wijst aan'. Letterlijk: 'oorzaken om aan te wijzen'.

desita

'Predikte'; 'onderwees'; 'legde uit'; 'instrueerde' (door).

desitaṁ

Grammatica: van desita.

deva

'Hemelse wezens'; 'goddelijke wezens'. Zie Deva — Hemelwezens die in de gelukkige sferen leven; avacara; jhāna.

Zie ook Dhp181 — De terugkeer van de Boeddha van de Tāvatiṁsa deva wereld.

devadūta

'Goddelijke boodschappers'; 'hemelse boodschappers', is een symbolische naam voor ouderdom (jara), ziekte (vyādhi) en dood (maraṇa) omdat deze drie dingen de mens aan zijn toekomst doen herinneren en hem aanzetten tot een vastberaden streven.

Siddhatta zag drie 'hemelse boodschappers' voordat hij de wereld verzaakte: ziekte, ouderdom en dood. De tegenstellingen hiervan zijn jeugd (yobbanamada), gezondheid (arogyamada), leven (jivitamada). Door het zien van de drie boodschappers van het lijden, werd de prins diep geraakt en walgde hij van de instabiliteit van jeugd, de instabiliteit van gezondheid en de instabiliteit van het leven. Zie o.a. A03-035; M130.

devaloka

'De wereld van hemelse wezens'. Zie deva; avacara.

devamanussā

'Goden en mensen'; 'hemelwezens en mannen'.

devamanussānaṁ

'Van goden (deva) en mensen (manussa)'. De Boeddha is 'De leraar van goden en mensen' (satthā devamanussānaṁ). Het is een van de kenmerken van de Boeddha en een titel die aan de Boeddha werd toegekend. Zie aveccappasāda; namen voor de Boeddha.

devaputtamāra

'Een van de vijfvoudige Māra'. Zie Māra.

devatā

Devatā is een abstract zelfstandig naamwoord gebaseerd op deva, maar in de Nikāya's wordt het steevast gebruikt om bepaalde hemelse wezens aan te duiden, net zoals het Engelse woord 'godheid', oorspronkelijk een abstract zelfstandig naamwoord dat de goddelijke natuur betekent, normaal gesproken de oppergod van theïstische religies of een individuele god of godin van polytheïstische religies aanduidt. Hoewel het woord vrouwelijk is, komt het geslacht van het abstracte achtervoegsel '-ta' en hoeven de devatta's niet noodzakelijkerwijs vrouwelijk te zijn. De teksten geven zelden hun geslacht aan en misschien soms buiten seksuele differentiatie.

Het woord devatā komt bijvoorbeeld voor in Snp2-04 — Maha Maṅgala Sutta — De hoogste zegeningen: 'Toen de nacht al ver gevorderd was, kwam er een zekere devatā (…)'

devatānussati

'Bespiegeling van hemelwezens'.

devatta

'Goddelijkheid'. Zie ook devatā; deva.

devī

A. 'Koningin'. Grammatica: Vrl; van deva.

B. 'Hemelwezen'. Grammatica: Vrl; van deva.

dhamma

'Dhamma' heeft meerdere betekenissen. Zie De Leer van de Boeddha.

dhammā

Dhammā met de lange ā wordt doorgaans gebruikt voor het meervoud van dhamma zoals 'dingen'.

dhamma vinaya

Zie dhammavinaya.

dhammacakka

'Dhamma onderwijs'. Letterlijk: 'Dhamma wiel'.

dhammacakkappavattana sutta

Eerste toespraak van de Boeddha, zie S56-011.

dhammacakkhu

'Het oog dat de waarheid ziet'.

dhammacchanda

'Een rechtvaardige wil of ijver'. Zie chanda.

dhammadāna

'Spirituele gift', d.w.z. het verkondigen van de Dhamma. Zie ook dhammadesanā.

dhammadesanā

'Het verkondigen van de Leer', is een van de 'bases van verdienstelijke daden' (puñña kiriya vatthu).

dhammadhara

'Iemand die bedreven is in de Dhamma'. Zie Dhp259 — Ekudana de arahat.

dhammadhātu

'Geestesobject element', is een van de 18 elementen, zie dhātu B.

dhammakāma

'Waarheidlievend'; 'Dhamma-liefhebber'. Constructie: dhamma + kāma.

dhammaṁ

Grammatica: van dhamma.

dhammamaññaṁ

'De kennis van een leer'; 'elke andere mentale toestand'.

Deze term houdt in dat de kennis van de verschillende leerstellingen elk een andere mentale staat/toestand vertegenwoordigt. Daarom kunnen meerdere leerstellingen nooit als de beste worden beschouwd. Er is er maar één de beste. Zie Snp4-13.907.

dhammānaṁ

'De leerstellingen'.

dhammānupassanā

'Indachtigheid van de (onderwerpen) van de Dhamma', is een van de vier fundamenten van indachtigheid. Zie de rubriek Indachtigheid van mentale objecten — Dhammānupassanā op Satipatthana — De meditatie van indachtigheid.

dhammānupassanā bhāvanā

Letterlijk: 'De ontwikkeling van indachtigheid van de (onderwerpen) van de Dhamma.' (Bhāvanā is ontwikkelen oftwel meditatie.) Een van de vier fundamenten van indachtigheid. Zie de rubriek Indachtigheid van mentale objecten — Dhammānupassanā op Satipatthana — De meditatie van indachtigheid.

Zie ook Dhp296-301 — De zoon van de houthakker.

dhammānusārī

'De Dhamma-devoot', is een van de zevenvoudige groepering van edele personen. Zie Ariyapuggala — Edele personen B.

dhammānussati

Zie dhammānussati bhāvanā.

dhammānussati bhāvanā

'Mediteren op (de kenmerken van) de Dhamma'. Zie Aveccappasāda — Onwrikbaar vertrouwen; bhāvanā.

Zie ook Dhp296-301 — De zoon van de houthakker.

dhammānuvattī

Constructie: dhamma + anuvatti.

Dhammānuvattī betekent: 'handelen overeenkomstig de Leer' oftewel 'iemand die de Leer beoefent'. Om de Leer te kunnen beoefenen wordt de Leer uiteraard bestudeerd a.d.h.v. de woorden van de Boeddha. Zo kunnen de instructies van de Leraar worden opgevolgd en in praktijk worden gebracht. Zie pariyatti.

Dat er een groot verschil is tussen de niet-geïnstrueerde wereldling en de geïnstrueerde edele discipel, maakt de Boeddha o.a. duidelijk in A08-006 — Lokavipatti Sutta — De wisselvalligheden van het leven.

Zie ook Dhp085-086 — De Dhamma luisteraars.

dhammānuvattino

Zie dhammānuvattī.

dhammapada

'Het Pad van Waarheid'. Zie Dhp000 — Het Pad van Waarheid — Dhammapada; Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

dhammapaṭisambhidā

'Analytische kennis van de wet' (dhamma). Zie patisambhida.

dhammapīti sukhaṁ seti

'Hij die de essentie van de Dhamma indrinkt leeft gelukkig'. Zie Dhp079 — De eerwaarde Maha Kappina.

dhammapītirasa

'Smaak van vreugde in de Dhamma'; 'sap van vreugde in het onderricht'. Grammatica: Mnl; Sam.

dhammapūjā

'Aanbidding door beoefening van de Dhamma'. Zie ook puja.

dhammārammaṇa

'Mentaal object'; 'geestesobject'. Zie ārammaṇa.

dhammasavaṇa

'Luisteren naar de Dhamma' (of lezen), is een van de 'bases van verdienstelijke daden' (puñña kiriya vatthu).

dhammassāmī

Een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend. Zie namen voor de Boeddha.

dhammataṇhā

'Begeerte naar mentale objecten'; 'gehechtheid aan dogma's'. Zie taṇhā.

dhammavicaya

'Onderzoek naar de waarheid'; 'onderzoek naar staten', is een van de 7 factoren van verlichting (bojjhanga). Volg daar de pagina Satta sambojjhaṅga — De zeven factoren van verlichting voor uitgebreide uitleg.

dhammavicayasambojjhaṅga

'Verlichtingsfactor van onderzoek naar waarheid'. Zie dhammavicaya.

dhammavicayo

'Onderzoek naar waarheid'; 'de waarheid zoeken'. Zie bojjhanga; sampajañña

dhammavinaya

'Leer en Discipline', verwijst naar de Leer (Dhamma) die de Boeddha onderwijst en de regels (Vinaya) die vastgelegd zijn in de Vinaya piṭaka.

'Dhamma Vinaya' is de oorspronkelijke term die de Boeddha gebruikte om naar zijn religie te verwijzen oftewel 'de boodschap van de Boeddha' (Buddhasāsana). Tegenwoordig wordt gewoonlijk de term Theravāda gebruikt.

dhammavinaye

Grammatica: van dhammavinaya.

dhammāyatana

'De basis van een mentaal object'. Zie āyatana B.

dhammesu

'De dingen'. Zoals bijvoorbeeld in S56-011.

dhana

A. 'Rijkdom'; 'schatten'; 'schat'. Synoniem: bhoga. Antoniem: adhana.

B. 'Waarde'; 'kosten'; 'prijs'; 'geld'. Synoniem: agghana. Antoniem: adhana.

C. 'Deugd'; 'waarde'; 'kwaliteit'. Letterlijk: 'weelde'. Synoniem: kalyāṇa. Antoniem: adhana.

D. 'Rijk'; 'welgesteld'. Letterlijk: 'met weelde'. Synoniem: aḍḍha; aḍḍhī; adalidda; adaḷidda; dhanavant; bhogavant; bhogī; mahaddhana; vittavant; sadhana. Antoniem: adhana.

Dhana is en term voor de volgende 7 kwaliteiten: 1. geloof (saddha); 2. moraliteit (sīla); 3. morele schaamte (hiri); 4. morele vrees (ottappa); 5. geleerdheid (suta); 6. vrijgevigheid (cāga); 7. wijsheid (paññā). A07-005; A07-006.

Zie ook dāna.

dhāna

A. 'Plaatsen'; 'neerzetten'.

B. 'Bak'; 'container'; (Com) 'hoop'.

dhāraya

'Dragend'; 'vasthoudend'; 'ondersteunend'. Grammatica: Adj; in Sams; van dhārayati (+Acg).

dhārayati

A. 'Houdt vast'; 'bewaart'; 'draagt'. Constructie: dhāraya + ti. Grammatica: Tt; Trans (+Acg). Variant: dhāreti.

B. 'Neemt'; 'beschouwt'; 'gelooft'; 'houdt in gedachten'. Letterlijk: 'houdt vast'. Constructie: dhāraya + ti. Grammatica: Tt; Trans (+Acg). Synoniem: adhipajjati; maññati. Variant: dhāreti.

C. 'Draagt'; 'kleedt zich' (in). Letterlijk: 'houdt vast'. Constructie: dhāraya + ti. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

D. 'Gebruikt'.

dhārayatisamanupassati

Synoniem: samanupassati; maññati.

dhāreti

A. 'Hooghouden'; 'voorstellen'. Letterlijk: 'dragen'.

B. 'Houdt in gedachten'; 'herinnert' (ergens iets van).

C. 'Is verschuldigd (een schuld) aan'.

D. 'Overweegt'; 'accepteert' (iets als).

dhātu

'Elementen'. Zie Dhātu — Elementen; dhātuvavatthāna.

dhātumanasikāra

'Het bespiegelen van materiële elementen'.

dhātuvavatthāna

'Analyse' of 'bepaling van de 4 elementen'. Zie Dhātuvavatthāna — Analyse van de vier elementen.

dhutaṅga

Letterlijk: 'middelen om (de bezoedelingen) af te schudden'; 'middelen van zuivering', 'ascetische of sobere beoefening'. Zie Dhutaṅga — Ascetische beoefening.

dhuva

'Stabiel'; 'bestendig'; 'duurzaam'; 'permanent'; 'eeuwig'; 'onvergankelijk'; 'epitheton van Nibbāna'. Synoniem: sanantana; sassata. Antoniem: addhuva; adhuva.

Zie ook accutaṁ ṭhānaṁ.

dhuvamhāti

Constructie: dhuva + amhā + iti.

dibba cakkhu

'Goddelijk oog', is één van de 6 hogere krachten (abhiññā) (5).

Zie ook De Boeddha — De uren voor zijn verlichting.

dibba sota

'Goddelijk oor', is één van de 6 hogere krachten (abhiññā).

dibba vihara

'Hemelse verblijfplaats'. Zie vihara.

dichotomie

'Tweedeling'. Vanuit boeddhistich perspectief gezien is het het 'ik' dat voor verdeeldheid zorgt. Zie zelfoverwinning.

dīgha

'Lang' (in ruimte of tijd); 'hoog'; 'diep'. Antoniem: rassa; rassaka. Grammatica: Adj.

dīgha nikāya

'Collectie van lange toespraken'. Zie D00 — Collectie van lange toespraken — Dīgha Nikāya; Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

dīgharatta

'Lange tijd'.

dīgharattaṁ

'Voor een lange tijd'.

dīghāyuka

'Langlevend'; 'met een lange levensduur'.

diṭṭha

A.1 'Gezien'; 'gevonden'; 'zichtbaar'. Antoniem: adiṭṭha.

A.2 'Wat wordt gezien'. Letterlijk: 'gezien'. Antoniem: adiṭṭha.

A.3 'Zicht'; 'zien'; 'visie'. Letterlijk: 'gezien'. Synoniem: dassana.

B.1 'Vijand'; 'tegenstander'; 'rivaal'. Letterlijk: 'gehaat'. Synoniem: appiya; amitta; ari; disa; paccatthika; paccāmitta; paṭisattu; viddesī; sattar; sattu; sapatta.

diṭṭhadhammavedanīyakamma

'Kamma dat rijpt tijdens het leven'.

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, A.1.

diṭṭhaṁ

Grammatica: van diṭṭha.

diṭṭhāsava

'De bezoedeling van meningen' oftewel opvattingen, is één van de vier hoofdbezoedelingen. Zie asava.

diṭṭhi

'Visie'; 'mening'; 'kijk'; 'geloof'; 'speculatieve opvatting', 'verkeerde inzichten in psychologische zaken'. Zie Diṭṭhi — Speculatieve opvattingen, bron van verkeerde en kwade aspiraties; sakkāyadiṭṭhi; titthāyatana; taṇhā.

Zie ook Dhp294-295 — De eerwaarde Lakuntaka Bhaddiya — De moord op vader en moeder; A03-061 — Tittha Sutta — Dwaalleren.

diṭṭhiajjhosāna

Zie diṭṭhijjhosāna.

diṭṭhigata

(Onjuiste of valse) 'overtuiging'; 'misvatting'; (persoonlijke) 'mening'; 'opvatting'; 'theorie'; 'dogma'; 'doctrine'; 'speculatieve opvatting'. Letterlijk: 'in opvattingen vervallen'.

Het verwijst naar de diverse leerstellingen die gebaseerd zijn op meningen (diṭṭhi).

Zie ook diṭṭhi.

diṭṭhigatā

Grammatica: van diṭṭhigata.

diṭṭhigataṁ

Grammatica: van diṭṭhigata.

diṭṭhigatena

Grammatica: van diṭṭhigata.

diṭṭhijjhosāna

'De gehechtheid aan meningen'. Zie diṭṭhi en o.a. A04-010.

Constructie: diṭṭhi + ajjhosāna. Grammatica: Ozn; Sam. Samenstelling: sattamī tappurisa (diṭṭhīsu + ajjhosāna). Variant: diṭṭhiajjhosāna.

diṭṭhijjukamma

'Het ordenen van je inzichten', is een van de 'bases van verdienstelijke daden' (puñña kiriya vatthu).

diṭṭhimucchā

'De misleiding van meningen'. Zie diṭṭhi en o.a. A04-010.

diṭṭhinandī

'Het zich verheugen in meningen'. Zie diṭṭhi en o.a. A04-010.

diṭṭhinissaya

'Fundament voor opvattingen'; 'ondersteuning voor standpunten'; 'basis voor overtuigingen'. Constructie: diṭṭhi + nissaya.

diṭṭhinissita

'Gebaseerd op opvattingen'. Constructie: diṭṭhi + nissita.

diṭṭhinissita sīla

'Moraliteit gebaseerd op opvattingen'. Constructie: diṭṭhinissita + sīla.

diṭṭhipariḷāha

'Het voeden van meningen'. Constructie: diṭṭhi + pariḷāha.

Zie ook o.a. A04-010.

diṭṭhipārisuddhi

'Zuivering van inzicht'. Constructie: diṭṭhi + pārisuddhi.

diṭṭhipārisuddhipadhāniyaṅga

'Een factor die gerelateerd is aan het streven naar de zuivering inzicht'. Constructie: diṭṭhipārisuddhi + padhāniyaṅga.

Zie ook pārisuddhipadhāniyaṅga.

diṭṭhipipāsā

'De dorst naar meningen'. Zie diṭṭhi en o.a. A04-010.

diṭṭhippatta

'De inzicht verwerver' is een van de zevenvoudige groepering van edele personen. Zie Ariyapuggala — Edele personen B.

diṭṭhirāga

'De hartstocht naar meningen'. Zie diṭṭhi en o.a. A04-010.

diṭṭhisampanna

'Volmaakt in visie'; 'begiftigd met inzicht'. Zie ook diṭṭhi.

diṭṭhisneha

'Interesse in meningen'; 'kleven aan meningen'; 'genegenheid voor standpunten'; 'liefde voor overtuigingen'. Zie diṭṭhi en o.a. A04-010.

diṭṭhiṭṭhāna

'Grondslag voor mening'; 'gronden voor standpunt'; 'standpunt ten aanzien van meningen'.

diṭṭhivipallāsa

'Verdraaiing van visie'. Zie vipallāsa.

diṭṭhivipallāso

Grammatica: Znw Mnl Nom Ev van diṭṭhivipallāsa.

diṭṭhivipatti

'Afwijking van begrip'. Zie ook vipatti.

diṭṭhivisuddhi

'Zuivering van visie', is de 3e van de 7 stadia van zuivering. Zie visuddhi.

diṭṭhiyoga

'De band van meningen' oftewel opvattingen, staat voor één van de vier hoofdbezoedelingen en is daarmee gelijk aan. Bhava betekent 'worden' dat gelijk is aan 'het in het bestaan komen'. Zie A04-010; asava.

diṭṭhiyogavisaṁyoga

'De verbreking van de band van meningen', zie A04-010.

diṭṭhogha

'De overstroming van meningen' oftewel opvattingen, staat voor één van de vier hoofdbezoedelingen en is daarmee gelijk aan. Zie asava; ogha.

diṭṭhupādāna

'Hechten aan meningen', is een van de 4 soorten van hechten. Zie upādāna.

domanassa

'Smart'; 'verdriet'; 'mentaal lijden'. Bekijk de definitie van smart in D22.

Het is, zoals ook uit de woorden van de Boeddha blijkt, het mentale pijnlijke gevoel. Het is een van de 5 gevoelens (vedanā) en een van de 22 vermogens (indriya). Volgens de Abhidhamma wordt verdriet altijd geassocieerd met antipathie en wrok, en is daarom karmisch onheilzaam (akusala). Vergelijk (Tabel I 30; 31)

domanassupayasa

Dit is een samenvoeging van smart (domanassa) + wanhoop (upayasa).

dosa

'Haat'; 'kwaadaardigheid', is een van de drie immorele wortels (mula). Dosa is de ethische betekenis van haat, maar psychologisch bekeken betekent het 'het heftige inslaan van de geest op een object', dat wil zeggen, een conflict. Synoniemen zijn: afkeer, strijdigheid (paṭigha); kwade wil (vyapada); woede (kodha).

Het is een van de koersen van handeling (kammapatha).

Zie mula; cetasika; Tabel II.

dosacarita

'Degene die hatelijk van karakter is'. Zie ook carita.

dosakkhayo

'Uitblussing van haat'.

dosasamo

'Vergelijkbaar haat'. Zie Dhp251 — De vijf lekenvolgelingen met de vijf verschillende interesses.

duccarita

'Slecht gedrag'; 'verkeerde daad' is drievoudig: 1. via het lichaam (kāyaduccarita); 2. via de spraak (vacī duccarita); 3. via de geest (manoduccarita). Zie kammapatha.

duggahita

A. 'Verkeerd begrepen'; 'op de verkeerde manier gegrepen'. Letterlijk: 'slecht begrepen'. Antoniem: suggahita. Fonetische variant: duggahīta. Grammatica: Adj; van gahita.

B. 'Verkeerd begrepen'; 'slecht geleerd'; 'verkeerd opgevat'. Letterlijk: 'slecht begrepen'. Antoniem: suggahita. Fonetische variant: duggahīta. Grammatica: Adj; van gahita.

C. 'Misverstand'; 'gebrekkig begrip'; 'verkeerde opvatting van zaken'. Letterlijk: 'slecht begrepen'. Grammatica: Ozn; van gahita.

D. 'Verkeerd opgevat'. Antoniem: suggahita. Grammatica: Adj; van gahita.

duggahīta

Fonetische variant: duggahita.

duggahitatta

'Feit dat iets verkeerd begrepen wordt'; 'feit dat iets op de verkeerde manier wordt opgevat'. Letterlijk: 'slecht begrepen toestand'. Antoniem: suggahitatta. Grammatica: Ozn; Abstr; van duggahita (+Gen).

duggahitena

Grammatica: van duggahita.

duggati

Letterlijk: 'Pijnlijke koers' (van bestaan); 'ongelukkige bestemming'. Zie gati.

duhetu paṭisandhika

Zie paṭisandhi B.

dukkha

'Lijden'; 'ellende'; 'onbevredigend'; 'onvolkomenheid'; 'onvolmaaktheid'; 'incompleetheid'; 'ongenoegen'; 'onbehagen'; 'stress'; 'probleem'; 'leegte'; 'holheid' etc. Het is een van de drie kenmerken van het bestaan. Zie tilakkhaṇa; dukkhatā.

dukkha ariyasacca

'De Edele Waarheid van lijden'. Zie S56-011.

dukkha nirodha ariyasacca

'De Edele Waarheid van de opheffing van lijden'.

dukkha nirodha gāminī paṭipadā ariyasacca

'De Edele Waarheid van het Pad dat leidt tot de opheffing van lijden'.

dukkha samudaya ariyasacca

'De Edele Waarheid van de oorzaak van lijden'.

dukkhabahula

'Vol problemen'; 'met veel moeilijkheden'. Antoniem: sukhabahula. Constructie: dukkha + bahula.

dukkhadukkhatā

'Het gewone alledaagse lijden'. Zie dukkhatā.

dukkhaṁ

Constructie: dukkha + aṁ.

dukkhanirodhagāminī paṭipadā ñāṇa

'De kennis van het Pad dat leidt naar de opheffing van lijden'.

dukkhanirodhagāminī paṭipadāya ñāṇa

'Het Pad begrijpen dat leidt naar de opheffing van lijden'.

dukkhanirodhe ñāṇa

'De opheffing van lijden begrijpen'.

dukkhanti

Grammatica: van dukkha.

dukkhānupassanā

'Contemplatie van lijden', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; dukkha.

dukkhasacca

'Het inzicht dat alles in de wereld eindigt in lijden'.

dukkhasamudaye ñāṇa

'De oorzaak van lijden begrijpen'.

dukkhatā

'De staat van lijden'; 'onaangenaamheid'; 'pijnlijkheid'; 'de onbevredigende aard van het bestaan'; etc. Zie Dukkhatā — De staat van lijden; tilakkhaṇa; saṅkhatalakkhaṇa.

dukkhavedanā

'Onaangenaam gevoel'. Zie vedanā.

dukkhāya

'Ongemakkelijk' (voor); Letterlijk: 'vanwege het ongemak'. Antoniem: sukhāya.

dukkhe

Grammatica: van dukkha.

dukkhe dukkhanti

'Wat lijden is als zijnde lijden' (beschouwen). Zie vipallāsa.

Constructie: dukkhe van dukkhadukkhanti van dukkhaṁ + iti.

Dit betreft het juiste inzicht bij een niet-verdraaiing van: waarneming (nasaññāvipallāsa); bewustzijn (nacittavipallāsa); visie (nadiṭṭhivipallāsa).

dukkhe ñāṇa

'Begrijpen wat lijden is'.

dukkhe sukhanti vipallāsa

'De verdraaiing van wat lijden is beschouwen als zijnde geluk'. Zie vipallāsa.

Constructie: dukkhe van dukkhasukhaṁ + itivipallāsa.

dullabha

'Moeilijk te vinden'; 'lastig te verkrijgen'; 'zeldzaam' (voor).

dutiyajjhāna

2e meditatieve verdieping. Zie jhāna.

dvi

Htw twee (2).

dvihetu paṭisandhika

Zie paṭisandhi B.

e

egocentrisme

Zie o.a. mamatta; lobha.

ehi

'Kom!' Grammatica: Gw 2P Ev van etu; Intrans.

ehipassika

'Uitnodigend tot onderzoek'; 'iedereen uitnodigen om het te komen bekijken, open voor iedereen'. Het is een van de kenmerken van de Dhamma. Zie aveccappasāda.

Ehipassiko

Zie ehipassika.

ejati

'Beweegt'; 'roert'.

eka

A. Htw één (1).

B. 'Een'; 'een bepaalde'; 'een enkele'.

C. 'Alleen'; 'alleenstaand'; 'afgezonderd'.

D. 'Hetzelfde'; 'een en hetzelfde'.

E. 'Iets'; 'een enkel ding'; 'een bepaald ding'.

F. 'Eenmaal'.

ekabījī

'Degene die nog maar één keer ontkiemt', is een klasse sotāpatti.

ekacca

A. 'Een zekere'; 'een van'.

B. 'Sommige'; 'een paar'

C. 'Deel van'; 'gedeeltelijk'.

ekaggatā

'Geestelijke eenheid'. Zie samādhi.

ekamantaṁ

A. 'Naar één kant'; 'opzij'.

B. 'Uitsluitend'; 'exclusief'. Letterlijk: 'één kant'. Synoniem: ekantaṁ.

ekanta

A. 'Volkomen'; 'absoluut'; 'totaal'; 'perfect'; 'compleet'; 'exclusief'; 'ondubbelzinnig'. Letterlijk: 'met één kant'.

B. 'Alleen'; 'slechts'.

C. 'Definitief'; 'zeker'; 'zonder falen'.

D. 'Extreem'; 'ongelooflijk'.

E. 'Enkel'; 'één en hetzelfde'; 'identiek'; 'ondubbelzinnig'.

F. 'Echt'; 'origineel'; 'authentiek'.

ekāsanikaṅga

Eén van de 13 dhutaṅga praktijken voor woudmonniken. Zie dhutaṅga.

ekāyana

'De enige weg'. Zie Ekāyana — De enige weg; satipatthana.

epitheton

Het epitheton is een term die verwijst naar een bijvoeglijk naamwoord of een kenmerkende kwalificatie die in vaste verbinding met een zelfstandig naamwoord wordt gebruikt. Het kan een lovend attribuut of een erenaam zijn, maar soms ook een negatieve eigenschap. In de literatuur en retoriek wordt het vaak gebruikt om een eigenschap of kenmerk van een wezen of object op een opvallende manier te benadrukken.

equivalent

Een equivalent is een woord van exact dezelfde betekenis.

Zie ook Componenten en beleid bij het woordenboek.

essentieel

Essentieel betekent dat iets fundamenteel noodzakelijk is, onmisbaar is, onontbeerlijk is, elementair is, heel belangrijk is, cruciaal is.

eta

'Dit'.

etadavoca

'Zei dit' (tegen).

etadavocuṁ

Grammatica: Aor 3P Mv van etadavoca.

etaṁ

A. 'Dit'; 'dit ding' (subject). Synoniem: idaṁ; etad; enaṁ; ese. Antoniem: neta. Constructie: eta + aṁ.

B. 'Dit'; 'deze man'; 'dit ding' (object). Synoniem: imaṁ; enaṁ. Antoniem: neta. Constructie: eta + aṁ.

etaṁ kho saraṇaṁ khemaṁ

'Zulk een toevlucht is inderdaad veilig'. Zie Dhp188-192 — Aggidatta de brahmaan; Hoe word ik een echte boeddhist?

etamatthaṁ

A. 'Betekenis hiervan'; 'belang hiervan'.

B. 'Deze kwestie'; 'deze zaak'; 'deze affaire'.

etasmā

A. 'Van deze'. Synoniem: asmā; imasmā; etato; etamhā. Grammatica: Pron; Mnl & Ozn Abl Ev van eta.

B. 'Dan deze'. Synoniem: etato; etamhā. Grammatica: Pron; Mnl & Ozn Abl Ev van eta.

etena

'Hierdoor'; 'vanwege dit'. Letterlijk: 'hierdoor'; 'hiermee'.

eti

A. 'Komt' (naar). Antoniem: neti; veti. Fonetische wijziging: i > e. Fonetische variant: ayati.

B. 'Gaat' (naar). Synoniem: ulati. Antoniem: neti. Fonetische wijziging: i > e. Fonetische variant: ayati.

C. 'Wordt'. Synoniem: gacchati. Antoniem: neti. Fonetische wijziging: i > e. Fonetische variant: ayati.

ettha

'Hier'; 'in deze context'; 'in dit geval'; 'in dit opzicht'.

etu

'Kom!'; 'Kom alsjeblieft!' Grammatica: Gw van eti; Intrans.

eva

A. 'Alleen'; 'enkel'; 'uitsluitend'.

B. 'Nog steeds'.

C. 'Zelfs'; 'eveneens'; 'ook'.

D. 'Inderdaad'; 'werkelijk'; 'zeker'; 'absoluut'.

E. 'Zodra'.

evaṁ

A. 'Aldus'; 'dit'; 'zoals dit'; 'op deze manier'; 'op dezelfde manier'; 'op dezelfde wijze'; 'precies zoals'; 'zo'. Synoniem: iti; itthaṁ; tathā. Grammatica: Onb; Bijw.

B. 'Ja!'; 'dat klopt!'; 'correct!'. Grammatica: Onb; Uitr.

evaṁ api

'Op dezelfde wijze'.

evaṁ me sutaṁ

'Aldus heb ik gehoord'. Toespraken die op deze manier beginnen zijn kenmerkend voor de wijze waarop Ānanda, de neef en meest geliefde discipel van de Boeddha, de toespraken verhaalde die hij gehoord had. Zie Ānanda voor meer over deze bijzondere Thera.

evamāvuso

'Ja, vriend'; 'ja, broeders'. Constructie: evaṁ + āvuso.

evampi

'Evenzo'; 'precies zo'; 'op dezelfde manier'; 'ook'. Synoniem: evameva; evamevaṁ; tatheva. Constructie: evaṁ + api. Fonetische wijziging: ṁp > mp.

evaṁvimutta

'Aldus is bevrijding', d.w.z. bevrijding van bezoedelingen en bevrijding van toekomstige geboorten. Zie o.a. D16.1.16.

evarūpa

'Dergelijk'; 'soortgelijk'; 'van dergelijke kwaliteit'.

evarūpaṁ

Grammatica: van evarūpa.

evolueren

Evolueren heeft meerdere betekenissen, maar op STI bedoelen we waar evolueren hoofdzakelijk voor staat en dat is 'Het geleidelijk aan ontwikkelen'.

extern

Met intern en extern verwijzen we naar de 12 'bases' of 'bronnen' van de inwendige- en uitwendige zintuigbases. Zie āyatana B.

Zie ook chattiṁsā sota.

extravert

'Naar buiten gericht'.

Mensen zijn doorgaans erg gefocust op de externe wereld, ook boeddhisten. Maar de hoofdoorzaak van lijden is niet buiten je te vinden, maar diep in je. Lijden kun je niet overwinnen door de wereld te overwinnen, maar door jezelf te overwinnen. Het ware boeddhisme is niet extravert, maar introvert. Het draait allemaal om zelfoverwinning.

Zie ook Ekāyana — De enige weg; Regels, rituelen en kennis.

f

fenomenologie

Fenomenologie is de leer die wil trachten zonder enig vooroordeel de dingen te leren kennen zoals zij zich voordoen.

fixatie

In het mentale perspectief betekent fixatie dat de geest is gefixeerd op een bepaald object. Concentratie heeft een belangrijke functie, maar bij een vastgrijpen (upādāya) leidt concentratie tot fixatie. Fixatie op een punt sluit al het andere wat er nog meer is, uit. Een vernauwde geest (saṅkhittacitta) kan niet het totale gebeuren zien omdat er geen totaal gewaarzijn (sampajañña) is. Zie samādhi.

g

gabbha

A. 'Baarmoeder'. Synoniem: gabbhara. Grammatica: Mnl.

B. 'Embryo'. Grammatica: Mnl.

C. 'Kamer'; 'binnenruimte'; 'binnenkamer'. Letterlijk: 'baarmoeder'. Synoniem: ovaraka. Grammatica: Mnl.

D. 'Nakomelingen'; 'generatie'; 'kieming' (het kiemen). Letterlijk: 'baarmoeder'.

E. 'Bevattend'; 'gevuld met'. Letterlijk: 'baarmoeder'. Grammatica: Adj; in Sams.

gabbhara

Zie gabbha.

gacchāmi

Letterlijk: 'gaan naar'.

gahakāraka

'Huizenbouwer'; 'metselaar'; 'timmerman'. Zie Gahakārakaṁ — Het ontdekken van de huizenbouwer; samsara; kamma; paṭiccasamuppāda; taṇhā.

gahakārakaṁ

'De huizenbouwer'. Zie gahakāraka.

gahita

A. 'Kreeg'; 'greep'; 'pakte'; 'hield'; 'veroverde'; 'nam'. Letterlijk: 'gegrepen'. Synoniem: atta; ādinna; gāhita; viggahita. Antoniem: agahita. Fonetische variant: gahīta.

B. 'Genomen' (van). Letterlijk: 'gegrepen'. Antoniem: agahita. Fonetische variant: gahīta.

C. (Bijvoorbeeld) 'gegeven'; 'genomen'; 'inbegrepen'. Letterlijk: 'gegrepen'. Antoniem: agahita. Fonetische variant: gahīta. ◑

D. (Van een stad) 'gesticht'. Letterlijk: 'gegrepen'. Antoniem: agahita. Fonetische variant: gahīta. ◑

E. 'Greep'. Letterlijk: 'gegrepen'. ✘

F. 'Gekocht'. Letterlijk: 'gegrepen'. ✘

gambhīra

A. 'Diep'.

B. 'Diep water'; 'diepten'. Letterlijk: 'diep'.

C. 'Diepzinnig'; 'ondoorgrondelijk'; 'moeilijk te doorgronden' (Door middel van de tekst (palivasena)). Letterlijk: 'diep'.

D. (Van stem) 'diep'; 'rijk'; 'opkomend uit de diepte'. Letterlijk: 'diep'.

D. 'Diepe put'; 'diepe kuil'. Letterlijk: 'diep'.

gambhīrattha

'Met een diepe betekenis'; 'met een diepgaande implicatie'; 'waarvan de betekenis diepgaand is'.

gāmī

A. 'Leidend'; 'gaand'; 'op weg' (naar).

B. 'Gaan'; 'bewegen'; 'wie gaat'.

C. 'Gemotiveerd'; 'bewogen'; 'gedreven' (door). Letterlijk: 'gaand'.

gandha

'Geur'.

gandhabba

A. Hemelse muzikant. Zie deva.

B. Metaforisch bedoeld: een hemelwezen dat toekijkt tijdens de seksuele gemeenschap van man en vrouw en geboren wordt vanwege die gelegenheid. Voor meer, zie okkanti.

gandhakuti

'Geur kamer'. Een speciale kamer voor de Boeddha gebouwd door Anathapindika, in het Jetavana klooster. Wanneer de Boeddha niet aanwezig was hingen de mensen bloemen, wierook en dergelijke bij de ingang van de geur kamer, vandaar de naam. Later kregen de andere kloosters ook een geur kamer.

gandhataṇhā

'Begeerte naar geur'. Zie taṇhā.

gandhāyatana

'De basis van reuk'. Zie āyatana B.

Ganges

Rivier de Ganges (Ganga). Heilig voor de hindoes.

garukakamma

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, C.1.

garukapatti

Zie accantadussīlya.

gata

A. 'Gegaan' (naar); 'ging' (voor).

B. 'Worden' (op een bepaalde manier); 'in (een bepaalde toestand) zijn'; 'in (een toestand) terechtkomen'.

C. 'Gerelateerd aan'; 'verwijzend naar'; 'soort van'; 'type van'; 'van een soort'.

D. 'Gaand'; 'lopend'. Letterlijk: 'gegaan'.

E. 'Liep'; 'reisde'.

F. 'Passeerde'.

gāthā

A. 'Vers'; 'gedicht'; 'strofe'. Letterlijk: 'lied'.

B. 'Sutta's bestaande uit vers'; 'een van de negen soorten sutta's'.

gati

Letterlijk: 'gaan naar'; 'verloop van het bestaan', oftewel de koers, de lotbestemming, de bestemming. "Er zijn 5 koersen van bestaan: de hel (niraya), de dierenwereld (tiracchana yoni), de geestenwereld (petaloka), de mensenwereld (manussa loka), de hemelse werelden (devaloka)." D33; A11-068

Van deze behoren de eerste drie tot de pijnlijke staten (duggati, zie apaya), de laatste twee tot de gelukkige verlopen (bestemmingen) (suggati).

Mensen die zich inlaten met kwade dingen, worden, afhankelijk van wanneer hun kamma rijpt (zie M136), na hun dood geboren in pijnlijke plaatsen. Omdat die plaatsen de slachtoffers doen lijden, worden deze duggati genoemd. In tegenstelling tot deze plaatsen van ellende, zijn de suggati, plaatsen van zegening. Zij die zich op deugdzame manieren gedragen, worden eventueel in deze plaatsen geboren.

Voor meer over de sferen, zie avacara.

gati nimitta

Zie nimitta B.; gati.

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, C.3.

geconditioneerd

Zie conditionering.

geest verdovende medicijnen

Zie Waarom de Dhamma uit de wereld zal verdwijnen; De verwoestende gevolgen van geest verdovende medicijnen.

ge-eten

Grammaticaal correct is het 'gegeten'. Taal is levendig en de grammatica wordt aangepast aan hoe mensen de taal die ze spreken gebruiken. Zelfs als mensen onzorgvuldig zijn in het woordgebruik.

Maar ik neem niet zomaar een bepaald gedrag over 'omdat iedereen dat doet'. In dit geval omdat iedereen 'gegeten' zegt en/of omdat het grammaticaal correct zou zijn. Een boeddhist conformeert zich niet aan de gekte van wereld. In de oorspronkelijke sutta-teksten houd ik wel de oorspronkelijke grammatica aan, maar niet in de eindnoten ervan en ook niet in de teksten buiten de sutta's.

Het werkwoord is 'eten' en niet 'geten'. Je zegt toch ook niet: 'ga je mee geten' of 'ga je mee een eindje glopen'? Dat slaat natuurlijk nergens op. Ge-eten kan dan wel grammaticaal incorrect zijn, maar als we dit allemaal een tijdje gaan gebruiken, wordt het vanzelf een keer grammaticaal correct…

geleidelijk

Geleidelijk betekent rustig, zonder schokken verlopend. Het verwijst naar een proces dat zich ordelijk en zonder sprongen of tussenposen voltrekt. Geleidelijkheid geeft aan dat iets of iemand langzaam verandert. Het in geordende, gestage opeenvolging van het een op het ander overgaand. Zo is bijvoorbeeld bewustzijn (viññāṇa) een ononderbroken stroom (sota) die geleidelijk verandert. Voor een goed voorbeeld, zie pathway.

geleidelijkheid

Zie geleidelijk.

genereren

Genereren betekent het voortbrengen, het opwekken of creëren van iets. Zo kun je bijvoorbeeld kamma genereren. Of als je vaak toegeeft aan zintuiglijk verlangen genereer je een hechten. waardoor je het in het bestaan komen creëert, voortbrengt, genereert. In een ander perspectief betekent genereren bijvoorbeeld het opwekken van stroom.

gewaad

Men zegt dat de Boeddha in de zes jaren tijdens zijn zoektocht naar een begraafplaats ging waar de doden gecremeerd werden en dat hij daar versleten, afgedankte kleren van de doden zocht die hij, na deze te hebben gewassen, aantrok. In die tijd was dat de gepaste kleding voor een asceet. Om een passend kledingstuk te verkrijgen, moesten vaak stukken stof aan elkaar gezet worden. Men zegt dat dit de rede is waarom het gewaad van de monnik c.q. non, uit aan elkaar genaaide lappen bestaat.

geyya

A. 'Gemengde verzen'; 'gemengde proza'; 'een van de negen soorten sutta's'. Letterlijk: 'te zingen'.

B. 'Dat wat gezongen moet worden'.

ghana

'Neus'. Zie ook āyatana B.

ghānasamphassa

Letterlijk: 'neus contact', zie phassa.

ghanasaññā

'Dingen zien als een vaste massa of een heelheid'.

ghānaviññāṇa

'Neusbewustzijn' oftewel 'ruiken'.

ghānāyatana

'De basis van de neus'. Zie āyatana B.

gihikāmabhogi

'Genieters van zintuiglijke plezieren'. Zo noemde de Boeddha zijn lekenvolgelingen.

Zie ook Boeddhisme en seks

gimhāna

'Zomerseizoen'.

gocara sampajañña

'Helder begrip omtrent het domein van meditatie'. Zie sampajañña.

Godhāvarī

Rivier de Godhāvarī. Geen toelichting.

gotama

Familienaam van de Boeddha van dit tijdperk. Sakya was de naam van zijn stam. Zie Boeddha Gotama.

gotrabhū

'Volwassen'; 'volgroeid'. Zie Gotrabhū — De volwassene.

gotrabhū citta

Zie gotrabhū.

gotrabhū javana

'Impulsmoment van volwassenheid'. Zie javana.

h

hadayavatthu

'Hart als fysieke basis'.

Dit wordt soms foutief gezien als de basis van het mentale leven. Maar het is duidelijk dat de Boeddha beslist niet een specifieke basis voor het bewustzijn heeft toegewezen, zoals hij wel gedaan heeft met de andere zintuigen (oog, oor, neus, tong, lichaam). Het was de cardiale theorie (de opvatting dat het hart de zetel van het bewustzijn is) die in zijn tijd de overhand had, en dit werd klaarblijkelijk ondersteund door de Upanishads (verhandelingen binnen het hindoeïsme). De Boeddha had deze populaire theorie kunnen aanvaarden, maar dat heeft hij heel duidelijk niet gedaan.

Volgens de commentaren en (daarom) zelfs volgens de algemene boeddhistische traditie (omdat dit wordt overgenomen van de commentaren), vormt het hart de fysieke basis (vatthu) voor bewustzijn. Echter, nergens in de canonieke teksten en zelfs niet in de Abhidhamma piṭaka (de Hogere Leer), is een dergelijke basis ooit aangewezen. Men dient er altijd rekening mee te houden dat commentaren — die dus niet van de hand van de Boeddha zelf zijn — incorrectheden kunnen bevatten. Omdat commentaren doorgaans zeer zuiver zijn, wordt niet altijd rekening gehouden met het feit dat ze ondanks dat toch tekortkomingen kunnen bevatten. Dit is de reden waarom in de algemene boeddhistische traditie een commentaar blindelings wordt aangenomen, wat natuurlijk fout en een extreem is. Aan de andere kant zijn er (o.a. in Sri Lanka) ook (notabene in het Theravāda) aftakkingen die alle commentaren verfoeien, wat een ander extreem is.

Ook zijn er woorden waardoor mensen zich op een zijspoor laten begeven. Bijvoorbeeld: in de Patth verwijst de Boeddha naar de basis van bewustzijn in zulke indirecte termen als 'yam rupam nissaya' (afhankelijk van dat materiële ding), zonder positief te beweren of die rūpa ofwel het hart (hadaya) of het brein was. Maar volgens de opvattingen van commentatoren als de eerbiedwaardige commentatoren Acariya Buddhaghosa en Acariya Anuruddha, is de basis van het bewustzijn beslist het hart. Het moet duidelijk zijn dat de Boeddha deze oude populaire harttheorie niet heeft aanvaard of verworpen.

Volgens de Pāḷi commentatoren levert het hart dus de fysieke ondersteuning voor elk soort van bewustzijn. Maar dit is in tegenstelling tot wat de Boeddha leert volgens de wet van het afhankelijk ontstaan (paṭiccasamuppāda). Bovendien wordt in de canonieke Abhidhamma de hart-basis niet vermeld. In Patth wordt eenvoudigweg gesproken over "het fysieke ding waar het geesteselement en het geestesbewustzijn (manoviññāṇa) van afhangt, verschijnt (…)" (yam rupam nissaya manodhātu ca manoviññāṇadhātu ca vattanti, tam rupam). De commentaren, echter, specificeren onterecht vervolgens 'dat fysieke ding' als de hart-basis, een holte die is gelegen in het fysieke hart.

Voor een nadere beschrijving, zie Vis 8: 111 (wat dus incorrect is).

M038 is een heel mooie toespraak waarin de Boeddha uitlegt dat bewustzijn niet ontstaat zonder een voorwaarde.

hasituppāda

'Vreugde'; 'vrolijkheid'; 'opgewektheid'. Zie hasituppādacitta.

hasituppādacitta

Letterlijk: 'bewustzijn dat vreugde (een glimlach) voortbrengt', wordt aangetroffen in AbhS als een naam voor het vreugdevolle geestesbewustzijn element (manoviññāṇadhātu, Tabel I 72) dat onafhankelijk van kamma ontstaat als een functioneel bewustzijn. Het is alleen in de arahat aanwezig. Dit type van bewustzijn (de glimlach van de Boeddha) komt vaak voor in de sutta's. Zie ook hasituppāda.

hāyati

A. 'Slinkt'; 'vermindert'; 'daalt'; 'neemt af'.

B. 'Is inferieur'; 'is lager'.

hemanta

'Winterseizoen'.

hersenbeschadiging

Zie Mogelijke oorzaken en herstel van hersenbeschadiging.

hetaṁ

'Inderdaad dit'; 'zeker dit'. Constructie: hi + etaṁ. Grammatica: Onb + Pron.

hetu

'Wortel'; 'oorzaak'. Zie Equivalent: mula.

hetupaccaya

'Wortel voorwaarde', is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

hi

A. 'Inderdaad'; 'zeker'; 'werkelijk'; 'beslist'. Antoniem: nahi.

B. 'Omdat'; 'want'. Antoniem: nahi.

C. (Gram) hi; 'werkwoordelijke uitgang van de imperatief 2e persoon enkelvoud'.

himsa

'Schadelijkheid'; 'gewelddadigheid'; 'wreedheid'. Het tegenovergestelde van ahiṁsā.

hīna

A. 'Laag'; 'inferieur'; 'gebrekkig'. Letterlijk: 'verminderd'. Synoniem: nīceyya; oma. Antoniem: ahīna. Grammatica: Vdw van hāyati.

B. 'Verslagen'; 'weerlegd'; 'overwonnen'. Letterlijk: 'verminderd'. Synoniem: apāhata. Antoniem: ahīna. Grammatica: Vdw van hāyati.

C. 'Afgedwaald'; 'verloren'; 'verdwaald'. Letterlijk: 'verminderd'. Synoniem: papatita. Antoniem: ahīna. Grammatica: Vdw van hāyati.

D. 'Iets minderwaardigs'; 'iets ergers'. Letterlijk: 'verminderd'. Grammatica: Ozn; Vdw van hāyati.

E. 'Lekenleven'; 'seculiere wereld'. Letterlijk: 'verminderd'. Grammatica: Ozn; Vdw van hāyati.

F. 'Verminderd', 'gekrompen', 'weggekwijnd'. Letterlijk: 'verminderd'.

G. 'Verstoken' (van); 'gebrekkig' (aan); 'ontbrekend' (aan). Letterlijk: 'verminderd'. Synoniem: nihīna; parihīna. Antoniem: ahīna. Grammatica: Vdw van hāyati; in Sams (+Instr).

hīna dhamma

Zie hīna.

Hiraññavatī

Rivier de Hiraññavatī. Aan deze rivier ligt Kusinagar.

hiri

'Morele schaamte'; 'geweten'; 'bescheidenheid'. Dat wil zeggen, door schaamte gaan aarzelen om kwade dingen te doen waarvoor men zich zou moeten schamen wanneer ze uitgevoerd worden. Hier tegenover staat de immorele factor ahirika. Zie cetasika; Tabel II.

Hiri is een van de 7 schatten (dhana) en een van de 'dingen die de wereld beschermen' (lokapāladhamma).

hita

A. 'Gunstig'; 'goed'; 'voordelig'. Antoniem: ahita.

B. 'Weldoener'; 'vriend'; 'goede persoon'. Antoniem: ahita.

C. 'Welzijn'; 'goed'; 'voordeel' (van); 'zegen'. Letterlijk: 'geplaatst'. Antoniem: ahita.

D. 'Neerzetten'; 'geplaatst'. Antoniem: ahita.

hitāya

'Gunstig'; 'voordelig' (voor). Letterlijk: 'ten goede' (van).

hoti

A. 'Is'; 'wordt'. Synoniem: bhavati; bhoti. Grammatica: Tt; Intrans (+Nom).

B. 'Bestaat' (voor). Synoniem: bhavati; tiṭṭhati. Grammatica: Tt; Intrans (+Dat).

C. 'Blijft'; 'blijft over'; 'gaat door te bestaan'; 'houdt aan te bestaan'. Synoniem: acchati; āvasati; tiṭṭhati; viharati. Grammatica: Tt; Intrans.

Varianten hoti: hotu

hotu

A. 'Moge het zijn!' (voor). Grammatica: Gw van hoti; Intrans (+Dat).

B. 'Laat het zo zijn!'; 'hoe het ook zij!'. Grammatica: Gw van hoti; Intrans.

Varianten hotu: hoti

hulde

(namo tassa bhagavato arahato sammā sambuddhassa: Hulde aan de gezegende, de volmaakte, de volledig verlichte). Het Pāḷi woord voor hulde wordt ook wel vandana genoemd.

hutaṁ

'Verzoening'; 'offergave'.

Dit gebruik duidt in het algemeen op de offergave die gedaan wordt door niet-boeddhisten. Ten tijde van de Boeddha werd de vuur aanbidding omschreven als hutaṁ. In de Vedische literatuur van het oude India, werd melk in het vuur gegooid ter verzoening met de Vuur God. Dit werd omschreven als hutaṁ.

Zie Dhp106 — De eerwaarde Sariputta's oom; Dhp107 — De eerwaarde Sariputta's neef.

Zie ook aggihutta.

i

iccha

'Verlangen'; 'wens'.

idappaccayatā

'Leer van voorwaardelijkheid'.

iddhi

'Kracht'; 'magische kracht'. Zie Iddhi — Kracht; iddhipāda.

iddhipāda

'Wegen naar kracht'; 'wegen naar succes'. Zie Iddhipāda — De wegen naar kracht; bodhipakkhiya dhamma.

iddhividhā

'Magische krachten', is één van de 6 hogere krachten (abhiññā).

identificatie

Zie zelfidentificatie.

idha

A. 'In deze Leer'; 'in dit verband'.

B. 'Nu'; 'in deze wereld'; 'in dit huidig bestaan'.

idhāhaṁ

A. 'Hier ik'; 'nu ik'. Constructie: idha + ahaṁ. Grammatica: Bijw + Pron.

B. 'Met betrekking tot dat ik'; 'in die kwestie'. Constructie: idha + ahaṁ. Grammatica: Bijw + Pron.

idiomatische uitdrukking

Een idiomatische uitdrukking is een vaste combinatie van woorden die een figuurlijke betekenis heeft die afwijkt van de letterlijke betekenis van de afzonderlijke woorden. Bijvoorbeeld, de uitdrukking "de kogel is door de kerk" betekent dat er een beslissing is genomen, en niet letterlijk dat een kogel door een kerk is gegaan. Idiomatische uitdrukkingen zijn vaak cultureel bepaald en kunnen niet altijd letterlijk in een andere taal worden vertaald.

illusie

Een illusie is een schijnbare werkelijkheid of een onjuiste interpretatie van de werkelijkheid gebaseerd op iemands waarnemingen via de zintuigen.

illusionair

'De aard van of veroorzaakt door een illusie'.

illusoir

'Wat je gelooft maar niet waar is'; 'alleen in de verbeelding bestaand'; 'bedrieglijk'; 'denkbeeldig'; 'fantastisch'; 'gewaand'; 'hersenschimmig'; 'imaginair'; 'misleidend'; 'niet werkelijk bestaand'.

Zie ook illusie.

ima

'Dit'.

imāni

'Deze'.

imasmiṁ

A. 'In dit'; 'in deze'.

B. 'Wanneer dit'.

imina

'Vanwege dit'.

imperatief

De imperatief is de gebiedende wijs in de Nederlandse grammatica.

indra

'Heerschappij' of 'controle'. Indra is ook de naam van een hindoe god. De Boeddha verwijst ook naar mensen van hoog moreel niveau, zoals in Snp3-09.656.

indriya

'Vermogens'; 'bepalende vermogens'. Indriya — Vermogens.

indriya samatta

'Evenwichtigheid'; 'balans'; 'harmonie van de vermogens'. Zie Indriya samatta — Evenwichtigheid van de vermogens.

indriyapaccaya

'Vermogens voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

indriyaparopariyattiñāṇa

'De kennis van domheid en scherpzinnigheid hebben omtrent vermogens als geloof, energie, indachtigheid, concentratie en wijsheid' (bala). Zie ook buddhacakkhu.

indriyasaṁvara sīla

'Beheersing met betrekking tot de zintuigen', is een van de 4 soorten moraliteit die bestaan uit zuivering (catupārisuddhisīla). Zie sīla. Het is ook een van de vier beperkingen (catupariyanta). Een andere naam voor indriyasaṁvara sīla is samvara suddhi.

Zie ook tapo.

indryaguttadvāra

'Het bewaken van de zintuigpoorten'. Wanneer iemand hieromtrent in gebreke is, zal de geest bezoedelen.

guttadvāra

'De deuren bewaken' (van); 'met zelfbeheersing' (in); 'de geest beschermen' (met betrekking tot). Letterlijk: 'bewaakte deuren'.

iñjita

'Verstoring'; 'verwarring'; 'bewogen'; 'emotie'. Synoniem: paritassati.

Doorgaans wordt verwezen naar 7 verstoringen: raga, dosa, moha, māna, diṭṭhi, kilesa en duccarita. Synoniem: paritassati.

De term iñjita komt o.a. voor in Snp3-12, Verstoringen als een voorwaardelijke conditie (paccaya).

Zie ook de groep pagina Wat is het onverstoorbare?

intern

Met intern en extern verwijzen we naar de 12 'bases' of 'bronnen' van de inwendige- en uitwendige zintuigbases. Zie āyatana B.

Zie ook chattiṁsā sota.

introvert

'Naar binnen gericht'.

Mensen zijn doorgaans erg gefocust op de externe wereld, ook boeddhisten. Maar de hoofdoorzaak van lijden is niet buiten je te vinden, maar diep in je. Lijden kun je niet overwinnen door de wereld te overwinnen, maar door jezelf te overwinnen. Het ware boeddhisme is niet extravert, maar introvert. Het draait allemaal om zelfoverwinning.

Zie ook Ekāyana — De enige weg; Regels, rituelen en kennis.

intuïtief inzicht

Onder intuïtief inzicht of intuïtieve wijsheid verstaan we het inzicht dat ontstaat zonder de tussenkomst van 'ik'. Het wordt daarom verkregen zonder gekunsteldheid, zonder aannames, zonder aanzet (asaṅkhārikacitta).

Gewaarzijn (vijānana) kan gezien worden als de basis voor intuïtief inzicht omdat een object alleen correct kan worden herkend zonder persoonlijke invulling. Naarmate bewustzijn (viññāṇa) verder wordt ontwikkeld gaat dit gewaarzijn (vijānana) geleidelijk over in helder begrip (sampajañña) dat gelijk is aan doordringend inzicht (pativedha).

Zie ook Van bewustzijn naar helder begrip; vipassanā.

intuïtieve wijsheid

Zie intuïtief inzicht.

iriyapatha

Letterlijk: 'manieren van beweging'; 'houdingen van het lichaam', d.w.z. lopen, staan, zitten, liggen. In de satipatthana training vormen ze een onderwerp van contemplatie en oefening in indachtigheid.

issa

'Afgunst', is een karmische immorele (akusala) mentale factor, die zo nu en dan samengaat met het in haar geworteld bewustzijn. Zie cetasika; Tabel II. Wordt uitgelegd in Pug. 55.

Het is een gebrek aan waardering of afwezigheid van de neiging anderen geluk te wensen omtrent het succes in hun leven. Het betekent ook het zichzelf steeds opstellen om gebreken bij anderen op te sporen waardoor de eigen gebreken worden omzeild. Dit moet niet verward worden met de berispingen en waarschuwingen van een goed leraar naar een leerling toe, of gewoon iemand die positief berispt, omdat deze niet de bedoeling heeft iemand anders te beledigen, maar om de weg te wijzen.

Issa is een van de bezoedelingen van de geest. Zie upakkilesa.

iti

'Dus'; 'zoals dit'; 'dit is'; 'en zo'. Synoniem: evaṁ. Grammatica: Onb; Bijw.

itipi

'Inderdaad'; 'zeker'.

itivuttaka

'Aldus is Gezegd'; 'gezegden'; 'een van de negen soorten sutta's'; 'Het 4e boek van de Khuddaka Nikāya'.

ittara

A. 'Korte tijd'; 'weinig tijd'. Letterlijk: 'snel gaan'. Antoniem: dīgha. Grammatica: Ozn.

B. 'Voorbijgaand'; 'vluchtig'; 'kort levend'; 'kortstondig'. Letterlijk: 'snel gaan'. Grammatica: Adj.

C. 'Recent'; 'binnenkort'. Letterlijk: 'snel gaan'. Synoniem: acira; nacira. Grammatica: Adj.

D. 'Kort'; 'heel klein of weinig'. Letterlijk: 'snel gaan'. Grammatica: Adj.

E. 'Laag'; 'inferieur'; 'arm'; 'veracht'. Grammatica: Adj.

ittha

'Aantrekkelijk'; 'welkom'; 'aangenaam'; 'prettig'. Het tegenovergestelde is aniṭṭha.

itthassa

Zie ittha.

itthi

'Vrouwelijkheid'.

itthindriya

'Het vermogen vrouwelijkheid'. Zie indriya.

j

jagarati

'Waakzaam zijn'; 'wakker zijn'. Zie o.a. natthi jagarato bhayam.

jagariyamanuyutto

'Toegewijd zijn aan waakzaamheid'.

jāgariyānuyoga

'De toepassing van waakzaamheid', is een van de vier beperkingen (catupariyanta).

jalini

'Verstrikker'. Een metaforische naam voor begeerte (taṇhā). Zie o.a. A04-199 — Taṇhā Sutta — Begeerte — De verstrikker en de ideeën van ik.

jambudipa

Zie Bharata.

jana

'Weten'; 'zich bewust zijn' (van); 'begrijpen'. Grammatica: Adj; in Sams; van jānāti.

janakakamma

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, B.1.

jānāti

'Weet'; 'begrijpt'.

jara

'Ouderdom'; 'verval'. Bekijk de definitie van ouderdom in D22.

Jara is een van de goddelijke boodschappers (devadūta).

jarā

'Ouderdom'; 'veroudering'. Grammatica: van jara.

jarādhamma

'Vatbaar voor veroudering'; 'van de aard om te vergaan'. Letterlijk: 'ouderdomsaard'. Constructie: jarā + dhamma.

jarādhammaṁ

Grammatica: van jarādhamma.

jarāmaraṇa

'Ouderdom en dood'; 'veroudering en sterven'. Constructie: jarā + maraṇa.

jarāmaraṇaṁ

Grammatica: van jarāmaraṇa.

jātaka

A. 'Verhalen van vorige levens'; 'geboorteverhaal'; 'een van de negen soorten sutta's'. Letterlijk: 'over geboren'.

B. 'Het 14e en 15e boek van de Khuddaka Nikāya'. Letterlijk: 'geboorteverhalen'.

C. 'Pasgeborene'; 'recent geboren'.

D. 'Ontstaan'.

jāti

'Geboorte'. Bekijk de definitie van geboorte in D22.

jātidhamma

'Geboorte vatbaar'; 'van de aard om geboren te worden'. Letterlijk: 'geboorte aard'. Constructie: van jāti + dhamma.

jātidhammaṁ

Grammatica: van jātidhamma.

jātijarūpaga

'Naar geboorte en ouderdom'.

Jatila

Een religieuze sekte. Deze asceten worden Jatila genoemd, omdat zij lang en samengeklit haar (jata) hebben.

javana

'Impuls'. Zie Javana — Impulsmomenten; samādhi.

javana citta

'Impuls bewustzijn', is een van de 14 functies van bewustzijn (viññāṇakicca). Zie javana.

javati

Zie javana.

jayati

A. 'Overwinnen'; 'overtreffen'; 'verslaan'.

B. 'Geboren'; 'ontstaan'.

jetva

'Te hebben overwonnen'; te 'hebben bedaard'. Afgeleid van jeti.

jhāna

'Meditatieve verdieping'; 'opgaan'. Zie Jhāna — De meditatieve verdiepingen; pañcanīvaraṇa; jhānaṅga; samādhi; ariyapuggala; lokuttara; vimokkha.

jhānaṅga

'Jhāna-factoren'. Zie Jhānaṅga — Jhāna factoren die de vijf hindernissen opruimen; jhāna.

jhānapaccaya

'Jhāna voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

jhānavisaya

'Reikwijdte van meditatie' (van); 'domein van meditatie' (van); (Comm) 'bereik van hogere kennis voortkomend uit meditatie'.

jinati

'Overwinnen'; 'onderwerpen'. Heel belangrijk is zelfoverwinning.

jiva

'Leven'; 'vitaal principe', 'individuele ziel'.

'Ziel (leven) en lichaam zijn identiek' en 'ziel en lichaam zijn verschillend'. Deze twee vaak geciteerde verkeerde opvattingen vallen onder de 2 soorten geloof in persoonlijkheid (sakkāyadiṭṭhi, zie diṭṭhi), d.w.z. de eerste onder het vernietigingsgeloof (ucchedadiṭṭhi) en de tweede onder het eeuwigheidsgeloof (sassatadiṭṭhi).

"Voorwaar, als men van mening is dat de ziel (het leven) identiek is aan het lichaam, in dat geval is een heilig leven niet mogelijk; of als men van mening is dat de ziel (het leven) iets heel anders is, ook in dat geval is een heilig leven onmogelijk. Beide uitersten heeft de Gezegende vermeden en de Middenweg getoond, die zegt: 'Afhankelijk van onwetendheid ontstaan kamma formaties, afhankelijk van kamma formaties ontstaat bewustzijn', etc." S12-035

jivha

'Tong'. Zie ook āyatana B.

jivha samphassa

Letterlijk: 'tong contact', zie phassa.

jivha suparasam yatha

'Zoals de tong de smaak van de soep kent'. Zie Dhp065 — De dertig monniken van Patheyyaka.

jivhāviññāṇa

'Tongbewustzijn' oftwel 'proeven'.

jivhāyatana

'De basis van de tong'. Zie āyatana B.

jīvikattha

'Met het oog op het levensonderhoud'; 'om de kost te verdienen'. Letterlijk: 'wiens doel het levensonderhoud is'. Het is een voorwaarde voor wereldse vooruitgang die de Boeddha adviseert voor lekenvolgelingen. Het duidt op een 'uitgebalanceerde levenswijze'. Zie A08-054.

jīvita

'Vitaliteit'; 'leven'. Synoniem: jivitindrya. Kan zowel fysiek (rūpajīvitindriya) als mentaal (nāmajīvitindriya) zijn. De laatste is een van de mentale factoren die onafscheidelijk verbonden is met elk type bewustzijn. Als mentale factor betekent het, het leven van mentale fenomenen, wat neerkomt op het bewaren van de continuering van mentale fenomenen.

Zie ook cetasika; Tabel II.

jivitindrya

Zie jīvita.

k

ka

A.1 'Wie?'; 'wat?'; 'welke?'.

A.2 'Waar?'.

B.1 'Het eerste item in een numerieke lijst'. Letterlijk: 'de letter k'. Grammatica: Onb.

C.1 'Water'. Grammatica: Ozn; Afk van udaka.

kabalinkarahara

'Materieel voedsel'. Zie āhāra.

kālaṁkaroti

'Overlijdt'; 'sterft'. Synoniem: cavati. Constructie: kālaṁ + karoti. Grammatica: Tt; Sam Ww.

kaliggaha

'Verlies'; 'nederlaag'; 'ramp'; 'ruïnering'. Letterlijk: 'de verliezende dobbelstenen krijgen'. Synoniem: parājaya; vināsa.

kalpa

Sanskriet voor kappa.

kalyāṇa

A. 'Goed'; 'gunstig'; 'voorspoedig'; 'heilzaam'; 'mooi'; 'lieflijk'; 'ethisch'. Synoniem: abhirūpa; kusala; cāru; bhadraka; vaggu; vasu; sudassana; sundara; sumaṅgala; hita. Antoniem: pāpa; pāpaka; akalyāṇa.

B. (In spreken) 'beleefd'; 'vriendelijk'; 'charmant'; (Com) 'zacht en teder'. Letterlijk: 'goed'. Synoniem: cāṭu; sāraṇī; sāraṇīya; sārāṇīya; sorata. Antoniem: akalyāṇa; pāpa; pāpaka.

B. 'Goedheid'; 'goede daden'; 'deugd'; 'verdienste'; 'voordeel'; 'kwaliteit'. Synoniem: dhana; sādhu. Antoniem: pāpa; pāpaka.

kalyāṇamitta

A. 'Met uitstekende vrienden'; 'met goede geestelijke metgezellen'. Antoniem: pāpamitta. B. 'Uitstekende vriend'; 'Goede geestelijke metgezel'. Antoniem: pāpamitta.

Zo wordt een senior monnik genoemd (of iemand die zeer bekwaam is in de Dhamma) die de mentor en vriend is van zijn leerling, hem zijn welzijn wenst, zich met zijn proces bezighoudt, en zijn meditatie begeleidt. De meditatieleraar (kammaṭṭhānācariya) in het bijzonder wordt zo genoemd.

Zie ook mitta voor een mooie compilatie.

kalyāṇamittatā

'Feit van een uitstekende vriendschap'; 'feit van een geestelijke band'. Letterlijk: 'goede vriend-staat'.

Zie ook mitta voor een mooie compilatie.

kalyāṇapāpaka

'Goed en slecht'; 'goed en kwaad'. Constructie: kalyāṇa + pāpaka.

kalyāṇapāpakānaṁ

Grammatica: van kalyāṇapāpaka.

kāma

'Zintuiglijkheid'. Zie Kāma — Zintuiglijkheid.

kāma mathenti citta

'De zintuiglijke verstorende toestand van de geest'. Dit duidt op een toestand van de geest. In het perspectief van mentale stabiliteit kan het volgende worden gesteld: 'De ervaringen die plezierig (itthassa) zijn verstoren (mathenti) zijn geest niet.' M.a.w.: hij heeft geen zintuiglijke geest, dus verstoren plezierige, zintuiglijke dingen hem niet. Zie Dhp081 — De eerwaarde Lakuntaka Bhaddiya — Mentaal zo stabiel als een grote rots; A08-006.

kāmabhava

'Het in het bestaan komen van de zintuiglijke wereld'. Zie ook bhava.

kāmābhibhūta

'Overmand door (de angst van) zintuiglijk verlangen'.

kāmacchanda

'Zintuiglijk verlangen'; 'zintuiglijke plezieren'. Eén van de vijf hindernissen. Zie pañcanīvaraṇa.

kāmadhātu

'Het element van de zintuiglijke wereld'.

kāmādīnava

'Het gevaar van zintuiglijkheid'.

kāmaguṇa

'Koorden of draden van sensueel plezier'. Het worden ook wel 'banden' genoemd omdat ze mensen aan de wereld binden. Zie kāma.

kāmajjhosāna

'De gehechtheid aan zintuiglijk genot'. Zie kāma en o.a. A04-010.

kāmaloka

'Zintuiglijke sfeer'. Zie loka; avacara.

kāmamoha

'Zintuiglijke begoocheling'. Zie kāma; moha; upādāna.

kāmamucchā

'De misleiding van zintuiglijke genoegens'. Zie kāma; muccha en o.a. A04-010.

kamana

'Lopen'; 'bewegen'.

kāmanandi

'Het zich verheugen in zintuiglijk genot'. Zie kāma en o.a. A04-010.

kāmapariḷāha

'Het voeden van zintuiglijkheid'. Zie kāma; pariḷāha en o.a. A04-010.

kāmapipāsā

'De dorst naar zintuiglijke genoegens'. Zie kāma en o.a. A04-010.

kāmarāga

'Zintuiglijke hartstocht'; 'zinnelijk verlangen'. Synoniem: kāmataṇhā. Zie kāma en o.a. A04-010; S36-006. Zintuiglijke hartstocht/begeerte, bindt iemand aan de zintuiglijke sfeer (avacara). Iemand met zintuiglijke hartstocht is snel beinvloedbaar (asava). Het is één van de 7 neigingen (anusaya); een van de tien banden (saṁyojana).

kāmasaṅkappa

'Gedachten van zintuiglijkheid', is een van de drie verkeerde gedachten. Het is de tegenstelling van nekkhammasaṅkappa.

Ga naar de beschrijving van juiste gedachten op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

kāmasaññā

'Sensuele waarnemingen'. Zie ook kāma; saññā.

kāmāsava

'De bezoedeling van zintuiglijkheid', is één van de vier hoofdbezoedelingen. Zie asava.

kāmasneha

'Het kleven aan zintuiglijke genoegens'. Zie kāma en o.a. A04-010.

kāmasukha

'Zintuiglijk geluk', is het tijdelijke, onbevredigende geluk dat via de zintuigen ervaren wordt vanwege een zintuiglijk verlangen (kāmacchanda) dat in contact komt met het begeerde object.

kāmasukhallikānuyoga

'Extreme sensuele toegeeflijkheid'; 'wellust'. Een van de twee extremen die d.m.v. het Achtvoudige Pad vermeden wordt.

kāmatā

'Verlangen'; 'wens' (om). Letterlijk: 'gewenste toestand'.

kāmataṇhā

'Zintuiglijke begeerte'; 'begeerte naar zintuiglijke objecten'; 'hunkering naar zintuiglijke geneugten'; 'begeerte naar de zintuiglijke wereld'. Zie Taṇhā — De drie vormen van begeerte; kāma; taṇhā.

kāmāvacara

'Zintuiglijke sfeer'. Zie loka; avacara.

kāmāvacaracitta

'De onontwikkelde geest', is een synoniem voor amahaggatacitta, zie daar.

kāmavitakka

'Zintuiglijke gedachten'. Zie ook kāma.

kāmavūpasamana

'Het kalmeren van (de angst van) zintuiglijk verlangen', d.w.z. vrede. Zie ook vūpasamaya.

kāmayoga

'De band van zintuiglijkheid', staat voor één van de vier hoofdbezoedelingen en is daarmee gelijk aan. Zie A04-010; asava.

kāmayogavisaṁyoga

'De verbreking van de band van zintuiglijkheid', zie A04-010.

kāmesumicchācāra

'Seksueel wangedrag'; 'onwettige seksuele relaties'. De onthouding ervan is een aspect binnen de 4e factor van het Edel Achtvoudige Pad en valt binnen de 2e divisie van het Pad, namelijk de groep van moraliteit.

Dit behelst ook overige lichamelijke handelingen die betrekking hebben op zintuiglijkheid (kāma) waardoor iemand zich misdraagt. De Boeddha legt extra nadruk op seksueel wangedrag.

Ga naar de beschrijving van Onthouding van seksueel wangedrag op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

kāmesumicchācāra veramaṇī

'Onthouding van seksueel wangedrag'; 'onthouding van onwettige seksuele relaties'. Zie kāmesumicchācāra.

kāmeti

'Verlangt'; 'hunkert'; 'is verliefd' (op).

kamma

'Wilshandeling'. Zie het deel Kamma van de sectie Inzicht meditatie.

kamma formaties

De 'kamma formaties' oftewel 'mentale formaties' die betrokken zijn bij karmisch heilzame (kusala) of onheilzame (akusala) wilshandelingen (cetanā) en zich manifesteren als daden via het lichaam, de spraak of de geest. Ze vormen de tweede link van de formule van het afhankelijk ontstaan (paṭiccasamuppāda).

Zie ook āyūhana; saṅkhāra A.1; abhisaṅkhāra.

kamma māra

'Een van de vijfvoudige Māra'. Zie Māra.

kammabhava

'Handelingen die leiden naar worden oftewel het kamma proces'. Voor meer, zie bhava.

kammabhāva

'Paraatheid'; 'werkbaarheid'; 'fitheid'. Grammatica: Mnl Voc Ev van kammabhāva.

kammacetanā

'Karmische wilshandelingen', dat wil zeggen, heilzame (kusala) of onheilzame (akusala) wilshandelingen. Synoniem: āyūhana. Dit zijn wedergeboorte producerende wilshandelingen die het wedergeboorte proces (upapattibhava) in gang zetten. De 'kamma formaties' of 'kamma factoren' (kammasaṅkhāra) zijn de formaties die daarbij betrokken zijn.

Zie ook cetanā; āyūhana; paṭiccasamuppāda; De daden van een arahat.

kammadhāraya

Letterlijk: 'het object dragen'. Synoniem: kammadhārayasamāsa; paṭhamātappurisa. Constructie: kamma + dhāraya.Grammatica: Mnl; Sam.

kammajavana

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, A.

kammakilesa

Letterlijk: 'handelingen van bezoedeling'. Zie ook bezoedelingen.

kammānaṁ

Grammatica: van kamma.

kammanimitta

Zie nimitta B.

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, C.3.

kammaniyama

'Vastheid der wet', 'trefzekerheid van de wet van kamma'. Zie niyama.

kammaññatā

'Aanpassingsvermogen'; 'geschiktheid' kan van 3 soorten zijn:

De laatste twee zijn mentale factoren die samengaan met al het heilzame bewustzijn. Hoe beter bewustzijn zich kan aanpassen, hoe beter mentale factoren kunnen samenwerken. Alles in het bestaan is gebaseerd op aanpassing om te kunnen ontwikkelen.

Voor de laatste twee, zie cetasika; Tabel II.

kammanta

'Handelingen'.

kammapaccaya

'Kamma voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

kammapatha

'Koers van handeling' of 'deur van handeling', is een naam voor de groep van 10 soorten van heilzame of onheilzame handelingen. Zie Kammapatha — Koersen van handeling.

Zie ook het deel Kamma van de sectie Inzicht meditatie.

kammasaṅkhāra

Zie kamma formaties.

kammaṭṭhāna

A. 'Werk'; 'activiteit'; 'bedrijf'. Letterlijk: 'werkplek'.

B. 'Meditatie onderwerp'; 'meditatie object'; 'thema voor reflectie'. Letterlijk: 'werkplek'.

C. 'Meditatie instructie'; 'richting van meditatie'. Letterlijk: 'werkplek' ◑.

kammaṭṭhānācariya

'Meditatieleraar'. Zie kalyāṇamitta.

kammavaṭṭa

'Karmische ronde'. Zie vatta.

kammavipāka

'Kamma gevolg'; 'het resultaat van kamma'. Zie vipāka.

kāmogha

'De overstroming van zintuiglijkheid', staat voor één van de vier hoofdbezoedelingen en is daarmee gelijk aan. Zie asava; ogha.

kāmupādāna

'Zintuiglijk hechten', is een van de 4 soorten van hechten. Zie upādāna.

kamya

'Verlangen naar'; 'begeren'; 'hunkeren naar'. Grammatica: Adj; in Sams; van kāmeti.

kamyatā

'Wens'; 'verlangen'; 'hunkeren'. Letterlijk: 'verlangende staat'. Constructie: kamya + . Grammatica: Vrl; Abstr; in Sams; van kamya (+Dat of +Inf).

kaṇhasukka

Letterlijk: 'donker en licht' oftewel 'kwaad en goed'.

Dat o.a. moet worden onderzocht tijdens de ontwikkeling van de verlichtingsfactor dhammavicaya.

kaṅkhā

Zie het synoniem vicikiccha.

kanta

Het tegenovergestelde is akanta.

kanthaka

Dit was de naam van het paard van Siddhatta.

kappa

'Wereldperiode'; 'een onafzienbare tijdruimte'; 'een aeon'. Deze is weer verdeeld in vier subdivisies: 1. wereldontbinding (saṁvaṭṭakappa, opheffende of oplossende wereld); 2. voortzetting van de chaos (saṁvaṭṭaṭṭhāyī); 3. wereldformatie (vivaṭṭakappa); 4. voortzetting van de gevormde wereld (vivaṭṭaṭṭhāyī).

"Hoelang een wereldontbinding duurt, hoelang de chaos, hoelang de formatie, hoelang de voortzetting van de gevormde wereld; van deze dingen, monniken, kan men moeilijk zeggen hoeveel jaren, hoeveel eeuwen, hoeveel millennia van honderdduizenden jaren dat is." A04-156.

De mooie gelijkenis in S15-005 is het waard hier genoemd te worden: "Stel eens voor, monniken, dat er een grote rots van één solide massa zou zijn van een mijl lang, een mijl breed, een mijl hoog zonder een spleet of kloof. En op het einde van iedere 100 jaar zou er een man komen die er éénmaal met een zijde doekje overheen strijkt. Dan zou die grote rots vlugger slijten en verdwijnen dan een wereldperiode. Maar van zulke wereldperioden, monniken, zijn er al zeer veel voorbijgegaan, vele honderden, vele duizenden, vele honderdduizenden. En hoe is dit mogelijk? Niet waar te nemen, monniken, is dit samsara, een eerste begin van wezens die gehinderd worden door onwetendheid en welke verstrikt zijn door begeerte en die zich door deze cyclus van geboorten haasten, is niet te bespeuren."

kara

A. 'Doen'; 'maken'.

B. 'Sperma'; 'zaadcellen'. Letterlijk: 'doen'.

C. 'Hand'. Letterlijk: 'doen'.

D. 'Slurf van een olifant'. Letterlijk: 'doen'.

E. 'Straal'. Letterlijk: 'doen'.

F. 'Belasting'. Grammatica: Mnl.

G. (Gram) 'helpen'; 'ondersteunen'; 'bevorderen'.

karaṇa

'Doen, maken, produceren'; 'reden, oorzaak'; 'door middel van'.

karma

Sanskriet woord voor het Pāḷi woord 'kamma'. Zie kamma.

karmisch

Karma = Sanskriet; kamma = Pāḷi. In het Theravāda boeddhisme gebruiken we geen Sanskriet, maar Pāḷi. Voor 'karmisch' is op STI een uitzondering gemaakt omdat 'kammisch' wat ongewoon zou klinken.

Karmisch wil zeggen dat een handeling (via het lichaam, de spraak of de geest), een mentale factor (cetasika) of mentale formaties (saṅkhāra) kamma activerend (nisaṅkhiti) is. M.a.w.: dat het leidt tot een gevolg van kamma (kammavipāka).

karo

Grammatica: Mnl Nom Ev van kara.

karoti

A. 'Doet'; 'handelt'; 'verricht'; 'voert uit'. Synoniem: abhisaṅkharoti; ācarati; carati; pakubbati; samācarati. Constructie: karo + ti. Grammatica: Tt; Trans (+ Acg).

B. 'Maakt'. Constructie: karo + ti. Grammatica: Tt; Trans (+ Acg).

C. 'Bouwt'; 'construeert/constructueert'. Constructie: karo + ti. Grammatica: Tt; Trans (+ Acg).

karuṇā

'Mededogen'; 'sympathie' of de wens hebben diegenen te helpen die in lijden of moeilijkheden verkeren. Het is een morele mentale factor die zich ontwikkelt wanneer het besef is ontstaan dat alle wezens onderhevig zijn aan lijden. Karuṇā is een van de 4 verheven bewustzijnsstaten oftewel de 'onbegrensde sferen' en vormt samen met liefdevolle vriendelijkheid de ruggengraat van de boeddhistische Leer. Zie brahmavihāra; cetasika; Tabel II.

Zie ook

Verkeerd begrepen: mededogen

Het Pāḷi woord karuṇā betekent mededogen, maar wordt naar het Engels vaak vertaald in pity hetgeen voor 'medelijden' staat. Een betere vertaling van karuṇā naar het Engels is compassion. Maar ook in het Nederlands wordt karuṇā verkeerd vertaald als 'medelijden'. Om het boeddhisme goed te begrijpen is de taal die we spreken niet van belang, maar de essentie van de Dhamma des te meer.

Karuṇā is een morele mentale factor. In het perspectief van de Dhamma kan de Pāḷi betekenis van karuṇā daarom niet 'medelijden' zijn; medelijden draagt niet bij tot het verminderen van het verdriet of lijden van anderen en/of van jezelf. Wel draagt 'mee lijden' bij tot het vermeerderen van het verdriet en lijden van jezelf en/of van anderen. Voor wat dat betreft heeft medelijden dus niks positiefs. Medelijden is een mentale toestand die is geconditioneerd middels waarnemingen.

Mededogen daarentegen, is niet geconditioneerd, maar ontwikkeld. Het is een morele mentale factor die zich ontwikkelt wanneer het besef is ontstaan dat alle wezens onderhevig zijn aan lijden. Je wenst het geluk voor alle wezens, zonder uitzondering. Het is mededogen dat de aanzet geeft om goed voor jezelf en voor anderen te zijn. Het draagt bij aan een betere en vreedzamere wereld. In tegenstelling tot medelijden, veroorzaakt mededogen geen verdriet en lijden, maar geluk. In alle opzichten.

kasiṇa

Letterlijk: 'geheel'. Zie Kasiṇa — Externe methoden voor concentratie.

kassa

A. 'Aan wie?'; 'voor wie?'. B. 'Van wie?'.

kastenstelsel

Zie Het vernederende kastenstelsel.

kata

A. 'Gedaan'; 'klaar'; 'voltooid'. Zie o.a. katam karniyam.

Antoniem: akata. Variant: kaṭa. Grammatica: Vdw van karoti.

B. 'Iets gedaan'; 'uitgevoerde actie'. Letterlijk: 'klaar'. Antoniem: akata. Grammatica: Ozn; Vdw van karoti.

C. 'Gemaakt'; 'gebouwd'. Antoniem: akata. Grammatica: Vdw van karoti (+Gen).

D. '(Van goud) gevormd'; 'bewerkt'; 'gesmeed'. Letterlijk: 'gemaakt'. Synoniem: sampahaṭṭha. Antoniem: akata. Grammatica: Vdw van karoti.

E. 'Mat'; 'wang'. Grammatica: Mnl.

kata ñāṇa

'De kennis dat de functie van elke edele waarheid begrepen en verwerkelijkt is'. Lees de toelichtingspagina De functie van lijden waar drie soorten van kennis (3 fasen) uitgelegd worden die begrepen moeten zijn om de functie van elk van de vier Edele Waarheden te kunnen uitvoeren. Deze 3 fasen maal 4 waarheden vertegenwoordigen de twaalf aspecten oftewel de twaalf spaken van een wiel.

katam karniyam

'Wat gedaan moest worden is gedaan'. Dit betekent dat de vier taken betreffende het Achtvoudige Pad — 1. het volledig begrijpen van lijden; 2. het opgeven van de oorzaak; 3. haar opheffing verwerkelijken; en 4. de ontwikkeling van het Pad — nu allemaal gecompleteerd zijn voor elk van de vier bovenwereldse paden (zie lokuttara).

Voor meer uitleg, raadpleeg De uiteindelijke kennis.

katama

'Wat'; 'welk' (van de vele).

katamaṁ

Grammatica: van katama.

katamāni

Grammatica: Nom van katama / Acg van katama.

kataññū

'Dankbaar'; 'erkentelijk'. Letterlijk: 'weten wat er gedaan wordt'. Synoniem: katavedī. Antoniem: akataññū. Grammatica: Adj; Comp.

kataññutā

'Dankbaarheid'; 'dankbetuiging'; 'erkentelijkheid'; 'waardering'. Letterlijk: 'de staat van weten wat er gedaan wordt'. Synoniem: kataveditā. Antoniem: akataññutā. Grammatica: Vrl; Abstr; Sam; van kataññū.

kaṭattakamma

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, C.4.

katavedī

'Dankbaar'; 'erkentelijk'. Letterlijk: 'weten wat er gedaan wordt'. Synoniem: kataññū. Antoniem: akatavedī. Grammatica: Adj; Sam.

kataveditā

'Dankbaarheid'; 'dankbetuiging'; 'erkentelijkheid'; 'waardering'. Letterlijk: 'de staat van weten wat er gedaan wordt'. Synoniem: kataññutā. Antoniem: akataveditā. Grammatica: Vrl; Abstr; Sam; van katavedī.

katha

'Subgroep'.

kathamkatha

'Twijfel'; 'onzekerheid'; 'verwardheid'. Zie ook kaṅkhā; vicikiccha.

kattika

De vierde maand van het regenseizoen (okt-nov).

kattukāmatāchanda

'Het verlangen en de wil om uit te voeren.' Constructie: kattuṁ + kāmatā + chanda.

kattukamyatā

'De wens om te doen'; 'het verlangen om uit te voeren'. Constructie: kattuṁ + kamyatā. Grammatica: Vrl; Abstr; Sams.

kattukamyatāchanda

'Wens, dat wil zeggen het verlangen om te doen'. Constructie: kattukamyatā + chanda.

kattuṁ

'Doen'; 'maken'.

kāveyya

'Poëzie'; 'gedicht'.

kaya

'Kopen'; 'aanschaffen'.

kāya

A.1 'Lichaam'; 'fysiek lichaam'; 'fysiek proces'. Letterlijk: 'accumulatie'. Grammatica: Mnl; van cināti.

A.2 'Menigte'; 'gezelschap'; 'verzameling'; 'veelheid'; 'massa'. Letterlijk: 'accumulatie'. Grammatica: Mnl; van cināti.

A.3 'Proces'; 'verzameling'. Letterlijk: 'accumulatie'. Grammatica: Mnl; van cināti.

A.4 'Categorie' (van); 'klasse' (van); 'groep' (van). Letterlijk: 'accumulatie'. Grammatica: Mnl; Sams; van cināti (+Gen).

Zie ook āyatana B.

A.5 'Proces'; 'fysiek bestaan'; 'materieel bestaan'. Letterlijk: 'accumulatie'. Grammatica: Mnl; van cināti.

A.6 'Groep wezens'; 'klasse van wezens'; 'bestaanstoestand'. Letterlijk: 'accumulatie'. Grammatica: Mnl; van cināti.

A.7 'Massa'; 'hoop'; 'lichaam'. Letterlijk: 'accumulatie'. Grammatica: Mnl; van cināti. Synoniem: puñja.

A.8 'Met een lichaam'; 'met (een bepaald soort) lichaam'; 'belichaamd'. Letterlijk: 'accumulatie'. Grammatica: Mnl; van cināti.

A.9 'Belichaming'; 'levende manifestatie'. Letterlijk: 'accumulatie'. Grammatica: Mnl; van cināti.

B.1 'Waarmee; 'waardoor'. Letterlijk: 'accumulatie'. Grammatica: Pron; Vrl; Instr; Ev; van ka.

kāyaduccarita

'Slecht gedrag via het lichaam'. Zie duccarita.

kāyagatāsati

'De indachtigheid van het lichaam'. In M119 — Kayagatasati Sutta — Indachtigheid van het lichaam, onderwijst de Boeddha de indachtigheid van het lichaam om de jhāna's te bereiken.

De contemplatie van de 32 delen van het lichaam: 1. haar van het hoofd; 2. haar van het lichaam; 3. nagels; 4. tanden; 5. huid; 6. vlees; 7. zenuwen; 8. botten; 9. merg; 10. nieren; 11. hart; 12. lever; 13. middenrif; 14. milt; 15. longen; 16. dikke darmen; 17. dunne darmen; 18. de inhoud van de maag; 19. ontlasting; 20. gal; 21. slijm; 22. etter; 23. bloed; 24. zweet; 25. vet; 26. tranen; 27. lymfe; 28. speeksel; 29. snot; 30. gewrichtssmeer; 31. urine; 32. hersenen.

Zie o.a. Girimananda Sutta — Tot Girimananda (A10-060); Het beschouwen van de walgelijkheden van het lichaam — Patikkulamanasikara (D22); asubha.

Bezig Ben momenteel druk bezig dit item uit te werken. Excuses voor het ongemak.

kāyakamma

'Wilshandelingen via het lichaam'. Zie kammapatha; kamma.

kāyakammaññatā

'Aanpassingsvermogen van de mentale groep'. Zie kammaññatā.

kāyalahutā

'Vlotheid van de mentale groep'. Zie lahutā.

kāyamudutā

'Flexibiliteit van de mentale groep'. Zie muduta.

kāyānupassanā

'Indachtigheid van het lichaam', is een van de vier fundamenten van indachtigheid. Zie de rubriek Indachtigheid van het lichaam — Kāyānupassanā op Satipatthana — De meditatie van indachtigheid.

kāyapāguññatā

'Vaardigheid van de mentale groep'. Zie pāguññatā.

kāyapassaddhi

'Kalmte van de mentale groep'. Zie passaddhi.

kāyasakkhī

'De lichaamsgetuige'. Zie Kāyasakkhī — De lichaamsgetuige.

kāyasamphassa

Letterlijk: 'lichamelijk contact' (oftewel lichamelijke indruk). Let op: hier wordt niet de fysieke impact bedoeld. Zie phassa.

kāyasaṅkhāra

'De intentie die resulteert in een lichamelijke handeling'. Zie saṅkhāra A.

Zie ook passambhayaṁ kāyasaṅkhāraṁ.

kāyassa bhedā paraṃ maraṇā

'Bij de ontbinding van het lichaam'.

kāyaviññāṇa

'Lichaamsbewustzijn' oftewel 'voelen (door middel van het lichaam)'.

kāyaviññatti

'Lichamelijke uitdrukking'. Zie viññatti.

kāyaviveka

Zie viveka.

kāyāyatana

'Basis van het lichaam'. Zie āyatana B.

kāye

Grammatica: van kāya.

kayena

Letterlijk: 'De groep van'. Zie Dhp259 — Ekudana de arahat.

kāyika

A. 'Lichamelijk'; 'fysiek'; 'gerelateerd aan het lichaam'. Grammatica: Adj; van kāya.

B. 'Behorend tot een lichaam'; 'deel van een groep'; 'een van de gastheer (van)'. Grammatica: Adj; in Sams; van kāya.

kāyika dukhavedanā

'Lichamelijk onaangenaam gevoel', zie vedanā.

kāyika sukhavedanā

'Lichamelijk aangenaam gevoel', zie vedanā.

kāyikadukkha

'Fysiek lijden'.

kāyujjukatā

'Oprechtheid van de mentale groep'. Zie ujukata.

kevala

'Uniek', d.w.z. Nibbāna.

kevaṭṭa

'Visserman'. Synoniem: bāḷisika; macchaghātaka; macchabandha; macchika.

kevaṭṭaputta

'Zoon van een visserman'. Constructie: kevaṭṭa + putta.

kevaṭṭaputtaṁ

'De zoon van een visserman'. Grammatica: Mnl Acg Ev van kevaṭṭaputta.

kevaṭṭaputtassa

Grammatica: van kevaṭṭaputta.

kevaṭṭaputto

Grammatica: Mnl van kevaṭṭaputta.

khalu-paccha-bhattik'anga

Eén van de 13 dhutaṅga praktijken voor woudmonniken. Zie dhutaṅga.

khamati

A. 'Verdraagt'; 'tolereert'; 'ondersteund'; 'weerstaat'. Letterlijk: 'verdraagt'. Synoniem: adhivāsayati; adhivāseti; abhisambhavati; titikkhati; sahati. Antoniem: nakkhamati. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

B. 'Lijkt goed' (voor); 'is acceptabel' (voor); 'is geschikt' (voor); 'is aangenaam' (voor). Letterlijk: 'verdraagt'. Synoniem: upapajjati. Antoniem: nakkhamati. Grammatica: Tt; Onp; Intrans (+Dat).

C. 'Neemt niet kwalijk'; 'aanvaardt de verontschuldiging' (van); 'vergeeft'. Letterlijk: 'verdraagt'. Synoniem: khameti. Antoniem: nakkhamati. Grammatica: Tt; Onp; Intrans (+Dat).

khameti

'Neemt niet kwalijk'; 'aanvaardt de verontschuldiging'; 'vergeeft'. Letterlijk: 'oorzaken om te verdragen'. Synoniem: khamati. Grammatica: Tt; Caus van khamati; Trans (+Acg).

khaṇasi

Grammatica: Ww Tt 2P Ev van khaṇati.

khaṇati

'Graaft'; 'graaft op'; 'ontworteld'. Opmerking: de combinatie van woorden attānañca en khaṇasi worden soms gebruikt als 'jezelf verwonden' zoals in M022; M038.

khandha

A. 'Massa'; 'hoop'; 'stapel'; 'volume'; 'aggregatie'. Letterlijk: 'opeenhoping'. Synoniem: uccaya; kāya; caya; puñja; rāsi; samussaya; samūha.

B. 'Schouder'; 'rug'. Letterlijk: 'opeenhoping'.

C. 'Aggregaat'; 'groep'; 'combinatie'; 'samenstelling'; 'samenvoeging'; 'bundel'; 'iets waaraan men zich vastklampt en dat als een zelf beschouwt'.

Voor de vijf aggregaten of groepen van het bestaan, zie pañcupādānakkhandhā.

D. (van plant of boom) 'stam'; 'stengel'. Letterlijk: 'opeenhoping'.

E. 'Groep'; 'klasse'; 'categorie'. Letterlijk: 'opeenhoping'. Synoniem: kāya; gāma; nikāya; pabheda; bhāga; vagga.

F. 'Sectie'; 'hoofdstuk'. Letterlijk: 'opeenhoping'. Synoniem: kaṇḍa; kappa; vagga.

G. 'Met een rug'; 'met schouders'.

khandhā

'Aggregaten'; 'groepen'; 'combinaties'; 'samenstellingen'; 'samenvoegingen'; 'bundels'; 'dingen waaraan men zich vastklampt en die als een zelf worden beschouwd'. Letterlijk: 'opeenhopingen'. Grammatica: Mnl Mv van khandha.

khandhamāra

'Māra van de vijf groepen'. Zie Māra.

khandhanaṁ

'De aggregaten'. Zie khandha.

khandhaparinibbāna

'De volledige uitblussing van de groepen van het bestaan'. Zie Nibbāna — Het ongeconditioneerde.

khandhasantāna

'Continuïteit van de groepen van het bestaan', zie santāna.

khanti

'Geduld'; 'verdraagzaamheid'; 'tolerantie'; 'lijdzaamheid'. Zie Khanti — Geduld en verdraagzaamheid; mettā.

Zie ook Dhp183-185 — De vraag van de eerwaarde Ānanda.

khanti paramam tapo

'Geduld is de hoogste discipline'. Zie khanti; tapo.

Zie ook Dhp183-185 — De vraag van de eerwaarde Ānanda.

khantipāramī

'Perfectie van verdraagzaamheid'. Zie pāramitā; khanti.

khattiya

Zie kastenstelsel.

khaya

'Vernietiging'; 'uitputting'; 'verval'; 'uiteenvallen'; 'opbreken'; 'voleinding van'; 'verwijdering'; 'verworpen'; 'verbruik'; 'het wegvallen van'; 'verspilling'; 'verlies'. Het is vaak van toepassing op de vernietiging van hartstochten zoals de hoofdbezoedelingen (asava) zoals in 'de vernietiging van de bezoedelingen' (asavakkhaya), in het ophouden van elementen zoals voorwaarden (paccaya), 'de vernietiging van slecht kamma' (akusalakamma), 'het ophouden van begeerte bereikt' (taṇhānaṁ khayamajjhagā), 'geboorte is vernietigd' (khīṇajāti).

Voor meer zie khayānupassanā.

khayamajjhagā

'Uitgeput'; 'versleten'; 'langzaam vernietigd'. Letterlijk: 'het wegslijten verkregen'. Grammatica: Ovt; Sam Ww.

Zie ook khaya.

khayānupassanā

'Contemplatie van het afnemen of vernietiging', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; khaya.

Volgens Vis Maha tika is contemplatie van vernietiging inzicht-kennis die de snelle ontbinding van geconditioneerde verschijnselen ziet terwijl het de unieke kenmerken observeert oftewel inzicht-kennis die de snelle ontbinding van de noterende geest zelf ziet.

Deze contemplatie is de inzicht-kennis van vernietiging die de ontbinding van zowel het object als de opmerkende geest begrijpt. Deze contemplatie wordt dus volledig ontwikkeld wanneer men het idee van dingen als vaste vormen doorbreekt en ziet dat geconditioneerde verschijnselen slechts voorbijgaande processen zijn.

Contemplatie van vernietiging is het zien van de ontbinding van de aggregaten (pañcupādānakkhandhā), onmiddellijk gevolgd door het zien van de ontbinding van de geest en mentale factoren die die aggregaten waarnamen.

Contemplatie van vernietiging is dan ook de inzicht-kennis in iemand die het idee van compactheid doorbreekt en vernietiging dus als 'vergankelijk in de zin van vernietiging' ziet.

Khayānupassanā niet verwarren met kāyānupassanā dat een van de vier fundamenten van indachtigheid is.

khayati

Verleden tijd van khaya.

khelasika

'Speekselslikker', de bijnaam die de Boeddha aan Devadatta gaf.

khema

'Veilig'; 'kalm'; 'vol van vrede'.

khemaṁ

'Veiligheid'; 'epitheton van Nibbāna'.

Het verwijst vaak naar de veiligheid ten opzichte van de banden van zintuiglijke begeerten (kāma), herhaaldelijk bestaan of worden (bhava), verkeerde inzichten (diṭṭhi) en onwetendheid (avijjā).

khīṇajāti

'Geboorte is vernietigd'. Zie bijvoorbeeld de formule omtrent arahatschap in De uiteindelijke kennis.

Zie ook khayati.

khinasava

'Iemand waarvan de hoofdbezoedelingen (asava's) zijn vernietigd', of 'iemand die vrij van bezoedelingen is', is een andere naam voor een arahat.

Zie ook asavakkhaya.

khittacitta

'Mentaal onevenwichtig'; 'gestoord'; 'losgeslagen'; 'gek'. Letterlijk: 'verwarde geest'. Synoniem: ummattaka. Antoniem: anummattaka. Variant: ukkhittacitta.

kho

A. 'Inderdaad'; 'zeker'; 'absoluut'; 'nadrukkelijk'; 'werkelijk'; 'in werkelijkheid'.

B. 'Een zekere'; 'een bepaalde'.

khuddaka nikāya

'Collectie van de kleinere teksten'. Zie Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

khuddakapāṭha

'Kortere lezingen'. Zie Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

khuppipasa

'Honger en dorst'. Als gevolg van het vrijwillig in armoede leven. Een van Māra's legers. Zie Māra.

kicca

A. 'Zou gedaan moeten worden'; 'behoort gemaakt te worden' (door); Letterlijk: 'gedaan te worden'. Synoniem: karaṇīya. Antoniem: akicca. Grammatica: Pdw van karoti (+Instr of +Dat).

B. 'Verplichting'; 'plicht'; 'werk' (voor). Letterlijk: 'gedaan te worden'. Synoniem: karaṇīya. Antoniem: akicca. Grammatica: Ozn; Pdw van karoti (+Dat).

C. 'Iets dat gedaan moet worden'. Letterlijk: 'gedaan te worden'. Antoniem: akicca. Grammatica: Ozn; Pdw van karoti.

D. 'Met verplichtingen'; 'met taken'; 'met werk'. Letterlijk: 'gedaan te worden'. Grammatica: Adj; in Sams; Pdw van karoti.

E. 'Functie'. Letterlijk: 'gedaan te worden'. Antoniem: akicca. Grammatica: Ozn; Pdw van karoti. Met verwijzing naar de 14 functies van bewustzijn, zie viññāṇakicca.

kicca ñāṇa

'De kennis dat de functie van elke edele waarheid begrepen moet zijn'. Lees de toelichtingspagina De functie van lijden waar drie soorten van kennis (3 fasen) uitgelegd worden die begrepen moeten zijn om de functie van elk van de vier Edele Waarheden te kunnen uitvoeren. Deze 3 fasen maal 4 waarheden vertegenwoordigen de twaalf aspecten oftewel de twaalf spaken van een wiel.

kilesa

'Bezoedelingen'; 'geest-bezoedelingen'; 'onvolkomenheden'; 'onvolmaaktheden'; 'onheilzame kwaliteiten'; 'onheilzame staten van de geest'. Zie Kilesa — De tien bezoedelingen.

Zie ook het deel Bezoedelingen van de sectie Inzicht meditatie.

kilesakāma

'Sensualiteit beschouwd als bezoedeling' (zie kilesa) kan ook wel 'subjectieve sensualiteit' genoemd worden, in tegenstelling met 'objectieve sensualiteit' (vatthukāma), dat wil zeggen, de sensuele objecten (kāmaguṇa). Zie ook kāma.

kilesamāra

'Een van de vijfvoudige Māra'. Zie Māra.

kilesaparinibbāna

'Volledige uitblussing van bezoedelingen'. Zie voor meer Nibbāna.

kilesavaṭṭa

'Ronde van bezoedelingen'. Zie vatta.

kiṁ

A. 'Wat'; 'welke'.

B. 'Hoe'; 'wat'.

C. 'Om nog maar te zwijgen'; 'veel minder'; 'hoe zit het'.

kiñhi

'Wat inderdaad?'; 'wat is mogelijk?'; 'hoe?'

kira

A. 'Echt'; 'werkelijk'; 'absoluut'.

B. 'Er wordt gezegd'; 'naar verluidt'; 'blijkbaar'; 'men zou denken'; 'ik heb gehoord'; 'mensen zeggen'.

kiriya

Zie kiriyacitta.

kiriyacitta

'Functioneel bewustzijn'; 'karmisch niet-operatief bewustzijn'; 'karmisch onafhankelijke functies'. Zie Kiriyacitta — Functioneel bewustzijn; nisaṅkhiti.

kleuren

Na zijn verlichting straalde de Boeddha deze kleuren uit: blauw (nila); geel (pita); oranje (mañettha); rood (lohita); wit (odata); en een mengsel daarvan (pabhassaru). Uit deze kleuren is de boeddhistische vlag samengesteld.

kluizenaar

Zie samaṇa.

kluizenaars

Zie samaṇa.

kluizenaren

Zie samaṇa.

kodha

'Woede'. Een van de bezoedelingen van de geest. Zie upakkilesa. Synoniem: dosa.

kolaṅkola

'Degene die van de ene edele familie naar de andere familie gaat', is een klasse sotāpatti.

komudi

Komudi is de dag van volle maan in de maand van Kattika, de vierde maand van het regenseizoen; deze wordt zo genoemd omdat gezegd wordt dat de witte waterlelie (kumuda) in die tijd bloeit.

kosambakuti

Samen met de Gandhakuti was de Kosambakuti een van de favoriete verblijfplaatsen in het Jetavana. Zie Div020 voor meer informatie.

kovida

'Bekwaam' (in); 'deskundig' (in); 'bedreven' (in); 'meester' (van). Antoniem: akovida.

koviḷāra

Koviḷāra (bahunia variegata), een soort ebbenboom.

krijgskunst

Zie Leraar in de krijgskunst.

kriyā

Ook wel kiriya. Zie kiriyacitta.

kriyācitta

Is een andere naam voor kiriyacitta, zie daar.

kukkucca

'Bezorgdheid'. Letterlijk: 'verkeerde volbrenging', dat wil zeggen, gewetensbezwaren, berouw, ongemak van bewustzijn. Zie Kukkucca — Bezorgdheid.

kulaputta

'Zoon van een goede familie'; 'respectabele jongeman'; 'jonge heer'.

kumuda

'Witte waterlelie'.

kusala

'Heilzaam'; 'prijzenswaardig'; 'karmisch heilzaam'; 'karmisch voordelig'; 'moreel goed (vaardig)'. Zie Kusala — Heilzaam; cetanā; kammacetanā; kammapatha; mula; kamma; paṭiccasamuppāda 1.

kusala kāyakamma

'Heilzame lichamelijke wilshandeling'. Zie kammapatha.

kusala manokamma

'Heilzame mentale wilshandeling'. Zie kammapatha.

kusala vacīkamma

'Heilzame verbale wilshandeling'. Zie kammapatha.

kusalacetanā

'Heilzame wilshandeling'. Zie kamma.

kusaladhamma

'Heilzame dingen', verwijst doorgaans naar heilzame mentale staten. Zie ook dhamma; kusala.

kusalakamma

'Heilzame wilshandeling', zie kammapatha.

kusalakamma vipāka

'Gevolg van heilzame wilshandeling'. Zie ook kamma.

kusalakammapatha

'Heilzame koers van handeling'. Zie kammapatha.

kusalākusalakamma

'Heilzame en onheilzame wilshandeling'; 'kundige en onkundige actie'.

kusalasīla

'Karmisch heilzame moraliteit'. Zie sīla.

kusalavipāka

'Goed resultaat van acties'; 'heilzame vrucht van daden'. kusala + vipāka: ConstructieUitgesteld.

kusalavitakka

'Heilzame gedachten'. Zie ook saṅkappa.

kusale dhamme chando

'Verlangen naar dingen of naar grondbeginselen die heilzaam zijn'.

kusalena pithiyati

'Iemand moet de gevolgen van zijn kamma oogsten'. Zie Dhp173 — De eerwaarde Angulimala — Het compenseren van slechte daden.

kutta

A. 'Gedrag'; 'stijl'; 'houding'; 'niet echt zijn'; 'manier om je ik vast te houden'. Letterlijk: 'gemaakt'. Antoniem: akuttima. Grammatica: Ozn; Vdw van karoti.

B. 'Creatie'; 'vorming'; 'handeling' (van). Letterlijk: 'gemaakt'. Antoniem: akuttima. Grammatica: Ozn; Vdw van karoti (+Gen).

kutti

'Handeling van doen'; 'uitvoering'; 'samenstelling'; 'creatie'. Grammatica: Vrl; Abstr; in Sams; van karoti.

l

labbhati

'Verkrijgen'; 'krijgen'. Zie ook labhati.

labha

'Winst'. Het is een van de wereldse wisselvalligheden waar het tegenover alabha staat. Zie lokiyadhamma. Een van Māra's legers. Zie Māra.

labhati

'Krijgt'; 'verkrijgt'; 'bereikt'. Zie ook labbhati.

lahutā

'Vlotheid'; 'lichtheid'; 'behendigheid' kan van 3 soorten zijn:

De laatste twee zijn mentale factoren die samengaan met al het heilzame bewustzijn. Vlotheid betekent dat de mentale factoren licht geworden zijn, omdat zij vrij zijn van de immorele factoren die tegenwerken in het doen van het goede.

Voor de laatste twee, zie cetasika; Tabel II.

lakkhaṇa

'Kenmerken'. Zie tilakkhaṇa; saṅkhatalakkhaṇa.

lakkhanupanijjhana

'Kenmerkend meditatief onderzoek'.

lata ubbhijja titthati

'De kruipplant die ontsproten is blijft'.

Bewaterd door de stromen van begeerte ontspruit een kruipplant, wat de kruipplant van begeerte is. Zie Dhp338-343 — De jonge zeug; chattiṁsā sota.

leraren van de boeddha, de eerste

Alara Kalama en Uddaka Ramaputta. Alara Kalama was de eerste leraar van de Boeddha die ten noorden van Rajgir (toen Rajagaha) in de bergen verbleef. De Bodhisatta had al heel snel de leer van deze diepzinnige leraar door en bereikte de hoogste mystieke mentale staten, maar dat was niet waar de Bodhisatta naar zocht en hij verliet Alara Kalama. Daarna ging hij naar Uddaka Ramaputta, waarbij hij eveneens niet datgene vond waarnaar hij op zoek was.

lobha

'Hebzucht'; 'begeerte'; 'hartstocht'; 'zelfzucht'. Synoniem: taṇhā; abhijjhā; kāma; raga. Het is een van de drie immorele wortels (mula). Voor meer uitleg, zie taṇhā. Zie ook cetasika; Tabel II.

loka

'Sfeer'; 'wereld'. Zie Synoniem: avacara.

lokacintā

'Speculeren en kibbelen over een eerste begin van de wereld', hetgeen leidt naar verwardheid, gestoordheid en geestesziekte. De Boeddha leert dat er niet één begin is, maar dat alle dingen onderling afhankelijk zijn. Zie acinteyya; paṭiccasamuppāda.

lokadhamma

Zie lokiyadhamma.

lokapāladhamma

'Dingen die de wereld beschermen'. Hiri en ottappa voorkomen onnodige en verkeerde gebeurtenissen. Daarom worden deze twee mentale factoren (cetasika's) 'dingen die de wereld beschermen' genoemd. Zie o.a. A02-009.

lokavidū

'Kenner van de werelden'; 'kenner van het universum'. Het is een van de kenmerken van de Boeddha en een titel die aan de Boeddha werd toegekend. Zie aveccappasāda. Voor de werelden, zie avacara.

Zie ook namen voor de Boeddha.

loke

'Deze wereld'. Zie loka; avacara.

lokiya

'Werelds'; 'gewoon', zijn al die mentale staten van bewustzijn (citta) en mentale factoren (cetasika) die in zowel de wereldling (puthujjana) als in de edele personen (ariyapuggala) verrijzen die niet geassocieerd zijn met de bovenwereldse paden (zie lokuttara) en vruchten van de sotapanna etc., zie ariyapuggala.

lokiyadhamma

'Wereldse toestanden'; 'wereldse omstandigheden'; 'wereldse staten'.

Acht toestanden worden met name genoemd als 'wisselvalligheden' omdat ze steeds veranderen en paarsgewijs steeds 'afwijken' (vipatti) naar de tegenstelling, vandaar de naam Lokavipatti Sutta A08-006.

Omdat gewone mensen niet volledig vrij zijn, worden zij getroffen door deze omstandigheden, maar de arahat grijpt zich nergens in de wereld aan vast en wordt hier dan ook niet door in beslag genomen.

"Acht dingen worden wereldse omstandigheden genoemd, omdat zij zich voordoen ten opzichten van het wereldse leven, namelijk: winst (labha) en verlies (alabha), roem (yasa) en afkeuring (ayasa), lof (pasamsa) en blaam (ninda), geluk (sukha) en pijn (dukkha)[1]." Vis 12

Zie ook Dhp081 — De eerwaarde Lakuntaka Bhaddiya — Mentaal zo stabiel als een grote rots.

lokiyamagga

Het Edel Achtvoudige Pad (Ariya Aṭṭhaṅgika Magga) is een 'werelds pad'. Voor een toelichting op lokiyamagga zie de rubriek De verwerkelijking van de vier bovenwereldse paden op De ontwikkeling van wijsheid. Ook in o.a. A04-034 verwijst de Boeddha hiernaar.

lokiyasammādiṭṭhi

'Werelds juist begrip' oftewel 'het gewone conceptuele begrijpen'. Voor meer, zie saccañāṇa; lokuttarasammādiṭṭhi.

lokuttara

'Bovenwerelds', is een term voor de 4 paden en de 4 vruchten van sotāpatti, etc. (zie ariyapuggala), met Nibbāna als de negende. Vandaar dat er gesproken wordt van '9 bovenwereldse dingen' (nava lokuttaradhamma).

Voor de 'vruchten', zie hiervoor phala; nimitta D.

Er zijn 4 bovenwereldse paden (lokuttaramagga) betreffen verschillende niveaus van verworven inzicht en daarom impliceren ze overeenkomstige niveaus van bevrijding:

Met de corresponderende staten van bewustzijn (citta):

Er zijn 4 bovenwereldse vruchten (lokuttaraphala):

Met de corresponderende staten van bewustzijn (citta):

Zie ook lokuttarasammādiṭṭhi; magga.

lokuttara kusala

'Bovenwerelds heilzaam'. Zie lokuttara.

lokuttaracitta

'Bovenwerelds bewustzijn'. Zie lokuttara.

lokuttaradhamma

'Bovenwereldse staten'. Zie ook lokuttara.

lokuttaramagga

'Bovenwereldse pad'. Zie lokuttara.

lokuttaraphala

'Bovenwereldse vrucht'. Zie lokuttara.

lokuttarasammādiṭṭhi

'Bovenwerelds juist begrip'. Zie Lokuttarasammādiṭṭhi — Bovenwerelds juist begrip; M117; magga; saccañāṇa.

m

A.1 'Niet doen'; 'mag men niet'; 'laat niet'.

A.2 'Genoeg' (van)!; 'stop' (met)!.

B. 'Maan'.

C. 'Wortel' (Gram) √mā (maat).

macchariya

'Gierigheid'; 'hebzucht'; 'jaloersheid'. Onwilligheid en niet bereid zijn met anderen te delen. "Monniken, er zijn 5 soorten van gierigheid: 1. ten opzichte van een verblijfplaats; 2. ten opzichte van families; 3. ten opzichte van winst; 4. ten opzichte van erkenning; en 5. ten opzichte van mentale dingen." A. 9: 49; Pug. 56

Een van de bezoedelingen van de geest (zie upakkilesa en een van de immorele mentale factoren (zie cetasika; Tabel II).

maccumāra

'Een van de vijfvoudige Māra'. Zie Māra.

mada

'Ijdelheid'; 'trotsheid'. Een van de bezoedelingen van de geest. Zie upakkilesa.

magga

'Pad'. Zie Magga — Pad; phala; lokuttarasammādiṭṭhi.

maggabrahmacariya

Het 'heilige leven' dat geleefd is, is het heilige leven (brahmacariya) van het pad. Voor meer uitleg, raadpleeg De uiteindelijke kennis.

maggacetanā

'De wil om het Pad op te gaan'.

maggapaccaya

'Pad voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

maha

A. 'Groots'; 'eerbiedwaardig'; 'eerbaar'; 'gerespecteerd'.

B. 'Festival'; 'ceremonie'.

Opmerking: Bezig met de verwerking van de Pāḷi tekens. Voorheen werd in alle gevallen naar 'maha' verwezen, maar er zijn meerdere betekenissen die op dit moment nog niet allemaal verwerkt zijn. Zie ook mahā.

mahā

A. 'Groot'; 'omvangrijk'; 'krachtig'; 'belangrjik'; 'groots'; 'immens'; 'uitgebreid'.

Opmerking: In plaats van dat een toespraak bijvoorbeeld groot is, kan deze term ook betrekking hebben op de belangrijkheid. Synoniem: uḷāra; oḷāra; bahu; bhūri; mahatī; mahanta; mahantī; mahalla; mahallaka; mahallikā; vipula.

B. 'Groot'; 'machtig'; 'sterk'; 'eminent'; 'vooraanstaand'; 'edel'. Synoniem: ariya; ugga; ucca; pavara; balasampanna; bhusa; mahatī; mahanta; mahantī.

Maha Bodhi tempel

De tempel in Bodh Gaya waar de Boeddha de verlichting bereikte.

maha karuṇā samapatti

'Geestesverrukking van groot mededogen'. Voor een gedetailleerde beschrijving over hoe de Boeddha zijn dag begon, zie de rubriek De laatste wake, in De Boeddha — Zijn onzelfzuchtige dienstverlening.

maha purisaka vitakka

Zie papañca.

mahābrahma

'De Grote Brahma'. Zie Brahmakāyikadevā.

mahābrahmadevā

'De grote brahma's'. Zie deva.

mahaggata

A. 'Vergroot'; 'verheven'; 'omvangrijk'; 'groots'; 'indrukwekkend'. Letterlijk: 'groot worden'.

B. 'Epitheton van arahat'. Letterlijk: 'groot worden'. Antoniem: amahaggata.

mahaggatacitta

'De ontwikkelde geest'. Het is het bewustzijn dat behoort tot de fijnstoffelijke sfeer (rūpāvacara) en de onstoffelijke sfeer (arūpāvacara).

Antoniem: amahaggatacitta. Constructie: mahaggata + citta.

Zie ook abhiññā.

mahāisi

'Grote ziener'. Zie rishi.

mahākappa

Zie kappa.

mahāmoha

'Grote of diepgaande begoocheling'; 'stompzinnigheid'. Het woord 'moha' alléén geeft de betekenis ervan reeds afdoende weer. Echter, de toevoeging van 'maha' benadrukt een begoocheling die extra diepgaand is en het karakter van een hardnekkige stompzinnigheid in zich heeft.

Zie ook moha.

mahānubhāva

'Van machtige kracht'; 'van machtige pracht'; 'van grote majesteit'; 'van grote pracht'. Letterlijk: 'grote pracht'. Constructie: mahā + ānubhāva.

mahāparinibbāna

'De dood van de Boeddha'. Parinibbāna staat voor de dood van iemand die in dit leven Nibbāna heeft gerealiseerd. Mahāparinibbāna betekent 'Het grote heengaan'. Zie ook parinibbāna; D16.

mahāvipassanā

Dit vertegenwoordigt de achttien hoofdsoorten van inzicht-kennis (vipassanāñāṇa) oftewel belangrijkste inzichten (mahāvipassanā). Zie vipassanā.

mahesakkha

'Majestueus'; 'beroemd'; 'van grote invloed'; 'vooraanstaand'; 'belangrijk'; (Com) 'met een groot gevolg'. Antoniem: appesakkha.

Mahi

Rivier de Mahi. Geen toelichting.

mahiddhika

'Van grote bovennatuurlijke kracht'; 'magisch krachtig'. Constructie: mahā + iddhi + ka.

majjhima dhamma

Zie hīna; paṇīta.

majjhima nikāya

'Collectie van middellange toespraken'. Zie M000 — Collectie van middellange toespraken — Majjhima Nikāya; Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

majjhimā paṭipadā

'Middenweg'. De weg die de Boeddha onderwijst is het Edel Achtvoudige Pad dat de twee uitersten, extremen, vermijdt, namelijk: a) van zintuiglijke wellust (kāmasukhallikānuyoga) en b) zelfkwelling, extreem ascetisme (attakilamathānuyoga).

De toevoeging 'yoga' betekent hier 'banden', zie daar.

Zie ook Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad; De middenweg.

majjhimadesa

Het 'Midden Land'. Het thuisland van de boeddhisten, het land waar de Boeddha rondtrok en zijn Leer predikte. Noordoost India.

makkha

A. 'Minachting'; 'anderen kleineren', 'afbreuk doen aan'; 'bezoedelen'. Letterlijk: 'uitgummen'. Een van de bezoedelingen van de geest. Zie upakkilesa.

Zie ook makkha thambha.

B. Letterlijk: 'uitgummen'.

makkha thambha

'Minachting en stijfhoofdigheid'. Een van Māra's legers. Zie Māra. Zie ook makkha.

makuta bandhana

De crematie stupa van Kusiñara van de Malla's waar de Boeddha gecremeerd is.

maluva

Klimplant, kruiper. Een woekeraar die voortdurend groeit ten koste van iets anders. Waarschijnlijk wordt hier de Hedera helix bedoeld.

mama

A. 'Naar mij'; 'voor mij'.

B. ''Mij'; 'mijn'; 'van mij'.

Zie ook mamatta; attanudiṭṭhimuhacca.

mamatta

'Zelfzuchtige gehechtheid'; 'egocentrisme'; 'bezitterigheid'.

Het kan betrekking hebben op zowel fysieke- als op mentale objecten. Zie o.a. Snp4-11.872; Snp4-12.893.

Zie ook attanudiṭṭhimuhacca.

maṁsabhojana

'Eten vlees'. (mamsa = eten; bhojana = vlees). Zie Maṁsabhojana — Het eten van vlees.

māna

'Eigendunk'; 'arrogantie'; 'hooghartigheid'; 'verwaandheid'; 'zelfverheffing'; 'hoogmoedswaan'; 'pronkzuchtig'; 'ijdel'; 'praalziek'; 'het verkeerd beoordelen van dingen en mensen'. Zie Māna — Eigendunk; Māna — Eigendunk volledig doorgrond; Persoonlijkheid; kastenstelsel; mānābhisamaya.

mānābhisamaya

'De doordringing van eigendunk'. Zie Mānābhisamaya — Volledig vrij van eigendunk; māna.

manāpa

'Behaaglijk'; 'prettig'; 'aardig'; 'aangenaam'. Het tegenovergestelde is amanāpa.

mānapapañca

'Toename vanwege eigendunk'. Zie papañca.

manāpasavana

'Aanlokkelijk voor de geest'.

manas

'Geest'; 'mentaal vermogen; 'intellect'. Grammatica: Mnl; mano groep; van maññati.

manasa

A. 'Met de intentie van'; 'van plan zijn'; 'gericht op'; 'neigend naar'. Letterlijk: 'met zulk een geest'. Synoniem: abhimāna. Grammatica: Adj; in Sams; van manas. Fonetische variant: mānasa.

B. 'Bedenken'; 'in gedachten hebben'. Letterlijk: 'met zulk een geest'. Grammatica: Adj; van manas. Fonetische variant: mānasa.

Omdat dit woord in eerste instantie 'intentie' betekent, kan het in een ruimer perspectief worden gezien. Zo behelzen bijvoorbeeld kwade gedachten een verkeerde intentie en vriendelijke gedachten een goede intentie. Het woord duidt op wat er in de geest omgaat, om de verscheidene staten van de geest.

Zie ook manasa pāpan; cetanā; Dhp001; Dhp002.

manasā

'Door de geest'; 'met de geest'; 'mentaal'; 'in gedachten'.

mānasa

Fonetische variant: manasa.

manasa pāpan

'Kwade intenties hebben'; 'kwade gedachten huisvesten'.

Zie ook Mentale staten en mentale dingen; manasa; pāpa.

manasikara

'Overweging'; 'mentale aandacht'; 'oplettendheid'; 'alertheid'; 'bespiegeling'. Zie Manasikara — Overweging; Niet van mij; yonisomanasikāra; ayonisomanasikāra; cetasika; Tabel II.

manāyatana

'Basis van de geest'. Let op! Hiermee wordt niet hadayavatthu bedoeld! Wat wel, zie āyatana B.

maṇḍalamāḷa

'Ronde hal'; 'cirkelvormig paviljoen'.

mandārava

'Koraalbloem'. Een hemelse bloem die alleen op de aarde verschijnt bij speciale gelegenheden, vooral tijdens de belangrijkste gebeurtenissen in het leven van een Boeddha. Dat de Ājīvaka asceet een koraalbloem in zijn handen had, was voor de eerwaarde Maha Kassapa een teken dat het Parinibbāna van de Boeddha al bijna begonnen was. Zie D16.

maṅgala

'Zegeningen'. Volgens de commentaren: 'Dat wat tot geluk en voorspoed strekt', hetgeen neerkomt op de uitvoering van boeddhistische ethiek. Zie ook Snp2-04 — Maha Maṅgala Sutta — De hoogste zegeningen.

manifestatie

Manifestatie omvat meerdere contexten. Maar vanuit boeddhistisch perspectief bedoelen we met manifestatie in het bijzonder 'de weerspiegeling van de geest', 'het karakter van de geest' of 'het resultaat van de geest'. Zie o.a. Upapattibhava — Het wedergeboorteproces in alle eenvoud.

manindriya

'Vermogen van de geest'.

maṅkubhūta

'Sprakeloos'; 'vernederd'; 'beschaamd'; 'moedeloos'.

maṅkubhūtaṁ

Grammatica: van maṅkubhūta.

maṅkubhūto

Grammatica: van maṅkubhūta.

mañña

'Gedachte'; 'conceptie'; 'verbeelding'. Synoniem: saṅkappa. Grammatica: Mnl; van maññati.

maññatha

Grammatica: van maññati.

maññati

A. 'Denkt'; 'verbeeldt'; 'bedenkt'; 'veronderstelt'; 'stelt voor'.Synoniem: āsaṅkati; vicinteti; saṅkappeti. Constructie: mañña + ti. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

B. 'Weet'; 'is overtuigd'; 'is zeker'.Constructie: mañña + ti. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

C. 'Beschouwt (als); 'neemt als'; 'ziet als'; 'acht als'; trots zijn op'; 'verwaand zijn'; 'grootspraak'; 'pochen'; 'zwetsen'. Synoniem: adhipajjatidahati; dahāti; dhārayatisamanupassati. Constructie: mañña + ti. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

mano

'Geest'; 'bewustzijn'; 'staat van bewustzijn'; 'gedachten'. Zie Mano — De geest (2); nāmarūpa; āyatana B.; nāma; mentale associaties.

manodhātu

'Geesteselement', is een van de 18 elementen (zie dhātu). Deze term is, in tegenstelling tot manāyatana, niet van toepassing op het gehele bewustzijn, maar duidt alleen op dat speciale element van bewustzijn dat in het begin van het proces van zintuiglijke waarneming, de functie 'aandacht schenken' (āvajjana) uitvoert naar het zintuigobject, zie Tabel I, 70. Vervolgens, nadat het zich er tweemaal bewust van is geworden, voert het de functie van het 'ontvangen' van zintuiglijke indrukken (sampaṭicchana) uit binnen het geestesbewustzijn (manoviññāṇa), zie Tabel I, 39; 55. Zie viññāṇakicca voor de 14 functies van bewustzijn.

manoduccarita

'Slecht gedrag via de geest'. Zie duccarita.

manodvārāvajjana

Zie āvajjana; āvajjanacitta.

manokamma

'Wilshandelingen via de geest'. Zie kammapatha; kamma.

manomaya

'Mentale creatie'; 'door gedachten gecreëerd'; 'door de geest gemaakt'; 'mentaal geproduceerd'. Constructie: mano + maya.

manomayā iddhi

'De kracht van mentale creatie', zie iddhi.

manomayiddhiñāṇa

'Kennis van de psychische kracht van het mentaal produceren van een lichaam'.

manopadosikadevā

'De hemelse wezens verdorven door humeur', zijn een klasse van deva's van de zintuiglijke sfeer (kāmāvacara) en leven in de wereld van de (Catumaharajika). "Ze brengen hun tijd door in het geïrriteerd raken met elkaar en zodoende in een slecht humeur komen. En zo, door lichamelijk en mentaal uitgeput te raken, vallen ze uit die wereld." (D01; D24).

Ze worden zo genoemd omdat hun geest verdorven is door afgunst (dosassa anudahanataya) (VibhA.498).

Ze branden voortdurend van afgunst tegen elkaar (Buddhaghosa vertelt een verhaal dat dit illustreert in DA.1.114) en hun harten worden kwaadaardig en losbandig. Hun lichamen worden daardoor zwak en hun geest imbeciel, en als gevolg daarvan vallen ze uit hun toestand.

De Manopadosika waren onder de aanwezigen bij de prediking van de Maha Samaya Sutta (D20).

manopaṇidhi

'Aspiratie van het hart'; 'besluit van de geest'; 'mentale vastberadenheid'.

Zie ook Het hart.

manopasāda

'Mentale devotie', zoals gedachten naar de Boeddha in de vorm van dankbaarheid en respect voor de Boeddha. Dit betekent dat er begrip is omtrent de Dhamma waardoor je het waardeerd. Dit heeft niets met gevoelens te maken zoals het ook wel wordt uitgelegd.

manopubbaṅgama

'Gedachten gaan vooraf'; 'de geest is de voorloper'. Zie pubbangama.

manosamphassa

Letterlijk: 'mentaal contact' (oftewel mentale indruk). Zie phassa.

manosañcetanā

'Mentale wilshandeling'. Zie āhāra.

manosaṅkhāra

'Intentie die resulteert in een mentale handeling'. Zie saṅkhāra A.

manosettha

'Gedachten zijn overheersend'.

manoviññāṇa

'Geestesbewustzijn'. Het betreft objecten binnen de geest zelf, geen fysieke objecten. Zie āyatana B.; manoviññāṇadhātu.

manoviññāṇadhātu

'Geestesbewustzijn element', is een van de 18 elementen, zie dhātu B. Deze term wordt in het algemeen gebruikt als een naam voor dat element van bewustzijn dat de functies van onderzoek (santīraṇa), bepaling (votthapana), registreren (tadarammana), etc. uitvoert. Zie Tabel I, 40; 41; 56; 71; 72.

manta

A.1 'Mantra'; 'geschrift'; 'heilige hymne'; 'Veda'; 'gezang'.

A.2 'Bezwering van spreuken'.

A.3 'Raad'; 'strategie'; 'diplomatie'; (Comm) 'spreuken'.

B.1 (Gram) eindigend op de letter m.

mante

Grammatica: van manta.

manussa

'Mens'; 'mensen'. De wezens die in deze sfeer leven, de kāmaloka.

manussa loka

'De mensenwereld'.

Māra

'De verzoeker'; 'de misleider'; 'de kwade'. Zie Māra — Māra de misleider.

māra pāpika

'Māra de Kwade'. Zie Māra.

Māra, dochters van

Zie Māra.

Māra, legers van

Zie Māra.

maraṇa

'Dood'. Bekijk de definitie van dood in D22.

Zie ook maraṇasati bhāvanā; devadūta.

maraṇaṁ bhavissati

'De dood zal plaatsvinden'. Zie maraṇasati bhāvanā.

maraṇamatta

'Dodelijk'; 'bijna dood'; 'in de buurt van de dood'. Letterlijk: 'doodsmaat'.

maraṇasaññā

'Erkenning van de dood'; 'perceptie van het sterven'; 'concept van de dood'.

Constructie: ConstructieUitgesteld. Grammatica: Vrl; Abstr; Sam.

Zie ook maraṇasaññā kamma.

maraṇasaññā kamma

Zie nimitta B.

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, C.3.

maraṇasati

'Het bespiegelen van dood', is een van de 10 bespiegelingen die in Vis 8 in detail worden behandeld. Zie anussati.

maraṇasati bhāvanā

'De meditatie van de indachtigheid van de dood'. Letterlijk: 'De ontwikkeling van het bespiegelen van dood'. Zie Maraṇasati bhāvanā — De meditatie van de indachtigheid van de dood.

mata

'Moeder'.

mathenti

Grammatica: Tt 3P Mv van matheti.

Zie ook kāma mathenti citta.

matheti

'Karnen'; 'roert'; 'verstoort'; 'beroert'; Letterlijk: 'veroorzaakt te karnen'. Synoniem: khobheti; ghaṭṭeti; cāleti; byāthayati; loḷeti. Constructie: mathe + ti. Grammatica: Tt; Caus van mathati; Trans (+Acg).

Zie ook kāma mathenti citta.

matugamassa avenikani dukkhani

Spk: 'Lijden speciaal voor vrouwen, niet gedeeld door mannen'. Zie S37-003.

maya

'Gemaakt van'; 'geconstrueerd door'; 'gebouwd van'; 'illusie'; 'verdraaiing'. Een van de bezoedelingen van de geest.

Zie ook vipallāsa (verdraaiing) die illusie veroorzaakt.

Grammatica: Adj; in Sams; van miṇāti. Zie upakkilesa.

mayā

A. 'Door mij'; 'met mij'. Synoniem: me. Grammatica: Pron; 1P Instr Ev van ahaṁ.

B. 'Dan ik'. Letterlijk: 'van mij'. Grammatica: Pron; 1P Abl Ev van ahaṁ.

māya

'Bedrieglijk'; 'oneerlijk'. Synoniem: keṭubhī; ketabī; saṭha. Antoniem: amāya. Grammatica: Adj; van māyā.

māyā

A. 'Fraude'; 'bedrog'; 'hypocrisie'. Letterlijk: 'illusie'. Antoniem: amāyā. Grammatica: Vrl.

B. 'Magie'; 'illusie'; 'goocheltruc'. Antoniem: amāyā. Grammatica: Vrl.

C. 'Magie'; 'toverij'; 'toverspreuk'. Antoniem: amāyā. Grammatica: Vrl.

D. 'Naam van de moeder van de Boeddha: zie Mahāmāyā. Grammatica: Vrl.

mayaṁ

A. 'Wij'.

B. (koninklijk meervoud) 'ik'. Letterlijk: 'wij'.

me

A. 'Mijzelf'; 'mij' (object).

B. 'Door mij'.

C. 'Naar mij'; 'voor mij'.

D. 'Van mij' (uit).

E. 'Mij'; 'mijn'.

F. 'Wanneer ik'; 'omdat ik'.

mentale activiteiten

Mentale activiteiten of bewegingen worden in stand gehouden middels vele reacties van mentale associaties.

mentale associaties

Zie Wat zijn mentale associaties?

meta-bewustzijn

Zie Wat is het meta-bewustzijn?

mettā

'Liefdevolle vriendelijkheid'; 'vriendelijkheid'; 'welwillendheid'; 'goodwill'; 'onbaatzuchtige serviceverlening'; 'onbegrensde liefde'; 'universele liefde'. Zie Mettābhāvanā — De meditatie van liefdevolle vriendelijkheid; khanti.

mettābhāvanā

Zie mettā.

mettāpāramī

'Perfectie van liefdevolle vriendelijkheid'. Zie pāramitā; mettā.

micchādiṭṭhi

'Verkeerde visie'; 'verkeerd begrip'; 'verkeerde opvatting'; 'speculatieve opvatting'. Het is een van de koersen van handeling (kammapatha). Zie ook diṭṭhi; M041; M136.

micchādiṭṭhika

'Een gefixeerde verkeerde opvatting hebben'; 'een hardnekkig verkeerd geloof (in) hebben.

micchājīva

'Verkeerde wijze van levensonderhoud'. De Boeddha maakt een duidelijk onderscheid tussen het levensonderhoud van lekenvolgelingen en dat van monniken en nonnen. De benodigdheden voor monniken en nonnen zijn verklaard in Vis I, 61-65.

micchākammanta

'Verkeerde lichamelijke handelingen'. Zie ook kammapatha; M041.

micchāsamādhi

'Verkeerde concentratie'. Zie samādhi.

micchāsaṅkappa

'Verkeerde gedachten'. Zie ook kammapatha; M041.

micchāvāca

'Verkeerd spreken'. Zie ook kammapatha; M041.

micchāvāyāma

'Verkeerde inspanning'. Zie padhāna.

middenweg

Zie majjhimā paṭipadā.

middha

'Traagheid'. Zie thina middha. Traagheid is een van de immorele mentale factoren, zie cetasika; Tabel II.

miga

A. 'Hert'.

B. 'Dier'; 'beest'.

migadaya

Het hertenpark van Isipatana. Ten tijde van de Boeddha was dit een geliefd toevluchtsoord voor verscheidene kluizenaars.

migarāja

'Koning van de dieren'; 'heer van de dieren'; 'epitheton van een leeuw'. Constructie: miga + rāja.

milinda pañha

Vragen van Koning Milinda. Zie Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

mitta

'Vriend'. Zie Mitta — Het essentiële van goede vriendschap.

Zie ook Dhp078 — De eerwaarde Channa.

mogha

'Nutteloos'; 'zinloos'; 'incapabel'; 'ineffectief'; 'onrendabel'; 'zelf bewonderend'. Letterlijk: 'leeg'. Antoniem: amogha.

moghapurisa

'Waardeloze man'; 'nutteloos persoon'; 'dom persoon'. Letterlijk: 'lege man'. Constructie: mogha + purisa.

moha

'Begoocheling'; 'ontkenning'; 'gebrek aan begrip; 'illusie'; 'stompzinnigheid'. Zie Moha — Begoocheling; avijjā; mahāmoha.

mohacarita

'Degene die dom of stompzinnig van karakter is'. Zie ook carita.

mohakkhayo

'Uitblussing van illusie'.

mohasamam

'Vergelijkbaar met begoocheling'. Zie Dhp251 — De vijf lekenvolgelingen met de vijf verschillende interesses.

mucalinda

De slang die aan de Boeddha beschutting bood tegen de zware regenval in de 6e week na zijn verlichting.

muccha

'Misleiding'; 'verdoving'; 'loomheid'; 'begoocheling'.

mudita

'Meelevende vreugde'; 'sympathische vreugde'. Het is waardering van en sympathische vreugde beleven in het succes van anderen. Mudita is een van de 4 verheven bewustzijnsstaten oftewel de 'onbegrensde sferen'. Zie brahmavihāra; cetasika; Tabel II.

muduta

'Flexibiliteit' kan van 3 soorten zijn:

Voor de laatste twee, zie cetasika; Tabel II

mula

'Wortels'; 'oorzaken'. Ook (hetu) genoemd (zie paccaya 1) zijn die voorwaarden die door hun aanwezigheid de actuele morele kwaliteit van een wilsfactor (cetanā) bepalen en het bewustzijn en mentale factoren die daarmee samengaan, met andere woorden: de kwaliteit van kamma.

Er zijn 6 van zulke wortels, te weten:

3 karmisch onheilzame wortels:

3 karmisch heilzame wortels:

Zie Tabel II; cetasika.

mulam paññaya chindatha

'Met wijsheid de wortel doorkappen'. Zie Dhp338-343 — De jonge zeug; chattiṁsā sota.

mulapaññatti

Zie sikkhāpada.

muni

Letterlijk: 'Iemand die zijn mond kan houden'. Een heilige, een wijze. Maar men moet het zwijgen van de muni niet verkeerd begrijpen: "Het blijvend zwijgen verandert een dwaas niet in een wijze", zegt de Boeddha. Zie o.a. Dhp268-269.

Zie ook de beschrijving van Onthouding van onzinnig gepraat op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

muñja

Een grassoort.

musavada

'Liegen'; 'onwaarheid vertellen'. De onthouding ervan is een aspect binnen de 3e factor van het Edel Achtvoudige Pad en valt binnen de 2e divisie van het Pad, namelijk de groep van moraliteit.

Ga naar de beschrijving van Onthouding van liegen op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

musāvāda veramaṇī

'Onthouding van liegen'. Zie musavada.

muta

A. 'Gevoeld'; 'waargenomen'; (of) 'gedacht'; (Com) 'geroken', 'geproefd', 'aangeraakt'.

B. 'Wat gevoeld wordt'; 'wat waargenomen wordt'; (of) 'wat gedacht wordt'. Letterlijk: 'gedacht; gekend'.

mutaṁ

Grammatica: van muta.

muti

'Vrijheid'.

n

na

A. 'Nee'; 'niet'; 'noch'. Ontkennend voorvoegsel. Synoniem: no. Grammatica: Ind; Neg.

B. (Voegt een vraagteken toe) 'toch?' óf niet?'. Grammatica: Onb; Vvnm; Neg. Fonetische variant: nu.

C. 'Niet'. Grammatica: Prefix; in Sams; Neg.

D. Negatief Prefix na. Grammatica: Mnl; Prefix; Neg.

na nimittaggahi

Zie nimitta C.

naamval

Een naamval is een buigingsvorm van een naamwoord, lidwoord of telwoord, die de functie van dat woord in de zin aangeeft. Daarnaast wordt de term 'naamval' ook wel gebezigd om de verschillende functies zelf aan te duiden.

nachtwaken van de boeddha

Zie De Boeddha — De uren voor zijn verlichting.

nacira

(Van tijd) 'niet lang'; 'spoedig'; 'recent'. Synoniem: ittara. Antoniem: cira. Constructie: na + cira. Grammatica: Adj; van na cira; Neg. Samenstelling: SamenstellingUitgesteld. Variant: acira.

naciraṁ

(Van tijd) 'niet lang'; 'spoedig'; 'in korte tijd'. Synoniem: SynoniemUitgesteld. Antoniem: ciraṁ. Constructie: na + cira + aṁ / nacira + aṁ. Grammatica: Onb; Bijw; Acg Ev van na cira; Neg. Samenstelling: SamenstellingUitgesteld.

nacittavipallāsa

'Correct denken'; 'niet-begoochelde gedachte'; 'geen mentale hallucinatie'. Letterlijk: 'geen omkering van bewustzijn'. Antoniem: cittavipallāsa. Constructie: na + citta + vipallāsa. Grammatica: Mnl; Sam; Neg.

nadiṭṭhivipallāsa

'Correcte visie'; 'niet-begoochelde visie'; 'onvervormde visie'. Letterlijk: 'geen omkering van visie'. Antoniem: diṭṭhivipallāsa. Constructie: na + diṭṭhi + vipallāsa. Grammatica: Mnl; Sam; Neg.

naga

A. Naga's zijn een klasse van semi-goddelijke wezens in de Indiase folklore. Zij bewonen de oceaan, rivieren, vijvers, etc. Ze worden beschouwd als de 'wachters van de verborgen schat'. Zij hebben de vorm van een cobra en worden in de kunst afgebeeld als half-mens half slang.

B. Het zijn oorspronkelijk ook een soort demonen met wonderbaarlijke krachten. Zie o.a. Dhp188-192 waar verteld wordt dat het draken zijn. Ahicchatta is een koning van de Naga's. In een andere context wordt de term bedoeld als 'heiligen' of 'bevrijdden'.

nahi

'Zeker niet'; 'absoluut niet'; 'geenszins'; 'helemaal niet'.

nakkhamati

'Is niet acceptabel' (voor); is niet geschikt' (voor). Antoniem: khamati. Grammatica: Tt; van na khamati; Neg; Onp; Intrans (+Dat).

nakkhatta

Festiviteit omtrent sterrenbeelden in India ten tijde van de Boeddha.

nalabhati

'Niet krijgen'; 'niet verkrijgen'; 'niet bereiken'. Zie ook labhati.

nāma

A. 'Zeker'; 'werkelijk'; 'absoluut'.

B. 'Genoemd'; 'betekent'; 'bij de naam van'; 'namelijk'. Letterlijk: 'naam'.

C. 'Naam'.

D. 'Geest'; 'mentale objecten van het bewustzijn'; 'mentaliteit'; 'mentale factoren van gevoel'; 'mentale factoren van waarneming'; 'mentale formaties'; 'contact en aandacht'. Letterlijk: 'naam'.

Hier kan bij de component 'Letterlijk' worden gelezen: 'naam' of 'benoeming' (omdat de geest noteert of opmerkt) = 'ervaring'.

Zie ook Nāma — De geest; nāmarūpa; mano; mentale associaties.

E. 'Genoemd'; 'benoemd'. Letterlijk: 'naam'.

F. (Gram) Znw. Letterlijk: 'naam'.

G. (Gram) nominale stam. Letterlijk: 'naam'.

nāmajīvitindriya

Zie jīvita.

nāmarūpa

Letterlijk: 'naam en vorm' oftewel 'geest en lichaam'. Zie Nāmarūpa — Geest en lichaam, wat wordt daarmee bedoeld?; mano; nāma; paṭiccasamuppāda.

namayanti

'Buigen'; 'buigzaamheid'.

namen voor de boeddha

Zie Namen en titels voor de Boeddha.

namo

'Hulde'; 'eerbied'. (namo tassa bhagavato arahato sammā sambuddhassa: hulde aan de gezegende, de volmaakte, de volledig verlichte).

namuci

'De niet-bevrijder'. Naam voor Māra.

ñāṇa

'Kennis'; 'begrip'; 'intelligentie'; 'inzicht', is een synoniem voor paññā. Wel vaak met de nadruk op kennis hetgeen meer intelectueel is dan intuïtief inzicht.

M.b.t. de vier Edele Waarheden zijn er drie belangrijke soorten van kennis die uitgelegd worden in De functie van lijden.

ñāṇabandhu

'Gebonden door middel van kennis', volgens Nid I. Om kennis te vernieuwen en te verruimen is het van groot belang vrij te zijn van elke kennis. Het vasthouden aan een bepaalde kennis werkt beperkend. Zo maakt de arahat geen gebruik van de kennis die is voortgekomen uit de beheersing van concentratie, namelijk de vijf wereldse (paranormale) krachten (abhiññā). Ook niet van verkeerde kennis om banden van begeerte of opvattingen te creëren. De arahat is zelfs niet eens gebonden aan de kennis die deel uitmaakt van het Pad naar arahatschap, zie M117. Ook in D22 gebruikt de Boeddha herhaaldelijk dat wij altijd onafhankelijk moeten zijn, zie anissito.

ñāṇabhaya

'Cognitieve angst'. Zie o.a. A04-033; cognitief.

ñāṇadassana

Dit is een samenvoeging van 'kennis' en 'visie', waarbij visie ook staat voor 'begrijpen'; 'inzicht'.

ñāṇamevettha

Dit woord is een samenstelling van ñāṇa (kennis) + eva (alleen) + ettha (hier), en betekent dat verlichting alleen kan worden bereikt door wijsheid. Zie o.a. S12-049.

ñāṇasaṁvega

'De urgentie van de drang naar kennis'. Zie o.a. A04-033.

nānattasaññā

'Het waarnemen van verscheidenheid'; 'waarneming van veelvoud'; 'concept van variëteit'. Zie jhāna.

ñāṇavipphāra iddhi

'De kracht van doordringende kennis', zie iddhi.

nandipidukkha

'Onbevredigend'.

nandirāga

'Hechten aan het leven'. Zie Dhp294-295 — De eerwaarde Lakuntaka Bhaddiya — De moord op vader en moeder; Afhankelijkheid en angst.

nanu

'Zeker?'; 'maar zou dat niet zo zijn?'; 'is het waar?'; 'was het niet zo?'. Antoniem: nu. Constructie: na + nu. Grammatica: Onb; Vvnm; van na nu; Neg. Variant: nūna.

nānussarati

'Herinnert zich het niet'; 'kan zich niet herinneren'.

naparam itthattaya

Raadpleeg De uiteindelijke kennis.

nappajahati

'Geeft niet op'; 'laat niet los'; 'laat niet gaan' (van); 'bevrijdt niet'. Letterlijk: 'niet actief verlaten'. Antoniem: pajahati. Grammatica: Tt; van na pajahati; Neg; Trans (+Acg).

nappamajjati

A. 'Is niet nalatig' (ten opzichte van); 'is niet onzorgvuldig' (met); 'verspilt niet zijn tijd' (in). Antoniem: pamajjati. Grammatica: Tt; van na pamajjati; Neg; Pww; Intrans.

B. 'Verwaarloost niet'; 'negeert niet'; 'laat niets weg'. Antoniem: pamajjati.

nappaññāyati

'Is niet duidelijk bekend'; 'is geen bewijs'; 'is niet waarneembaar'. Antoniem: paññāyati.

narassa narisu

'De man naar vrouwen', duidt op de gehechtheid van de man naar de vrouw. Zie Dhp283-284 — De vijf oude monniken en de lekenvolgelinge; Boeddhisme en seks.

nāsakkhi

'Was niet in staat' (om); 'was niet capabel' (om); 'was niet mogelijk' (om). Antoniem: asakkhi. Grammatica: Aor van na sakkoti; Neg; Intrans (+Inf).

nāsakkhimha

Grammatica: Aor 1P Mv van nāsakkhi.

nāsakkhiṁsu

Grammatica: Aor 3P Mv van nāsakkhi.

nasaññāvipallāsa

'Correct waarnemen'; 'niet-begoochelde opvatting'; 'niet-omgekeerde waarneming'. Letterlijk: 'geen omkering van waarneming'. Antoniem: saññāvipallāsa. Constructie: na + saññā + vipallāsa. Grammatica: Mnl; Sam; Neg.

nāsassata

Antoniem: asassata.

ñata pariñña

'Volledig begrijpen van het bekende', zie pariñña.

nātha

'Bescherming'; 'beschermer'; 'toevluchtsoord'. Antoniem: anātha.

nāthakaraṇa

'Bescherming bieden'; 'dienen als toevluchtsoord'. Zie o.a. A10-017.

nāthakaraṇādhammā

'Dingen die bescherming bieden'; 'zaken die een toevluchtsoord vormen'. Zie o.a. A10-017.

ñāti

'Familie'; 'verwant'; 'familielid'. Letterlijk: 'bekend'.

ñatisalohita

'Bloedverwant'; 'familielid'.

ñātisu

Grammatica: Znw; Mnl; Loc; Mv van ñāti.

nativattati

'Niet daaraan voorbij'; 'niet buiten een bereik, gebied, sfeer'. Zie A04-199 — Taṇhā Sutta — Begeerte — De verstrikker en de ideeën van ik.

natthi

A. 'Is niet'; 'het is niet'; 'er is niet'; 'er is geen'; 'er is niets'. Antoniem: atthi. Fonetische variant: natthī.

B. 'Bestaat niet'; 'bestaat niet meer'. Antoniem: atthi. Fonetische variant: natthī.

natthi dhuvaṁ ṭhiti

'Blijft niet eeuwig bestaan'.

Dit lichaam heeft geen permanente bestaansvorm. Dit is in feite een lichaam (of een groep/behuizing) van zweren (arukāyaṁ).

Zie Dhp147 — Sirima de courtisane.

natthi jagarato bhayam

'Voor de waakzame is er geen angst (bhaya)'. Zie Arahat — De heilige; Dhp038-039 — De eerwaarde Cittahattha.

natthikadiṭṭhi

'Nihilistische kijk'. Onderwezen door Ajita Kesakambali.

Zie ook natthikadiṭṭhī; diṭṭhi.

natthikadiṭṭhī

'Met de overtuiging dat handelen geen gevolgen heeft'. Letterlijk: 'er is geen zicht'.

natthikavada

'De leer van het nihilisme'. Zie diṭṭhi.

natthipaccaya

'Afwezigheidsvoorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

nava

Htw Negen (9).

nava lokuttaradhamma

'9 bovenwereldse dingen', zie lokuttara.

navasivathikapabba

'Het beschouwen van de negen soorten lichamen'.

nāyaṁ

A. 'Niet dit'; 'niet deze persoon'; 'niet dit ding'; 'dit niet'; 'dit is niet het geval'. Constructie: na + ayaṁ. Grammatica: Onb + Pron; Neg.

B. 'Is deze persoon?'; 'is dit?'. Constructie: nu + ayaṁ. Grammatica: Onb + Pron.

ñayapatipanna

'Het ware pad volgen'; 'op het ware pad gekomen'. Het is een van de kenmerken van de Saṅgha. Zie aveccappasāda.

ne

A. 'Zij'; 'die' (subject). Synoniem: ; tāni; te; se. Grammatica: Pron; Mnl Nom Mv van ta.

B. 'Hen'; 'die' (object). Synoniem: te; se. Grammatica: Pron; Mnl Acg Mv van ta.

negen soorten sutta's

Deze lijst verschijnt in M022.10 en bevat de volgende 9 soorten: 1. sutta; 2. geyya; 3. veyyākaraṇa; 4. gāthā; 5. udāna; 6. itivuttaka; 7. jātaka; 8. abbhutadhamma; 9. vedalla.

nekkhamma

'Verzaking'. Zie Nekkhamma — Verzaking.

nekkhamma vitakka

'Gedachten van verzaking'. Zie vitakka.

nekkhammadhatu

'Element van verzaking'. Synoniem: alobha.

nekkhammānisaṁsa

'De zegeningen van verzaking'.

nekkhammapāramī

'Perfectie van verzaking'. Zie pāramitā; nekkhamma.

nekkhammasaṅkappa

'Gedachten van het verzaken van zelfzucht', is een van de drie juiste gedachten.

Ga naar de beschrijving van juiste gedachten op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

Nerañjara

Rivier de Nerañjara. Rivier nabij Bodh Gaya. Op deze rivier keek de Boeddha uit vanaf de plaats der verlichting.

nesjjik'anga

Eén van de 13 dhutaṅga praktijken voor woudmonniken. Zie dhutaṅga.

neta

'Dit (is) niet'. Antoniem: etaṁ.

nettika

'Akkerbevloeiers'. Zie Dhp080 — De novice monnik Paṇḍita.

nettippakaraṇa

'De gids'. Zie Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

nevasaññānāsaññāyatana

'Sfeer van noch waarnemen noch niet waarnemen'. Opmerking: Wordt ook geschreven als: n'evasaññān'āsaññāyatana. Constructie: na + eva + saññā + na + asaññā + āyatana.

n'evasaññān'āsaññāyatana

Zie nevasaññānāsaññāyatana.

nevasaññānāsaññāyatanūpaga deva's

'De goden van de sfeer van noch waarnemen noch niet waarnemen'. Opmerking: Wordt ook geschreven als: n'evasaññān'āsaññāyatanūpagadevā. Zie deva. Constructie: na + eva + saññā + na + asaññā + āyatana + upaga + deva.

n'evasaññān'āsaññāyatanūpagadevā

Zie nevasaññānāsaññāyatanūpaga deva's.

neyyattha

'Met een betekenis die moet worden afgeleid'; 'waarvan de betekenis interpretatie vereist'; 'met een impliciete betekenis'; 'met een onduidelijke betekenis'. Letterlijk: 'te worden geleid'. Antoniem: nītattha.

neyyatthadhamma

Een 'leer waarvan de betekenis impliciet is, of moet worden afgeleid' in tegenstelling tot een 'lering met een expliciete of evidente betekenis' (nītatthadhamma). Constructie: nītattha + dhamma.

In A01-060 (PTS) wordt gezegd: "Wie een sutta verklaart met een impliciete betekenis als een sutta met expliciete betekenis (en omgekeerd), zo iemand doet een valse uitspraak met betrekking tot de Gezegende." Zie paramattha.

nibbāna

'Uitblussing'; 'vrijheid van begeerte'. Zie Nibbāna — Het ongeconditioneerde.

nibbānadhātu

'Nibbāna element'; 'de staat van bevrijd zijn'; staat van Nibbāna. Letterlijk: 'uitgebluste staat'. Het duidt op de mentale staat van een arahat. Er zijn twee vormen: saupādisesanibbāna, en anupādisesanibbāna.

Zie ook Nibbāna.

nibbattati

A. 'Herrijst'; 'verschijnt opnieuw'; 'groeit opnieuw'; 'wordt herboren'. Letterlijk: 'opbrengsten uit'. Synoniem: upapajjati. Grammatica: Tt; Intrans.

B. 'Wordt geboren'; 'ontstaat'; 'verschijnt'. Letterlijk: 'opbrengsten uit'. Synoniem: upapajjatijāyatī; pabhavati; vuppajjati; sañjāyati; samudayati; samudeti. Grammatica: Tt; Intrans.

nibbatti

A. 'Geboorte'; 'worden'; 'productie'. Letterlijk: 'opbrengsten uit'. Synoniem: abhinibbatti. Grammatica: Vrl; Abstr; van nibbattati.

B. 'Verrezen'; 'kwam in het bestaan'; 'werd geboren'. Letterlijk: 'opbrengsten uit'. Synoniem: uppajji. Grammatica: Aor van nibbattati; Intrans.

nibbedha

'Doordringend begrip'; 'doordringend inzicht'. Letterlijk: 'doordringing'. Grammatica: Mnl; van nibbijjhati.

nibbida

'Walging'; 'ontgoocheling'; 'ontnuchtering'; 'afkeer'.

nibbidānupassanā

'Contemplatie van walging of ontnuchtering', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; nibbida.

nibbijjhati

'Doordringt'; 'doorboort'; 'breekt door'.

nicca

'Blijvend'; 'bestendig'. Antoniem: anicca.

niccaṁ

A. 'Continu'; 'altijd'; 'permanent'; 'eeuwig'. Constructie: nicca + aṁ. Grammatica: Onb; Bijw; Acg Ev van nicca.

B. 'Altijd'; 'in elk geval'. Constructie: nicca + aṁ. Grammatica: Onb; Bijw; Acg Ev van nicca.

C. 'Verplicht'; 'altijd'. Grammatica: van nicca.

niccamhāti

Constructie: nicca + amhā + iti.

niccanti

Constructie: niccaṁ + iti.

nidana

A. 'Bron'; 'oorsprong'; 'schakel'; 'grondslag'; 'oorzaak'; 'reden'. Letterlijk: 'vastbinden'. Zie paṭiccasamuppāda.

B. 'Afkomstig van'; 'veroorzaakt door'; 'gebaseerd op'; 'gegrondvest op'. Letterlijk: 'vastbinden'.

C. (vinaya) introductie. Letterlijk: 'vastbinden'.

D. 'Achtergrondverhaal'; 'vertelsetting'; 'inleidend verhaal'. Letterlijk: 'vastbinden'.

niddesa

Oud Commentaar. Zie Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

Nigantha

Een religieuze sekte (de 'Naakte asceten'). Voor meer, zie info bij de stichter Nigantha Nataputta.

niggayhavadim

'Iemand die berispt', zie vajjadassinam; niggayhavadim.

nigrodha boom

De Pāḷi naam voor ficus benghalensis. In het Engels: banyan boom. Sri Lanka: nuga. Naar mijn weten wordt hier daadwerkelijk een andere boom bedoeld dan de Bodhi boom (ficus religiosa). (Ook volgens Bhikkhu Ñanamoli). In Ud1-01, Ud1-02, en in Ud1-03 wordt bijvoorbeeld gesproken over de Bodhi boom; in Ud1-04 over de Nigrodha boom (ficus benghalensis). Ook de namen van de betreffende sutta's zijn van de soort boom afgeleid. Boeddha Kassapa is onder een Nigrodha boom tot verlichting gekomen en Boeddha Gotama onder een Bodhi boom. Op Sleutel tot Inzicht wordt vaak (niet altjd) de Pāḷi naam aangehouden.

nijjhānaṁ khamati

'Reflectieve aanvaarding'; 'onder de loep genomen kunnen worden'; 'de inspectie doorstaan'. Letterlijk: 'het is de moeite waard om te overwegen'. Voorbeeld: tesaṁ te dhammā paññāya atthaṁ anupaparikkhataṁ na nijjhānaṁ khamati. 'Doordat ze de betekenis van die leerstellingen niet met wijsheid onderzoeken (anupaparikkhanta), verkrijgen ze daar geen reflectieve aanvaarding (nijjhānaṁ khamati) van.' M022.10.

nikāya

'Klasse'; 'groep'; 'collectie'.

nimitta

'Thema'; 'teken'; 'beeld'; 'markering'; 'doel'; 'object'; 'fundament'; 'oorzaak'; 'voorwaarde'. Zie Nimitta — Leerstellige thema's; animitta.

nimmana rati

Een van de zes hemels van de zintuiglijke sfeer: (kāmāvacara) of (kāmaloka) is de sfeer waarin wij leven. Zie deva.

nimmānaratīdevā

'De goden die vreugde vinden in scheppen'. Zie deva.

ninda

'Blaam'; 'kritiek'; 'minachting'; 'vernedering'; 'foutopsporing'; 'fout'; 'schande'. Het is een van de wereldse wisselvalligheden waar het tegenover pasamsa staat. Zie lokiyadhamma.

ninda pasamsasu

'Zowel bij blaam als bij lof'. Zie Dhp081 — De eerwaarde Lakuntaka Bhaddiya — Mentaal zo stabiel als een grote rots.

nipata

'Hoofdgroep'; 'boek'.

nippapañca

'Vrijheid van samsarische toename'; 'epitheton van Nibbāna'. Zie de tegenstelling papañca.

nipuṇa

A. 'Fijn'; 'subtiel'; 'epitheton van Nibbāna'. Synoniem: aṇu; sukhuma.

B. 'Scherpzinnig'; 'bekwaam'; 'slim'; (Com) 'wetende hoe je verfijnd werk moet verrichten'. Synoniem: paṇḍita.

nipuṇo

Van nipuṇa.

nirāmisa

'Niet-wereldse gevoelens'. Zie sukha.

nirattham kalingaram

'Het veronachtzaamde lichaam zal (op de grond) liggen als een nutteloos stuk rot hout'. Zie Dhp041 — De eerwaarde Tissa met het stinkende lichaam.

niraya

'Hellen'. Letterlijk: 'het neerwaartse pad'. Een van de 4 lagere werelden (zie ook apaya; avacara) van het bestaan waar we gewoonlijk 'hel' tegen zeggen. Het is de laagste, de meest vervloekte of de meest ellendige wereld van het bestaan. Boeddhisten zijn zich ervan bewust dat een leven in de hel, net zoals in de hemelse sferen, niet eeuwig zal duren omdat ze rekening houden met de universele wet van vergankelijkheid. En nadat het kamma dat de huidige vorm van geboorte veroorzaakt heeft, uitgeput is, noodzakelijkerwijs weer opgevolgd moet worden door een nieuwe dood en dus ook weer door een nieuwe geboorte in een wereld in overeenstemming met het vergaarde kamma.

Om goed te begrijpen wat 'hel' inhoudt, dienen we goed te beseffen dat het gehele universum of liever gezegd: de vijf aggregaten (pañcupādānakkhandhā) een ervaringswereld is. Bepaalde wilshandelingen (kamma) hebben een bepaald gevolg, in dit of in een volgend leven. Tenzij volledig verlicht, komen we na de dood opnieuw in een bestaansvorm (anders zou er geen oorzakelijkheid bestaan) welke veel intenser wordt ervaren dan in deze wereld.

nirodha

'Opheffing'; 'uitblussing'; 'uitdoving'; 'ophouden'. Dit behelst de volmaakte staat van Nibbāna die men bereikt door de uitroeiing van alle bezoedelingen. Nirodha is tweevoudig, namelijk: het Nibbāna verwezenlijken terwijl men dit leven voortzet (saupādisesanibbāna), en het Nibbāna verwezenlijken op het moment van de dood (anupādisesanibbāna).

Zie ook nirodhasamāpatti; anupubbanirodha; samapatti; nibbāna.

nirodhadhamma

'Opheffing van dingen', is een samenstelling van nirodha en dhamma.

nirodhadhammam

'De opheffing van dingen'. Zie nirodhadhamma.

nirodhānupassanā

'Contemplatie van uitblussing', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; nirodha.

nirodhasamāpatti

'Het verwerven van uitdoving'. Zie Nirodhasamāpatti — Het verwerven van uitdoving; samapatti; nirodha; jhāna.

nirujjhanti

Zie nirujjhati.

nirujjhati

'Lost op'; 'eindigt'; 'stopt'; 'houdt op'; 'verdwijnt'. Synoniem: vibhoti. Antoniem: uppajjati; vuppajjati. Grammatica: Tt; Pww van nirundhati; Intrans.

Varianten nirujjhati: nirujjhantiPTS.

nirūpadhi

A. 'Vrij van gehechtheid'; 'vrij van vastgrijpen'; 'niet als mijn eigendom beschouwen'; 'niet toe-eigenen'. Letterlijk: 'niet in de buurt plaatsen'.

B. 'Zonder bezittingen'; 'zonder verworvenheden'; 'zonder activa'. Letterlijk: 'niet in de buurt plaatsen'.

'Kiemen die het bestaan veroorzaken'. Zie ook upadhi.

niruttipaṭisambhidā

'Analytische kennis van de taal'. Zie patisambhida.

nisaṅkhiti

'Activering', d.w.z. elke activiteit van wilshandeling (kammacetanā) die valt onder de heilzame (kusala) wilshandelingen, onheilzame (akusala) wilshandelingen en onverstoorbare wilshandelingen. Want dat heet 'activeren' omdat het geactiveerd is of omdat het activeert. (Nid) Zie o.a. Snp4-15.953.

Zie ook uitleg over de 'onverstoorbare wilshandelingen', zie āneñjābhisaṅkhāra, hetgeen een synoniem is voor avyakata.

nisīdi

A. 'zat' (op); 'ging zitten' (in).

B. 'Zakte emotioneel in elkaar'; 'raakte ontmoedigd'. Letterlijk: 'zakte in elkaar'.

nisīdiṁsu

Grammatica: Aor 3P Mv van nisīdi.

nisinna

A. 'Zittend' (in).

B. 'Zittend'. Letterlijk: 'gezeten'.

nisinnā

Grammatica: van nisinna.

nisinnaṁ

Grammatica: van nisinna.

nissaraṇa

'Ontsnappen'. Zie Nissaraṇa — Ontsnappen; pahāna.

nissaraṇa pahāna

'Overwinnen door ontsnapping', is een van de 5 pahāna's, zie daar.

nissaya

A. 'Afhankelijkheid'; 'fysieke steun'; 'steun'; 'iets waar men op vertrouwt'. Zie Nissaya — De twee verkeerde fundamenten van moraliteit.

B. (Vinaya) formele afhankelijkheid van een leraar.

nissayanta

'Afhankelijk' (van); 'vertrouwend' (in); 'steunend (op)'.

nissayapaccaya

'Ondersteunende voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya; nissaya.

nissita

A. 'Afhankelijk' (van); 'ondersteund' (door); 'gebaseerd' (op); 'vertrouwend' (op). Letterlijk: 'afhankelijk van'. Synoniem: ṭhita; paṭibaddha; sita. Antoniem: anissita.

O.a. in Snp3-12 — Dvayatanupassana Sutta — Tweevoudige bespiegeling, rubriek Afhankelijkheid, benadrukt de Boeddha dat afhankelijkheid de voorwaardelijke conditie van wankelen, onzekerheid, twijfelen is. Hoe afhankelijker we onszelf opstellen, hoe kwetsbaarder we zijn.

B. 'In'; 'gelegen in'; 'bij'; 'dichtbij'; 'in de buurt'.

C. 'Levend' (van); 'levend door middel van'. Letterlijk: 'afhankelijk van'.

nissito

Antoniem: anissito. Grammatica: van nissita.

nītattha

'Met een duidelijke betekenis'; 'met een expliciete betekenis'; 'met een eenvoudige betekenis'; 'met een van doorslaggevende betekenis'. Letterlijk: 'leidende betekenis'. Antoniem: neyyattha. Constructie: ConstructieUitgesteld.

nītatthadhamma

Een 'doctrine met duidelijke betekenis', in tegenstelling tot een 'doctrine met een betekenis die moet worden afgeleid' (neyyatthadhamma). Constructie: nītattha + dhamma. Zie paramattha.

Zoek ook neyyatthadhamma.

nīvaraṇa

'Hindernis'. Zie pañcanīvaraṇa.

nivāraya

'Bedwingen'; 'inhouden'; 'onder controle houden'. Constructie: ni + vāraya + ti. Grammatica: Adj; in Sams; van nivārayati; Caus.

nivārayati

'Beperkt'; 'blokkeert'; 'voorkomt'; 'belemmert'; 'houdt in toom' (van). Synoniem: nivāreti; nisedhayati; rundhati; vāreti. Constructie: ni + vāraya + ti. Grammatica: Tt; Caus van nī √var; Trans (+Acg & +Abl).

nivārayi

'Geblokkeerd'; 'belemmerd'. Letterlijk: 'ertoe gebracht om te worden tegengehouden'. Synoniem: nivāresi; vāresi. Constructie: ni + vāraya + i. Grammatica: Aor van nivārayati; Caus; Trans (+Acg).

niyama

'Wet'; 'proces'; 'universele wet'.

niyata

A. 'Beheerst'; 'ingeperkt'.

B. 'Zeker'; 'besloten'; 'onveranderlijk'; 'onvermijdelijk'; 'van vaststaand lot.' Letterlijk: 'beheerst'.

C. 'vastgesteld'; 'vastgelegd'; 'berustend' (in). Letterlijk: 'beheerst'.

niyatamicchādiṭṭhika

'Een gefixeerd verkeerde opvatting hebben'; 'een hardnekkig verkeerd geloof hebben'. Constructie: niyata + micchādiṭṭhika.

De zogeheten 'kwade inzichten die bestemmingen bepalen' en die de 10 onheilzame bronnen van handeling vormen (kammapatha). Zie diṭṭhi.

no

A.1 'Nee'; niet'. Synoniem: na. Constructie: na + u > no. Grammatica: Ind; Neg.

A.2 (voegt een vraagteken toe) 'toch?'; 'niet?'; 'is het niet?'; 'beslist'. Grammatica: Ind; Vvnw. Fonetische variant: nu.

A.3 'Toen'; 'nu'; 'inderdaad'. Grammatica: Ind; Nad. Synoniem: carahi. Variant: nu.

B.1 'Ons' (object). Synoniem: amhākaṁ; amhe; asmākaṁ. Grammatica: Pron; 1P Acc Mv van ahaṁ.

B.2 'Door ons'; 'met ons'. Grammatica: Pron; 1P Instr Mv van ahaṁ.

B.3 'Voor ons'; 'aan ons'. Synoniem: amhaṁ; amhākaṁ; amhe; asmākaṁ. Grammatica: Pron; 1P Dat Mv van ahaṁ.

B.4 'Ons'. Synoniem: amhaṁ; amhākaṁ. Grammatica: Pron; 1P Gen Mv van ahaṁ.

nu

(Voegt een vraagteken toe) 'zeker?'; 'niet?'; 'zou niet?'. Grammatica: Onb; Vvnm. Fonetische variant: na; no.

nupassana

Zie anupassanā.

nuppajjati

'Ontstaat niet'; 'verschijnt niet'. Letterlijk: 'gaat niet omhoog'. Antoniem: uppajjati. Grammatica: Tt; na van uppajjati; Neg; Intrans.

o

object

'Object' is een universele aanduiding voor 'een ding' en kan in principe dus alles zijn. Zie Wat betekent object in meditatief perspectief?

Zie ook ārammaṇa.

objectief

Wanneer iemand waarneemt waarbij zijn persoonlijkheid er niet bij betrokken is. Zie Van bewustzijn naar helder begrip.

odahati

A. 'Neerleggen'.

B. 'Invoegen'.

C. 'Verschaffen'; 'leveren'.

D. Figuurlijk: 'toepassen'; 'een luisterend oor voor iets hebben'; 'luisteren'' zoals in sotam odahati.

ogha

'Overstroming'; 'stortvloed'; 'vloedstroom'; 'dat wat een mens wegvaagt van bevrijding', is een naam voor de 4 hoofdbezoedelingen (asava).

De term 'ogha' wordt ook wel gebruikt om 'de stroom van samsara' aan te duiden als 'de stroom van bezoedelingen'. Zie bijvoorbeeld in Snp4-01.771.

okappana

'Gelovend'; 'overtuigd zijn'; 'vertrouwen hebben'.

okkanti

'Conceptie', letterlijk: 'neerdalen', duidt op het verschijnen van het embryo in de baarmoeder, d.w.z. het begin van het geboorteproces (jāti).

"Monniken, de conceptie van een embryo in de baarmoeder vindt plaats aan de hand van drie dingen. Hier (idha), is er de samenkomst van de moeder en de vader (…) in dit geval is er geen conceptie van een embryo in de baarmoeder (…) Maar wanneer er de samenkomst is van de moeder en de vader, en het is het seizoen van de moeder, en het wezen is er klaar voor om geboren te worden — door de samenkomst van deze drie dingen vindt de conceptie van een embryo in de baarmoeder plaats." M038.26

Met 'het wezen is er klaar voor om geboren te worden' wordt in de oorspronkelijke tekst aangeduid als een gandhabba (een hemelwezen dat toekijkt tijdens de seksuele gemeenschap en geboren wordt vanwege die gelegenheid), maar is metaforisch bedoeld voor kamma energie oftewel het kamma proces (kammabhava) en om nog exacter te zijn het wedergeboorte proces (upapattibhava). De energie of lading van dit proces is bepalend voor wanneer het embryo in de baarmoeder verschijnt.

omāna

'Minderwaardigheidswaan'. Zie māna.

onderwerping

Onderwerping behelst vanuit boeddhistisch perspectief in het bijzonder een zintuiglijke toegeeflijkheid wat gezien wordt als slavernij. Wanneer je klakkeloos aanneemt wat je zintuigen je ingeven, laat je jezelf op sleeptouw nemen, dan ben je snel te beïnvloeden (asava). Dit is onderwerping aan wat de zintuigen je ingeven oftewel: een onderwerping aan Māra, aan wat verkeerd is, wat niet rechtvaardig is, wat nadelig is, zowel voor jezelf als voor anderen.

Zie Boeddhisme en rechtvaardigheid; Waarom de Dhamma uit de wereld zal verdwijnen; De onderwerping aan zintuiglijk verlangen; Anissito — Onafhankelijkheid rubriek Niet hechten aan meningen.

oosterse krijgskunst

Een oosterse krijgskunst is volstrekt anders dan een vechtsport zoals bijvoorbeeld kickboksen, thaiboksen of andere dergelijke sporten. Zelfs een 'oosterse krijgskunst' wordt als een 'vechtsport' beoefend wanneer de kern van 'krijgskunst' wordt gemist. De auteur van STI heeft 40 jaren lang de oosterse krijgskunst beoefend en onderwezen. Zie Leraar in de krijgskunst.

opanayika

Variant: opaneyyika.

Opanayiko

Van opanayika.

opaneyyika

'Waardig om nagestreefd te worden'. Het is een van de kenmerken van de Dhamma. Opaneyyika wordt ook wel vertaald als 'verder leidend' of 'leidend naar'. Zie aveccappasāda.

Variant: opanayika.

opapatika

Letterlijk: 'toevallig' (van upapata, toeval; niet van upapatti zoals in PTS woordenboek); 'spontaan geboren', d.w.z. geboren zonder de tussenkomst van ouders. Dit is van toepassing op alle hemelse en helse wezens. "Na het verdwijnen van de vijf lagere banden (zie saṁyojana) verschijnt hij (de anāgāmī) in een spirituele wereld (opapatika) (…)."

orambhāgiya

'Lager'; 'gerelateerd tot de lagere wereld'. Letterlijk: 'verbonden met het lagere deel'. Zie o.a. orambhāgiya saṁyojana.

orambhāgiya saṁyojana

'Lagere banden' (de banden 1-5). Zie saṁyojana.

Constructie: orambhāgiya + saṁyojana.

.

ottappa

'Moreel ontzag'; 'morele vrees'; 'morele angst'.

Het heeft de functie om je te behoeden het verkeerde te doen. Het is de angst voor zelfverwijt, of beschuldiging door anderen, of vergelding in deze wereld of in de sferen van ellende (apaya). Hier tegenover staat de immorele factor anottappa. Zie cetasika; Tabel II.

Ottappa is een van de 7 schatten (dhana) en een van de 'dingen die de wereld beschermen' (lokapāladhamma).

Zie ook de afzonderlijke beschrijving van anottappa.

ovada

Grammatica: van ovadati.

ovadati

A. 'Adviseert'; 'instrueert'; 'vermaant'; 'berispt'. Letterlijk: 'spreekt neerbuigend'.

B. 'Instrueert'; 'vermaant'; 'raadt'. Letterlijk: 'zorgt ervoor dat iemand neerbuigend spreekt'.

ovadeyya

Grammatica: van ovadati.

ovadeyyānusāseyya

'Berispen en waarschuwen'. Constructie: ovadeyya + anusāseyya.

Zie Dhp077 — De eerwaarden Assaji en Punabbasuka; ovada; anusāsana; asabbha ca nivaraye.

Zie ook Leraar en leerling.

ovaraka

Zie gabbha.

p

pabbajati

'Wijdt tot monnik'; 'doet afstand van het huiselijk leven'. Letterlijk: 'gaat uit'. Zie pabbajita.

pabbajita

A. 'Monnik'; 'kloosterling'; 'verzaker'; 'iemand die verzaakt'. Letterlijk: 'ging uit'. Zie pabbajjā. Synoniem: bhikkhu; samaṇa. Antoniem: agārī; sāvaka. Grammatica: Mnl; Vdw van pabbajati.

B. 'Ingewijd'; 'verzaakt'. Letterlijk: 'ging uit'. Zie pabbajjā. Grammatica: Vdw van pabbajati (+Abl).

pabbajito

Grammatica: Mnl Nom Ev van pabbajita.

pabbajjā

Letterlijk: 'het uitgaan' of vollediger gezegd: 'van het huislijke leven het uitgaan naar het thuisloze leven' van een monnik (agārasmā anagāriyaṁ pabbajito).

Een pabbajito is iemand die zijn onzuiverheden opzij heeft gezet en die de wereld verlaten heeft. Dit hoeft niet per sé een monnik of een non te zijn; het is iemand die zich niet meer conformeert aan de gekte van de wereld. In brede zin is dat iemand die de wereld verzaakt heeft.

M.b.t. de monnik of non bestaat pabbajjā uit het verzaken van alle familie- en sociale banden om het zuivere leven van een monnik of non te leven om het doel — de uiteindelijke bevrijding — te realiseren, zoals dit door de Boeddha is onderwezen. Zodoende is pabbajjā de naam geworden voor toelating als een samanera of novice, d.w.z. degene die een kandidaat is voor de orde van monniken/nonnen. Zie ook upasampada.

Zie ook Snp3-01 — Pabbajjā Sutta — De verzaking; Dhp183-185 — De vraag van de eerwaarde Ānanda.

paccatta

'Afzonderlijk'; 'individueel'.

paccaya

A. 'Ondersteuning'; 'vereiste'; 'noodzaak'.

B. 'Oorzaak'; 'reden'; 'ondersteunende voorwaarde'; 'vereiste' (voor).

C. 'Afhankelijk' (van); 'steunend' (op); 'gebaseerd' (op); 'ondersteund' (door); 'gesticht' (op); 'voorwaardelijke conditie'; 'voorwaardelijke toestand'; 'voorwaarde'; 'afhankelijk van'; 'te wijten aan'; 'veroorzaakt door'. Letterlijk: 'van toestand'.

Zie Paccaya — Voorwaardelijke conditie; Wat is conditionering?; conditionering.

D. '(Gram) 'affix'; 'suffix'; 'werkwoordsuitgang'. Letterlijk: 'afhankelijk'.

paccayā

Letterlijk: 'van toestand'. Grammatica: van paccaya.

paccayasannissitasīla

'Moraliteit met betrekking tot de 4 benodigdheden', is een van de 4 soorten moraliteit die bestaan uit zuivering (catupārisuddhisīla). Zie sīla.

paccekabuddha

Een 'onafhankelijk levende verlichte' of 'individueel (= pacceka) verlichte'. Dit is een term voor een arahat die het Nibbāna heeft gerealiseerd zonder de Leer van de Boeddha van anderen te hebben gehoord. Hij begrijpt individueel (pacceka) de vier Edele Waarheden door zijn eigen inspanning, onafhankelijk (anissito) van een leraar. Echter, hij heeft niet de capaciteit om de Leer effectief aan anderen te verkondigen en daarom is hij geen 'Leraar van goden en mensen', een Perfecte of Universele Boeddha (sammāsambuddha).

Pacceka Boeddha's worden beschreven als zijnde matig in spreken en liefhebbers van afzondering. Overeenkomstig de traditie, worden zij niet geboren als de Leer van een Perfecte Boeddha in de wereld bekend is. Om hun graad van heiligheid (of staat) na vele wereldtijdperken te kunnen bereiken, moeten zij hun aspiratie voor een Perfecte Boeddha uitspreken.

Er zijn maar weinig Canonieke verwijzingen: Pug 29 (definitie); A02-056; in M116 worden vele namen van Pacceka Boeddha's vermeld; in D16 wordt gezegd dat zij een stupa (dagoba) waardig zijn; de Nidhikandha Sutta, Khp, noemt pacceka bodhi; CNid schrijft aan individuele pacceka boeddha's de verzen van Snp1-03 — Khaggavisana Sutta — De eenhoorn toe. Zie bodhi.

pacchājātapaccaya

'Achteraf ontstane voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

paccuṭṭhāpanā

Letterlijk: 'tegenwerken'; 'verzet'; 'tegenstand'. Zie Paccuṭṭhāpanā — Het strijden tegen realiteit.

padahati

A. 'Streven'; 'inspannen'. Letterlijk: 'plaatst voorwaarts'.

B. 'Confronteren'; 'het opnemen'; 'er tegen vechten'; 'stelling nemen'. Letterlijk: 'plaatst voorwaarts'.

pādakajjhāna

Hiermee wordt verwezen naar de 4e fijnstoffelijke jhāna die de basis of het kardinaal startpunt (pādakajjhāna) is voor de verwerving van de hogere spirituele krachten (abhiññā). Zie Jhāna — De meditatieve verdiepingen.

pad-factoren

'Pad-factoren' zijn de factoren van het Edel Achtvoudige Pad (Ariya Aṭṭhaṅgika Magga) die in iemand (ajjhatta) ontwikkeld moeten worden om het resultaat van het Pad (Nibbāna) te verwerkelijken.

Zie ook Boeddhisme en rechtvaardigheid; resultaat van het pad.

padhāna

'Inspanning'; 'streven'. Zie Padhāna — De vier inspanningen.

padhānasaṅkhārasamannāgata

'Bestaande uit het samengaan met inspanning'. Constructie: padhāna + saṅkhāra + samannāgata.

padhāniyaṅga

'Factoren van inspanning', zijn de volgende 5 kwaliteiten: 1. geloof; 2. gezondheid; 3. oprechtheid; 4. energie; 5. wijsheid. M085; M090; A05-053.

Zie ook pārisuddhipadhāniyaṅga.

paduma

'Een ellendige sfeer', zie Snp3-10.

pāguññatā

'Vaardigheid' kan van 2 soorten zijn:

Het zijn twee mentale factoren die samengaan met al het heilzame bewustzijn.

Zie cetasika; Tabel II.

pahāna

'Overwinnen'; 'opgeven'; 'verzaken'; 'te boven komen'. Zie Pahāna — Overwinnen.

pahānapadhāna

'De inspanning van het overwinnen of opgeven', is een van de 4 inspanningen. Zie padhāna.

pahānapariñña

'Volledig begrijpen door overwinnen', zie pariñña.

pahātabba

'Worden verlaten'; 'worden opgeheven'; 'worden verwijderd'; 'worden uitgerukt' zoals o.a. in M002; S56-011, 2.1-2.3.

pahāya

A. 'Achterlaten'; 'opgeven'; 'verlaten'. Letterlijk: 'actief verlaten'. B. 'Moet worden verlaten'; 'moet worden opgegeven'. Letterlijk: 'actief verlaten'.

pahinam

'Is opgeheven'. Zie S56-011, 2.1-2.3.

pahita

A. 'Toegepast'; 'gericht'; 'uitgevoerd'. Letterlijk: 'naar voren geplaatst'.

B.1 'Verzonden voor'.

B.2 'Verzonden'; 'verstuurd'.

C 'Verlaten'; 'opgegeven'. Letterlijk: 'actief verlaten'. Grammatica: Vdw van pajahati.

pahiyanti

'Afnemen'; 'verdwijnen'; 'verlaten'. Zoals in o.a. M002.

pahuneyya

'Gastvrijheid waardig'. Het is een van de kenmerken van de Saṅgha. Zie aveccappasāda.

pajahati

'Geeft op'; 'laat los'; 'laat gaan' (van); 'bevrijdt'. Letterlijk: 'actief verlaten'. Antoniem: nappajahati. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

pajahāti

Zie pajahati.

pajanati

'Volmaakt in inzicht'. Letterlijk: 'weet duidelijk'.

pajjhāyanta

'Neerslachtig zijn'; 'somber zijn'; 'nors zijn'; 'in een slechte stemming zijn'; 'depressief zijn'.

pajjhāyantaṁ

Grammatica: van pajjhāyati / van pajjhāyanta.

pajjhāyanto

Grammatica: van pajjhāyanta.

pajjhāyati

'Piekert'; 'is angstig'; 'maakt zich zorgen'; 'is overweldigd'.

pakati upanissayapaccaya

Zie pakatūpanissayapaccaya.

pakatisīla

'Echte of natuurlijke moraliteit', wordt de groep van moraliteit van het Edel Achtvoudige Pad (Ariya Aṭṭhaṅgika Magga) genoemd, namelijk juiste spraak, juiste handelingen en juiste wijze van levensonderhoud. Deze onderscheiden zich van de externe (uitwendige, buitenwaartse) regels die voor monniken en lekenvolgelingen zijn vastgelegd. Deze laatste zijn de zogenaamde 'voorgeschreven moraliteit' (paññatti sīla). Vergelijk sīla.

pakatūpanissaya paccaya

'Van nature doorslaggevende ondersteunende voorwaarde' oftewel 'directe aansporing', is een variëteit van een van de 24 voorwaarden (= pakati upanissayapaccaya). Zie paccaya.

pakkhandhana

'Springen'; 'huppelen'; 'achtervolgen'; 'de handeling van ergens ingaan'; 'ergens uitstappen'. Letterlijk: 'vooruit springen'.

paḷāsa

'Een dominante houding'; 'rivaliteit'; 'concurrentie'; 'twistziekheid'. Een van de bezoedelingen van de geest. Zie upakkilesa.

Pāḷi

Letterlijk: 'tekst'. Zie Pāḷi — De oorspronkelijke boeddhistische taal; Uitspraak van de Pāḷi woorden.

Pāḷi Canon

De boeddhistische geschriften. Zie Tipiṭaka.

palivasena

'Volgens het Pāḷi'; 'in overeenstemming met de brontekst'.

pamāda

'Onoplettendheid'; 'nalatig in oplettendheid'. Een van de bezoedelingen van de geest. Zie upakkilesa. De tegenstelling is appamāda.

pamade

'Onoplettendheid'; 'nalatig in oplettendheid'. Zie pamāda.

pamade bhayadassi

'Onoplettendheid met angst beschouwen'. Zie Dhp031 — De monnik die alles verteerde.

pamajjati

A. 'Is nalatig' (ten opzichte van)'; 'is onzorgvuldig' (met); 'verspilt zijn tijd' (in). Antoniem: nappamajjati. Grammatica: Tt; Pww, intrans (+loc).

B. 'Is bedwelmd'; 'is dronken'.

pamatta

'Niet waakzaam' (over); niet ijverig (in); 'niet zorgvuldig' (met); 'niet aandachtig' (voor). Letterlijk: 'bedwelmd'; 'dronken'.

pāmojja

'Blijheid'. Het grenst aan vreugde (pīti) en geluk (sukha) maar deze drie zijn niet identiek. Ze volgen elkaar volgens de intensiteit ervan op in de volgorde pāmojja > pīti > sukha. De Boeddha demonstreert de verschillen o.a. in A10-001.

Pīti en sukha zijn jhāna-factoren (jhānaṅga). Daar worden deze twee uitgelegd.

pamsukulik'anga

Eén van de 13 dhutaṅga praktijken voor woudmonniken. Zie dhutaṅga.

pana

'Bovendien'; 'en dus'; 'maar'; 'of'; 'echter'.

pana sakha

Een van de gedefinieerde slechte vrienden. Zie mitta.

pāṇātipāta

'Doden'. De onthouding ervan is een aspect binnen de 4e factor van het Edel Achtvoudige Pad en valt binnen de 2e divisie van het Pad, namelijk de groep van moraliteit.

Ga naar de beschrijving van Onthouding van doden op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

pāṇātipāta veramaṇī

'Onthouding van doden'. Zie pāṇātipāta.

panāyaṁ

'En dit'; 'maar dit'. Constructie: pana + ayaṁ.

pañca

Htw vijf (5).

pañcadvārāvajjana

Zie āvajjana.

pañcadvāravasena

'Vanwege de vijf deuren'. Zie pañcadvārāvajjana.

pañcakkhandha

Zie pañcupādānakkhandhā.

pañcamārā

'De vijfvoudige Māra'. Zie Māra.

pañcanīvaraṇa

'Vijf hindernissen'; 'vijf bezoedelingen'. Zie Pañcanīvaraṇa — De vijf hindernissen; jhānaṅga; jhāna; satipatthana.

Zie ook het deel Bezoedelingen van de sectie Inzicht meditatie.

pañcasīla

'De vijf regels van moraliteit'.

Zie ook

pañcupādānakkhandhā

'Vijf groepen van hechten'. Alternatieve verwijzing: 'aggregaten van hechten'; 'groepen van het bestaan'; 'aggregaten'. Zie Pañcupādānakkhandhā — De vijf groepen van hechten; tilakkhaṇa.

Constructie: pañca + upādāna + khandha.

paṇḍita

A. 'Wijs'; 'intelligent'; 'scherpzinnig'; 'geleerd'; 'deskundig'; 'bekwaam'. Synoniem: ñāṇī; dhīra; nipaka; nipuṇa; paññapaññavant; paññāṇavant; paññāvantmatimant; matīmant; mutimant; mutīmant; viññujātika; viññū; sapañña; sappañña. Antoniem: bāla; mūḷha; manda; apaṇḍita.

B. 'Een wijze'; 'intelligent persoon'; 'slim persoon'. Synoniem: dhīra; viññū. Antoniem: bāla; mūḷha; manda; apaṇḍita.

Zie ook viññūhi; paṇḍitavedaniyo.

paṇḍitaṁ

'De wijze'. Zie paṇḍita.

paṇḍitānañca sevanā

'Associëren met de wijzen'. Correspondeert met 'vertrouwen op goede mensen'. Zie o.a. A04-031.

paṇḍitavedaniya

'Kan alleen door de wijzen worden begrepen'.

De Dhamma is subtiel (nipuṇa), d.w.z. dat de Dhamma alleen voor een scherpe waarnemer of een gevoelige geest waarneembaar is.

Constructie: paṇḍita + vedaniya.

Zie ook De weg van de wijzen; viññūhi.

paṇḍitavedaniyo

Zie paṇḍitavedaniya.

pañhabyākaraṇa

'Vragen beantwoorden'. "Monniken, er zijn 4 manieren om vragen te beantwoorden: 1. er zijn vragen die een direct antwoord vereisen; 2. vragen die een verklaring vereisen; 3. vragen die beantwoord moeten worden met tegenvragen; 4. vragen die verworpen moeten worden (als zijnde verkeerd gesteld, beantwoorden met zwijgen)." Zie D33; A03-068; A04-042.

paṇīta

A. (Van voedsel) 'prima'; 'heerlijk'; 'uitstekend'. Letterlijk: 'naar voren gebracht'.

B. (Fenomenen) 'fijn'; 'verfijnd'; 'uitstekend'; 'superieur'; 'subliem'. Letterlijk: 'naar voren gebracht'.

V.w.b. fenomenen staat in Dhs: hīna dhamma, majjhima dhamma, paṇīta dhamma (lage verschijnselen, middelmatige verschijnselen, voortreffelijke verschijnselen).

Zie ook hīna.

paṇīta dhamma

Zie paṇīta.

paṇītaṁ

'Verheven'; 'epitheton van Nibbāna'.

paññā

'Wijsheid'; 'begrip'; 'kennis'; 'inzicht'. Zie Paññā — Wijsheid; tilakkhaṇa.

paññābhūmi

'Basis of stadium van wijsheid'.

paññācakkhu

'Het oog van wijsheid'.

paññākkhandha

'Groep van wijsheid'.

paññāpāramī

'Perfectie van wijsheid'. Zie pāramitā; paññā.

paññāsampadā

'Volbrenging van wijsheid'. Het is een voorwaarde voor spirituele vooruitgang die de Boeddha adviseert voor lekenvolgelingen. Zie A08-054; paññā.

paññāsikkhā

Training in wijsheid.

paññatti sīla

'Voorgeschreven moraliteit', is een naam voor de disciplinaire regels voor monniken en lekenvolgelingen die de Boeddha zijn voorgeschreven. Deze onderscheiden zich van de 'echte of natuurlijke moraliteit' (pakatisīla). Vergelijk sīla.

paññāvimutti

'Bevrijding door wijsheid'. Zie Paññāvimutti — Bevrijding door wijsheid; vimutti.

paññaya

'Met wijsheid'.

paññāya

A. 'Weten'; 'begrijpen'.

B. 'Door wijsheid'; 'met intelligentie'; 'door begrijpen'; 'met inzicht'.

paññāyati

A. 'Is duidelijk bekend'; 'is evident'; 'wordt waargenomen'; 'is er'. Letterlijk: 'is bekend'. Synoniem: ñāyati; nāyati. Antoniem: nappaññāyati.

B. 'Is toegestaan'; 'is geoorloofd' (om). Letterlijk: 'is bekend'. Antoniem: nappaññāyati.

C. 'Is goed bekend'; 'wordt herkend' (door). Letterlijk: 'is bekend'. Antoniem: nappaññāyati.

D. 'Gebeurt' (met); 'komt voor' (bij); 'bestaat' (voor). Letterlijk: 'is bekend'. Synoniem: āgacchati; okkamati; kamati; niccharati; pavattati; byeti; vattati; samudācarati; sambhavati; sambhuṇāti. Antoniem: nappaññāyati.

E. 'Wordt gemanifesteerd'. Letterlijk: 'is bekend'.

paññāyissasi

Grammatica: Toe 2P Ev paññāyati.

paññindriya

'Vermogen van wijsheid'. Zie ook indriya.

paññindriyam

'Het vermogen van wijsheid'. Zie paññindriya.

pāpa

A. 'Gemeen'; 'crimineel'; 'verkeerd'; 'slecht'; 'kwaadaardig'. Synoniem: kaṇha; kāḷaka; pāpaka; pāpikā. Antoniem: kalyāṇa; nippāpa; puñña; pesala; bhadra; vipāpa.Grammatica: Adj.

B. 'Boosdoener'; 'crimineel'; 'misdadiger'. Synoniem: pāpakamma; pāpakammī. Grammatica: Mnl.

C. 'Kwade daad'; 'misdaad'; 'kwaadaardig'; 'wangedrag'; 'misdaad' (in). Synoniem: pāpakamma. Antoniem: bhadra; kalyāṇa; puñña. Grammatica: Ozn.

pāpaka

A.1 'Kwaad'; 'slecht'; 'verkeerd'; 'kwaadaardig'; 'verderfelijk'; 'waardeloos'; 'schadelijk'. Synoniem: asanta; asādhu; kaṇha; kāḷaka; duccarita; pāpa; pāpakārī; pāpikā; pāpimant. Antoniem: kalyāṇa; apāpaka. Grammatica: Adj; van pāpa.

A.2 (Van spraak) 'ruw'; 'hard'; 'smerig'. Synoniem: kakkasa; kakkhaḷa; khara; niṭṭhurī; pharusa. Antoniem: apāpaka; kalyāṇa. Grammatica: Adj; in Sams; van pāpa.

A.3 'Slechte daden'; 'boosaardigheid'; 'kwade handelingen'; 'wangedrag'. Antoniem: kalyāṇa. Grammatica: Ozn; van pāpa.

B.1 (In Sams) 'leidend tot'. Letterlijk: 'bereikend'. ✘

B.2 'Wat bereikt'; 'veroorzaakt dat bereikt wordt'. Letterlijk: 'bereikend'. ✘

pāpakā

Grammatica: van pāpaka.

pāpaka akusala manasa

'Kwade intenties huisvesten'.

pāpaka akusaladhamma

'Kwade onheilzame dingen'. Zie manasa pāpan.

pāpakaṁ

Grammatica: van pāpaka.

pāpakena

Grammatica: van pāpaka.

pāpaṁ

'Het kwade'. Grammatica: van pāpa.

pāpamitta

A. 'Met slechte vrienden'; 'met een slechte metgezel'; 'met verdorven kennissen'. Antoniem: kalyāṇamitta. Constructie: pāpa + mitta.

B. 'Slechte vrienden'; 'een slechte metgezel'; 'verdorven kennissen'. Antoniem: kalyāṇamitta. Constructie: pāpa + mitta.

Zie ook mitta voor een mooie compilatie.

papañca

'Toename'; 'uitbreiding'; 'differentiatie' etc. Zie Papañca — Toename; Niet vastgrijpen in het waarnemen; Wat is het onverstoorbare?; Waarom de focus in inzicht meditatie ligt op weten en kennen; Het niet toenemen van dingen; Upapattibhava — Het wedergeboorteproces in alle eenvoud.

papañca nirodho papañca vūpasamo

'Het ophouden en het tot rust komen van de wereld van diffuusheid (verstrooidheid)'. Zie papañca.

papañca saññā saṅkhā

Constructie: papañca + saññā + saṅkhā.

Zie ook papañca.

papañcābhirata pajā nippapañca tathāgata

Zie papañca.

papañcassa gati

Zie papañca.

papañceti

'Onderscheiden'; 'verklaren'. Zie papañca.

para

A. 'Ander'; 'een andere' (persoon). Synoniem: itara. Grammatica: Pron.

B. 'Volgende' (wereld); 'volgend' (leven); 'daarna'. Grammatica: Adj.

C. 'Buitenlands'; 'vreemd'; 'niet zichzelf'. Grammatica: Adj.

D. 'Verdiept in'; 'gegeven aan'; 'strevend naar'. Grammatica: Adj; in Sams.

E. 'Hoger' (dan); 'groter' (dan); 'meer' (dan). Synoniem: atirekatara. Grammatica: Adj (+Abl).

F. (Gram) 'Volgende'; 'volgend' (op); 'laatste'; 'na'. Antoniem: pubba. Grammatica: Adj (+Abl).

G. (Gram) 'Volgende letter'; 'volgende klinker'. Antoniem: pubba. Grammatica: Adj (+Abl).

para kara

'Uiterlijke of externe oppermacht'.

paragu

'Voorbij gegaan'; 'gepasseerd'; 'overgestoken'.

parahita

'Het welzijn van anderen'; 'het voordeel van anderen'; 'het goede van anderen'. Antoniem: attahita. Grammatica: Mnl; Sam.

parahita parasukha kamana

'Een sterke wens hebben voor het welzijn en het geluk van anderen'.

parama

A. 'Hoogste'; 'meest extreme'; 'allerbeste'; 'ultieme'; 'superieur'; 'sublieme'. Letterlijk: 'het verst'. Synoniem: agga; accanta; anuttara; antima; uttama; ussa; jeṭṭha; paṇīta; visesi; seyyo. Grammatica: Adj; Superl van para.

Zie ook paramattha.

B. 'Allerergst'; 'verschrikkelijkst'. Grammatica: Adj; Superl van para.

parāmāsa

A. 'Grijpen'; 'vastgrijpen'; 'stevig vastklampen'; 'gehechtheid'.

Antoniem: aparāmāsa. Grammatica: Mnl; van parāmasati.

B. 'Grijpen'; 'vastgrijpen'; 'stevig vastklampen'; 'hechten'. Synoniem: gahaṇa. Antoniem: aparāmāsa. Grammatica: Adj; in Sams; van parāmasati.

C. 'Besmetting'.

Volgens Vis 22 een naam voor verkeerde inzichten (diṭṭhi). In die zin verschijnt het in Dhs 1174 en verder.

Zie ook sīlabbata parāmāsa.

parāmāsā

'Vastklampend'; 'hechtend'; 'vasthoudend'; 'misvatting'. Letterlijk: 'met gehechtheid'. Grammatica: Onb; Bijw; Instr Ev van parāmāsa.

Variant: parāmassa

parāmasati

A.1 'Aanrakingen'; 'strelingen'; 'wrijven'. Synoniem: anumajjati; parimajjati. Fonetische variant: parimasati.

A.2 'Grijpt'; 'klemt'; 'klampt zich stevig vast'; 'hecht zich vast'.

A.3 'Strelingen'.

A.4 'Misvatting'; 'verkeerde interpretatie'; 'onjuist begrip'.

A.5 'Verwijst' (naar); 'specificeert'.

B.1 'Doodt'; 'vernietigt'; 'ruïneert'. Synoniem: byasati; masati; vadhati; vikkhipati; vināsayati; vināseti; hanti; hiṁsati.

paramattha

'Absolute realiteit'; 'verheven realiteit'. Zie Paramattha — Het absolute; puggala.

paramattha dhamma

'Realiteiten in de hoogste zin'. Zie paramattha.

paramatthadesanā

'Onderwijs in de absolute realiteit'. Constructie: paramattha + desanā. Zie paramattha.

paramatthasacca

'De realiteit in absolute of verheven zin'. Zie paramattha.

pāramī

'Vervulling'; 'perfectie'; 'transcendentale deugd'; 'ultieme staat'. Letterlijk: 'het verst'. Synoniem: pāramitā. Grammatica: Vrl; Abstr; van parama. Zie Dasa pāramitā — De tien perfectheden.

pāramitā

'Perfectie' (van); 'ultieme staat' (van). Letterlijk: 'het verst'. Synoniem: pāramī. Grammatica: Vrl; Abstr; van pāramī (+Gen). Zie pāramī; Dasa pāramitā — De tien perfectheden

paranimmita vasavatti

Een van de zes hemels van de zintuiglijke sfeer: (kāmāvacara) of (kāmaloka) is de sfeer waarin wij leven. Zie deva.

paranimmitavasavattīdevā

'De goden die macht hebben over de scheppingen van anderen'. Zie deva.

parassa cetopariyañāṇa

'Het volledig doorzien van de geest van anderen', is één van de 6 hogere krachten (abhiññā).

Zie ook cetopariyañāṇa.

paricchatta

Een boom in de Tāvatiṁsa hemel. Misschien dat deze ook in andere sferen voorkomt.

paricchedakasa

'Begrensde ruimte'. Synoniem: paricchinnakasa

paricchinnakasa kasiṇa

'Begrensde ruimte-kasiṇa'.

parideva

'Weeklagen'. Bekijk de definitie van weeklagen in D22.

parikammajavana

'Impulsmoment van voorbereiding'. Zie javana; javana citta.

parikammanimitta

'Inleidend beeld', een staat van concentratie. Zie kasiṇa; samādhi; nimitta.

parikammasamādhi

'Inleidende concentratie', zie samādhi.

parikappana

'Mentale constructie'. De wereld die wij waarnemen is een 'mentale constructie'. Zie sammutisacca.

pariḷāha

A. 'Kwelling' (van); 'ongemak' (van); 'nood' (in). Letterlijk: 'overal branden'. Synoniem: bādha. Antoniem: apariḷāha. Grammatica: Mnl; van pariḍahati (+Loc).

B. 'Angst' (voor); 'vurige hartstocht' (voor); 'sterk verlangen' (voor). Letterlijk: 'overal branden'. Grammatica: Mnl; van pariḍahati (+Loc).

C. 'Vochtigheid'; 'zweten'. Letterlijk: 'overal branden'. Grammatica: Mnl; van pariḍahati.

parinibbāna

Letterlijk: 'Het Nibbāna completeren' of 'volledig Nibbāna'. Synoniem: Nibbāna. Deze term verwijst daarom niet alleen naar de uitblussing van 5 groepen van bestaan (pañcupādānakkhandhā) tijdens de dood van de Boeddha, maar wordt daar wel vaak voor gebruikt. Vergelijk Nibbāna.

parinibbuta

'Volledig overgaan', de dood van de Boeddha of van een arahat.

parinibbuto

Grammatica: van parinibbuta.

pariñña

'Volledig begrijpen'; 'volledig bevatten', wordt uitgelegd als het onderzoek van geconditioneerde dingen als vergankelijkheid (aniccatā), lijden (dukkha) en niet-zelf (anatta), met als hoogtepunt het opgeven van gehechtheid.

Voor wat betreft het werelds (lokiya) volledig begrijpen (pariñña), zijn er drie soorten, namelijk:

  1. Volledig begrijpen van het bekende (ñata pariñña).
  2. Volledig begrijpen door onderzoek (tirana pariñña).
  3. Volledig begrijpen door overwinnen (pahānapariñña).

Zie verder Vis 20: 3.

pariññāta

'Wat is begrepen'. Zie S56-011, 1.1-1.3.

pariññeyya

'Wat precies begrepen moet zijn'; 'wat begrepen moet worden'. Zie S56-011, 1.1-1.3.

pariplavapasadassa

'Wankel vertrouwen hebben'; 'niet enthousiast zijn'. Zie Dhp038-039 — De eerwaarde Cittahattha.

pārisuddhi

'Zuiverheid'; 'zuivering'. Zie o.a. pārisuddhisīla; pārisuddhipadhāniyaṅga; sīla.

pārisuddhipadhāniyaṅga

'Factor die gerelateerd is aan het streven naar zuivering'. Constructie: pārisuddhi + padhāniyaṅga.

Het zijn er vier: 1. een factor die gerelateerd is aan het streven naar de zuiverheid van moraliteit (sīlapārisuddhipadhāniyaṅga); 2. een factor die gerelateerd is aan het streven naar de zuiverheid van de geest (cittapārisuddhipadhāniyaṅga); 3. een factor die gerelateerd is aan het streven naar de zuiverheid van inzicht (diṭṭhipārisuddhipadhāniyaṅga); 4. een factor die gerelateerd is aan het streven naar de zuiverheid van bevrijding (vimuttipārisuddhipadhāniyaṅga). Vergelijk A04-194.

Een andere lijst van 9 factoren zijn opgesomd in D34, namelijk: de 7 fases van zuivering (zie visuddhi) en de inspanning voor zuiverheid van hogere kennis (vijjāpārisuddhipadhāniyaṅga) en die van bevrijding (vimuttipārisuddhipadhāniyaṅga).

pārisuddhisīla

'Moraliteit bestaande uit zuiverheid', is viervoudig (catupārisuddhisīla): 1. beheersing met betrekking tot de disciplinaire code van de monnik; 2. zintuiglijke beheersing; 3. zuiverheid van levensonderhoud; 4. moraliteit met betrekking tot de 4 benodigdheden van de monnik.

Voor meer details, zie sīla.

paritassanā

'Agitatie'; onrust'; 'angst'; 'beroering'; 'nervositeit'. Letterlijk: 'overal trillen'. Synoniem: iñjita. Antoniem: aparitassanā. Grammatica: Vrl; Abstr; Act; van paritassati; Pww.

paritassati

'Is verstoord'; 'is geschrokken'; 'is geagiteerd'; 'is opgewonden'; 'zintuiglijk verlangen tonend'; 'is angstig'; 'is gekweld'; 'is bezorgd'. Letterlijk: 'trilt overal'. Synoniem: iñjita.

Zie o.a. M011.17; M022.

paritta

'Bescherming' verwijst naar de boeddhistische praktijk van het reciteren van bepaalde verzen en geschriften om ongeluk of gevaar af te wenden, evenals naar de specifieke verzen en verhandelingen die worden gereciteerd als paritta teksten.

Er wordt algemeen aangenomen dat recitaties van paritta door monniken gedurende de hele nacht veiligheid, vrede en welzijn brengen in een gemeenschap. Zulke recitaties kunnen ook plaatsvinden bij gunstige gelegenheden, zoals de inhuldiging van een nieuwe tempel of een huis of om zegeningen te geven aan degenen die luisteren. Omgekeerd worden paritta verhandelingen ook bij ongunstige gelegenheden gereciteerd, zoals bij een begrafenis of op de sterfdag van een geliefde.

Voorbeelden die vaak als paritta teksten worden gebruikt zijn:

parittābhadevā

'De goden van beperkte luister'. Zie deva.

parittasubhadevā

'De goden van beperkte glorie'. Zie deva.

pariyāpanna

A. 'Uitgebreid'; 'grondig'; 'compleet'. Letterlijk: 'overal geweest'.

B. 'Opgenomen' (in); 'bevat' (in); 'deel' (van); 'behorend' (tot).

C. 'Omringd'; 'ingesloten'; 'omsingeld'. Letterlijk: 'overal geweest'.

pariyāpuṇanti

'Studeert goed'; 'leert grondig'; 'beheerst'. Letterlijk: 'bereikt overal'.

pariyāpuṇāti

'Studeert goed'; 'leert grondig'; 'beheerst'; 'krijgt meesterschap over'. Letterlijk: 'bereikt overal'.

pariyatti

'Het leren van de Leer'; 'de formulering van de Leer'. In 'de vooruitgang van de discipel' kunnen drie fasen worden onderscheiden: de theorie, de oefening, de realisering. D.w.z.:

  1. Het leren van de Leer (pariyatti).
  2. Het beoefenen, het in praktijk brengen van de Leer (patipatti).
  3. Het doordringen (pativedha) van de Leer en het doel realiseren.

Zie ook sotāpattiyaṅga; pativedha; Theorie en praktijk gaan samen.

pariyesita

'Gezocht'; 'doorzocht'; 'opgespoord'. Letterlijk: 'overal gezocht'.

pariyesitaṁ

Grammatica: van pariyesita.

pariyuṭṭhāna

'Stadium van manifestatie'. Zie anusaya.

pasāda

A. 'Inspiratie'; 'geloof'; 'vertrouwen'; 'zekerheid' (in). Letterlijk: 'zich voorover buigen'. Synoniem: vissāsa. Antoniem: appasāda.

B. 'Helderheid'; 'duidelijkheid'; 'kalmte'; 'rust' (van). Letterlijk: 'zich voorover buigen'. Synoniem: avikkhepa; āloka. Antoniem: appasāda.

C. 'Zintuiglijk vermogen'; 'gevoeligheid'. Letterlijk: 'zich voorover buigen'.

D. 'Make-up'; 'gezichtsverzorgingsproducten'. Letterlijk: 'zich voorover buigen'. Variant: pasādhana.

pasādarūpa

'Gevoelige lichamelijkheid', is een naam voor de 5 lichamelijke zintuigorganen die op zintuiglijke prikkelingen reageren.

pasamsa

'Lof'; 'lovenswaardig'; 'prijzenswaardig'. Het is een van de wereldse wisselvalligheden waar het tegenover ninda staat. Zie lokiyadhamma.

pasanna

A. 'Helder'; 'zuiver'. Letterlijk: 'naar voren gericht'. Synoniem: parisuddha; pāvakavisuddha; sukka. Antoniem: paduṭṭha; appasanna. Grammatica: Vdw van pasīdati.

B. 'Die geloof heeft'; 'die vertrouwen heeft' (in). Letterlijk: 'naar voren gericht'. Antoniem: appasanna. Grammatica: Vdw van pasīdati (+Gen of +Loc).

C. 'Tevreden' (met); 'vol vertrouwen' (in); 'toegewijd' (aan). Letterlijk: 'naar voren gericht'. Synoniem: rata. Antoniem: appasanna. Grammatica: Vdw van pasīdati (+Loc).

D. 'Gelovige'; 'iemand die geloof heeft'; 'iemand die vertrouwen heeft' (in). Letterlijk: 'naar voren gericht'. Antoniem: appasanna. Grammatica: Mnl; Vdw van pasīdati (+Loc).

E. 'Transparant'; 'helder'. Letterlijk: 'naar voren gericht'. Synoniem: accha; setaka. Antoniem: appasanna. Grammatica: Vdw van pasīdati.

pasanna citta

'Zelfverzekerde geest'; 'toegewijde geest'; 'blije geest'. Zie o.a. It021.

pasavanta

'Voortbrengen'; 'geboren doen worden'; 'stromen'; 'accumuleren' (ophopen).

pasavasi

Grammatica: Ww Tt 2P Ev van pasavati.

pasavati

A. 'Stroomt naar buiten'; 'stort uit'; 'loost'. Synoniem: nissandati. Grammatica: Tt; Trans (+Acc).

B. 'Produceert; 'genereert'; 'ophoopt'; 'maakt'; 'brengt voort'. Letterlijk: 'stroomt voort'. Synoniem: uppādayati; uppādeti; janeti; nipphādeti; pātukaroti; savati. Grammatica: Tt; Trans (+Acc).

pasavatī

Grammatica: pasavanta.

pasīdati

A. 'Helder'; 'is kalm'; 'wordt duidelijk'. Letterlijk: 'naar voren gericht'. Antoniem: nappasīdati.

B. 'Wint aan zelfvertrouwen'; 'raakt geïnspireerd'. Letterlijk: 'naar voren gericht'. Synoniem: pakkhandati. Antoniem: nappasīdati.

C. 'Is tevreden'; 'is verheugd'; 'is blij'. Letterlijk: 'naar voren gericht'. Synoniem: abhinandativippasīdati. Antoniem: nappasīdati.

D. 'Kalmeert'; 'neemt af'; 'wordt rustiger' (op). Synoniem: sannisīdati. Antoniem: nappasīdati.

passaddhi

'Kalmte' betekent dat de mentale factoren tot rust zijn gekomen en bekoeld zijn, omdat zij vrij zijn van de drie immorele wortels (mula) die stagnatie veroorzaken in het doen van het goede.

Kalmte is van 2 soorten en vormen samen 1 factor van verlichting:

Kāyapassaddhi en cittapassaddhi zijn mentale factoren die samengaan met al het heilzame bewustzijn. Zie cetasika; Tabel II.

passaddhisambojjhaṅga

'Verlichtingsfactor kalmte'. Zie passaddhi.

passambhayaṁ kāyasaṅkhāraṁ

'De activiteit van het lichaam kalmeren'. Zie kāyasaṅkhāra.

De activiteit van het lichaam die gekalmeerd (tot rust gebracht) wordt is de beweging van de ademhaling. De formatie van het (adem)lichaam (kāyasaṅkhāra) is gedefinieerd in M044.13 als de in- en uitademing zelf. Zo wordt, zoals MA verklaart, met de succesvolle ontwikkeling van de oefening, de ademhaling van de mediterende stapsgewijs rustig, kalm en vreedzaam.

Zie o.a. M118; D22; satipatthana.

Zie ook sabbakāyapaṭisaṁvedī.

passati

'Zien'; 'begrijpen'; 'aanschouwen'; 'observeren'; 'zien met de geest'; 'leren'; 'ontdekken'; 'vinden'; 'ontmoeten'. Synoniem: avekkhati; maññati; samanupassati.

passe

'Ontdekken'. Zie passati.

paṭhamajjhāna

'1e meditatieve verdieping'. Zie jhāna.

pathavī

Zie paṭhavīdhātu; dhātu.

paṭhavīdhātu

Het 'aarde' element oftewel 'vastheid' is een van de 4 grote elementen, zie dhātu.

pathway

'Pathway' is een klein woord met een grote en diepe betekenis die er door STI aan is gegeven. Zie De manier van het pad.

paṭibhāganimitta

'Tegenbeeld', een staat van concentratie. Zie kasiṇa; samādhi; nimitta.

paṭibhānapaṭisambhidā

'Analytische kennis van klaar zijn met'. Zie patisambhida.

paticca

'Op basis van'; 'met betrekking tot'; 'omdat'.

paṭiccasamuppāda

'Afhankelijk ontstaan'; 'voorwaardelijk ontstaan'; 'oorzakelijk bestaan'. Zie Paṭiccasamuppāda — De leer van het afhankelijk ontstaan; Wat is conditionering?

paṭiccasamuppāda santāna

'Continuïteit van het afhankelijk ontstaan'. Zie ook santāna.

paṭiccasamuppanna

'Gezamenlijk ontstaan uit een oorzaak'; 'causaal geproduceerd'; 'afhankelijk ontstaan'.

paṭiccasamuppannaṁ

Grammatica: paṭiccasamuppanna.

paṭicchanna

A. 'Bedekt'; 'versierd' (met). Letterlijk: 'bedekte achterkant'. Antoniem: appaṭicchanna.

B. 'Verborgen'; 'afgeschermd'. Letterlijk: 'bedekte achterkant'. Antoniem: appaṭicchanna; vivaṭa.

C. 'Heimelijk'; 'stiekem'; 'achterbaks'. Letterlijk: 'bedekte achterkant'. Antoniem: appaṭicchanna.

D. 'Beschermd; bewaakt'. Letterlijk: 'bedekte achterkant'.

paṭicchanna dukkhatā

Dit verwijst naar het lijden dat ontstaan is door lichamelijke en mentale kwalen, waarvan de oorzaken van ontstaan zijn verborgen.

paṭigha

In ethische zin betekent het 'afkeer', 'wrevel', 'irritatie'; 'wrok', 'boosheid', 'geprikkeldheid', 'strijdigheid' en het is een synoniem van vyapada (kwade wil, zie pañcanīvaraṇa), en dosa (zie mula). Het is één van de 7 neigingen (anusaya).

paṭigha nimitta

Zie nimitta D.; paṭigha

paṭighānusaya

'De onderliggende neiging tot afkeer'. Zie o.a. S36-006; anusaya.

paṭighasamphassa

'Fysieke indruk'. Letterlijk: 'indruk van impact'. Antoniem: adhivacanasamphassa. Constructie: paṭigha + samphassa.

paṭighasaññā

'Het waarnemen van zintuiglijke reacties'. Zie jhāna (uitleg bij jhāna 5); paṭigha.

patikkulamanasikara

'Beschouwen van de walgelijkheden van het lichaam'. Zie Het beschouwen van de walgelijkheden van het lichaam — Patikkulamanasikara (D22); kāyagatāsati.

patilabha

'Bereiken'; 'verwerving'; 'het verkrijgen van'.

paṭiloma

'Achterwaartse richting' van het afhankelijk ontstaan (paṭiccasamuppāda) waarin het lijden afneemt. Het tegenovergestelde is anuloma.

paṭimantetuṁ

'Argumenteren'; 'discussiëren'; 'debatteren' (met iemand over iets). Grammatica: Inf van paṭimanteti; Intrans (+Inst; +Loc).

patimokkha

'Disciplinaire code', is de naam voor de code van de regels voor monniken, die op volle maan en nieuwe maan worden gereciteerd voor de daar bijeengekomen gemeenschap van volledig ingewijde monniken. Voor de monniken zijn er 227 regels, en voor de nonnen 311 patimokkha regels.

pātimokkhasaṃvarasīla

'Beheersing met betrekking tot de disciplinaire code', is een van de 4 soorten moraliteit die bestaan uit zuivering (catupārisuddhisīla). Zie sīla.

patinissagga

'Opgeven'; 'verlaten', 'uitrukken', in de zin van loslaten. Dit betreft het opgeven van bezoedelingen vanwege inzicht en de realisering van Nibbāna.

paṭinissaggānupassanā

'Contemplatie van het opgeven, het verlaten of uitrukken', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; patinissagga; subbupadhi patinissagga.

paṭipadā

'Pad'; 'weg'.

patipassaddhi pahāna

'Overwinnen door kalmte', is een van de 5 pahāna's, zie daar.

patipatti

'Het beoefenen, het in praktijk brengen van de Leer' (Dhamma). Het is een voorwaarde voor het in de stroom treden (sotāpattiyaṅga). Zie ook pariyatti; pativedha.

paṭipucchā

'Tegenvraag'.

paṭipucchati

'Vraagt'; 'stelt vragen' (aan iemand over). Synoniem: pucchati.

paṭipucchi

A. 'Vroeg'; 'ondervroeg' (iemand over).

B. 'Stelde een vraag terug'. Letterlijk: 'vroeg terug'.

paṭipucchissāmi

Grammatica: Toe 1P Ev van paṭipucchati.

paṭipucchitabba

'Intelligente navraag doen'; 'zou gevraagd moeten worden'; 'zou ondervraagd moeten worden'. Letterlijk: 'gevraagd worden'.

patipuggalika dāna

'Offergave aan een bijzonder persoon'.

patisambhida

'Analytische kennis'; 'onderscheidingsvermogen'. Zie Patisambhida — Analytische kennis.

paṭisambhidā magga

'Pad der Analyse'. Zie Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

paṭisaṁvedeti

'Persoonlijk ervaart'; 'ondergaat'; 'voelt'. Letterlijk: 'zorgt ervoor dat men het terug moet weten'. Antoniem: nappaṭisaṁvedeti. Fonetische variant: paṭisaṁvedayati.

paṭisandhi

Letterlijk: 'hereniging' of 'herkoppeling', d.w.z. wedergeboorte. Zie Paṭisandhi — Wedergeboorte.

Zie ook punabbhava; Upapattibhava — Het wedergeboorteproces in alle eenvoud.

paṭisandhicitta

'Wedergeboorte bewustzijn'. Zie paṭisandhi.

paṭisandhika

Zie paṭisandhi.

paṭisandhiviññāṇa

'Wedergeboorte bewustzijn'. Zie paṭisandhicitta.

paṭisaṅkhā

'Reflectie'; 'bespiegeling'; 'zorgvuldigheid'; (juiste) 'beoordeling'; 'overweging'. In combinatie met paṭisaṅkhāyoniso 'voorzichtig, met de juiste zorgvuldigheid en intentie'. Bijvoorbeeld tijdens het waarnemen of het terugkijken naar en het her-onderzoeken van wat het juiste Pad is en wat het juiste Pad niet is. Het zorgvuldig overwegen 'beoefen ik de juiste manier, oefen ik correct, ben ik eerlijk en oprecht genoeg tegen mezelf zodat ik niets ontken', etc. Dit noemen we ook wel 'reflectief inzicht'.

Dient gezien te worden als patisankhati. Zoals in paṭisaṅkhānabala. Het tegenovergestelde is apatisankha.

paṭisaṅkhāna

Zie paṭisaṅkhā.

paṭisaṅkhānabala

'Kracht van bespiegeling'. Zie A02-010; paṭisaṅkhā.

paṭisaṅkhānupassanā

'Contemplatie van reflectie', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; paṭisaṅkhā.

patisankhati

'Bespiegelen'; 'zorgvuldig zijn'; 'reflecteren'; 'juist oordelen'; 'overwegen'. Als in paṭisaṅkhā. Ook wel patisankhaya.

patisankhaya

Zie paṭisaṅkhā.

patisankhayanto

'Tot rust/vrede gebracht'.

paṭisaṅkhāyoniso

'Bespiegeling met de juiste zorgvuldigheid en intentie'. Zie ook paṭisaṅkhā.

paṭissuṇāti

'Stemt ermee in'; 'beaamt' (het). Letterlijk: 'luistert terug'.

paṭissutvā

'Nadat ze het eens waren geworden' (met); 'nadat ze instemmend hadden gereageerd' (op); 'nadat ze hadden ingestemd' (met). Letterlijk: 'nadat ze hadden teruggeluisterd'. Grammatica: Abs van paṭissuṇāti; Intrans (+Dat).

pativedha

'Het doordringen van de Leer en het doel realiseren'. Zie Pativedha — Doordringend inzicht; Van bewustzijn naar helder begrip; saccañāṇa; patipatti; pariyatti.

paṭivedhañāṇa

'De kennis die bestaat uit doordringing'. Zie saccañāṇa; pativedha.

paṭivibhajati

'Verdeelt'; 'definieert'; 'wijst toe'.

Zie ook paṭivibhatta.

paṭivibhatta

A. 'Verdeeld'; 'gescheiden'; 'onderscheiden'; 'gedefinieerd'; 'toegewezen'. Synoniem: vavatthapita; viyatta. Antoniem: appaṭivibhatta. Grammatica: Vdw van paṭivibhajati.

B. 'Verdeling'; 'delen'; 'definiëren'; 'toewijzen'. Letterlijk: 'verdeeld'. Synoniem: paṭivibhajana. Grammatica: Ozn; Vdw van paṭivibhajati.

pativirata

'Zich onthouden van'; 'vermijden'; 'opgeven'.

patta

A.1 'Kom'; 'aalmoeskom'; 'bedelkom'.

B.1 'Vleugel'.

B.2 'Veer'.

B.3 'Blad'. Synoniem: paṇṇa.

B.4 'Bloemblaadje'.

B.5 'Met bladeren'; 'met loof'.

C.1 'Bereikt'; 'verkregen'; 'verworven'; 'volbracht'; 'gevonden'.

C.2 'Tegengekomen'; 'ontmoet'. Letterlijk: 'bereikt'. Antoniem: apatta; appatta.

C.3 'Geschikt'; 'waardig'; 'passend'. Letterlijk: 'bereikt'.

D.1 'Gevallen'; 'neergegooid'; 'ineengezakt'. Synoniem: gaḷita; patita; pavutta.

pattakkhandha

'Ineengedoken'; 'neerslachtig'. Letterlijk: 'schouders die naar beneden hangen'.

pattakkhandhaṁ

Grammatica: van pattakkhandha.

pattakkhandho

Grammatica: van pattakkhandha.

pattaṁ

Grammatica: van patta.

pattanumodana

'Blij zijn met de verdiensten van anderen', is een van de 'bases van verdienstelijke daden' (puñña kiriya vatthu).

pattanuppadana

'Overdracht van verdienstelijke daden', is een van de 'bases van verdienstelijke daden' (puñña kiriya vatthu).

pattapiṇḍikaṅga

Eén van de 13 dhutaṅga praktijken voor woudmonniken. Zie dhutaṅga.

patti dāna

Letterlijk: 'geven wat is gekregen', dat wil zeggen, 'overdracht van verdiensten'. Dit is een algemeen gebruik in boeddhistische landen. Het wordt algemeen aangenomen dat morele verdiensten, speciaal welke verkregen zijn door het geven van aalmoezen, overgebracht kunnen worden op anderen, blijkbaar vanwege de reden dat de vrucht van iemands eigen goede daden bij anderen terecht zullen komen. Dit wordt vooral gedaan voor overleden verwanten en vrienden die in één van de lagere werelden zijn wedergeboren. Het is een poging hen te helpen tot een gelukkige en morele heilzame staat van de geest te komen.

Let op: dit moet niet worden vergeleken met pattanuppadana.

pātubhāva

'Verschijning'; 'manifestatie' (van); 'ontstaan'. Letterlijk: 'vooraan staan'. Synoniem: āvibhāva; paccupaṭṭhāna. Antoniem: apātubhāva. Constructie: pātu + bhāva. Grammatica: Mnl; Abst; Sam; van pātubhavati (+Gen).

pavaddhanti

'Toenemen'. Zoals in o.a. M002.

pavarana

De Pavarana ceremonie is de ceremonie waarmee het regenseizoen wordt afgesloten en waarin monniken elkaar uitnodigen om elkaar te berispen voor hun overtredingen.

Payaga

Rivier de Payaga. Geen toelichting.

pdd-nos

PDD-NOS, voluit pervasive developmental disorder. Nederlands: pervasieve ontwikkelingsstoornis. Het is één van de vele namen die in het westen zijn bedacht voor een aandoening die men denkt te kunnen bestrijden terwijl de hoofdoorzaak over het hoofd wordt gezien. Wil je echt weten wat de hoofdoorzaak is en hoe je je kunt verlossen van dit lijden? Ga dan eens naar Niet vastgrijpen in het waarnemen.

pecca

'Na de dood'. Letterlijk: 'in de toekomst'. Wanneer iemand sterft, wordt hij geboren (mits verlicht) in een andere staat, toestand, hetgeen het hiernamaals is. Zijn activiteiten in termen van goed en kwaad die hij op aarde heeft vergaard, zetten zich voort. Daarom impliceert pecca wat met hem gebeurt in de volgende wereld.

Zie o.a. Dhp017.

pema

'Zinnelijke liefde' of 'het verlangen naar zelfzuchtige genegenheid'. Zie Mettābhāvanā — De meditatie van liefdevolle vriendelijkheid.

Zie ook Dhp213 — Visakha's verdriet om Datta; Ud8-08 — Visakha Sutta — Visakha; M087 — Piyajatika Sutta — Ontstaan uit hen die geliefd zijn.

persoonsverheerlijking

'Ophemelen en idealiseren van iemand'. Persoonsverheerlijking is het ophemelen en idealiseren van iemand. Het heeft vaak een religieuze connotatie, waarbij vaak een cultus ontstaat rond de persoon die wordt verheerlijkt of zelfs aanbeden. Persoonsverheerlijking wordt vooral gebruikt in socialistische landen ter aanduiding van een overdreven verering van een leidende figuur. Vanwege onwetendheid wordt ook vaak tegen monniken opgekeken, louter doordat zij monnik zijn. Dit is zeer gevaarlijk. Het creëert een zwakke Saṅgha waarin de Dhamma verkeerd wordt begrepen en beoefend en daarom schadelijk is. Het gaat regelrecht in tegen een Leer waarin het 'ik' overwonnen moet worden (attajinati). Het kritiekloos prijzen van een politiek leider, een monnik etc., zijn voorbeelden van persoonsverheerlijking.

peta

Letterlijk: 'overleden geest'. Peta's worden ook vaak 'de hongerige of hebberige geesten' genoemd. Zie o.a. Dhp307.

peṭakopadesa

Hiervoor is nog geen verklaring. Zie Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

petaloka

'De wereld van de hongerige geesten'. Zie ook peta; deva.

petavatthu

'Verhalen van de hongerige geesten'. Zie Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

phala

Letterlijk 'vrucht'. Zie Phala — Vrucht; magga.

phala samapatti

'Het verwerven van de vruchten'. Zie phala; nimitta D.

phalaka

Een plat stuk hout, een plaat, een plank.

phalita

'Kapot'; 'versleten'.

pharusaya

'Harde woorden'; 'hardvochtige woorden'; 'wrede woorden'. De onthouding ervan is een aspect binnen de 3e factor van het Edel Achtvoudige Pad en valt binnen de 2e divisie van het Pad, namelijk de groep van moraliteit.

Ga naar de beschrijving van Onthouding van harde woorden op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

pharusaya vācāya veramaṇī

'Onthouding van het spreken van harde woorden'. Zie pharusaya.

pharusaya veramaṇī

'Onthouding van harde woorden'. Zie pharusaya.

phassa

'Contact'. Zie Phassa — Algemene info over contact.

phassāyatana

'Indrukken van de zes zintuigbases'. Zie o.a. ādīnava; phassa; A04-010.

phasso

Zie phassa.

phasuka

'Gemak'; 'aangenaam'; 'gezond'.

photthabba

'Tastbaar object'. Hiermee wordt het fysieke zintuigobject bedoeld dat door het lichaam kan worden gevoeld en tot het lichaamsbewustzijn (kāyaviññāṇa) wordt gerekend (en daardoor wordt herkend (sampajañña)). Voor nadere uitleg, zie ārammaṇa.

photthabba taṇhā

'Begeerte naar tastbare objecten' oftewel naar 'lichamelijke indrukken'.

Zie taṇhā; photthabba.

phoṭṭhabbāyatana

'Basis van tastbaar object'. Zie photthabba; āyatana B.

pi

A.1 'alleen'; 'gewoon zelfs'.

A.2 'Ook'; 'eveneens'; 'evengoed'.

B.1 'Op'; 'in'; 'over'.

pinayati

'Verfrissend'. Zie pīti.

piṇḍapātikaṅga

Eén van de 13 dhutaṅga praktijken voor woudmonniken. Zie dhutaṅga.

pipāsavinaya

'Verwijderen van dorst'; 'verdrijven van zintuiglijk verlangen'.

Pipphali

Grot bij Rajagaha waar Maha Kassapa vaak verbleef.

pisunavaca

'Lasterpraat'. Zie pisunaya

pisunaya

'Lasteren'; 'kwaadaardige taal'; 'tweedracht zaaien'. Letterlijk: 'beëindiging van vriendschap'.

De onthouding ervan is een aspect binnen de 3e factor van het Edel Achtvoudige Pad en valt binnen de 2e divisie van het Pad, namelijk de groep van moraliteit.

Ga naar de beschrijving van Onthouding van lasterende taal op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

pisuṇaya vācāya veramaṇī

'Onthouding van het spreken van lasterende taal'. Zie pisunaya.

pisuṇaya veramaṇī

'Onthouding van lasterende taal'. Zie pisunaya.

pita

'Vader'.

pitaka

'Mand'; 'korf'.

pīti

'Vreugdevolle interesse'; 'enthousiasme van de geest'; 'verrukking'; 'vreugde'; 'interesse'; 'opgewektheid', ook heel soms 'blijheid' (pāmojja) of 'geluk' genoemd (zoals in Dhp368-376) maar zijn niet identiek ermee, zie verderop. Pīti is een van de 7 factoren van verlichting (bojjhanga); een van de mentale of samenwerkende factoren (zie cetasika; Tabel II) en behoort tot de groep van mentale formaties (saṅkhārakkhandha).

De Boeddha noemt het de niet-wereldse vreugde in M118.33.

Het verfrist (pinayati), dus het is geluk/vreugde (pīti). Het heeft het kenmerk van vertedering (sampiyana). Haar functie is om het lichaam en de geest te verfrissen; of haar functie is om te doordringen (sensatie van vervoering). Het wordt gemanifesteerd als opgetogenheid. Maar het is van vijf soorten: 'klein geluk', 'kortstondig geluk', 'douchegeluk', 'opbeurend geluk' en 'doordringend (verrukt) geluk'.

Omtrent dit is 'klein geluk' alleen in staat de haren op het lichaam te doen rijzen. 'Kortstondig geluk' is als flitsen van een bliksem op verschillende momenten. 'Douchegeluk' golft keer op keer door het lichaam heen zoals golven op de kust slaan. 'Opbeurend geluk' kan krachtig genoeg zijn om het lichaam te laten zweven en het in de lucht te laten springen. Maar wanneer 'doordringend (verrukking) geluk' ontstaat, is het hele lichaam volledig doordrongen, als een gevulde blaas, als een holte in een rots die door een enorme overstroming binnengevallen is.

Verkeerd begrepen: pīti

Zoals in de sutta teksten, is pīti vaak verbonden aan één samengesteld woord met 'blijheid' (pāmojja) of 'geluk' (sukha), en hebben sommige westerse vertalers het woord pīti verkeerd begrepen en zien het als een synoniem voor deze twee termen (blijheid of geluk). De Boeddha demonstreert de verschillen o.a. in A10-001. Pīti en sukha zijn jhāna-factoren (jhānaṅga). Daar worden deze twee uitgelegd.

Pīti heeft niets te maken met een 'aangenaam gevoel' (sukhavedanā, zie vedanā) waarmee het vaak vergeleken wordt door mensen die er niets van begrepen hebben. Pīti is niet een gevoel of gewaarwording en behoort daarom niet tot de groep van gevoelens (vedanākkhandha) die louter opkomen afhankelijk van wat onze voorkeur heeft of als het dat niet heeft, maar kan beschreven worden als 'vreugdevolle interesse'. Het kan daarom verbonden zijn met morele, immorele en neutrale staten van bewustzijn. Zie Tabel I en Tabel II .

Een hoge graad van vreugde is kenmerkend voor bepaalde fases in meditatieve concentratie, in de beoefening van inzicht (vipassanā) als mede in de eerste twee meditatieve verdiepingen (jhāna). In de meditatieve verdiepingen verschijnt pīti als een van de jhāna-factoren (jhānaṅga) en is het sterkst in de tweede meditatieve verdieping. Vijf graden van intensiteit in meditatieve vreugde worden beschreven in Vis 4: 94 e.v. Pīti is één van de 7 factoren van verlichting (bojjhanga). Zie ook jhāna.

pītisambojjhaṅga

'Verlichtingsfactor van vreugde'. Zie pīti.

piya

'Geliefd'; 'bemind', kan elk object zijn, zoals een idee, een mening, een mens, een beeld etc. De onderliggende drijfveer is persoonlijke voorkeur.

piyappabhavika

'Zij die geliefd zijn'.

piyasamudāhāra

'Het is prettig om met hem te praten'; 'het is een genot om met hem in gesprek te gaan'.

piyehi

'Iets dat men lief heeft'. Het tegenovergestelde is appiyehi.

piyehivippayoga

'Gescheiden zijn van het geliefde'.

pokkhara

A. Een lotus plant, vooral het blad ervan, in poëzie en metaforen weergegeven als niet door water bevochtigd kunnen worden.

B. De punt van de slurf van een olifant; de slurf van een luit.

C. Het vel van een trommel (omdat het op een lotusblad lijkt).

D. De soort watervogel (kraanvogel).

ponobhavika

'De herhaling van geboorten'. Letterlijk: 'de oorzaak van wederom worden'. Deze term gebruikte de Boeddha o.a. in de tweede Edele Waarheid (zie S56-011).

Zie ook punabbhava; paṭisandhi; Upapattibhava — Het wedergeboorteproces in alle eenvoud.

porāṇa

'Het oude'; 'het eeuwenoude'; 'het voormalige'; 'het oorspronkelijke'; 'het originele'.

pothujjanika iddhi

'Wereldse psychische vermogens'.

primair

'Belangrijkst'; 'voornaamst'; 'de eerste plaats innemend'; 'grondbeginselen betreffend'.

promiscuïteit

Een volledige vrijheid in het kiezen en wisselen van seksuele partners, waarbij er dus geen vaste koppels bestaan en iedereen deelneemt aan het vrij seksueel verkeer.

pubbangama

Letterlijk: 'voorloper'.

In M117 verwijst de Boeddha naar juist begrip (sammādiṭṭhi) als de voorloper van alle overige factoren van het Edel Achtvoudige Pad (Ariya Aṭṭhaṅgika Magga). En in Dhp001 en Dhp002: 'De geest is de voorloper van alle dingen (…).'

Zie ook lokuttarasammādiṭṭhi.

pubbe

'Met betrekking tot eerder'. Zoals bijvoorbeeld in S56-011.

pubbenivasanussati

'Het kunnen herinneren van vorige levens', is één van de 6 hogere krachten (abhiññā), en een factor van de drievoudige kennis (te vijjā).

Zie ook De Boeddha — De uren voor zijn verlichting.

pubbenivāsānussatiñāṇa

'De kennis hebben van het kunnen herinneren van vorige levens.' Zie pubbenivasanussati.

puggala

'Individu'; 'persoon'. Zie Puggala — Individu; paramattha.

puja

A. 'Eerbetoon; 'eerbied'; 'respect'; 'hulde'.

B. 'Aanbidding; 'gewijde inachtneming'; 'gewijde offerande'; ook 'offergaven aan monniken en nonnen'.

Zie Puja — Respect of aanbidding?

Zie ook het deel Respect van de sectie Inzicht meditatie.

punabbhava

Letterlijk: 'wederom worden'; 'hernieuwd bestaan'; 'herhaling van bestaan'. Zie Punabbhava — Wederom worden.

Zie ook paṭisandhi; Upapattibhava — Het wedergeboorteproces in alle eenvoud.

punappunam

'Keer op keer'; 'steeds weer'.

punareva ruhati

'Opnieuw aangroeien'.

De vergelijking met een boom. Hij zal opnieuw aangroeien als hij is omgekapt indien de wortels onbeschadigd zijn. Zie Dhp338-343 — De jonge zeug; chattiṁsā sota.

puñña

'Verdienstelijke daden'. Er is een lijst van 10 beschikbaar, de 'bases van verdienstelijke daden' (puñña kiriya vatthu).

puñña kiriya vatthu

'Bases van verdienstelijke daden'. Het kan worden vertaald als: 'Dat wat iemand van de mentale bezoedelingen zuivert'. Zie Puñña kiriya vatthu — Bases van verdienstelijke daden.

puññābhisaṅkhāra

Zie saṅkhāra, A.1.

puññadhārā

'Stromen van verdiensten'. Er wordt gezegd dat men 4 stromen van verdiensten voortbrengt door de offergave van de 4 benodigdheden — gewaden, aalmoezenvoedsel, onderdak en medicijnen — aan een monnik die de ongeconditioneerde staat van de geest heeft bereikt. Verder door het vol zijn van onwrikbaar vertrouwen in de Boeddha, zijn Leer en de gemeenschap van discipelen (zie aveccappasāda), en door perfect in moraliteit te zijn (A04-051; A04-052). A08-009 beschrijft nog eens 4 stromen van verdiensten.

Zie ook puñña kiriya vatthu.

puññakkhetta

'Veld van verdiensten'.

puññakkhettaṁ lokassā

'Veld van verdiensten in de wereld'. Het is een van de kenmerken van de Saṅgha. Zie aveccappasāda.

puññapapa pahinassa

Letterlijk: 'voorbij verdienstelijke en verkeerde daden' oftewel 'boven goed en kwaad uitgestegen'. Zie Puññapapa pahinassa — Voorbij verdienstelijke en verkeerde daden; lokuttarasammādiṭṭhi; arahat; nissaya.

Zie ook Dhp038-039 — De eerwaarde Cittahattha.

purana maggam

'Het aloude pad'.

purejātapaccaya

'Vooraf ontstane voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

purisa

A. 'Mens'; 'persoon' zoals in purisadammasārathi; purisapuggala; attha purisapuggala; sappurisasaṁseva.

B. 'Mannelijkheid', zoals in indriya.

purisadammasārathi

'Trainer van mensen die te beteugelen zijn'.

Alleen mensen die zich voor de Boeddha openstellen kunnen beteugeld worden. D.w.z. iemand die gewillig is om de Dhamma zowel in theorie (pariyatti) te leren als in de praktijk (patipatti) toe te passen. Een echte leraar traint geen mensen die dat niet willen. Het is een van de kenmerken van de Boeddha. En alle leraren die de Dhamma onderwijzen dienen daar een voorbeeld aan te nemen zodat rekening wordt gehouden met mensen die wel en niet echt willen. De Boeddha dwong zijn Leer nooit af. Mensen moeten dit uit zichtzelf willen.

Constructie: purisa + damma + sārathi.

Zie ook aveccappasāda.

purisapuggala

'Menselijk karakter'. Zie ook purisa.

Purisapuggala is een samenstelling van: purisa 'mens/persoon'; 'karakter'.

purisayuga

'Paar van mensen'; 'paar van individuen'.

purisayugani

'Paar van mensen'. Purisayuga is een samenstelling van: purisa 'mens'; yuga 'persoon'. Zie aveccappasāda.

Zie ook cattāri purisayugani.

purisindriya

'Mannelijkheid'. Zie indriya.

puthujjana

'Wereldling'; 'gewoon mens'. Iemand die nog niet in de stroom is getreden, dat wil zeggen, iemand die nog geen onwrikbaar vertrouwen heeft in de Boeddha, de Dhamma en de Saṅgha (zie aveccappasāda) en die dus de eerste 3 banden (saṁyojana) nog niet heeft doorgekapt en dus nog geen enkele graad van heiligheid heeft bereikt. Zie sotāpatti; ariyapuggala.

putilata

Een kruipplant.

putta

A. 'Zoon'; 'kind'. Grammatica: Mnl. Synoniem: atraja; bālaka.

B. (Gebruikt om verkleinwoorden te vormen) 'jongeman'; 'afstammeling'; 'zoon van'. Grammatica: Mnl; in Sams.

C. 'Zoon'; 'kind'. Grammatica: Ozn.

q

r

raga

'Hartstocht'; 'hebzucht'; 'lust'; 'begeerte'; 'hunkering'; is een synoniem voor lobha (zie mula), taṇhā en abhijjhā (zie kammapatha). Voor kāmarāga; rūparāga; arūparāga, zie saṁyojana. Raga is een symbolische aanduiding voor één van Māra's dochters. Zie Māra. Zie ook chattiṁsā sota.

raga carita

'Degene die hebzuchtig van karakter is'. Zie ook carita.

ragakkhayo

'Uitblussing van hartstocht'.

raganissita

'Vermengd met hartstocht'. Zie Dhp338-343 — De jonge zeug; chattiṁsā sota.

raganusaya

'De onderliggende neiging tot zintuiglijke hartstocht'. Zie o.a. S36-006; anusaya.

ragasamo

'Vergelijkbaar met hartstocht'. Zie Dhp251 — De vijf lekenvolgelingen met de vijf verschillende interesses.

rāja

A. 'Koning'; 'soeverein'; 'heer'; 'heerser'.

B. 'Koninklijk'.

rasa

'Smaak'.

rasa taṇhā

'Begeerte naar smaak'. Zie taṇhā.

rasāyatana

'Basis van smaak'. Zie āyatana B.

rata

'Verheugd' (over); 'toegewijd' (aan); 'plezier belevend' (aan); 'tevreden' (met); 'genietend'.

rattaññunam

Deze term staat voor discipelen die al voor lange tijd (of met veel ervaring) als vooraanstaand worden beschouwd en als zodanig zijn uitgeroepen.

rechtvaardigheid

Zie Boeddhisme en rechtvaardigheid; ujukata; Rechtvaardigheid.

religie

Zie Is boeddhisme een religie?

resultaat van het pad

Kennis (ñāṇa); visie (cakkhu); vrede (vūpasamaya); hogere wijsheid/verlichting (abhiññāya); nibbāna (nibbāna).

Dit verklaarde de Boeddha in de S56-011 — Dhammacakkappavattana sutta — Het in beweging zetten van het Wiel der Wet, toen hij verklaarde dat hij de verlichting gerealiseerd had middels de middenweg.

revolutie

Zie revolutionist.

revolutionair

Zie revolutionist.

revolutionist

Zie Een revolutionist kan mentaal ontwikkelen; conformisme; conditionering; Inzicht meditatie.

rishi

'Een Indiase visionair denker of ziener'. Een term die vanuit het brahmanisme werd gehanteerd.

rivieren

Kijk bij de desbetreffende namen van de rivieren.

Rohini

Rivier de Rohini. De Rohini ligt ten oosten van Lumbini en was de grens tussen de Sakya's en de Koliya's.

rukkhamūlikaṅga

Eén van de 13 dhutaṅga praktijken voor woudmonniken. Zie dhutaṅga.

rūpa

A. 'Vorm'; 'materie'; 'lichamelijkheid'; 'het fysieke', zie pañcupādānakkhandhā.

B. Visueel object, zie āyatana B.

C. Fijnstoffelijk, zie avacara; jhāna.

rūpabhava

'Het in het bestaan komen van de fijnstoffelijke wereld'. Zie ook bhava.

rūpadhamma

'Het materiële'; 'het stoffelijke'; 'het fysieke'.

rūpadhātu

'Het element van de fijnstoffelijke wereld'.

rūpajīvita

'Fysieke vitaliteit'. Synoniem: rūpajīvitindriya. Zie jīvita.

rūpajīvitindriya

'Fysieke vitaliteit'. Synoniem: rūpajīvita. Zie jīvita.

rūpakalāpa

Komt Dit item wordt z.s.m. uitgewerkt.

rūpakkhandha

'Aggregaat van vorm oftewel lichamelijkheid'. Zie ook pañcupādānakkhandhā.

rūpaloka

'Fijnstoffelijke sfeer'. Zie loka; avacara.

rūpanimitta

Zie nimitta D.

rūparāga

'Hartstocht naar vorm, het stoffelijke'. Synoniem: rūpataṇhā. Zie taṇhā; avacara; saṁyojana.

rūpasaññā

'Het waarnemen van materie, vormen, het fysieke'. Zie jhāna.

rūpassa

Van rūpa.

rūpassakammaññatā

'Fysiek aanpassingsvermogen'. Zie kammaññatā.

rūpassalahutā

'Fysieke vlotheid'. Zie lahutā.

rūpassamudutā

'Fysieke flexibiliteit'. Zie muduta.

rūpassasantati

'Fysieke continuering'. Zie santāna.

rūpassaupacaya

'Fysieke groei'. Constructie: rūpassa + upacaya. Zie pañcupādānakkhandhā 1).

rūpataṇhā

'Begeerte naar vorm, het stoffelijke'. Synoniem: rūparāga. Zie taṇhā; avacara; saṁyojana.

rūpāvacara

'Fijnstoffelijke sfeer'. Zie jhāna; loka; avacara.

rūpāvacarajjhāna

De jhāna's van de fijnstoffelijke sfeer rūpāvacara. Synoniem: rūpāyatana; rūpāvacarajjhāna.

rūpāyatana

'Basis van vorm'. Zie āyatana B.

rūpupādāna

'Hechten aan het stoffelijke' oftewel rūpāvacara. Zie upādāna.

rūpupādānakkhandha

'Aggregaat van het hechten aan vorm'. Constructie: rūpa + upādāna + khandha. Fonetische variant: rūpūpādānakkhandha.

Zie ook pañcupādānakkhandhā.

s

sa

A. (Gram) letter s.

B. 'Iemand'; 'dat'; 'het'; 'hij'.

C. 'Eigen'; 'van zichzelf'; 'eigen bezit'.

D. 'Zelf'; 'persoonlijk'.

C. (Gram) suffix; gebruikt om desideratieve werkwoorden te vormen.

E. 'Met'; 'hebbende'; 'aangetast door'.

F. 'hond' (??).

sabba

'Elk'; 'alle'; 'geheel'; 'volledig'.

sabbakāyapaṭisaṁvedī

Letterlijk: 'het hele adem-lichaam ervaren'. Overeenkomstig Vis, betekent 'kāya' hier niet het fysieke lichaam waar kāya doorgaans voor staat (en fout geïnterpreteerd wordt), maar het hele gebeuren van de in- en uitademing. Sabba kāya betekent: 'het hele (adem)lichaam'.

Ik heb (adem) er in de teksten expliciet tussen haakjes als verklaring bijegezet omdat mensen vaak niet begrijpen dat 'kāya' meerdere betekenissen heeft en ze de oefening dan verkeerd uitvoeren.

MA: de zinsnede 'het hele (adem)lichaam ervaren' (sabbakāyapaṭisaṁvedī) betekent dat de mediteerder gewaar (vijānana) is van elke in- en uitademing tijdens de drie fases van de ademhaling: het begin, het midden en het einde.

Zie D22; M118; satipatthana.

sabbanimittanamamanasikara

Zie nimitta D.

sabbaññu

Een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend. Zie namen voor de Boeddha.

sabbapapassa akaranam

'Het vermijden van alle kwaad'. Zie Dhp183-185 — De vraag van de eerwaarde Ānanda

sabbapariñña

'Alles begrijpen'. Zie ook pariñña; sakkāyadhamma.

sabbasaṅkhārasamathāya

'Tot stilstand brengen van alle processen'; 'alle activiteiten tot rust brengen'. Constructie: sabba + saṅkhāra + samatha.

sabbattha

A. 'Overal'; 'op elke plek'. Grammatica: Onb; Bijw; van sabba.

B. 'In alle opzichten'; 'in elk opzicht'; 'volledig'. Grammatica: Onb; Bijw; van sabba.

C. (Gram) 'in alle gevallen'; 'in alle situaties'. Grammatica: Onb; Bijw; van sabba.

sabbatthā

'Alle gevallen'; 'alle zaken'; 'alle dingen'. Constructie: sabba + attha + ā / sabbattha + ā.

sabbe

Zie sabba.

sabhava

'Vergankelijke aard'.

sacca

'Waarheid'; 'realiteit'. Zie Sacca — Waarheid; saccañāṇa.

saccaṁ

'Waar'; 'echt'; 'werkelijk'.

saccanāma

Een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend. Zie namen voor de Boeddha.

saccañāṇa

'Kennis van de waarheid'. Saccañāṇa — Kennis van de waarheid; pativedha; sacca.

saccapāramī

'Perfectie van waarheidsliefde'. Zie pāramitā; sacca.

sacchikaraniya dhamma

'Dingen die gerealiseerd moeten worden'.

Komt Dit item wordt z.s.m. uitgewerkt.

sacchikātabba

'Verwerkelijken'; 'verwezenlijken'; 'realiseren'. Zie S56-011, 3.1-3.3.

sacchikataṁ

'Is verwerkelijkt'. Zie S56-011, 3.1-3.3.

sacitta pariyodapanam

'Het zuiveren van de geest'. Zie Dhp183-185 — De vraag van de eerwaarde Ānanda.

sadatte

Volgens het Com. van de Dīgha Nikāya: "Voor het hoogste doel, het doel van arahatschap." Er is ook een andere interpretatie, namelijk 'saratthe': 'voor het essentiële doel'.

sadda

'Geluid'.

sadda taṇhā

'Begeerte naar geluid'. Zie taṇhā.

saddāyatana

'Basis van geluid'. Zie āyatana B.

saddha

'Zelfvertrouwen'; 'vertrouwen'; 'geloof'. Zie Een rotsvast zelfvertrouwen; Saddha — Het geloof van een boeddhist; Geen ideeën van ik; dhana; bala; aveccappasāda.

Zie ook Dhp303 — Citta de huishouder.

saddha carita

'Degene die gelovig van karakter is'. Zie ook carita.

saddha sampada

'Volbrenging van geloof'. Het is een voorwaarde voor spirituele vooruitgang die de Boeddha adviseert voor lekenvolgelingen. Zie A08-054; saddha.

saddhamma

'De ware Leer', een andere naam voor boeddhisme.

saddhammam avijanato

'De persoon die onwetend is omtrent de goed verkondigde Dhamma'. Zie Dhp038-039 — De eerwaarde Cittahattha.

saddhanusari

'De geloof-devoot', is een van de zevenvoudige groepering van edele personen. Zie Ariyapuggala — Edele personen B.

saddhavimutta

'De door geloof bevrijdde', is een van de zevenvoudige groepering van edele personen. Zie Ariyapuggala — Edele personen B.

saddhindriya

'Vermogen van geloof'.

sadevaka

'Met deva's'; 'met goden'.

sadharam

'Het voedt'. Dit duidt op een voorwaarde (paccaya) die voeding (āhāra) geeft.

sādhu

A. 'Goed'; 'aangenaam'; 'gunstig'.

B. 'Goed'; 'grondig'; 'duidelijk'.

C. 'Het is goed' (voor); 'het zou goed zijn' (als).

D. 'Goed gezegd!; uitstekend!'

E. 'Goedheid'; 'deugd'; 'wat goed is'.

F. 'Goed persoon'; 'moreel mens'.

Dit is vaak een uitdrukking als blijk van waardering wanneer iemand een goede daad heeft verricht. Een teken van respect (apaciti).

sadhuka manasikara

'Diepe aandacht schenken'.

sagga

'Hemelse staat'.

sahajātapaccaya

'Gelijktijdig ontstane voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Sahajata betekent: 'samen komen'. Zie paccaya.

sahati

Zie khamati.

saka

A. 'Eigen'; 'van mijzelf'.

B. 'Eigen' (eigendom; bezittingen etc.)

C. 'Verwant'; 'familielid'.

sakadagami

'De eenmaal terugkerende'. Zie ariyapuggala; saṁyojana.

sakadāgāmimagga

'Het pad van eenmaal terugkeren'. Zie ariyapuggala; magga; phala; lokuttara.

sakadāgāmiphala

'De vruchten van eenmaal terugkeren'. Zie ariyapuggala; magga; phala; lokuttara.

sakena

Grammatica: van saka.

sakka

Koning van de goden in de Tāvatiṁsa hemel. Zie deva; Tāvatiṁsa.

sakkara

'Eerzucht'. Een van Māra's legers. Zie Māra.

sakkāya

'Persoonlijk bestaan'; 'individuele identiteit'; 'geest-lichaam complex'; 'belichaming'; 'belichaamd wezen'; 'mening dat iemand de eigenaar is van geest en lichaam'. Letterlijk: 'bestaande groep'.

Volgens de commentaren correspondeert het woord met sat kāya, 'bestaande groep', vandaar niet verwezen wordt naar het Sanskriet sva kāya, 'eigen groep' of 'eigen lichaam'. In de sutta's — bijvoorbeeld in M044 — wordt gezegd dat het een naam is voor de 5 groepen van het bestaan (pañcupādānakkhandhā): "Sakkāya, o broeder Visakha, is volgens de Gezegende een naam voor de 5 groepen als de objecten van hechten (pañcupādānakkhandhā)."

Zie ook sakkāyadiṭṭhi.

sakkāyadhamma

'Factoren van persoonlijkheid'; 'persoonlijke dingen'. Wanneer de Boeddha het heeft over 'het alles' (sabba), heeft hij het over alles dat we kunnen ervaren via onze zes zintuigen (die persoonlijk zijn), d.w.z. de vijf groepen van hechten (pañcupādānakkhandhā). Zie bijvoorbeeld S35-028.

sakkāyadiṭṭhi

'Geloof in persoonlijkheid'; 'persoonlijke visie', is de eerste van de 10 banden (saṁyojana). Het is alleen geheel verdwenen bij het bereiken van het pad van het in de stroom treden (sotāpattimagga).

Er zijn 20 soorten van een geloof in persoonlijkheid die verkregen worden door 4 typen van dat geloof aan te wenden m.b.t. tot elk van de 5 groepen van bestaan (pañcupādānakkhandhā): 1-5. om te geloven dat men identiek is met lichamelijkheid, gevoel, waarneming, mentale formaties en bewustzijn; 6-10. door in hen ingesloten te zijn; 11-15. door los van hen te zijn; 16-20. om de eigenaar van hen te zijn. Zie M044; S22-001.

Zie ook Diṭṭhi — Speculatieve opvattingen, bron van verkeerde en kwade aspiraties; Waarom de Dhamma uit de wereld zal verdwijnen.

Zie verder diṭṭhi; upādāna 4; ariyapuggala; saṁyojana; sakkāyadhamma; māna; sakkāya.

sakkāyanirodha

'Het einde van individuele identificatie'; 'het ophouden van persoonlijk bestaan'; 'het einde van het idee 'ik ben'. Constructie: sakkāya + nirodha.

sakkāyanirodhagāminī

'Wat leidt tot het einde van de individuele identificatie'; 'wat leidt tot het ophouden van het persoonlijk bestaan'; 'wat een einde maakt aan het idee 'ik ben'. Constructie: sakkāya + nirodha + gāmī.

sakkāyapariyāpanna

'Opgenomen in een geïndividualiseerd bestaan'; 'belichaamd in een individuele identiteit'. Constructie: sakkāya + pariyāpanna. Zie o.a. A04-033.

sakkāyasamudaya

'Oorzaak van individuele identificatie'; 'oorzaak van het idee 'ik ben'; 'oorsprong van het persoonlijk bestaan'. Constructie: sakkāya + samudaya.

sakkhi

A.1 'Persoonlijk ervaren'; 'zelf gezien'. Letterlijk: 'zelf waargenomen'.

A.2 'Persoonlijk'; 'van aangezicht tot aangezicht' (met); 'voor de ogen' (van); 'als ooggetuige'.

A.3 'Ooggetuige'; 'getuige'; 'waarnemer'; 'kenner'. Fonetische variant: sakkhī.

B.1 'Was in staat' (om). Synoniem: asakkhi. Variant: asakkhi.

sakkho

Grammatica: Aor 2P Ev van sakkhi.

sakkoti

'Is in staat' (om). Synoniem: pahoti; visahati; sakkuṇāti; samattha.

sakyamuni

'Wijze der Sakya's', d.w.z. de Boeddha.

sala boom

Sala boom (Shorea robusta) produceert wonderolie-zaden, grondstof voor wonderolie. De Nederlandse naam voor deze boom is Wonderboom, ook wel Damarboom.

saḷāyatana

'Zesvoudige inwendige en uitwendige zintuigbases' (van mentale activiteit). Zie āyatana B.; paṭiccasamuppāda.

sallakatto anuttaro

Een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend. Zie namen voor de Boeddha.

samādhi

'Concentratie'. Letterlijk: 'plaatsing hier samen'.

Concentratie is een synoniem voor geestelijke eenheid (ekaggatā); kalmte (samatha); onverstoorbaarheid (avikkhepa).

Zie ook Samādhi — Concentratie wordt vaak verkeerd uitgelegd; Samādhi — Hoe werkt concentratie?; Samādhi — Concentratie; Wat betekent object in meditatief perspectief?

samādhi sikkhā

'Training in concentratie'.

samādhikkhandha

'Groep van concentratie'.

samādhipakkhiya dhamma

'Groep van meditatie' (etc.).

samādhisambojjhaṅga

'Verlichtingsfactor van concentratie'. Zie samādhi.

samādhivipphāra iddhi

'De kracht van doordringende concentratie', zie iddhi.

samagga

A. 'Verenigd'; 'eensgezind'; 'in overeenstemming'; 'harmonieus'; 'in akkoord'. Letterlijk: 'samen (op één) plaats'. Antoniem: vagga. Grammatica: Adj; van agga.

B. 'Allemaal samen'; 'als één'. Antoniem: vagga. Grammatica: Adj; van agga.

C. (Van de gemeenschap) 'allen aanwezig'; 'allen hier'; 'allen aanwezig'. Antoniem: vagga. Grammatica: Adj; van agga.

D. 'Eenheid'; 'harmonie'; 'eensgezindheid'. Synoniem: ekibhāva; ekībhāva. Grammatica: Mnl; van agga.

sāmaggī

A. 'Eensgezindheid'; 'eenheid'; 'vrede'; 'harmonie'. Grammatica: Vrl; van agga.

B. 'Vrede bereiken'; 'verzoening'; 'hereniging'. Letterlijk: 'samen op één plaats'. Grammatica: Vrl; van samagga.

samāhitacitta

'De geconcentreerde geest'.

samaṇa

'Heilige'. Zie Samaṇa — Iemand die zijn hartstochten heeft overwonnen.

samanantarapaccaya

'Samenhangende oftewel onmiddellijke voorwaarde', ook wel 'contiguïteitsvoorwaarde' genoemd is een van de 24 voorwaarden (paccaya).

Anantarapaccaya (nabijheid voorwaarde) en samanantarapaccaya (contiguïteitsvoorwaarde) zijn verschillend in naam, maar hebben dezelfde betekenis (Vis, 17-74).

samānasukhadukkha

'Die dezelfde is in geluk en verdriet'; 'standvastig'. Grammatica: Adj; Sam.

Zie ook samānasukhadukkha mitta.

samānasukhadukkha mitta

Een van de gedefinieerde goede vrienden. Zie mitta; samānasukhadukkha.

samanera

'Novice monnik'. Gewoonlijk beneden de twintig jaar.

samannāgata

'Bezittend'; 'begiftigd' (met); 'hebbend'. Letterlijk: 'samengaand'.

samaṇo

Zie samaṇa.

samanta

A. 'Alle'; 'iedereen'. Letterlijk: 'samen met uiteinden'. Grammatica: Adj.

B. 'Omringend'; 'naburig'. Letterlijk: 'samen met uiteinden'. Grammatica: Adj; van anta.

samanta cakkhu

Een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend. Zie namen voor de Boeddha.

Zie ook samanta; cakkhu.

samanubhāsanti

Grammatica: van samanubhāsati.

samanubhāsati

'Vermaant'; 'adviseert' (aan). Letterlijk: 'spreekt samen na'.

samanubhāsiyamāna

'Terechtgewezen worden'; 'gemaand worden'; 'streng geadviseerd worden' (door iemand over iets). Letterlijk: 'samen gesproken worden na'.

samanubhāsiyamāno

Grammatica: Mnl Nom Ev van samanubhāsiyamāna.

samanugāhanti

Grammatica: samanugāhati.

samanugāhati

'Stelt zorgvuldig vragen'; 'vraagt om redenen'. Letterlijk: 'duikt in'.

samanugāhiyamāna

'Nauwgezet ondervraagd worden'; 'verhoord worden'; 'naar reden gevraagd worden'; 'onder druk gezet worden' (door). Letterlijk: 'ondergedompeld worden in'.

samanugāhiyamāno

Grammatica: Mnl Nom Ev van samanugāhiyamāna.

samanupassati

A. 'Ziet'; 'neemt waar'. Letterlijk: 'ziet samen'. Synoniem: udikkhati.

B. 'Beschouwt'; 'ziet'; 'herkent'; 'ziet' (als). Letterlijk: 'ziet samen'. Synoniem: avekkhati; maññati; samanupassati.

samanuyuñjanti

Grammatica: van samanuyuñjati.

samanuyuñjati

'Kruislings vragen stellen'; 'kruisverhoren'; 'een gesprek aangaan'.

samanuyuñjiyamāna

'Betrokken in kruislings vragen stellen'; 'betrokken in kruisverhoren' (bij iemand over iets). Letterlijk: 'betrokken zijn' (in vragen).

samanuyuñjiyamāno

Grammatica: Mnl Nom Ev van samanuyuñjiyamāna.

samapañña

'Met dezelfde wijsheid'; 'hetzelfde in begrip'.

samapatti

'Verworvenheden', is een naam voor de 8 verdiepingen (jhāna's) van de fijnstoffelijke (rūpāvacara) en onstoffelijke (arūpāvacara) sferen waaraan af en toe de 9e verworvenheid wordt toegevoegd, namelijk het verwerven van uitdoven (nirodhasamāpatti).

samatha

'Kalmte'; 'sereniteit', is een synoniem voor concentratie (samādhi); geestelijke eenheid (ekaggatā); onverstoorbaarheid (avikkhepa).

samatha bhāvanā

'Kalmte meditatie', zie bhāvanā.

samathavipassanā

'Kalmte en inzicht'. Zie Samathavipassanā — Kalmte en inzicht; bhāvanā; Inzicht meditatie.

samatha vipassanā yuganaddha

'Kalmte en inzicht in paren'; 'het koppelen of samenspannen van kalmte en inzicht'. Zie Samathavipassanā — Kalmte en inzicht.

samatha yanika

'Iemand die kalmte als zijn voertuig heeft'. Zie ook sukkhavipassaka.

samathabala

'De kracht van kalmte'. "Wat is nu de kracht van kalmte? (…)" Zie samathavipassanā.

samathakammaṭṭhāna

'Meditatie onderwerp van sereniteit'; 'kalmerend object van meditatie'. Constructie: samatha + kammaṭṭhāna ◑.

Zie ook bhāvanā.

samathayana

'Voertuig van concentratie' vormt samen met vipassanāyāna de twee paden of voertuigen voor het verwerkelijken van Nibbāna. Zie Jhāna — De meditatieve verdiepingen.

samaya

A.1 'Tijd'; 'gelegenheid'. Letterlijk: 'samengaan'.

B.2 'Juiste tijd'; 'geschikte gelegenheid'. Letterlijk: 'samengaan'.

C.3 'Toestand'; 'staat'. Letterlijk: 'samengaan'.

D.4 'Bijeenkomst'; 'samenkomst'; 'vergadering'. Letterlijk: 'samengaan'.

E.5 'Religie'; 'leer'. Letterlijk: 'samengaan'.

B.1 'Leren'; 'studie'; 'kunst'; 'wetenschap'. Letterlijk: 'samengaan'.

samayena

Grammatica: van samaya.

sambahula

'Veel'; 'talrijk'; 'genoeg'. Letterlijk: 'veel bij elkaar'. Grammatica: Adj; Van bahula.

sambahulā

Grammatica: van sambahula.

sambhava

A. 'Geboorte'; 'oorsprong'; 'bron' (van).

B. 'Productie'; 'generatie' (het genereren); 'creatie' (van).

C. 'Geproduceerd' (door); 'geboren' (uit); 'in het bestaan gekomen' (uit).

D. 'Bestaan'; 'zijn'.

E. 'Mannelijk sperma'.

F. 'Impliciet'.

G. 'Afleiding'; 'vorming'; 'semantiek'. Letterlijk: 'samen zijn'.

sambhavanti

Zie sambhavati.

sambhavati

A. 'Komt tot stand'; 'gebeurt'; 'verschijnt'; 'vindt plaats'.

B. 'Is'; 'is samen met'.

sambhavo

Grammatica: van sambhava.

sambhavoti

Constructie: sambhavo + iti.

sambhoga

'Deelnemen'. Zie vedanā.

sambodhaya

'Verlichting'. Zie bijvoorbeeld S56-011 — Dhammacakkappavattana sutta — Het in beweging zetten van het Wiel der Wet

sambodhi

'Elementen van verlichting'.

sambojjhaṅga

'Factoren van verlichting'. Synoniem: bojjhanga. Zie satta sambojjhaṅga.

samicipatipanna

'Het juiste pad volgen'; 'op het juiste pad gekomen'. Zie aveccappasāda.

samisa

'Wereldse gevoelens'. Zie sukha.

sammā

'Juist'; 'recht'; 'volledig'; 'volkomen'. Zie Ariya Aṭṭhaṅgika Magga.

sammādiṭṭhi

'Juist begrip'; 'ware visie', is de 1e factor van het Edel Achtvoudige Pad en valt binnen de 1e divisie van het Pad, namelijk de groep van wijsheid.

Ga naar de beschrijving van juist begrip op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

Zie ook lokuttarasammādiṭṭhi.

sammājīva

'Juiste wijze van levensonderhoud', is de 5e factor van het Edel Achtvoudige Pad en valt binnen de 2e divisie van het Pad, namelijk de groep van moraliteit.

Ga naar de beschrijving van juiste wijze van levensonderhoud op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

sammākammanta

'Juist handelen', is de 4e factor van het Edel Achtvoudige Pad en valt binnen de 2e divisie van het Pad, namelijk de groep van moraliteit.

Ga naar de beschrijving van juist handelen op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

sammāpaṇihitaṁ cittaṁ

'De goed gegrondveste geest'.

Een goed gerichte geest, is de geest welke gericht is op de tien soorten van verdienstelijke daden. Zie Puñña kiriya vatthu — Bases van verdienstelijke daden.

Zie ook Dhp043 — Soreyya — de man die een vrouw werd.

sammapaññā

'Ware wijsheid'. Zie paññā.

sammappadhāna

'Juiste inspanningen'. Het zijn de inspanningen bedoeld in de 6e factor (sammāvāyāma) van het Achtvoudige Pad. Het zijn er 4:

  1. De inspanning van het vermijden (saṁvarapadhāna).
  2. De inspanning van het overwinnen (pahānapadhāna).
  3. De inspanning van het ontwikkelen (bhāvanāpadhāna).
  4. De inspanning van het tot groei brengen (anurakkhanāppadhāna).

Voor nadere uitleg, zie padhāna.

sammappaññāya

'Met perfecte wijsheid de dingen zien zoals ze zijn'.

sammāsamādhi

'Juiste concentratie', is de 8e factor van het Edel Achtvoudige Pad en valt binnen de 3e divisie van het Pad, namelijk de groep van concentratie.

Ga naar de beschrijving van juiste concentratie op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

Zie ook samādhi.

sammāsambodhi

'Volmaakte Verlichting'; 'Universeel Boeddhaschap', is de staat van een universele Boeddha (sammāsambuddha). Zie Sammāsambuddha.

sammāsambuddha

'Volledig Verlichte' Letterlijk: 'Universele Boeddha'. Zie Sammāsambuddha — Een universele Boeddha; De Boeddha — Wie was de Boeddha?; sacca; aveccappasāda.

Zie ook namen voor de Boeddha.

sammāsaṅkappa

'Juiste gedachten', is de 2e factor van het Edel Achtvoudige Pad en valt binnen de 1e divisie van het Pad, namelijk de groep van wijsheid. Synoniem: vitakka.

Het woord 'saṅkappa' betekent letterlijk 'gedachten' en daarom wordt juist dit woord dan ook vaker in de boeddhistische literatuur gebruikt dan 'intenties'. Echter, het cultiveren van de juiste gedachten heeft de functie om de juiste intenties te ontwikkelen.

Ga naar de beschrijving van juiste gedachten op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

sammāsati

'Juiste indachtigheid', is de 7e factor van het Edel Achtvoudige Pad en valt binnen de 3e divisie van het Pad, namelijk de groep van concentratie.

Ga naar de beschrijving van juiste indachtigheid op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

Zie ook sati; satipatthana.

sammatidesanā

'Conventioneel onderwijs'.

sammāvāca

'Juiste spraak', is de 3e factor van het Edel Achtvoudige Pad en valt binnen de 2e divisie van het Pad, namelijk de groep van moraliteit.

Ga naar de beschrijving van juiste spraak op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

sammāvāyāma

'Juiste inspanning', is de 6e factor van het Edel Achtvoudige Pad en valt binnen de 3e divisie van het Pad, namelijk de groep van concentratie. Synoniem: sammappadhāna.

Ga naar de beschrijving van juiste inspanning op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

Zie ook padhāna.

sammiya sammiyo

Een van de gedefinieerde slechte vrienden. Zie mitta.

sammutisacca

'Conventionele realiteit'. Zie paramattha.

sampada

'Volbrenging'; 'zegening'; 'geluk'; 'succes'. Van de vijf zegeningen wordt gezegd dat ze het geloof (saddha), deugdzaamheid (sīla), geleerdheid (suta), vrijgevigheid (cāga) en wijsheid (paññā) zijn. (A05-091)

Additioneel: deugdzaamheid, concentratie, wijsheid, bevrijding, het oog van kennis met betrekking tot bevrijding. (A05-092)

sampādeti

A. 'Zet door'; 'zorgt ervoor dat iets bereikt wordt'; 'streeft ernaar iets te bereiken; probeert zijn doel te verwezenlijken'.

B. 'Voorziet in'; 'levert'; 'bevoorraadt' (met). Synoniem: anuppadeti; paveseti.

C. 'Benodigdheden', 'bereidt voor'.

sampajañña

'Helder begrip'; 'helderheid van bewustzijn'; 'herkennen'. Zie Sampajañña — Helder begrip; vijānana; Van bewustzijn naar helder begrip; saccañāṇa; patipatti; pariyatti.

sampajañño

'Van helder begrip zijn'. Van sampajañña.

sampanna

A. 'Succesvol'; 'compleet'.

B. 'Begiftigd met'; 'rijk aan'.

C. 'Zoet'; 'heerlijk'.

sampassa

Grammatica: sampassati / sampassanta / sampassi.

sampassanta

'Zien'; 'kijken naar'; 'beschouwen'; 'overwegen'. Grammatica: Tdw van sampassati; Trans (+Acc).

sampassati

'Ziet'; 'overweegt'; 'wordt aanschouwd' ✘.

sampassi

'Zag'; 'overwoog'.

sampaṭicchana

'Ontvangen', is een van de 14 functies van bewustzijn (viññāṇakicca). Zie sampaṭicchanacitta.

sampaṭicchanacitta

'Ontvankelijk bewustzijn', is het geesteselement (manodhātu) dat onmiddellijk volgt na het ontstaan van zintuiglijk bewustzijn (visueel bewustzijn, etc.) en op dat moment de functie uitvoert om het zintuigobject te ontvangen. Zie de 14 functies van bewustzijn (viññāṇakicca).

sampayoga

'Vereniging met'; 'verbinding met'; 'associatie met'. Let op de toevoeging yoga. Het tegengestelde is vippayoga.

sampayutta

A. 'Geassocieerd'; 'nauw verbonden' (met). Letterlijk: 'aan elkaar gekoppeld'.

B. 'Gebonden' (aan); 'gekoppeld'; 'samengevoegd' (met). Letterlijk: 'aan elkaar gekoppeld'.

sampayuttapaccaya

'Associatie voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

samphappalapa

'Onzinnig gepraat'; 'onzinnige woorden'; 'dom geklets'; 'spraak zonder diepgang'; 'beuzelachtig geklets'. De onthouding ervan is een aspect binnen de 3e factor van het Edel Achtvoudige Pad en valt binnen de 2e divisie van het Pad, namelijk de groep van moraliteit.

Ga naar de beschrijving van Onthouding van onzinnig gepraat op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

samphappalapa vācāya veramaṇī

'Onthouding van het spreken van onzinnig gepraat'. Zie samphappalapa.

samphappalapa veramaṇī

'Onthouding van onzinnig gepraat'. Zie samphappalapa.

samphassa

A. 'Contact' (met); 'aanraking' (van); 'indruk' (van). Letterlijk: 'samen aanraken'. Zie phassa.

B. 'Slag'; 'klap'; 'stoot' (van). Letterlijk: 'samen aanraken'.

sampiya

Van sampiyanta.

sampiyana

'Vertederend'. Van sampiya.

Zie ook pīti.

sampiyanta

'Vriendelijk behandelen'. Grammatica: Tdw.

sampiyena

'Met wederzijds goedvinden'. Letterlijk: 'met wederzijdse liefde'. Grammatica: Onb; Bijw; Instr Ev van sampiya.

samsara

'De cyclus van het bestaan'; 'de ronden van geboorte en dood'. Letterlijk: 'eeuwigdurende rondzwerving'. Zie Samsara — Samsara, de eeuwigdurende rondzwerving; gahakārakaṁ.

Zie ook Dhp302 — De monnik van het land van de Vajjis.

saṁsarati

'Zwerft verder'; 'reist'; 'transmigreert' (naar). Letterlijk: 'stroomt samen'.

Zie ook samsara.

samseva

Letterlijk: 'gezelschap'. Zie mitta.

samuccheda pahāna

'Overwinning door vernietiging', is een van de 5 pahāna's, zie daar. Zie ook upakkilesa.

samudaya

'Oorzaak'; 'oorsprong'; 'ontstaan'; 'opkomen'. Zie Samudaya — De hoofdoorzaak van lijden.

samudayadhamma

'Het opkomen/ontstaan van dingen', is een samenstelling van samudaya (zie ook uppada) en dhamma.

samudayadhammam

'Het opkomen/ontstaan van dingen'. Zie samudayadhamma.

samussitam

'Vele soorten beenderen'.

Hierdoor wordt het lichaam gestut, bij elkaar gehouden.

Zie Dhp147 — Sirima de courtisane.

samvara

'Beheersing'; 'terughoudendheid'; 'controle'; 'bedwingen'; 'ingetogen'; 'vermijden (van onheilzame dingen)'. Vergelijk sīla.

saṁvara sīla

'Zelfbeheersing' in het algemeen, is een van de vier beperkingen (catupariyanta). Zie ook indriyasaṁvara sīla.

samvara suddhi

'Zuiverheid van controle', is een andere naam voor de moraliteit die bestaat uit de 'beheersing met betrekking tot de zintuigen' (indriyasaṁvara sīla). Zie sīla.

saṁvarapadhāna

'De inspanning van het vermijden', is een van de 4 inspanningen. Zie padhāna.

saṁvaṭṭakappa

Zie kappa.

saṁvattana

'Leidend'; 'gericht'; 'bevorderlijk' (voor). Grammatica: Ozn; Act; van saṁvattati.

saṁvattanaka

'Leidend'; 'gericht'; 'bevorderlijk' (voor). Constructie: saṁ + √vatt + ana + ika / saṁvattana + ika.

saṁvattanika

A. 'Leidend' (naar); 'op weg' (naar); 'bevorderlijk' (voor); 'geschikt' (voor). Synoniem: gamana; saṁvattanaka. Constructie: saṁ + √vatt + ana + ika / saṁvattana + ika. Variant: vattanika.

B. 'Wedergeboren worden'; 'vorm aannemen' (in). Letterlijk: 'leiden' (tot). Constructie: saṁ + √vatt + ana + ika / saṁvattana + ika. Variant: vattanika.

saṁvattanikaṁ viññāṇaṁ

'Het bewustzijn dat tot wedergeboorte (paṭisandhi) leidt'. Zie o.a. M106.3.

saṁvattanti

Zie saṁvattati.

saṁvattati

A. 'Leidt' (tot); 'resulteert' (in); 'veroorzaakt'. Constructie: saṁ + vatta + ti. Variant: saṁvattanti.

B. 'Gebeurt'; 'bestaat'; 'vindt plaats'. Constructie: saṁ + vatta + ti. Variant: saṁvattanti.

saṁvaṭṭaṭṭhāyī

Zie kappa.

samvega

'Angst'; 'agitatie'; 'religieuze emotie' oftewel 'gevoel van urgentie'. Het is een gevoel van spirituele noodzakelijkheid (om een einde aan lijden te maken) dat ontstaat door verzaking.

Zie ook A04-033; samvega vatthu.

samvega vatthu

'Bronnen van emotie', of van een gevoel van urgentie. Het zijn er 8: 1. geboorte; 2. ouderdom; 3. ziekte; 4. dood; 5. het lijden in de lagere staten van het bestaan; 6. de ellende van het verleden geworteld in de cyclus van wedergeboorte; 7. de ellende van de toekomst geworteld in de cyclus van wedergeboorte; 8. de ellende van het heden geworteld in de zoektocht naar voeding (āhāra). Vis 3.

Zie ook samvega.

saṁyojana

A. 'Band'; 'boei'; 'ketting'; 'iets dat bindt'. Letterlijk: 'iets dat samenbindt'. Zie Saṁyojana — De tien banden; ariyapuggala; lokuttara.

Synoniem: bandhana; vinibaddha. Fonetische variant: saññojana.

Zie ook het deel Bezoedelingen van de sectie Inzicht meditatie.

Zie verder Dhp031 — De monnik die alles verteerde.

B. 'Verbinding'; 'schakel'. Letterlijk: 'iets dat samenbindt'. Fonetische variant: saññojana.

C. 'Met een boei'; 'met een ketting'; 'over een band'; 'met betrekking tot iets dat bindt'. Letterlijk: 'iets dat samenbindt'.

saṁyutta nikāya

'Verwante Collecties'. Zie S00-000 — Verwante collecties — Saṁyutta Nikāya; Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

sanātha

'Met bescherming'; 'met ondersteuning'. Antoniem: anātha. Zie o.a. A10-017.

sanāthā

Van sanātha.

sañchindi

'Gesneden'; 'afgesneden'; 'vernietigd'. Letterlijk: 'samen gesneden'. Constructie: ConstructieUitgesteld. Grammatica: Aor van sañchindati; Trans +(Acg).

sandhāvati

'Zwerft rond'; 'transmigreert'. Letterlijk: 'loopt mee'.

sandhi

'Koppeling'; 'link'. Zie ook paṭisandhi.

sandiṭṭhika

'Zichtbaar'; 'behorend tot dit leven'. Het is een van de kenmerken van de Dhamma. Zie aveccappasāda.

sandiṭṭhiko

Grammatica: sandiṭṭhika.

saṅga

A. 'Vastbinden'; 'verbinding'; 'valstrik'; 'struikelblok'.

B. 'Kleverigheid'; 'vasthouden'; 'gehechtheid'; 'vasthouden'.

Zie ook saṁyojanasaṅga.

saṅgāyana

'Boeddhistisch concilie'.

saṅgha

'Boeddhistische gemeenschap'. Ieder persoon die boeddhist is behoort tot de Saṅgha. Voor informatie over de Saṅgha van Sleutel tot Inzicht, zie Onze Saṅgha.

saṅghadāna

'Offergave aan de Saṅgha'.

saṅghānussati

Zie saṅghānussati bhāvanā.

saṅghānussati bhāvanā

'Mediteren op (de kenmerken van) de Saṅgha'. D.w.z. de edele personen van de Saṅgha. Zie Aveccappasāda — Onwrikbaar vertrouwen; bhāvanā.

Zie ook Dhp296-301 — De zoon van de houthakker.

saṅghāṭa

A. 'Verzameling'; 'opeenhoping'; 'samenstelling'; 'massa'.

B. 'Wirwar'; 'web'; 'gecompliceerde massa'.

C. 'Schrijnwerk'; 'timmerwerk'.

sañjāti

'Geboorte'; 'resultaat'; 'oorsprong'.

saṅkappa

'Gedachte'. Synoniem: vitakka.

Ga naar de beschrijving van juiste gedachten op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

saṅkhā

A. 'Meting'; 'telling'; 'berekening'.

B. 'Definitie'; 'classificatie'; 'concept'; 'categorie'.

C. 'Naam'; 'term'; 'benaming'; 'aanduiding'.

D. 'Onderscheidend'; 'discriminerend'; 'overwegend'; 'beoordelend'. Letterlijk: 'berekenend'. Variant: saṅkhāya.

E. (Gram) getal in woordvorming.

saṅkhāra

'Formaties'; 'vorming'; 'samengestelde dingen'. Zie Saṅkhāra — Algemene info over mentale formaties.

saṅkhāradukkha

Zie dukkhatā.

saṅkhāradukkhata

Zie dukkhatā.

saṅkhārakkhandha

'Groep van mentale formaties'. Zie saṅkhāra; pañcupādānakkhandhā.

saṅkhārupādānakkhandha

'Aggregaat van hechten aan mentale formaties'. Zie pañcupādānakkhandhā.

saṅkhata

'Geconditioneerde dingen'; 'samengestelde dingen'; 'opgekomen dingen', omvat alle verschijningsvormen van het bestaan, d.w.z. alles binnen de vijf groepen van hechten (pañcupādānakkhandhā).

Zie ook asaṅkhata; conditionering.

saṅkhāta

A. 'Gerekend'; 'zo genoemd'; 'wat genoemd wordt'; 'zo genoemd'.

B. 'Begrepen'; 'herkend'.

saṅkhata dukkhatā

'De geconditioneerde staat van lijden'. Constructie: saṅkhata + dukkhatā.

saṅkhātadhamma

'Arahat'; 'verlicht mens'. Letterlijk: 'die de aard van de realiteit heeft begrepen'. Constructie: saṅkhāta + dhamma.

saṅkhatalakkhaṇa

'Kenmerken van alle geconditioneerde dingen'. De volgende drie zijn de kenmerken van alle geconditioneerde dingen (saṅkhatalakkhaṇa): opkomen (uppada), vergaan (vaya) en verandering van toestand (thitassa aññatattam).

Zie ook dukkhatā; Nibbāna.

saṅkhittacitta

'De vernauwde geest', d.w.z. gepaard gaand met luiheid en traagheid (thina middha). Dit houdt ook verband met sloomheid, haastigheid, innerlijke spanning vanwege onderdrukking etc. De sleutelrol hierin is zintuiglijk verlangen (kāmacchanda).

In de Maha Satipatthana Sutta (D22) betekent het de vernauwde of samengetrokken geest, niet de geconcentreerde geest (samāhitacitta) zoals vaak vertaald door zowel westerse als oosterse auteurs. De geconcentreerde geest (samāhitacitta) komt verderop in de opsomming van D22 pas aan bod.

sankhittena

'Kortom'; 'kortgezegd'; 'in het kort'.

saññā

'Waarnemen'. Zie Saññā — Algemene info over waarnemingen.

saññākkhandha

'Groep van waarnemingen'. Zie pañcupādānakkhandhā.

saññānupassanā

'Contemplatie van waarnemingen'.

saññāvedayitanirodha

'Het bereiken (of verwerven) van uitdoving van waarneming en gevoel'. Voor meer, zie nirodhasamāpatti.

saññāvipallāsa

'Verdraaiing van waarneming'. Zie vipallāsa.

saññāvipallāso

Grammatica: Znw Mnl Nom Ev van saññāvipallāsa.

saññojana

A. Zie Fonetische variant: saṁyojana.

B. Zie saññojana 2.

saññojana 2

'Band'; 'boei'; 'ketting'; 'iets dat bindt'. Letterlijk: 'iets dat samenbindt'. Zie Saññojana 2 — De tien banden — 2; saññojana.

Zie ook Fonetische variant: saṁyojana.

Zie verder het deel Bezoedelingen van de sectie Inzicht meditatie.

saññojanaṁ

Grammatica: van saññojana.

saṁyojanasaṅga

'Banden en gehechtheden'.

Hier wordt verwezen naar de tien banden (saṁyojana) en de zeven gehechtheden (saṅga) die wezens aan samsara binden.

De tien banden (saṁyojana) bestaan uit twee modi: de lagere- en de hogere banden. De lagere banden (1-5) binden wezens aan de zintuiglijke sfeer. De hogere banden (6-10) binden wezens aan de fijnstoffelijke sfeer en aan de onstoffelijke sfeer (zie avacara). Omdat de 7e band (arūparāga) de band is die wezens nog steeds gebonden houden aan een wereld, een sfeer, worden deze ook wel 'de zeven gehechtheden' genoemd die wezens aan een wereld binden. Men moet goed begrijpen dat er niet 7, maar 10 banden doorgekapt moeten worden. De 7e band behelst een sfeer waarin de banden 8-10 heel subtiel van aard zijn, wat ook te wijten is aan de 7e band. Vandaar ook gesproken wordt van 'de zeven gehechtheden (of de zeven banden)'. Er is geen bevrijding van samsara totdat alle 10 de banden zijn doorgekapt.

Zie ook Dhp338-343 — De jonge zeug; chattiṁsā sota.

saññupādānakkhandha

'Aggregaat van het hechten aan waarnemingen'. Zie pañcupādānakkhandhā.

santa

'Vredig'; 'gekalmeerd'. Zie ook santi.

santāna

'Continuïteit'; 'stroom'. Equivalent: santati. Kan o.a. naar het volgende verwijzen:

A. De continuïteit van bewustzijn (cittasantāna).

B. De continuïteit van de groepen van het bestaan (khandhasantāna), zie pañcupādānakkhandhā.

C. De continuïteit van onderbewustzijn (bhavaṅgasantāna).

D. De ononderbroken continuïteit van het afhankelijk ontstaan (paṭiccasamuppāda santāna, zie paṭiccasamuppāda).

santāsaṁ āpajjati

'Is doodsbang' (voor); 'vreest'; 'is bang'. Grammatica: Idiom; Mnl + Tt (+Gen).

santati

A. 'Continuïteit'; 'ononderbroken opeenvolging'; 'causaal verband'. Letterlijk: 'zich samen uitstrekken'. Equivalent: santāna.

B. 'Causale continuïteit'. Letterlijk: 'zich samen uitstrekken'. Equivalent: santāna.

C. 'Duur'; 'afstamming'. Letterlijk: Letterlijk: 'zich samen uitstrekken'.Equivalent: santāna.

saṇṭhāna

A. 'Toegeven'; 'versoepeling'; 'ontspanning' (van). Letterlijk: 'samen staan'.

B. 'Rustplaats'. Letterlijk: 'samen staan'.

C. 'Vorm hebbend'; 'met een gedaante'; 'de verschijning hebbend' (van). Letterlijk: 'samen staan'.

D. 'Vorm'; 'gedaante'; 'verschijning'. Letterlijk: 'samen staan'.

E. 'Gezamenlijke aanwezigheid'. Letterlijk: 'samen staan'.

santi

'Vrede'; 'kalmte'; 'rust'; 'epitheton van Nibbāna'. Zie Arahat — De heilige.

Zie ook Snp4-14; Snp4-15; santa.

Zie verder Dhp096 — De novice monnik van Kosambi.

santīraṇa

'Onderzoek' is een van de 14 functies van bewustzijn (viññāṇakicca). Zie santīraṇa citta.

santīraṇa citta

'Onderzoek bewustzijn', is een van de fasen binnen de cognitieve opeenvolgingen. Zie ook viññāṇakicca voor de 14 functies van bewustzijn.

sapadānacārikaṅga

Eén van de 13 dhutaṅga praktijken voor woudmonniken. Zie dhutaṅga.

sappāyasampajañña

'Helder begrip omtrent de geschiktheid'. Zie sampajañña.

sappurisa

A. 'Echt mens'; 'goed mens'; 'moreel mens'; 'deugdzaam mens'; 'superieur mens'. Antoniem: asappurisa.

B. 'Arahat'; 'verlicht mens'. Synoniem: brāhmaṇa; saṅkhātadhamma. Antoniem: asappurisa.

sappurisadhamma

A. 'De leer van rechtvaardige mensen'.

B. 'De aard van een integer persoon'; 'een kenmerk van een ethisch mens'.

sappurisānaṁ

Grammatica: Mv van sappurisa.

sappurisasaṁseva

'Gezelschap van goede mensen' is een voorwaarde voor het in de stroom treden (sotāpattiyaṅga). Zie mitta.

sarambha

'Verwaandheid'. Een van de bezoedelingen van de geest. Het grenst aan eigendunk (māna). Zie upakkilesa.

Zie ook sarambhapi.

sarambhapi

'Aanname'; 'vermoeden'; 'veronderstelling; 'verbeelding'. Het vormt een vooropgezet uitgangspunt voor de toename (papañca) van verscheidene mentale activiteiten dat tot verwaandheid (sarambha) leidt (saṁvattanti). Het grenst aan eigendunk (māna).

Zie ook M106.2; sarambha.

sarana

'Toevlucht'; 'heil'. Zie ti saraṇagamana.

saraṇagamana

'Toevlucht nemen'. Zie ti saraṇagamana.

saraniya dhamma

'Zes dingen om te gedenken'. Zie D16; M48; A06-11; A06-12.

sārathi

A 'Wagenmenner'; 'bestuurder'.

B (paard of olifant) 'trainer'.

C 'Trainer'; 'leider'. Letterlijk: 'wagenmenner'.

sarita

'Stroomt'; 'vloeit'. Wordt toegewezen aan begeerte (taṇhā) omdat het stroomt/vloeit. Zie A04-199 — Taṇhā Sutta — Begeerte — De verstrikker en de ideeën van ik; chattiṁsā sota.

saritani

'Stromend'; 'vloeiend' (naar objecten). Zie sarita.

sāsana

A. 'Instructie'; 'leer'; 'boodschap'. Letterlijk: 'instrueren'.

B. 'De religie van de Boeddha'; 'de boeddhistische religie'; 'de Leer'; 'de doctrine'.

sasaṅkhāraparinibbāyī

'Iemand die het Nibbāna bereikte door inspanning', is een van de 5 niet terugkerenden, zie anāgāmī.

sasankharena

'Voorbereid'; 'vooropgezet'. Zie sasaṅkhārikacitta.

sasaṅkhārikacitta

In Dhs: sasankharena: een voorbereide of vooropgezette staat van bewustzijn die ontstaan is na een voorafgaande opzettelijkheid of bewogenheid, bijvoorbeeld het afwegen van motieven, of door anderen teweeggebracht (opdrachten, adviezen, overreding). Met inspanning = ertoe aangezet. Zie Tabel I; voorbeelden in Vis 14: 84. Tegenpool is de spontane geest (asaṅkhārikacitta).

Zie ook De weg van niet-dwang; De niet vooropgezette geest.

sassata

'Eeuwig'; 'onvergankelijk'; 'eindeloos'; 'voortdurend'; (Com) 'voor altijd bestaand'. Synoniem: dhuva; sanantana. Antoniem: asassata.

sassatadiṭṭhi

'Van mening zijn dat alles eeuwig is'. Dit is één van de extreme opvattingen die door de Boeddha is verworpen. Het komt overeen met de 'hunkering naar bestaan' (bhavataṇhā) hetgeen door de Boeddha is aangewezen als één van de drie begeerten die de oorzaak van lijden zijn.

Sassatadiṭṭhi en ucchedadiṭṭhi zijn de twee extreme opvattingen over persoonlijkheid (sakkāyadiṭṭhi) die door de Boeddha zijn verworpen.

Zie Taṇhā — De drie vormen van begeerte; Diṭṭhi — Speculatieve opvattingen, bron van verkeerde en kwade aspiraties.

sassatamhāti

Constructie: sassata + amhā + iti.

sassatavada

'De leer van het eeuwigdurende'. Zie diṭṭhi; taṇhā.

sassatisamaṁ

'Voor altijd en eeuwig'; 'eeuwig'. Letterlijk: 'als de eeuwigheid'.

satasita

'Degenen die in de greep zijn van begeerte'.

Zij jagen sensuele en plezierige ervaringen na. Zie Dhp338-343 — De jonge zeug; chattiṁsā sota.

satheyya

'Oplichterij'. Een van de bezoedelingen van de geest. Zie upakkilesa.

sati

'Indachtigheid'; 'oplettendheid'; 'waakzaamheid'; 'opmerkzaamheid'; 'zorgvuldigheid'. Zie Sati — Indachtigheid.

Zie ook de groep pagina Satipatthana training.

sati sambojjhaṅga

'Verlichtingsfactor van indachtigheid'. Zie sati.

sati upatthana

'Gewaarzijn van indachtigheid'. Zie satipatthana.

satima

'Indachtig'. Zie sati.

satipatthana

'Fundamenten van indachtigheid'. Letterlijk: 'gewaarzijn van indachtigheid' (sati upatthana).

Zie ook de groep pagina Satipatthana training.

satisampajañña

'Opmerkzaamheid en helderheid van bewustzijn'. Zie ook sampajañña.

sato

'Bewust'; 'aandachtig'. Zie ook sati.

satta

A. Htw zeven (7).

B. 'Wezen'; 'levend wezen'; 'schepsel'.

Deze term, net als atta, puggala, jiva, en alle andere termen die 'ego-entiteit' aanduiden, moet worden beschouwd als een louter conventionele term (vohāravacana), die geen realiteitswaarde heeft. Voor de onpersoonlijkheid van al het bestaan zie anatta; paramattha; puggala; jiva; satta; paṭiccasamuppāda.

Synoniem: SynoniemUitgesteld. Grammatica: Mnl.

C. 'Schijnend principaal'.

D. 'Vastgekleefd'; 'vastgeplakt'; 'bevestigd' (aan).

E. 'Vervloekt'; 'gezworen'.

satta sambojjhaṅga

'De zeven factoren van verlichting'. Zie Satta sambojjhaṅga — De zeven factoren van verlichting.

satta visuddhi

'De 7 stadia van zuivering'. Zie visuddhi.

sattakkhattu parama

'Degene met nog hoogstens zeven geboorten te gaan', is een klasse sotāpatti.

sattanikāya

'Klasse van wezens'. satta + nikāya.

satthā

'Leraar'; 'meester'.

satthā anatta vādī

Zie anatta vādī.

satthā devamanussānaṁ

Zie devamanussānaṁ.

satthaka sampajañña

'Helder begrip omtrent het doel'. Zie ook sampajañña.

satthar

'Meester'; 'leraar'. Pāḷi grammatica: satthu.

sattharsasana

'De instructies van de Leraar'. Pāḷi grammatica: satthusāsana.

Zie ook sāsana.

satthusāsana

'De instructies van de Leraar'; 'de Leer van de Meester'.

Zie ook sāsana.

saupādisesa

A. 'Met resterende brandstof'; 'met resterend vastzitten'; 'met resterende kleefkracht'. Constructie: sa + upādi + sesa. Grammatica: Adj; Sam; van upādisesa.

B. 'Met achtergebleven residu'; 'met restanten'. Letterlijk: 'met brandstof achtergebleven'. Constructie: sa + upādi + sesa. Grammatica: Adj; Sam; van upādisesa.

Zie ook saupādisesanibbāna.

saupādisesanibbāna

'Nibbāna met de groepen van het bestaan nog resterend'. Een Nibbāna element. Constructie: saupādisesa + nibbāna.

Zie ook nirodha.

saupādisesanibbānadhātu

'Nibbāna element met restanten' ✘.

sauttara citta

'De overtrefbare geest', is het bewustzijn dat tot de zintuiglijk sfeer (kāmaloka) en de fijnstoffelijke sfeer (rūpaloka) behoort. Zie ook abhiññā.

savajja

'Laakbaar'; 'verwerpelijk'.

Zie ook anavajja.

sāvaka

'Discipel'. Raadpleeg sekha.

savakasangha

'De Saṅgha van discipelen'. Zie aveccappasāda.

savana

A.1 'Gehoorvermogen'; 'gehoorzintuig'.

A.2 'Horen' (van); 'luisteren' (naar).

B.1 'Vloeien'; 'stromen' (naar).

B.2 'Zweet'; 'transpiratie'. Letterlijk: 'stromend'.

B.3 'Onderwijs'.

savanti

'Stromen; vloeien'. Zie Dhp338-343 — De jonge zeug; chattiṁsā sota.

scheet

'Een neerwaartse wind' . Het is gewoon een onderdeel van het lichaam. Zie ook boer; vayo dhātu.

sekha

'Sekha' duidt op de drie lagere fases van bevrijding (zie ariyapuggala) voordat arahatschap wordt bereikt, te weten sotapanna, sakadagami en anāgāmī. De persoon die deze drie stadia heeft bereikt is een edele discipel (ariyasāvaka). Sekha betekent letterlijk: 'iemand die op koers van perfectie is'.

De persoon die arahatschap heeft bereikt is wel een edele discipel van de Boeddha, maar is geen leerling meer. Hij is een asekha, letterlijk: 'geen leerling meer'.

Een wereldling (puthujjana) wordt noch 'een edele discipel' noch 'perfect in training' genoemd. Raadpleeg Pug 23-25. Dit neemt niet weg dat hij geen goede leerling kan zijn. Hij is nog geen edele discipel omdat hij nog niet één van de paden heeft bereikt. Iedereen die de instructies van de Boeddha correct opvolgt en volhardend is, is een goede discipel (sāvaka), en kan door zijn inspanning een edele discipel (ariyasāvaka) worden. Een edele discipel is een goed geïnstrueerde of goed onderwezen discipel, een goed gedisiplineerde discipel.

Zie ook S12-049 — Ariyasāvaka Sutta — De edele discipel.

sesa

A. 'Overgebleven'; 'overblijfsel'. Synoniem: sesī. Antoniem: asesa; nissesa. Grammatica: Adj; van sissati.

B. 'Restanten'; 'overblijfselen'; 'restant'; 'overblijfsel'. Synoniem: avakkāra; sesaka. Grammatica: Mnl; van sissati.

C. 'Rest'; 'restant'. Grammatica: Ozn; van sissati.

seti

A. 'Ligt'; 'ligt rond'. Letterlijk: 'slaapt'. Grammatica: Tt; Intrans.

B. 'Slaapt'. Grammatica: Tt; Intrans. Synoniem: niddāyati; nipajjati; supati.

C. 'Leeft'; 'verblijft'; 'woont'. Letterlijk: 'slaapt'. Grammatica: Tt; Intrans. Synoniem: tiṭṭhati; paṭivasativiharati.

sīha

'Leeuw'. Bekijk eens A04-033.

sīhanāda

A. 'Zelfverzekerde bewering'; 'gedurfde uitspraak'. Letterlijk: 'leeuwenbrul'.

B. 'Leeuwenbrul'. Zie Sīhanāda — De leeuwenbrul.

sikkhā

'Training'. De training die de leerlingen van de Boeddha dienen te ondergaan, is drievoudig. Zie tividha sikkhā.

sikkhāpada

'Fasen van training', m.b.t. de morele regels. Zie Sikkhāpada — De boeddhistische morele regels; uposatha; sikkhā; sīla.

sikkhati

'Leren'; 'jezelf trainen'.

sīla

'Moraliteit'; 'deugdzaamheid'. Zie Sīla — Boeddhistische moraliteit; sikkhāpada; kammapatha.

sīlabbata parāmāsa

'Hechten aan regels en rituelen'. Het hechten eraan (sīlabbatupādāna) is één van de banden die wezens aan het lijden binden, zie saṁyojana. Het is één van de vier vormen van hechten die wedergeboorte veroorzaken, zie upādāna.

Zie ook Regels, rituelen en kennis.

Reminder Hechten wordt uitgelegd als een intensieve vorm van begeerte. Zie ook parāmāsa; paṭiccasamuppāda.

sīlabbatupādāna

'Hechten aan regels en rituelen', is een van de 4 soorten van hechten. Zie upādāna.

Zie ook sīlabbata parāmāsa.

sīlakkhandha

'Groep van moraliteit'.

sīlānussati

'Bespiegeling van moraliteit'.

sīlapāramī

'Perfectie van moraliteit'. Zie pāramitā; sīla.

sīlapārisuddhi

'Zuivering van gedrag'. Constructie: sīla + pārisuddhi.

sīlapārisuddhipadhāniyaṅga

'Een factor die gerelateerd is aan het streven naar de zuivering van gedrag'.Constructie: sīlapārisuddhi + padhāniyaṅga.

Zie ook pārisuddhipadhāniyaṅga; sīla.

sīlasampadā

'Volbrenging van deugdzaamheid'. Het is een voorwaarde voor spirituele vooruitgang die de Boeddha adviseert voor lekenvolgelingen. Zie A08-054; sīla.

sīlasikkhā

'Training in moraliteit'.

sīlava

'Morele gewoonten'.

sīlavipatti

'Afwijking van moraliteit'. Zie ook vipatti.

siloka

'Beroemdheid'. Een van Māra's legers. Zie Māra.

sineha

Zie sneha.

sivathika

'Begraafplaatscontemplaties' zoals beschreven in D22 en M010 hebben als object een lichaam dat een aantal dagen dood is, gezwollen, blauw, vol met etter, dat gegeten wordt door kraaien, haviken, gieren, honden, jakhalzen of door verschillende soorten van wormen etc.

Na elke contemplatie (anupassanā) volgt de conclusie: "(…) denkt hij over zijn eigen lichaam aldus: 'Waarlijk, dit lichaam van mij is van dezelfde aard als dat lichaam, het zal hetzelfde ondergaan als dat lichaam en het zal daar niet aan ontkomen.'"

Vergelijkbaar zijn de 10 voorwerpen van onzuiverheid, zie asubha.

siyā

A. 'Zou kunnen zijn'; 'mogelijk'; 'wellicht'; 'zou moeten zijn'.

B. 'Er zou kunnen zijn'.

sneha

A. 'Vocht'; 'vloeistof'; 'nattigheid'. Grammatica: Mnl.

B. 'Verlangen'; 'liefde' (voor); 'genegenheid'. Variant: sineha. Grammatica: Mnl (+Loc).

C. 'Olie', 'vet'; 'zalf'. Grammatica: Mnl.

so

A.1 'Hij'; 'die persoon'; 'dat ding'.

A.2 ('nadrukkelijk gebruik'; 'verwijzend naar wat zojuist is gezegd'). Letterlijk: 'dat'.

B.1 'Als'; 'volgens'; 'door de manier van'; 'door middel van'.

B.2 'Door'; 'op x manieren'.

sobhana

'Verheven'; 'heilzaam'; 'zuiver'; zie bijvoorbeeld sobhana sādhāraṇa cetasika.

sobhana sādhāraṇa cetasika

'Heilzaam'; 'mooi'; 'zuiver' wordt genoemd in AbhS als staten van bewustzijn, behalve de onheilzame staten en die staten zonder wortel (ahetuka). Zie Tabel II; cetasika.

De corresponderende term in het gebied van onheilzaam bewustzijn is akusala sādhāraṇa cetasika.

sobhanakarana

'Dhamma deugden van hoog niveau'.

sofisme

Een sofisme is een spitsvondige redenering of drogreden. Het is een in formeel opzicht onjuiste redenering, met de bedoeling de tegenstander in een discussie om de tuin te leiden.

soka

'Verdriet'. Bekijk de definitie van verdriet in D22.

somanassa

'Mentaal aangenaam gevoel'; 'gelukkig gevoel'; 'vreugde gevoel'; 'vreugdevol gevoel'. Zie vedanā.

soracca

'Bescheidenheid'; 'zachtmoedigheid'.

sota

A. 'Oor'. Zie ook āyatana B.

B. 'Stroom'. Bewustzijn is een stroom. Zie ook bhavaṅga sota.

sota samphassa

Letterlijk: 'oor contact', zie phassa.

sotapanna

'De in de stroom getredene'. Zie Sotapanna — De in de stroom getredene; ariyapuggala; saṁyojana; sotāpattiyaṅga; sotapannassa angani.

sotapannassa angani

'De kenmerkende kwaliteiten van een in de stroom getredene', zijn viervoudig:

  1. Onwrikbaar geloof in de Boeddha.
  2. Onwrikbaar geloof in de Dhamma.
  3. Onwrikbaar geloof in de Saṅgha (voor deze drie, zie aveccappasāda).
  4. Perfecte moraliteit (de vijf regels (pañcasīla) van moreel gedrag perfect naleven).

Verklaard in A05-015; S55-001 en in D33. In S47-008 en in Net worden deze vier kwaliteiten genoemd samen met de 'inleidende voorwaarden voor de in de stroom getredene' (sotāpattiyaṅga).

sotāpatti

Sotāpatti betekent letterlijk 'de stroom ingaan'; 'het in de stroom treden'. Oftewel: het edele Pad opgaan (Ariya Aṭṭhaṅgika Magga). (Sotapanna staat voor degene die dat gerealiseerd heeft, namelijk 'de in de stroom getredene'.) Zie sotapanna; ariyapuggala.

sotāpattimagga

'Het pad van het in de stroom treden'. Zie ariyapuggala; magga; phala; lokuttara.

sotāpattiphala

'De vruchten van het in de stroom treden'. Zie ariyapuggala; magga; phala; lokuttara.

sotāpattiyaṅga

'De 4 (inleidende) voorwaarden voor het in de stroom treden' (om sotāpatti te realiseren), zijn: 1. gezelschap van goede mensen (sappurisasaṁseva); 2. het leren van de Dhamma (pariyatti); 3. wijze overwegingen (yonisomanasikāra); 4. in overeenstemming met de Dhamma leven/beoefenen (patipatti).

S55-005; D33. Zie ook sotapannassa angani; Theorie en praktijk gaan samen; Neerzitten en dagelijkse activiteiten.

Nummer 2 is in principe gelijk aan dhammasavaṇa, maar deze term moet eerder worden gezien in het licht van verdienstelijke daden (puñña kiriya vatthu).

sotaviññāṇa

'Oorbewustzijn' oftewel 'horen'.

sotāyatana

'Basis van het oor'. Zie āyatana B.

Srassati

Rivier de Srassati. Geen toelichting.

standaard canonieke tekst

In toespraken (sutta's) komen vaak 'standaard canonieke teksten' voor. Vroeger werden toespraken mondeling overgedragen en daarom werden standaarddelen gebruikt zodat de monniken het makkelijker konden onthouden.

Omdat in de Sutta Piṭaka vaak standaard canonieke teksten verschijnen, worden deze ook in STI zoveel mogelijk aangehouden. Deze standaarden worden in verschillende situaties gebruikt. Dit betekent dus dat er voor één standaard tekst vaak meerdere delen variabele teksten in voorkomen. Dit is veel werk dat een grote zorgvuldigheid vereist, maar het komt de consistentie en daarmee de duideijkheid en zuiverheid ten goede.

stress

Zie Wat is stress en hoe kom je er vanaf?

stupa

'Heiligdom'. Dit kan een groot of klein object zijn ter nagedachtenis aan de Boeddha, een belangrijke discipel van de Boeddha of aan een bepaalde gebeurtenis. Voor arahats wordt doorgaans een stupa opgericht zodat de mensen er hun respect kunnen betuigen. Respect voor de arahat is het hoogste respect. Zie abhivādanā.

subbupadhi patinissagga

'Het opgeven van alle substraten'. 'Substraten' staat hier voor de voedingsbodem van het bestaan. Zie ook upadhi; patinissagga.

subha

A. 'Zuiver'; 'mooi'; 'aantrekkelijk'. Het tegenovergestelde van asubha.

B. 'Aangenaam'.

C. 'Wenselijk'; 'aantrekelijk'; 'epitheton van Nibbāna'. Het bestaan daarentegen is onwenselijk. Want geboorte (jāti) leidt tot ouderdom (jara), dood (maraṇa) en dus lijden (dukkha) hetgeen een ongewenste situatie is.

subhakiṇṇadevā

'De glorierijke goden'. Zie deva.

subhaṁ

Constructie: subha + aṁ.

subhanimitta

Zie nimitta D.

subject

Het subject verwijst naar jezelf. Het subject is het belangrijkste object van meditatie. Dat is omdat lijden en het ophouden van lijden bij jezelf begint. De meeste mensen zijn extravert, maar omdat de geest de voorloper (manopubbaṅgama) is van alle dingen, is boeddhisme vooral introvert gericht.

subjectief

Wanneer iemand waarneemt waarbij zijn persoonlijkheid erbij betrokken is. Zie Van bewustzijn naar helder begrip.

sudassadevā

'De goden die mooi zijn om te zien'. Zie deva.

sudassīdevā

'De goden die het mooie zien'. Zie deva.

suddha vipassanāyānika

Zie sukkhavipassaka.

suddhavasa

De 'Zuivere Verblijven', is een groep van vijf hemelen die tot de fijnstoffelijke wereld (rūpaloka, zie loka; avacara) behoren, waar alleen de niet-terugkerenden (zie anāgāmī) worden geboren, en van waaruit zij arahatschap en Nibbāna verwezenlijken (Zie ariyapuggala; deva; saṁyojana). De namen van deze bewoners (de anāgāmī's die daar verblijven) van de Zuivere Verblijven zijn: Aviha; Attapa; Sudassa; Sudassi; Akaniṭṭha.

suddhi

'Zuiverheid'; 'epitheton van Nibbāna'.

sugata

A. 'Het gaat goed'; 'het loopt voorspoedig'; 'goed gedaan'; 'gelukkig'; 'die de bestemming heeft bereikt'. Letterlijk: 'goed gegaan'. Grammatica: Adj; van gata.

B. 'De gelukkige'; 'de succesvolle'; 'een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend'. Letterlijk: 'goed gegaan'. Grammatica: Adj; van gata.

C. 'Standaard'; 'algemeen aanvaard'; 'een indicatie dat een bepaalde maat met drie vermenigvuldigd moet worden'. Grammatica: Adj; in Sams; van gata. Letterlijk: 'goed gegaan'.

Het is een van de kenmerken van de Boeddha en een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend. Zie aveccappasāda; namen voor de Boeddha.

suggahita

A. 'Goed begrepen'; 'correct geïnterpreteerd'; 'goed geleerd'; 'op de juiste manier opgevat'. Antoniem: duggahita. Fonetische variant: suggahīta.

B. 'Stevig vastgegrepen'; 'stevig vastgehouden'. Letterlijk: 'goed begrepen'. Antoniem: duggahita. Fonetische variant: suggahīta.

C. 'Goed opgevat'. Letterlijk: 'goed begrepen'. Antoniem: duggahita. Fonetische variant: suggahīta.

suggahīta

Fonetische variant: suggahita.

suggahitatta

'Feit dat iets goed begrepen wordt'; 'feit dat iets op de juiste manier wordt opgevat'. Letterlijk: 'goed begrepen toestand'. Antoniem: duggahitatta.

suggati

Letterlijjk: 'Gelukkige koers' (van bestaan); 'gelukkige bestemming', d.w.z. de mensenwereld (manussa loka) en de hemelse werelden (devaloka). Zie ook gati.

sukha

'Aangenaam'; 'geluk'; 'plezierig'; 'vreugde'; 'zegening'. Het is een van de drie gevoelens (vedanā) en kan zowel lichamelijk als mentaal zijn. De teksten onderscheiden het geluk dat via de zintuigen wordt ervaren en het geluk dat voortkomt uit mentale verzaking, d.w.z. werelds (samisa) en niet-werelds (nirāmisa) geluk. Voor nadere uitleg, zie D22.11.

Geluk is een onontbeerlijke voorwaarde om concentratie van de geest te verwerven (samādhi) en daarom is het een van de vijf jhāna-factoren (jhānaṅga) om de meditatieve verdiepingen (jhāna's) te verwerven en is tot en met de 3e meditatieve verdieping aanwezig. "Het doel en het voordeel van geluk, Ānanda, is concentratie." A10-001. "In iemand die is vervuld met geluk, daar heeft juiste concentratie (sammāsamādhi) een fundament gevonden." A10-003.

Dubbele betekenis: geluk

De Pāḷi woorden pīti en sukha betekenen allebei o.a. geluk, maar zijn niet gelijk aan elkaar. Zie de uitleg bij pīti.

sukhabahula

'Buitengewoon comfortabel'; 'met veel goede eigenschappen'. Antoniem: dukkhabahula. Constructie: sukha + bahula.

sukhaṁ

sukhaṁ

Constructie: sukha + aṁ.

sukhavedanā

'Aangenaam gevoel' of 'gelukkig gevoel'. Zie vedanā; sukha.

sukhāya

'Gemak' (voor). Letterlijk: 'voor het gemak'. Antoniem: dukkhāya.

sukheti

'Maakt gelukkig'. Zie ook sukhita.

sukhita

'Gelukkig'; 'gezegend'; 'blij'.

sukka

A. 'Puur'; 'helder'. Antoniem: asukka; kaṇha; nissukka.

B. 'Goed'; 'positief'. Antoniem: asukka; kaṇha; nissukka.

C. 'Ster'; 'planeet Venus'. Letterlijk: 'helder'.

D. 'Sperma'; 'zaadcellen'. Synoniem: asuci; kara.

E. 'Wit'.

F. 'Deugd'.

sukkha

Dit is een commentaarterm en betekent letterlijk: 'droog'. Zie sukkhavipassaka.

sukkhavipassaka

'Iemand die alleen door inzicht ondersteund is'. Zie Sukkhavipassaka — Iemand die alleen door inzicht ondersteund is; vimutti.

sukkhavipassako

Zie sukkhavipassaka.

suṇāti

A. 'Hoort'. Grammatica: Tt; Trans (+Acg). Constructie: suṇā + ti. Variant: suṇoti.

B. 'Luistert' (naar). Grammatica: Tt; Trans (+Acg). Constructie: suṇā + ti. Variant: suṇoti.

Sundarika

Rivier de Sundarika. Geen toelichting.

suṇi

'Gehoord'. ✘

suññata

'Leeg'; 'leegheid'; 'leegte'.

A.

Als leerstellige term verwijst het in Theravāda uitsluitend naar de anatta leerstelling, d.w.z. de niet-substantieelheid van alle verschijnselen: "De wereld is leeg (...) omdat het leeg is van een zelf en alles wat tot een zelf behoort" (suññam attena va attaniyena va). S35-085 Ook vermeld in de zin van de vijf groepen van het bestaan (pañcupādānakkhandhā) in dezelfde tekst. Zie ook M043; M106.

In CNid (geciteerd in Vis 21: 55) wordt gezegd: "Oog (…) geest, visuele objecten (…) mentale objecten, visueel bewustzijn ... geestesbewustzijn, lichamelijkheid (…) bewustzijn, etc., zijn leeg van een zelf en van alles wat tot een zelf behoort; leeg van duurzaamheid en van alles wat blijvend, eeuwig of onveranderlijk is. Ze zijn kernloos: zonder een kern van duurzaamheid, of kern van geluk of kern van een zelf."

B.

In M121 is het de leegte van de geest vanwege de afwezigheid van bezoedelingen bij het bereiken van arahatschap, en beschouwt als het 'volledig gezuiverde en onvergelijkbaar hoogste (concept van) leegte'. Snp5-15.1119; M121; M122; PtsM 2: Suñña-katha; Vis 21: 53 e.v.

suññata cetovimutti

'De lege of de onbezette bevrijding van de geest'. Zie suññata; cetovimutti.

suññata vimokkha

'De leegte bevrijding'. Zie vimokkha; suññata.

suññatanupassanā

'Contemplatie van leegheid', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie suññata; vipassanā; suññata.

supatipanna

'Het goede pad volgen'; 'op het goede pad gekomen'. Het is een van de kenmerken van de Saṅgha. Zie aveccappasāda.

susanik'anga

Eén van de 13 dhutaṅga praktijken voor woudmonniken. Zie dhutaṅga.

sussusati

'Het willen horen'; 'betrokken willen zijn'; 'luisteren'; 'het bijwonen'.

suta

'Gehoord' (de Dhamma); 'geleerdheid'; 'dat wat is horen'. Zie ook dhammasavaṇa.

Suta is een van de 7 schatten (dhana).

Let op: suta niet verwarren met sutta.

suta mayā paññā

Zie paññā.

sutaṁ

Grammatica: van suta.

sutavā

'Met instructie'. Dit verwijst naar de geïnstrueerde edele discipel (ariyasāvaka) die de Dhamma kent.

De assutavā verwijst daarentegen naar de niet-geïnstrueerde wereldling (puthujjana) die de Dhamma niet kent.

Zonder kennis van de Leer, zonder de juiste instructies, kunnen wij niet oefenen oftewel het boeddhisme in praktijk brengen. Zie pariyatti.

sutta

'Toespraak'; 'leerrede'; 'heilige tekst'; Letterlijk: 'draad'. Toespraken kun je bereiken via de Sitemap (Sutta Piṭaka).

Zie ook de lijst van de negen soorten sutta's.

sutta piṭaka

'Mand van de toespraken'. Zie Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

suttanta

Zie sutta.

sutvā

'Gehoord hebben'; 'geluisterd hebben' (naar).

svākkhāta

'Goed uiteengezet'; 'goed verkondigd'; 'goed gepredikt'. Het is een van de kenmerken van de Dhamma. Zie aveccappasāda.

svakkhato bhagavatā dhammo

Een van de kenmerken van de Dhamma. Zie aveccappasāda.

synoniem

Zie Componenten en beleid bij het woordenboek.

synthese

De synthetische methode is een redeneringsproces dat gericht is op het begrijpen van een concept door middel van analyse en synthese van de samenstellende delen. Het doel is om een geheel te reconstrueren op basis van de elementen die door de analyse worden onderscheiden. Dit proces is analytisch, omdat het verder gaat dan het louter mechanische en de essentie van kennis op een georganiseerde en met voorbedachten rade manier comprimeert. Het is een krachtig pedagogisch instrument dat kritisch denken, creativiteit en de autonomie van leerlingen stimuleert.

t

ta

A.1 'Dat'.

A.2 (Gram) letter t.

A.3 (Gram) primair achtervoegsel gebruikt voor het vormen van voltooid deelwoorden en zelfstandige naamwoorden.

A.1 'Zij'; 'die' (vrouwen). Grammatica: Pron; Vrl Nom Mv van ta.

A.2 'Die'; 'hen' (vrouwen). Grammatica: Pron; Vrl Acg Mv van ta.

B.1 (Gram) 'toestand van'; 'idee van'; 'begrip van'; 'feit van'. Grammatica: Suffix; Vrl; Abstr.

tacchaka

'Timmerlieden'. Zie Dhp080 — De novice monnik Paṇḍita.

tadanga pahāna

'Overwinnen door de tegenstelling', is een van de 5 pahāna's, zie daar.

tadarammana

'Registreren', is een van de 14 functies van bewustzijn (viññāṇakicca). Letterlijk 'dat object' of 'dat als object hebben'. Zie tadarammana citta.

tadarammana citta

'Registrerend bewustzijn' (zie Tabel I 40-49; 56) is het laatste stadium in het gehele proces van bewustzijn (cittavīthi), zie viññāṇakicca, direct voordat het in het onderbewustzijn afdaalt. Het komt niet voor in het bewustzijn van de verdiepingen (jhāna) en ook niet in het bovenwereldse bewustzijn, maar alleen bij grote of duidelijke objecten van de zintuiglijke sfeer (kāmāvacara).

tadeva

'Juist dat'; 'datzelfde ding'; 'precies datzelfde ding'.

tadevidaṁ

Grammatica: van tadeva.

tadino

'Stabiele personen'. Zie Dhp096 voor meer uitleg en gerelateerde informatie.

taṁ

A.1 'Het'; 'dat'. Grammatica: Pron; Ozn Nom Ev van ta.

A.2 'Hem'; 'haar'; 'iemand'; 'die persoon'; 'dat ding'. Grammatica: Pron; Mnl Vrl & Ozn Acg Ev van ta.

B.1 'Jij' (object). Grammatica: Pron; 2P Acg Ev van tvaṁ.

taṁ kissa hetu

'Waarom is dat zo?'; 'wat is daar de oorzaak van?'; 'waardoor komt dat?'

tamatagge

'De hoogste vorm'. Zie D16.2.26, 2e alinea. Zie de eindnoot in '(…) zij zijn het die het hoogste zullen bereiken indien zij verlangend zijn om te leren.'

tamayoga

'Band van duisternis'.

tampi

'Dat ook'; 'hij ook'; 'zelfs dat'; 'precies dat'; 'datzelfde'. Antoniem: yampi.

tāṇatā

'Toevluchtsoord'; 'beschutting'; 'verdediging'; 'bescherming (in)'. Letterlijk: 'beschermingsstaat'.

taṇhā

'Begeerte'; 'hebzucht'; 'hartstocht'; 'zelfzucht'; 'hunkering'; 'dorst'. Synoniem: raga; lobha; abhijjhā; kāma. Zie Taṇhā — Algemene info over begeerte; diṭṭhi; asava.

Zie ook Samudaya — De hoofdoorzaak van lijden; Taṇhā — De drie vormen van begeerte; chattiṁsā sota.

taṇhākkhaya

'Uitblussing van hunkering (begeerte)'. Zie ook āsavakkhayañāṇa.

taṇhākkhayo

Zie taṇhākkhaya.

taṇhānaṁ khayamajjhagā

Letterlijk: 'het ophouden van begeerte bereikt', hetgeen Nibbāna is, het hoogste doel binnen het boeddhisme. Zie Gahakārakaṁ — Het ontdekken van de huizenbouwer.

taṇhānissaya

'Fundament voor begeerte'; 'grondslag voor begeerte'; 'basis voor willen'. Constructie: taṇhā + nissaya.

taṇhānissaya sīla

'Moraliteit met begeerte as fundament'. Constructie: taṇhā + nissaya + sīla.

taṇhānissita

'Gebaseerd op begeerte'. Constructie: taṇhā + nissita.

taṇhānissita sīla

'Moraliteit gebaseerd op begeerte'. Constructie: taṇhā + nissita + sīla.

taṇhāsama

'Vergelijkbaar met begeerte'. Zie Dhp251 — De vijf lekenvolgelingen met de vijf verschillende interesses.

taṇhāsaṁyojana

'De keten van begeerte'.

tanhavicarita

'Gedachtestromen van begeerte'. Constructie: taṇhā + vicarita. Zie chattiṁsā taṇhāvicarita.

taṇhāvicaritani

'Gedachtestromen van begeerte' oftewel 'gedachtekanalen van begeerte'. Zie chattiṁsā taṇhāvicarita.

tañhi

'Dat werkelijk'; 'dat absoluut zeker'; 'dat inderdaad'. Constructie: taṁ + hi.

tapo

'Zelfbeheersing'; 'controle', 'religieuze oefening'. Het te boven komen van hebzucht (lobha) en haat (dosa) door de controle op de zintuigen (indriyasaṁvara sīla) en het te boven komen van luiheid en traagheid (zie pañcanīvaraṇa) door het opwekken van energie (zie padhāna).

tappati

'Kwelling'; 'berouw'. De kwelling waar hier naar wordt verwezen, is de mentale kwelling vanwege de herinnering aan de kwade daden die iemand heeft begaan. Tappati kan worden vertaald als 'branden'. De herinnering aan een kwade daad leidt tot zelfkwelling dat een soort van branden is. Dit is de situatie waarin Devadatta zich bevond.

Zie o.a. Dhp017. Ook kukkucca komt hier dichtbij.

tasina

'Begeerte'; 'dorst'. Synoniem: taṇhā. Zie Dhp338-343 — De jonge zeug; chattiṁsā sota.

tasmātiha

'Daarom'; 'vandaar'.

tassa

A. 'Aan hem'; 'voor hem'; 'aan dat'; 'voor dat'.

B. 'Van dat'; 'zijn'; 'ervan'.

C. 'Toen hij'; 'toen het'. Letterlijk: 'van dat'.

D. 'Daarom'; 'aldus'; 'zo'; 'vanwege dat'; 'met betrekking tot dat'. Letterlijk: 'van dat'.

tatha

A. 'Waar'; 'echt'; 'werkelijk'. Synoniem: nippariyāya. Antoniem: atatha; vitatha. Constructie: tathā + a. Grammatica: Adj; van tathā. Variant: tatiya; tathiya; taccha.

B. 'Waarheid'; 'werkelijkheid'. Grammatica: Ozn; van tathā. Constructie: tathā + a. Antoniem: atatha.

tathā

'Zo'; 'aldus'; 'op die manier'; 'eveneens'; 'op dezelfde wijze'.

tathāgata

'Hij die zo gegaan is'; 'hij die bij de waarheid is aangekomen'; 'hij die de dingen begrijpt zoals ze zijn en niet anders'. Constructie: tathā + gata / tatha + āgata. Grammatica: Mnl; Sam. Samenstelling: kammadhāraya (tathā + gata). Dit woord gebruikte de Boeddha meestal als hij naar zichzelf verwees. Zie Namen en titels voor de Boeddha.

Tathāgata bhāsita

'Gesproken door de Tathāgata'. Tathāgata + bhāsita.

tathāhaṁ

(Net) 'zoals ik'; 'zoals ik'; 'als ik'.

tatiyajjhāna

'3e meditatieve verdieping'. Zie jhāna.

tato

A. 'Daaruit'; 'van hem'.

B. (Vergelijkend) 'dan dat'; 'meer dan dat'. Letterlijk: 'van dat'.

C. 'Van daaruit'; 'van toen'; 'vandaar'.

D. 'Daarom'; 'daarop'; 'daardoor'; 'vanwege dat'; 'daarna'. Letterlijk: 'van dat'.

E. 'Daarna'; 'vervolgens'. Letterlijk: 'van dat'.

F. (Gram) 'daarna'. Letterlijk: 'van dat'.

tatra

A. 'Daar'; 'op díe plaats'.

B. 'In dat geval'; 'in dat opzicht'; 'in deze kwestie'; 'in dit verband'.

tatramajjhattatā

Tatramajjhattatā (letterlijk: 'in het midden blijven bij alle dingen') is de naam voor een hoge ethische kwaliteit die tot de groep van saṅkhāra's behoort en staat veelal bekent onder de naam upekkha. In de meest brede zin gaat het samen met alle soorten van zuiver bewustzijn. Zie cetasika; Tabel II.

Het heeft als kenmerk dat het strekt tot evenwichtigheid van bewustzijn en de mentale factoren. Als aard (functie rasa): dat het buitensporigheden en tekortkomingen voorkomt, of dat het een einde maakt aan partijdigheid. Als manifestatie: 'dat het het waardige midden aanhoudt'. Vis 14.

Voor meer, zie upekkha.

tavaṁ

Synoniem: tuvaṁ.

tāvatiṁsa

'Hemel van de drieëndertig'.

Het is een van de zes hemels van de zintuiglijke sfeer: (kāmāvacara) of (kāmaloka) is de sfeer waarin wij leven. Zie deva.

In de Tāvatiṁsa hemel predikte de Boeddha de Abhidhamma tot zijn moeder die zeven dagen na Siddhatta's geboorte was gestorven en in de Tusita hemel als een man was wedergeboren. Zij (hij dus), kwam naar de Tāvatiṁsa hemel om naar de leerrede te luisteren. Zie ook Dhp181; Snp4-16.

Het is ook de Tusita hemel waar de Bodhisatta verbleef voordat hij naar deze wereld afdaalde en waar momenteel de toekomstige Boeddha Metteyya verblijft.

tāvatiṁsadevā

'De drieëndertig goden'. Zie deva; tāvatiṁsa.

te

A.1 'Zij'; 'die'. Synoniem: ne. Grammatica: Pron; Mnl Nom Mv van ta.

A.2 'Hen'; 'die'. Synoniem: ne. Grammatica: Pron; Mnl Acg Mv van ta.

B.1 'Jij'; 'aan jou' (object). Synoniem: tavaṁ; taṁ; tuvaṁ. Grammatica: Pron; 2P Acg Ev van tvaṁ.

B.2 'Door jou'. Synoniem: tayā. Grammatica: Pron; 2P Instr Ev van tvaṁ.

B.3 'Voor jou'; 'aan jou'. Synoniem: tava; tuyhaṁ. Grammatica: Pron; 2P Dat Ev van tvaṁ.

B.4 'Jouw'; 'van jouw'. Synoniem: tava; tuyhaṁ. Grammatica: Pron; 2P Gen Ev van tvaṁ.

B.5 'Wanneer je'. Synoniem: tava; tuyhaṁ. Grammatica: Pron; 2P Gen Ev van tvaṁ; Gen Abs.

te vijjā

'Drievoudige kennis'. Zie Te vijjā — De drievoudige kennis; abhiññā.

tecivarik'anga

Eén van de 13 dhutaṅga praktijken voor woudmonniken. Zie dhutaṅga.

tehi

A. 'Met hen'; 'met die'; 'door hen'.

B. 'Dan hen'; 'van hen'.

tejo

Zie tejo dhātu; dhātu.

tejo dhātu

'Vuurelement' oftewel 'hitte' is een van de 4 grote elementen, zie dhātu.

tena

A. 'Met hem'; 'door hem'; 'daarmee'; 'daardoor'. Letterlijk: 'daardoor'; 'daarmee'.

B. 'Daardoor'; 'vanwege dat'; 'om die reden'. Letterlijk: 'daardoor'; 'daarmee'.

C. 'Daar'.

tenupasaṅkami

'Daarheen gegaan'; 'naar die plek toe gegaan'.

tenupasaṅkamiṁsu

Grammatica: van tenupasaṅkami.

tepi

'Ook zij'; 'en ook die'.

tesaṁ

A. 'Voor hen'; 'aan hen'.

B. 'Hun'; 'van deze'; 'van hen'.

C. 'Wanneer zij'; 'wanneer deze'.

thāmas

A. 'Uithoudingsvermogen'; 'kracht'; 'standvastigheid'; 'veerkracht'; 'standvastigheid'. Grammatica: Mnl; Abstr; mano groep; van tiṭṭhati.

B. 'Hardnekkigheid; 'starheid'; 'koppigheid'. Variant: māna. Grammatica: Mnl; Abstr; mano groep; van tiṭṭhati.

thāmasā

'Koppig'; 'hardnekkig'. Letterlijk: 'met starheid'.

thambha

A. 'Pilaar'; 'paal'; 'kolom'. Letterlijk: 'steun'.

B. 'Trapleuning'; 'baluster'.

C. 'Stijfhoofdigheid'; 'koppigheid'. Letterlijk: 'stijf'. Een van de bezoedelingen van de geest. Zie upakkilesa.

D. 'Verlamming'; 'stijfheid'; 'bevroren zijn'. Letterlijk: 'stijf'.

thera

Deze term is van toepassing op monniken die minstens tien jaar vanaf hun hogere inwijding (upasampada) in de Saṅgha verblijven. Thera betekent letterlijk 'goed gegrondvest', d.w.z. iemand die mentaal sterk en stabiel is. In het Nederlands wordt deze term meestal vertaald als 'ouderling'. Een monnik die twintig jaar in de Saṅgha voltooid heeft, wordt een Maha Thera genoemd (Grote Ouderling of Grote Eerwaarde).

theragāthā

'Verzen van de monniken'. Thag00-000 — Verzen van monniken — Theragāthā; Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

theravāda

'Leer van de ouderlingen', het oorspronkelijke boeddhisme. Wordt aangetroffen in Sri Lanka, Birma, Thailand, Cambodja, Laos, Chittagong (Oost Bengalen) en — dankzij www.sleuteltotinzicht.nl — steeds meer in Nederland. De tekst in de Theravāda traditie is het Pāḷi.

Zie ook Waarom Sleutel tot Inzicht?; dhammavinaya.

therī

Therī verwijst naar een non, zie bhikkhuni.

therigāthā

'Verzen van de nonnen'. Thig00-000 — Verzen van nonnen — Therigāthā; Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

thina

'Luiheid'. Zie thina middha. Luiheid is een van de immorele mentale factoren, zie cetasika; Tabel II.

thina middha

'Luiheid en traagheid' vormen samen een van de 5 hindernissen (pañcanīvaraṇa). Thina betekent luiheid van geest, dat wil zeggen, de dofheid van het bewustzijn van de geest bij het aanschouwen van een object. Middha betekent traagheid van de mentale aspecten, dat wil zeggen, de dofheid van de vermogens van de verscheidene mentale factoren zoals contact, gevoel, etc., zodat ze slecht samen functioneren. Luiheid en traagheid zijn al dan niet in verband te brengen met bewustzijn van een hebzuchtige aard.

Beide behoren tot de immorele mentale factoren. Zie cetasika; Tabel II.

thitassa aññatattam

'Verandering van toestand'. Zie saṅkhatalakkhaṇa.

ti

A. Htw drie (3).

B. (Einde van directe spraak). Grammatica: Onb; in Sams; Afk van iti.

C. (Gram) verbale uitgang van de tegenwoordige tijd 3e persoon enkelvoud. Grammatica: Ve; Mnl.

ti saraṇagamana

'Het nemen van de drievoudige toevlucht'. Zie Hoe word ik een echte boeddhist?

De Boeddha wilde dat wij dhammānuvattī's zijn, d.w.z. iemand die de Leer beoefent. Zie patipatti.

tihetu paṭisandhika

Zie paṭisandhi C.

tika

Tika (subcommentaren) verwijst naar een categorie boeddhistische literatuur die is goedgekeurd door het zesde boeddhistische concilie. De Tika's zijn meestal geschreven in de eerste helft van het tweede millennium, deels door Singalese monniken en deels door Birmezen.

tikicchati

'Geneest'; 'heelt'. Synoniem: viruhati. Constructie: ConstructieUitgesteld. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

tikoṭiparisuddha

'Puur in drie aspecten'. Het betreft hier drie omstandigheden waarin het eten van vlees is toegestaan. Zie Maṁsabhojana — Het eten van vlees.

tilakkhaṇa

'Drie kenmerken'; 'drie eigenschappen'. Zie Tilakkhaṇa — De drie kenmerken van het bestaan; pañcupādānakkhandhā; saṅkhatalakkhaṇa; dukkhatā.

tipiṭaka

'Drie korven' of ' drie manden'. De boeddhistische Pāḷi canon waarin alle teksten zijn opgetekend. Deze bestaat uit drie hoofdsecties: 1. regels (vinaya piṭaka); 2. toespraken (Sutta Piṭaka); 3. hogere Leer (abhidhamma).

Voor een uitgebreid overzicht, zie Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

tiracchana yoni

'Het dierenrijk'. Zie deva.

tirana pariñña

'Volledig begrijpen door onderzoek', zie pariñña.

tiratana

'Drie Juwelen', d.w.z.: de Boeddha, de Dhamma, en de Saṅgha. Zie ti saraṇagamana.

titikkhati

Zie khamati.

tiṭṭhati

A. 'Staat'.

B. 'Blijft'; 'leeft (in).

C. 'Blijft'; 'blijft bestaan'; 'duurt voort'. Letterlijk: 'staat'.

D. 'Bestaat'. Letterlijk: 'staat'.

titthāyatana

'De drie aanklachten van sektarisch geloof'. Zie Titthāyatana — De drie aanklachten van sektarisch geloof; diṭṭhi.

Zie ook het deel Kamma van de sectie Inzicht meditatie.

tividha sikkhā

'Drievoudige training'. De training die de leerlingen van de Boeddha dienen te ondergaan, is drievoudig: 1. de training in hogere moraliteit (adhisīlasikkhā); 2. de training in hogere mentaliteit (adhicittasikkhā), zie ook adhicitta; en 3. de training in hogere wijsheid (adhipaññāsikkhā).

Deze drievoudige training (tividha sikkhā) verwijst naar de 3 divisies of groepen van het Achtvoudige Pad (Ariya Aṭṭhaṅgika Magga) van moraliteit (sīla), concentratie (samādhi) en wijsheid (paññā).

Zie ook Tividha sikkhā — De drievoudige training; Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

tradities

Het aanhangen van een traditie is een gewoonte uitvoeren die doorgeven is van de ene generatie op de andere. Hoewel een traditie ook een positieve kant kan hebben, hecht een discipel van de Boeddha niet aan tradities omdat dit gewoontepatronen oftewel conditionering in de hand werkt. Je doet dan iets omdat een ander dat ook doet waardoor je jezelf laat meeslepen door de massa. Zo kun je niet echt jezelf zijn. In de ware beoefening van het boeddhisme zijn al je acties spontaan, niet vooropgezet, niet beïnvloed of aangezet door andere dingen (asaṅkhārikacitta), maar komen ze recht uit je hart.

tu

A. 'Echter'; 'maar'; 'liever'; 'in plaats van'.

B. (Gram) werkwoordelijke uitgang van de imperatief 3e persoon enkelvoud.

tulam atulañca sambhavam

Letterlijk: 'De meetbare en onmeetbare producerende oorzaak (van het leven)', d.w.z. de wilshandeling die wedergeboorte veroorzaakt in de zintuiglijke sfeer of in de fijnstoffelijke en de onstoffelijke sferen (zie avacara).

tumha

'Jij'. Grammatica: Pron; Basis van tvaṁ.

tumhe

A. 'Jullie allemaal'.

B. (Object) 'jullie allemaal'.

C. (Koninklijk meervoud) 'jullie'. Letterlijk: 'jullie allemaal'.

D. (Object) (koninklijk meervoud) 'jullie'. Letterlijk: 'jullie allemaal'.

tumhepi

'Zelfs jullie allemaal'. Constructie: tumhe + api.

tuṇhībhūta

'Stil'; 'onbeweeglijk'; 'stom'. Letterlijk: 'werd stil'.

tuṇhībhūtaṁ

Grammatica: van tuṇhībhūtaṁ.

tuṇhībhūto

Grammatica: van tuṇhībhūta.

tusita

Een van de zes hemels van de zintuiglijke sfeer: (kāmāvacara) of (kāmaloka) is de sfeer waarin wij leven. Zie deva.

Het is de Tusita hemel waar de Bodhisatta verbleef voordat hij de baarmoeder van zijn moeder binnenging. Ook de toekomstige Boeddha Metteyya verblijft momenteel in deze sfeer.

De moeder van de Boeddha, Mahāmāyā, stierf enkele dagen na zijn geboorte en werd als een man wedergeboren in de Tusita hemel. Zie ook Tāvatiṁsa.

tusitādevā

'De tevreden goden'. Zie deva.

tuvaṁ

A. 'Jij'. Grammatica: Pron; 2P Nom Ev van tvaṁ.

B. 'Gij'; 'jij' (object). Synoniem: tavaṁ; taṁ; te. Grammatica: Pron; 2P Acg Ev van tvaṁ.

tvaṁ

A. 'Jij' (subject). Synoniem: tumhe; tuvaṁ. Grammatica: Pron; 2P Nom Ev van tumha.

B. 'Jij' (object). Synoniem: tavaṁ; tumhe; tuvaṁ; te. Grammatica: Pron, 2P Acg Ev van tumha. Fonetische variant: taṁ.

u

ubhato bhaga vimutta

'De op beide manieren bevrijdde'. Zie Ubhato bhaga vimutta — De op beide manieren bevrijdde; vimutti.

ucca

A. 'Hoog'; 'lang'.

B. 'Edele'; 'onderscheidend'; 'eminent'; 'verlicht'. Letterlijk: 'hoog'.

uccesu

Grammatica: van ucca.

ucchedadiṭṭhi

'Van mening zijn dat alles vernietigd wordt', oftewel het nihilisme. Het komt overeen met de 'hunkering naar niet-bestaan' (vibhavataṇhā) hetgeen door de Boeddha is aangewezen als één van de drie begeerten die de oorzaak van lijden zijn.

Sassatadiṭṭhi en ucchedadiṭṭhi zijn extreme opvattingen over persoonlijkheid (sakkāyadiṭṭhi) die door de Boeddha zijn verworpen.

Zie Taṇhā — De drie vormen van begeerte; Diṭṭhi — Speculatieve opvattingen, bron van verkeerde en kwade aspiraties.

ucchedavada

'Leer van vernietiging', oftewel het nihilisme. Zie diṭṭhi; taṇhā.

ucchindati

Zie chindi.

udaka

A. 'Water' Grammatica: Ozn.

B. 'Levend in water'; 'gerelateerd aan water'.Synoniem: SynoniemUitgesteld. Grammatica: Adj. Variant: udakacara.

C. 'Sap'; 'drankje'. Grammatica: Ozn.

udakacara

(Iemand) 'die zich in het water beweegt of leeft'; 'waterdier'.

udāna

A. 'Verheven, gewichtige of inspirerende uitspraak'; 'een van de negen soorten sutta's'. Letterlijk: 'ademhalen'.

B. 'Het 3e boek van de Khuddaka Nikāya'. Letterlijk: 'ademhalen'.

udapadi

'Verrijzen'; 'verschijnen'; 'ontstaan'.

udayabbaya

'Ontstaan en verdwijnen' van de vijfvoudige totale ervaringswereld, namelijk de vijf aggregaten (pañcupādānakkhandhā). Zie Dhp113 — De eerwaarde non Patacara — Van diepe ellende tot verlichting.

udayabbayam

Zie udayabbaya.

udayabbayanupassanañāṇa

'Kennis bestaande uit de contemplatie van ontstaan en verdwijnen', is een van de 9 soorten van inzicht-kennis die de zuivering vormen door kennis en visie van het pad-voortgang'. Voor details, zie visuddhi 6.1. Zie ook udayabbaya.

uddhacca

'Rusteloosheid'; 'opwinding'; 'beroering'; 'verwarring' van geest wanneer een object aanschouwd wordt. Zie Uddhacca — Rusteloosheid; Onverstoorbaarheid en geluk.

uddhaccakukkucca

'Rusteloosheid en bezorgdheid', zijn samen een van de 5 hindernissen (pañcanīvaraṇa). Beide behoren tot de immorele mentale factoren. Zie cetasika; Tabel II.

Zie ook de afzonderlijke beschrijving uddhacca en kukkucca.

uddhaṁbhāgiya

'Behorende tot het bovenste deel'. Letterlijk: 'verbonden met het bovenste deel'. Zie o.a. uddhaṁbhāgiya saṁyojana.

uddhaṁbhāgiya saṁyojana

'Hogere banden' (de banden 6-10). Zie saṁyojana.

Constructie: uddhaṁbhāgiya + saṁyojana.

uddhamsota aka nittha gami

'Iemand die stroomopwaarts gaat naar de hoogste goden', is een van de 5 niet terugkerenden, zie anāgāmī.

uggahanimitta

'Verkregen beeld', een staat van concentratie. Zie kasiṇa; samādhi; nimitta.

uggaheti

'Begrijpen'; 'de betekenis overnemen'.

ujukata

'Oprechtheid'; 'rechtvaardigheid'; 'eerlijkheid' kan van 2 soorten zijn:

Het zijn twee mentale factoren die samengaan met al het heilzame bewustzijn.

Zie cetasika; Tabel II.

Zie ook rechtvaardigheid.

ujuppatipanna

'Het oprechte pad volgen'; 'op het oprechte pad gekomen'. Het is een van de kenmerken van de Saṅgha. Zie aveccappasāda.

ukkhittacitta

Zie khittacitta.

uḷāra

A. 'Uitmuntend'; 'verheven'; 'hoog'; 'edel'.

B. 'Enorm'; 'uitgebreid'.

uḷārapāmojja

'Groot geluk ervaren' (van); 'vol vreugde zijn' (in). Constructie: uḷāra + pāmojja.

ummāda

'Waanzin'; 'krankzinnigheid'. Synoniem: ummattaka; cittakkhepa.

ummatta

'Gek'; 'krankzinnig'; 'gestoord'; 'waanzinnig'. Letterlijk: 'dronken'. Grammatica: Vdw van ummajjati.

ummattaka

A. 'Gek'; 'gestoorde'; 'dwaas'. Grammatica: Mnl; van ummatta.

B. 'Waanzin'; 'krankzinnigheid'. Synoniem: ummāda; cittakkhepa. Grammatica: Ozn; van ummatta

C. 'Gek'; 'waanzinnig'; 'gestoord'. Synoniem: vimāna. Antoniem: anummattaka. Grammatica: Adj; van ummatta

upacāra javana

'Impulsmoment van inleiding'. Zie javana; javana citta.

upacārasamādhi

'Nabijheid-concentratie' of 'toegang-concentratie'. Zie kasiṇa; samādhi; nimitta.

upacaya

A. 'Hoop' (stapel); 'ophoping'. Letterlijk: 'dichtbij verzamelen'.

B. 'Groei van materie'. Letterlijk: 'dichtbij verzamelen'.

Zie ook rūpassaupacaya.

upacchedaka

'Afsnijden'; 'stoppen'; 'vernietigen'. Letterlijk: 'dichtbij snijden'. Grammatica: Adj; van upachindati.

upacchedaka kamma

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, B.4.

upacchindati

Zie chindi.

upādā

A. 'Vasthouden' (aan); 'grijpen' (aan); 'hechten'; 'vastklampen'; 'in bezit nemen' (van). Letterlijk: 'dichtbij brengen'. Synoniem: upādāya; ajjhosa; ajjhosāyauggayha. Antoniem: anupādā.

B. 'Secundair'; 'afgeleid'; 'accessoire'. Letterlijk: 'dichtbij brengen'.

upādāna

A. 'Brandstof' (voor vuur). Letterlijk: 'in de buurt brengen'. Antoniem: anupādāna; pariyādāna.

B. 'Hechten'; 'grijpen'; 'vastgrijpen'; 'zich vastklampen'; 'verwerven'; 'zich toe-eigenen'; 'in bezit nemen'; 'identificeren'. Letterlijk: 'in de buurt brengen'. Antoniem: anupādāna.

Zie ook Upādāna — Hechten; paṭiccasamuppāda.

C. 'Met brandstof'; 'brandstof hebbend'. Letterlijk: 'in de buurt brengen'. Antoniem: anupādāna.

upādānakkhandha

'Groepen van hechten'. Zie pañcupādānakkhandhā.

upādārūpa

'Afgeleide lichamelijkheid' betekent de 24 secundaire lichamelijke verschijnselen die afhankelijk zijn van de 4 fysieke elementen, namelijk de zintuigen en zintuig objecten. Zie pañcupādānakkhandhā.

upādāya

A. 'Nemen'; 'oppakken'; 'vastgrijpen' (op); 'in bezit nemen' (van). Letterlijk: 'dichtbij brengen'. Synoniem: uggayha; samuggahāya. Antoniem: anupādā; anupādāya; nānupādāya. Variant: upādā.

B. 'Afgeleid' (van); 'afhankelijk' (van); 'gebaseerd' (op). Letterlijk: 'dichtbij brengen'. Antoniem: anupādāya.

C. 'Vanwege' (hetzelfde); 'omdat' (hetzelfde); 'met betrekking tot'. Letterlijk: 'dichtbij brengen'. Antoniem: adhikicca.

D. 'Overeenkomstig' (met); 'volgens' (dat). Letterlijk: 'dichtbij brengen'.

E. 'Vergeleken' (met); 'in vergelijking' (met). Letterlijk: 'dichtbij brengen'.

upādāyarūpa

'Afgeleide materialiteit' (van).

upadhi

'Basis gehechtheden'; 'substratum of voedingsbodem van het bestaan'. Zie Upadhi — Basis gehechtheden; viveka; nirūpadhi; āyūhana.

upadhiviveka

Zie viveka; upadhi.

upādi

Letterlijk: 'Iets dat iemand vastgrijpt, waaraan hij zich hecht'. Zie Upādi — Iets dat iemand vastgrijpt.

upādisesa

'Overblijfsel van het vastgrijpen'; 'resterende brandstof van het bestaan'. Antoniem: anupādisesa. Constructie: upādi + sesa.

upaga

A. 'Op weg naar'; 'gaan naar'; 'naderend'. Letterlijk: 'in de buurt komen'.

B. 'Ervaren'; 'leven in'; 'ondergaan'; 'hebben'; 'met'. Letterlijk: 'in de buurt komen'.

C. 'Geschikt voor'; 'passend voor'. Letterlijk: 'in de buurt komen'.

D. 'Verdergaan'; 'voortgaan'; 'verder reizen' (naar een nieuw bestaan). Letterlijk: 'in de buurt komen'.

Opmerking: normaal ūpaga in Sams.

upaghātakakamma

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, B.4.

upahaccaparinibbāyī

'Iemand die het Nibbāna bereikte nadat hij in de tweede helft van zijn leven is', is een van de 5 niet terugkerenden, zie anāgāmī.

upajjhaya

'Spirituele leraar'; 'leermeester'; 'meester'. Zie ook acariya.

upakaraka mitta

Een van de gedefinieerde goede vrienden. Zie mitta.

upakkilesa

'Bezoedelingen'; 'geest-bezoedelingen'; 'onvolkomenheden'; 'onvolmaaktheden'; 'onheilzame kwaliteiten'; 'onheilzame staten van de geest'. Zie Upakkilesa — De zestien bezoedelingen.

Zie ook het deel Bezoedelingen van de sectie Inzicht meditatie.

upanaha

'Wrok'; 'vijandigheid'. Een van de bezoedelingen van de geest. Zie upakkilesa.

upanissayapaccaya

'Doorslaggevende ondersteunende voorwaarde' oftewel 'direct aansporende voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

upanitavayo

'Het einde van de levensspanne'. Zie Dhp235-238 — De zoon van de slachter.

upapajjati

A. 'Wordt geboren'; 'wordt herboren' (in); 'herrijst' (in). Letterlijk: 'gaat naar'. Synoniem: nibbattati. Antoniem: cavati. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

B. 'Verschijnt'; 'ontstaat'. Letterlijk: 'gaat naar'. Synoniem: uppajjati; nibbattati; pabhavati; vuppajjati; sañjāyati; samudayati; samudeti. Antoniem: cavati. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

C. 'Is geschikt'; 'is aanvaardbaar'; 'is toelaatbaar'. Letterlijk: 'gaat naar'. Synoniem: khamati. Grammatica: Tt; Intrans.

Varianten upapajjati: uppajjati; uppajajati

upapajjavedanīyakamma

'Kamma dat rijpt bij de volgende geboorte'. Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, A.2.

Zie ook uppajjati.

upaparikkhanta

'Verkennen'; 'bekijken'; 'onderzoeken'; 'inspecteren'; 'navragen' (naar). Letterlijk: 'overal in de buurt kijken'. Synoniem: pavicinanta; vicinanta; vīmaṁsamāna; volokenta; samannesanta; vīmaṁsamāna; samanvesanta. Antoniem: anupaparikkhanta. Grammatica: Tdw van upaparikkhati; Trans (+Acc).

upaparikkhati

'Verkent'; 'bekijkt'; 'onderzoekt'; 'inspecteert'; 'doet navraag'; 'kijkt' (naar). Letterlijk: 'kijkt rondom in de buurt'. Synoniem: upadhāreti; upavicarati; oloketi; paṭivicarati; pavicarati; pavicinati; vicāreti; vicināti; vīmaṁsati; samannesati; samanvesati. Antoniem: anupaparikkhanta. Grammatica: Tt; Trans (+Acc).

upapatti

'Wedergeboorte'. Letterlijk: 'het ene bestaan na het andere'.

upapattibhava

Het door kamma voortgebrachte 'wedergeboorte proces' of 'regeneratie proces'. Upapatti = 'het ene bestaan na het andere'. Zie Upapattibhava — Het wedergeboorteproces in alle eenvoud; kamma; bhava; uppajjati; paṭiccasamuppāda.

upapīḷaka kamma

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, B.3.

upārambha

'Kritiek'; 'beschuldiging'; 'veroordeling'; 'conflict'.

upārambhānisaṁsa

'Met het doel te debatteren'; 'ter wille van de argumentatie'. Constructie: upārambha + ānisaṁsa. Zie o.a. M022.10.

upasaka

'Lekenvolgeling van de Boeddha'. Letterlijk: 'zit dichtbij', d.w.z. een lekenvolgeling is een volgeling die vervuld is met geloof en die zijn toevlucht heeft genomen in de Boeddha, de Dhamma en in de gemeenschap van edele discipelen. Zijn deugdzaamheid wordt als zuiver beschouwd als hij de 5 voorschriften volgt (zie pañcasīla; sikkhāpada). Hij moet de volgende verkeerde manieren van levensonderhoud vermijden: handel in wapens; handel in levende wezens; handel in vlees; handel in alcohol en vergif (A05-177). Zie ook A08-075.

(Upasaka is man, upasika is vrouw).

upasama

'Vrede'; 'kalmte'; 'rust'; 'stilte', d.w.z. de vrede van Nibbāna. Het is een van de fundamenten van de arahat, zie adhiṭṭhāna. Zie ook upasamānussati. Antoniem: anupasama.

Zie ook vūpasama.

upasamānussati

'Het bespiegelen van de vrede van Nibbāna', is de laatste van de 10 bespiegelingen (anussati, zie daar). "Wat er ook voor dingen zijn, monniken, het hoogste daarvan is onthechting (viraga), dat wil zeggen, de vernietiging van eigendunk, het stillen van de dorst, de ontworteling van hechten, het doorbreken van de ronden van geboorten, opheffing van hunkering, onthechting, uitblussing, Nibbāna." A04-034. Zie ook bhāvanā.

upasamati

'Is opgehouden'; 'is uitgedoofd'.

Zie ook upasama.

upasaṁhita

'Verbonden met'; 'gepaard gaand met'; 'bezitten'.

upasampada

'Hogere inwijding'. Letterlijk: 'accepteren'. Het is de volle inwijding van een bhikkhu of bhikkhuni. Zie ook pabbajjā.

upasaṅkamitvā

'Naderbij gekomen zijn'; 'gegaan zijn'; 'in de buurt gekomen zijn' (van).

upasanta

'Totale sereenheid'; 'innerlijke kalmte'. Zie santi.

upasantassa

'Gekalmeerd van binnen'. Zie santi.

upasika

'Vrouwelijke lekenvolgeling'. Zie ook upasaka.

upativatta

'Voorbij gegaan'; 'overschreden'.

upatthambhaka kamma

Zie Kamma — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen, B.2.

upaṭṭhapeti

A. 'Past toe'; 'oefent uit'. Letterlijk: 'Oorzaken om dichtbij te staan'.

B. 'Bereidt voor'; 'zet op'; 'maakt gereed'. Letterlijk: 'Oorzaken om dichtbij te staan'.

C. 'Zorgt ervoor dat iemand zich ermee bezighoudt'; zorgt ervoor dat er (een dokter) komt en er behandeld kan worden'. Letterlijk: 'Oorzaken om dichtbij te staan'.

upayasa

'Wanhoop'; 'turbulentie', 'verdrukking', 'onrust', 'verstoring', 'onrustige toestand'. Bekijk de definitie van wanhoop in D22.

upekkha

'Gelijkmoedigheid', ook wel tatramajjhattatā genoemd, is een ethische kwaliteit die tot de groep van saṅkhāra's behoort (zie pañcupādānakkhandhā) en moet daarom niet verward worden met 'neutraal of gelijkmoedig gevoel' (adukkhamasukhavedanā) hetgeen soms ook upekkha wordt genoemd, zie upekkhāvedanā.

Gelijkmoedigheid is een perfecte, onwankelbare balans van de geest, geworteld in inzicht. Voor de ontwikkeling van upekkha is ten eerste het juiste begrip van kamma noodzakelijk (dat daden gevolgen hebben) en ten tweede het juiste begrip van de drie kenmerken (tilakkhaṇa). Dit zijn twee belangrijke voorwaarden voor juist begrip (sammādiṭṭhi), de 1e factor van het Achtvoudige Pad. Juist begrip, wijsheid (paññā) of inzicht (vipassanā) of helder begrip (sampajañña), is de bevrijdende factor. Upekkha is aanwezig vanaf de 4e meditatieve verdieping (jhāna).

Voor een gedetailleerde uitleg over upekkha (en de andere verheven staten), zie Brahmavihāra bhāvanā — De meditatieve ontwikkeling van de vier verheven staten.

Upekkha is (o.a.) een van de 4 verheven bewustzijnsstaten oftewel de 'onbegrensde sferen', zie brahmavihāra, een van de 7 factoren van verlichting (bojjhanga), en een van de 10 pāramitā's.

Upekkha wordt als tatramajjhattatā opgesomd in Tabel II. Zie ook cetasika.

Zie Vis 4, 156 e.v.

upekkha brahmavihara

'Gelijkmoedigheid van de verheven sferen', 'evenwichtigheid van geest', is een andere naam voor tatramajjhattatā. Zie upekkha.

upekkha sambojjhaṅga

'Verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid'. Zie upekkha.

upekkhāpāramī

'Perfectie van gelijkmoedigheid'. Zie pāramitā; upekkha.

upekkhāsukha

'Gelijkmoedig geluk', is het gevoel van geluk dat gepaard gaat met een hoge graad van gelijkmoedig gevoel (upekkhāvedanā) zoals bijvoorbeeld in de 3e meditatieve verdieping, zie jhāna.

upekkhāvedanā

Letterlijk: 'Neutraal gevoel of gelijkmoedig gevoel', is gelijk aan 'noch onaangenaam noch aangenaam gevoel'. Het kan ook 'onverschilligheid' impliceren. Soms ook 'gelijkmoedigheid' genoemd, maar moet dan niet verward worden met upekkha. Raadpleeg vedanā voor een overzicht van de soorten gevoelens.

Let op! Gelijkmoedig gevoel of neutraal gevoel wordt soms onvolledig vertaald door alleen het Pāḷi woord upekkha te gebruiken. Dit is een onvolkomenheid in de Abhidhamma. Op STI wordt dan upekkhāvedanā gebruikt.

Zie ook vedanā; upekkhindriya.

upekkhindriya

'Het vermogen van neutraal gevoel', is een van de 5 elementen van gevoel (vedanā, zie indriya) en moet daarom niet worden verward met de ethische kwaliteit 'gelijkmoedigheid' (upekkha).

uposatha

Letterlijk: 'vasten', dat wil zeggen, 'vastendag', is de dag van volle maan, de nieuwe maan, en de twee dagen van het eerste en laatste kwartier. Op volle maan en nieuwe maan wordt de disciplinaire code, de patimokkha, voor de bij elkaar gekomen monniken voorgelezen, terwijl op de vier genoemde maan-dagen veel van de gelovige lekenvolgelingen de kloosters bezoeken. Daar nemen zij dan de 8 regels in acht (aṭṭtha sīla).

Zie ook

uposatha sīla

'Regels van moraliteit'.

Zie ook

uppada

'Opkomen'. Zie saṅkhatalakkhaṇa.

uppajajati

Zie upapajjati.

uppajjanti

Zie uppajjati.

uppajjati

A. 'Ontstaat'; 'herrijst'; 'tevoorschijn komen'; 'gebeurt'; 'vindt plaats' (voor of in). Letterlijk: 'gaat omhoog'. Synoniem: upapajjati; nibbattati; pabhavati; vuppajjati; sañjāyati; samudayati; samudeti. Antoniem: nuppajjati; nirujjhati; pahīyati. Grammatica: Tt; Intrans (+Dat of +Loc).

B. 'Wordt herboren' (in); 'herrijst' (in); 'in het bestaan komen'. Letterlijk: 'gaat omhoog'. Synoniem: upapajjati; nibbattati. Antoniem: nuppajjati; nirujjhati. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

C. 'Wordt beschikbaar' (voor); 'komt ten goede' (aan); 'duikt op' (voor). Letterlijk: 'gaat omhoog'. Antoniem: nuppajjati. Grammatica: Tt; Trans (+Acg).

D. 'Is houdbaar' (als stelling). Grammatica: Tt.

Varianten uppajjati: uppajjanti; upapajjati; uppajjatīti; uppajjati'ti

uppajji

Zie nibbatti.

uppanna

A. 'Ontstaan'; 'verschenen'; 'tot stand gekomen' (in). Letterlijk: 'omhooggegaan'. Synoniem: uṭṭhita; pahūta; sañjāta. Antoniem: anuppanna. Grammatica: Vdw van uppajjati (+Loc).

B. 'Geboren' (in). Letterlijk: 'omhooggegaan'. Antoniem: anuppanna. Grammatica: Vdw van uppajjati (+Abl).

uppannaṁ

Grammatica: van uppanna.

usmīkata

'Warm worden'; 'een sprankje begrip aanwakkerde'; 'bijna begrijpen'; 'in de buurt'. Letterlijk: 'warm gemaakt'.

usmīkato

Grammatica: van usmīkata.

usmīkatopi

Constructie: usmīkata + pi.

ussada

'Beletsels'; 'belemmeringen'. Deze zijn: 1. hebzucht (lobha); 2. haat (dosa); 3. begoocheling (moha); 4. eigendunk (māna); en 4. meningen (diṭṭhi).

usukara

'Pijlmakers'. Zie Dhp080 — De novice monnik Paṇḍita.

utrāsa

'Angst'; 'terreur'; 'vrees'. Letterlijk: 'beven'. Synoniem: uttāsa; darasantāsa.

utthana sampada

'De volbrenging van volharding in inspanning'. Het is een voorwaarde voor wereldse vooruitgang die de Boeddha adviseert voor lekenvolgelingen. Zie A08-054.

utu niyama

'Fysieke gebeurtenissen'.

Komt Dit item wordt z.s.m. uitgewerkt.

v

va

A.1 'Zoals'; 'als'.

B.1 'Zelfs'; 'precies deze'; 'juist dit'.

B.2 'Zodra'.

C.1 'Of'.

D.1 (Gram) 'letter v'; '37e letter van het alfabet'; 'dento-labiale halfklinker'.

vācā

'Spraak'; 'woorden'

vacana

A. 'Woord'; 'uitspraak'; 'gesprek'; 'verklaring'. Letterlijk: 'spreken'. Synoniem: bhāsita. Antoniem: avacana. Grammatica: Ozn; van vacati.

B. 'Zeggen'; 'vermelden'; 'uitdrukken' (van). Antoniem: avacana. Grammatica: Ozn; Act; van vacati (+Gen).

C. 'Term'; 'uitdrukking'; 'zin'. Letterlijk: 'spreken'. Synoniem: adhivacana. Grammatica: Ozn; van vacati.

D. 'Bevelen'; 'zoals men zegt'. Letterlijk: 'spreken'. Antoniem: avacana. Grammatica: Ozn; Act; van vacati.

E. (Gram) 'grammaticaal getal'; 'enkelvoud of meervoud'. Letterlijk: 'spreken'. Grammatica: Ozn; van vacati.

vacanena

Grammatica: Ozn Instr Ev van vacana.

vacati

'Spreekt'.

vacī

A. 'Verbaal'; 'met spraak'. Grammatica: Adj; in Sams; van vacati.

B. 'Spraak'; 'woorden'. Synoniem: vācā.

vacī duccarita

'Slecht gedrag via de spraak'. Zie duccarita.

vacī parama

Een van de gedefinieerde slechte vrienden. Zie mitta.

vacī viññatti

'Verbale uitdrukking'. Zie viññatti.

vacīkamma

'Wilshandelingen via de spraak'. Zie kammapatha; kamma.

vacīsaṅkhāra

A. 'Verbale formaties' (in de geest); 'gedachten in taal'; 'interne dialoog'; 'innerlijke stem'; 'mentale voorloper van spraak'. Constructie: vacī + saṅkhāra.

B. 'Intentie die resulteert in verbale handeling'. Constructie: vacī + saṅkhāra.

Zie ook saṅkhāra A.

vada

'Spreken'; 'wie praat'.

vadati

A. 'Zegt'; 'spreekt'; 'vertelt' (aan).

B. 'Betwist'; 'argumenteert'; 'debatteert'. Letterlijk: 'spreekt'.

C. (Van een muziekinstrument) 'speelt'; 'maakt geluid'. Letterlijk: 'spreekt'.

D. 'Adviseert'; 'instrueert'. Letterlijk: 'spreekt'.

E. (Van een tekst) 'zegt'; 'bedoelt'. Letterlijk: 'spreekt'.

vadeyya

'Zou zeggen'; 'kon spreken'; 'kon vertellen'. Grammatica: Opt 3P Ev van vadati; Trans (+Acg).

vado

Grammatica: van vada.

vagga

A. 'Verdeeld'; 'verdeeldheid zaaiend'; 'conflicterend'; 'onenig'; 'onvolledig'. Antoniem: samagga.

B. 'Groep'; 'partij'; 'factie'. Synoniem: pakkha. Antoniem: samagga.

C. 'Hoofdstuk'; 'sectie'. Synoniem: kaṇḍa. Antoniem: samagga.

D. 'Dissociatie'; 'scheiding'. Antoniem: samagga.

E. (Gram) (van medeklinkers) 'set'; 'groep'; 'klasse'; 'reeks'. Antoniem: samagga.

vahini

A. 'Leger'. Vaak bedoelt als Māra's leger. Zie Māra.

B. 'Rivier'.

vajiram iva

'Zoals een diamant'. Zie Dhp161 — Mahakala de lekenvolgeling.

vajirasana

'De Diamanten Zetel', de plaats die gemarkeerd is waar de Boeddha de verlichting bereikte, achter de Maha Bodhi Tempel in Bodh Gaya.

vajjadassinam

'Iemand die er de fouten uithaalt', zie vajjadassinam; niggayhavadim.

vajjadassinam; niggayhavadim

'Iemand die er de fouten uithaalt; iemand die berispt'. Zie Leraar en leerling.

Zie ook Dhp076 — De eerwaarde Radha.

vaṁ

Grammatica: Mnl Acg Ev van va.

vandana

Zie hulde.

vaṇṇavant

'Mooi'; 'knap'. Letterlijk: 'met een mooie uitstraling'.

varado

Een epitheton dat aan de Boeddha werd toegekend. Zie namen voor de Boeddha.

varianten

Zie Componenten en beleid bij het woordenboek.

vassa

'Regenseizoen'. Het regenseizoen begint halverwege juli (asalha) en duurt tot midden november (assayuga). In India kent men drie jaargetijden: regenseizoen (vassa), winter (hemanta) en het hete seizoen (gimhāna).

vata

A.1 'Oh!'; 'oh nee!'; 'oh jee!'; 'wauw!'. Synoniem: abhummeahovatā. Grammatica: Onb; Uitr.

A.2 'Zeker'; 'vast en zeker'; 'inderdaad'; 'helaas'. Synoniem: addhā; apiekantena; kāmaṁkhu; kho; nissaṁsayaṁ; nissaṁsayena; nuna; nūnasudaṁ; have. Grammatica: Onb; Nad.

B.1 'Religieuze plicht'; 'spirituele praktijk'; 'rituele naleving'; 'gelofte'. Antoniem: abbata. Grammatica: Ozn.

B.2 'Een religieuze praktijk ondernemen'; 'een spirituele praktijk hebben'; 'een rituele naleving uitvoeren'. Antoniem: abbata. Grammatica: Adj.

vatta

A.

'Ronden'. Met verwijzing naar de paṭiccasamuppāda spreekt Vis 17 over 3 ronden:

1. De karmische ronde (kammavaṭṭa) bestaande uit de kamma formaties en het kamma proces (kammabhava) (2e en 10e link).

2. De ronde van bezoedelingen (kilesavaṭṭa) bestaat uit onwetendheid (avijjā), begeerte (taṇhā) en hechten (upādāna) (1e, 8e en 9e link).

3. De ronde van gevolgen (vipāka vatta) bestaat uit bewustzijn (viññāṇa), het mentale en lichamelijke (nāmarūpa), de 6 bases (āyatana B.), indruk oftewel contact (phassa), gevoel (vedanā) (link 3-7).

Voor de links, zie paṭiccasamuppāda, diagram.

B.

'Ronden van geboorten'. De ronden van geboorten = samsara.

vattati

'Om te komen'; 'door te gaan'; 'uit te vaardigen'; 'resultaat te behalen'. Zie A04-199 — Taṇhā Sutta — Begeerte — De verstrikker en de ideeën van ik.

vatthu

A. 'Land'; 'eigendom'; 'grond'; 'locatie'. Letterlijk: 'grond'.

B. 'Locatie'; 'basis'; 'grond'. Letterlijk: 'grond'.

C. 'Zaak'; 'affaire'; 'geval'. Letterlijk: 'grond'.

D. 'Verhaal'; 'geval'; 'voorbeeld'; 'instantie'. Letterlijk: 'grond'.

E. 'Ondersteuning'; 'hulp'. Letterlijk: 'grond'.

F. 'Basis'; 'grond' (voor). Letterlijk: 'grond'.

G. 'Fysieke basis'; 'hartbasis'. Letterlijk: 'grond'.

H. 'Object'; 'ding'; 'substantie'. Letterlijk: 'grond'.

vatthukāma

A. 'Object van verlangen', de 5 zintuigobjecten.

Constructie: vatthu + kāma.

B. 'Met een object van verlangen'.

Constructie: vatthu + kāma.

vatthukamma

'Ritueel voor het wijden van land'. Constructie: vatthu + kamma.

vaṭṭupaccheda

'Het doorbreken van de cyclus van het bestaan'; 'het verbreken van de cyclus van wedergeboorte'.

vaya

'Vergaan'; 'verdwijnen'; 'voorbij gaan'. Zie saṅkhatalakkhaṇa.

vayadhamma

'Het vergaan van dingen', is een samenstelling van vaya en dhamma.

vayama

'Inspanning'. Is identiek aan (viriya).

vayamati

'Strijden'; 'streven'; 'zichzelf inspannen'. Het is afgeleid van vayama.

vayānupassanā

'Contemplatie van het vergaan' of 'verdwijnen', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; vaya.

vayo

Zie vayo dhātu; dhātu.

vayo dhātu

'Windelement' oftewel 'beweging' is een van de 4 grote elementen, zie dhātu.

vedalla

'Vragen en antwoorden'; 'catechismus'; 'een van de negen soorten sutta's'. Letterlijk: 'uit elkaar gesplitst worden'.

vedana

'Met gevoelde ervaring'; 'met een gevoel'; 'met een gevoelstoon'. Letterlijk: 'iets doen weten'. Opmerking: Niet verwarren met vedanā.

vedanā

'Gevoel'; 'gewaarwording'. Letterlijk: 'waardoor men weet'. Zie Vedanā — Algemene info over gevoelens.

vedanākkhandha

'Groep van gevoel'. Zie pañcupādānakkhandhā.

vedanānupassanā

'Indachtigheid van gevoelens', is een van de vier fundamenten van indachtigheid. Zie de rubriek Indachtigheid van gevoelens — Vedanānupassanā op Satipatthana — De meditatie van indachtigheid.

vedaniya

'Kan worden gevoeld'; 'ervaarbaar'; 'tastbaar'. Letterlijk: 'voelbaar'. Variant: vedanīya.

vedanupādānakkhandha

'Aggregaat van het hechten aan gevoel'. Zie pañcupādānakkhandhā.

vedayita

Deze term duidt op het tijdelijke wereldse geluk dat enkel het gevolg is van de bevrediging van een zintuiglijk verlangen.

Zie ook saññāvedayitanirodha.

vedeyya

'Die weet'; 'die voelt'; 'die ervaart'.

vedeyyo

Grammatica: Mnl Nom Ev van vedeyya.

veditabba

'Wat zelf ervaren moet worden'; 'wat bekend moet zijn'; 'wat moet worden begrepen'. Het is een van de kenmerken van de Dhamma. Zie aveccappasāda.

Veditabbo viññūhi

Een van de kenmerken van de Dhamma. Zie aveccappasāda.

vehapphaladevā

'De goden van grote beloning'. Zie deva.

vereenzelven

Zie zelfidentificatie.

vereenzelviging

Zie zelfidentificatie.

vergaren

Mensen zijn heel goed in het vergaren hetgeen een grote ballast vormt. Het blokkeert op een ernstige manier de weg naar innerlijke vrijheid. Het is dan ook belangrijk hierop geattendeerd te worden.

In het hoofdstuk Vergaren is de betekenis in meerdere perspectieven uitgelegd en wordt ervoor gewaarschuwd. Door de gehele sectie Inzicht meditatie heen leer je het vergaren te voorkomen zodat de weg naar innerlijke vrijheid vrijgemaakt wordt.

vesak

Vesak is de dag van volle maan in mei waarop de geboorte, de verlichting en het sterven van de Boeddha wordt herdacht. In een schrikkeljaar valt Vesak in juni. Deze viering wordt Vesak genoemd omdat het de naam is van de maand mei in de Indiase kalender. Vesak is de belangrijkste boeddhistische viering. Het is niet een uitbundig feest, maar een viering waarin een serene en harmonieuze sfeer heerst. Mensen gaan met bloemen en kokosolie (brandstof voor de kandelaars) naar de tempel en betuigen er respect aan de Boeddha. De verschillende aanduidingen voor deze bijzondere dag zijn: Sri Lanka (Singalees): Vesak; India: Buddha Jayanti; In het Pāḷi: Vesakha; In het Sanskriet: Vaisaka.

vesakha

Zie vesak.

veyyākaraṇa

A. 'Antwoord'; 'reactie'; 'respons'.

B. 'Gedetailleerde uiteenzetting'; 'een van de negen soorten sutta's'.

C. 'Grammaticus'; 'taalkundige'; 'syntacticus'.

D. 'Grammaticale analyse'; 'uitleg'; 'exegese'; 'commentaar'.

E. 'Uitlegger'; 'verklaarder'; 'toelichter'.

veyyavacca

'Service verlenen', is een van de 'bases van verdienstelijke daden' (puñña kiriya vatthu).

vibhava

'Niet-bestaan'. Zie bhava; taṇhā.

vibhavataṇhā

'Hunkering naar niet-bestaan'; 'hunkering naar niet-worden'. Zie Taṇhā — De drie vormen van begeerte; taṇhā.

vibhavati

'Houdt op te bestaan'; 'wordt vernietigd'. Antoniem: bhavati. Grammatica: Tt; Neg; Intrans.

vibhoti

'Houdt op'; 'verdwijnt'; 'verwelkt'; 'houdt op te bestaan'. Synoniem: antaradhāyati; nirujjhati. Variant: vibhavati. Grammatica: Tt; Intrans.

vicara

'Aanhoudende gedachten'; 'redenerend denken'. Haar functie is om de geest verbonden te houden met het object (door overweging, beschouwing, etc.). Het heeft een onderzoekende functie. Zie de rubriek Toelichting jhāna-factoren op Jhānaṅga — Jhāna factoren die de vijf hindernissen opruimen.

Zie ook

vicarati

'Beweegt zich rond'; 'zwerft rond'; 'dwaalt rond' (in). Letterlijk: 'beweegt zich rond'.

vicarita

A. 'Rondzwervend'; 'rondtrekkend'. Letterlijk: 'rondbewogen'. Grammatica: Ozn; Vdw van vicarati.

B. 'Rondgegaan'; 'rondgedwaald'. Letterlijk: 'rondbewogen'. Grammatica: van vicarati.

vicikiccha

'Sceptische twijfel'. Zie Vicikiccha — Twijfel.

viditvā

A. 'Ontvangen'; 'gekregen hebben'. Grammatica: Abs van vindati; Trans (+Acg).

B. 'Gekend hebben'; 'waargenomen hebben'; 'begrepen hebben'. Synoniem: jānitvā; ñatvā; ñatvāna; mutvā; viditvāna; saññatvā. Grammatica: Abs van vindati; Trans (+Acg).

vigatapaccaya

'Verdwijningsvoorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

vihara

'Verblijfplaats'. Er zijn 3 verblijven: 1. de hemelse verblijfplaats (dibba vihara); 2. de goddelijke verblijfplaats (brahmavihāra); 3. de edele verblijfplaats (ariyavihāra). Zie A. 3: 63; D. 33.

viharati

Vaak wordt een tekst aangetroffen als: '(…) tijdens die gelegenheid verblijft een monnik terwijl hij het lichaam beschouwt als een lichaam (…)' of '(…) en hij verblijft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast.'

Deze term heeft meerdere betekenissen. Vibh:

Poseert (iriyati); beweegt (vattati); bewaakt (paleti); volhardt (yapeti); gaat door (yapeti); leeft (carati); verblijft (viharati).

Tena vuccati 'viharati' ti.
Vanwege dit wordt er (meestal) 'verblijft' gezegd.

vihesa

'Schadelijkheid'; 'gewelddadigheid'; 'wreedheid'. Het is de tegenstelling van ahiṁsā.

vihiṁsāsankappa

'Gedachten van gewelddadigheid, kwelzucht', is een van de drie verkeerde gedachten. Het is de tegenstelling van avihiṁsāsaṅkappa.

Ga naar de beschrijving van juiste gedachten op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

vihiṁsāvitakka

'Gedachten van gewelddadigheid'. Zie vitakka.

vijānana

'Gewaarzijn'; 'het kennen' (van een object). Zie Vijānana — Gewaarzijn; sampajañña; Van bewustzijn naar helder begrip; saccañāṇa; patipatti; pariyatti.

vijānanalakkhaṇa

'Kenmerk van het kennen'; 'kwaliteit van het begrijpen'.

vijānatā

'Door degene die het weet'. Letterlijk: 'door te weten'.

vijānataṁ

'Voor hen die het weten'; 'voor hen die het begrijpen'.

vijānāti

A. 'Bevat'; 'begrijpt'; 'herkent'; 'onderscheidt'; 'is zich bewust' (van).

B. 'Leert'.

vijānato

'Voor iemand die het weet'; 'voor iemand die het begrijpt'. Letterlijk: 'omdat hij het weet'.

vijāni

'Kende'; 'begreep'; 'waarnam'; 'herkende'.

vijāniya

'Weten'; 'begrijpen'; 'waarnemen'; 'herkennen'.

vijaññaṁ

'Ikzelf kan het begrijpen'; 'ikzelf zou het kunnen begrijpen'.

vijaya

'Overwinning'.

vijinati

Zie jinati.

vijjā

'Ware kennis'; 'hogere kennis'; 'ontdekking'. Zie ook passati; vijānana.

vijjācaraṇa

'Kennis en gedrag'.

Deze uitdrukking verschijnt in die passages in de sutta's waar de kwaliteiten van de Boeddha zijn beschreven. Zie aveccappasāda

Volgens Vis 7 en D03, verwijst kennis (vijjā) in deze naar de drievoudige kennis (te vijjā) of naar de 8 soorten van kennis, namelijk:

Gedrag (carana) in deze verwijst naar 15 dingen:

vijjācaraṇasampanna

'Perfect in kennis en gedrag'. Het is een van de kenmerken van de Boeddha. Zie vijjācaraṇa; aveccappasāda.

vijjāpārisuddhipadhāniyaṅga

'De inspanning voor zuiverheid van hogere kennis'.

vikkhambhanappahāna

'Het te boven komen door uitschakeling of opschorting', is een van de 5 pahāna's, zie daar.

vikkhittacitta

'De afgeleide geest'. Dit verwijst naar de rusteloze staat van de geest (uddhacca). Dit impliceert ook gejaagdheid, wispelturigheid, steeds met iets anders bezig willen zijn, etc. Zie ook avikkhittacitta.

vikubbana iddhi

'De kracht van transformatie', zie iddhi.

vimamsa

'Onderzoek'.

vīmaṁsasamādhi

'Concenratie van onderzoek'.

Zie ook iddhipāda.

vīmaṁsāsamādhi

'De concentratie m.b.t. onderzoek'.

Zie ook iddhipāda.

vīmaṁsasamādhipadhānasaṅkhārasamannāgata

'Concentratie van onderzoek bestaande uit het samengaan met inspanning'. Constructie: vīmaṁsasamādhi + padhānasaṅkhārasamannāgata. Fonetische variant: vīmaṁsāsamādhippadhānasaṅkhārasamannāgata; vīmaṁsāsamādhipadhānasaṅkhārasamannāgata.

Zie ook iddhipāda.

vimāna

A.1 'Minachting'; 'verachting'; 'arrogantie'. Letterlijk: 'iemand ertoe aanzetten om anders te denken'.

A.2 'Hoogmoed'; 'zelfmeting'; (Com) 'hoogmoed vanwege wedergeboorte' (in een hogere kaste). Grammatica: Ozn; van māna; Caus.

B.1 'Paleis'; 'herenhuis'; 'verblijf'.

vimānavatthu

'Verhalen van de verblijven'. Zie Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon.

vimānesu

Grammatica: van vimāna.

vimokkha

Zie Vimokkha — Fasen en manieren van bevrijding; jhāna.

vimokkha mukha

'De drievoudige poort van bevrijding'. Zie vimokkha.

vimutta

A. 'Bevrijd'; 'onafhankelijk'; 'vrijgelaten'; 'geëmancipeerd' (van).

B. 'Bevrijd' (door); 'bevrijd' (van); 'geëmancipeerd' (door).

C. 'Vastberadenheid'; 'doel'; 'gefocust'; 'vastberaden'; 'vastbesloten' (op).

D. (Gram) fenomenaal uitgesproken met open mond. Letterlijk: 'bevrijd'.

vimuttacitta

'De bevrijde geest'. Zie ook cetovimutti; D22.

vimuttassa

'Volledig bevrijd'.

vimutti

'Bevrijding'. Zie Vimutti — Bevrijding; viraga; cetovimutti; paññāvimutti; ubhato bhaga vimutta; sukkhavipassaka; vimuttiñāṇadassana; kāyasakkhī.

vimuttiñāṇadassana

'De kennis en het begrijpen van de bevrijding' (dat de bevrijding een feit is). Zie ook A10-001; vimutti.

vimuttipārisuddhi

'Zuivering van bevrijding'. Constructie: vimutti + pārisuddhi.

vimuttipārisuddhipadhāniyaṅga

'Een factor die gerelateerd is aan het streven naar de zuivering van bevrijding'. Constructie: vimuttipārisuddhi + padhāniyaṅga.

Zie ook pārisuddhipadhāniyaṅga.

vimuttisukha

'Zegen der bevrijding'.

vināsa

'Verwoesting'; 'ruïnering'; 'verlies'. Letterlijk: 'verdwijning'. Synoniem: kaliggaha. Grammatica: Mnl, van vinassati.

vinassati

A. 'Vergaat'; 'wordt vernietigt'.

B. 'Verdwijnt'; 'gaat weg'.

vinaya

'Discipline'; 'regels'. Zie vinaya piṭaka.

vinaya piṭaka

'Mand van de regels'. Vinaya betekent discipline in gedachten, woord en daad. Het commentaar spreekt over twee soorten van discipline: die van de huishouder — hetgeen onthouding is van de tien immorele handelingen (akusalakammapatha) — en die van de monnik, hetgeen het zich houden is aan de regels die staan opgesomd in de patimokkha (de code van de regels voor monniken) of de 'viervoudige morele zuiverheid' (catupārisuddhisīla).

Zie ook Tipiṭaka, de boeddhistische Pāḷi Canon; dhammavinaya.

vindati

A.1 'Vindt'; 'krijgt'; 'verwerft'. Synoniem: adhigacchati; ādeti; āpajjati; pappoti.

A.2 'Geniet'; 'ondergaat'; 'ervaart'. Letterlijk: 'vindt'. Synoniem: anubhavati; nigacchati; paccanubhoti; paṭisevati; phussati.

vinicchaya

'Oordeel; 'besluit'; 'proces (rechtbank)'; 'onderscheid'.

vinipata

'Verdoemenis'. Letterlijk: 'de weg naar verdoemenis'. Zie o.a. M135; M136.

viññāṇa

'Bewustzijn'. Zie Viññāṇa — Algemene info over bewustzijn; Van bewustzijn naar helder begrip.

Zie ook mano.

viññāṇakicca

'Functies van bewustzijn'. Zie Viññāṇakicca — Functies van bewustzijn; Van bewustzijn naar helder begrip.

viññāṇakkhandha

'Groep van bewustzijn'. Zie Tabel I; pañcupādānakkhandhā.

viññāṇaṁ

Grammatica: van viññāṇa.

viññāṇañcāyatana

'Sfeer van oneindig bewustzijn'.

viññāṇañcāyatanūpagadevā

'De goden van de sfeer van oneindig bwustzijn'. Zie deva.

viññāṇanti

Constructie: viññāṇaṁ + iti.

viññāṇasota

'Stroom van bewustzijn'.

viññāṇassa

Grammatica: van viññāṇa.

viññāṇupādānakkhandha

'Aggregaat van het hechten aan bewustzijn'. Fonetische variant: viññāṇūpādānakkhandha. Zie pañcupādānakkhandhā.

viññāṇūpādānakkhandha

Fonetische variant: viññāṇupādānakkhandha.

viññāta

A. 'Bekend'; 'begrepen'; 'doorgrond'.

B. 'Wat bekend is'; 'waarvan men zich bewust is'; 'wat waargenomen wordt'. Letterlijk: 'bekend'.

viññātaṁ

Grammatica: viññāta.

viññatti

'Aanduiden'. Letterlijk: 'bekend maken'. Het is een Abhidhamma term voor lichamelijke uitdrukking (kāyaviññatti) en verbale uitdrukking (vacī viññatti) die beide tot de lichamelijke groep behoren (zie pañcupādānakkhandhā). Deze worden geproduceerd door de gelijktijdig ontstane wil. Echter, kāyaviññatti en vacī viññatti op zich zijn puur fysiek en moeten niet verward worden met kamma hetgeen meer het mentale gebied behelst.

"Men spreekt over 'lichamelijke uitdrukking' omdat het een intentie bekend maakt door middel van lichamelijke beweging, en kan begrepen worden door de lichamelijke beweging waarvan gezegd wordt dat het lichamelijk is. 'Verbale uitdrukking' wordt zo genoemd omdat het een intentie bekend maakt door middel van een spraak geproduceerd geluid." (Vis 14)

Zie ook M044 vanaf §13.

viññū

'Intelligent'; 'geleerd'; 'wijs'; 'een wijs persoon'. Zie Viññū — Intelligentie; carita; viññūhi.

Zie ook Dhp065 — De dertig monniken van Patheyyaka.

viññūhi

'De wijzen'. Zie ook viññū; paṇḍitavedaniyo; paṇḍitaṁ.

vipāka

'Kamma gevolg'; 'het resultaat van kamma'.

Dit is elk karmisch (moreel) onbepaald, mentaal fenomeen (bijvoorbeeld een lichamelijk aangenaam of pijnlijk gevoel, zintuigbewustzijn, etc.) hetgeen het resultaat is van heilzame of onheilzame wilshandelingen via het lichaam, de spraak of de geest, dat begaan is in dit, of in een vorig leven. Overeenkomstig het boeddhisme is het volstrekt onjuist te geloven dat alles het gevolg is van vorige daden. Het kan nooit zo zijn dat bijvoorbeeld karmisch heilzame of onheilzame wilshandeling (kamma) het resultaat is van vorige daden, omdat die van zichzelf kamma zijn. Over dit onderwerp zie titthāyatana; kamma; Tabel I; A03-101; Kath 162 (Guide, p. 80).

Door kamma geproduceerde fysieke dingen worden nooit kammavipāka genoemd, want deze term (vipāka) is alleen van toepassing op mentale fenomenen.

vipāka vatta

'Ronde van gevolgen'. Zie vatta.

vipākaṁ

Grammatica: van vipāka.

vipākapaccaya

'Kamma gevolg voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

vipallāsa

'Verdraaiing'; 'vervorming'; 'verstoring'. Vipallāsa is afgeleid van vi + pari + asa, 'omgekeerd'. Zie Drie hoofdmisleidingen; Vipallāsa — Verdraaiingen.

vipariṇāma

'Verandering'. Zie o.a. ook dukkhatā; saṅkhatalakkhaṇa.

vipariṇāmadhamma

'De aard van verandering in zich hebben'; 'van nature onderhevig aan verandering'. Zie dukkhatā; saṅkhatalakkhaṇa.

vipariṇāmadukkhatā

Zie dukkhatā; saṅkhatalakkhaṇa.

vipariṇāmānupassanā

'Contemplatie van verandering', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; vipariṇāma.

vipassanā

'Inzicht'. Zie Vipassanā — Inzicht; samathavipassanā; bhāvanā; Inzicht meditatie.

vipassanāpaññā

'Inzicht-wijsheid'. Zie vipassanā.

vipassanābala

'De kracht van inzicht'. ''Wat is nu de kracht van inzicht? (…)." Zie samathavipassanā.

vipassanābhāvanā

'Ontwikkeling van inzicht'. Zie vipassanā; Inzicht meditatie.

vipassanāñāṇa

'Inzicht-kennis'. Zie vipassanā.

vipassanāyāna

'Voertuig van inzicht' vormt samen met samathayana de twee paden of voertuigen voor het verwerkelijken van Nibbāna. Zie Jhāna — De meditatieve verdiepingen.

vipassanāyānika

'Wiens voertuig is inzicht'.

vipassanupakkilesa

'Imperfecties van inzicht'. Zie visuddhi 5.

vipatti

'Falen'; 'mislukking'; 'tegenslag'; 'nood'; 'iets wat fout gaat'. Letterlijk 'afdwaling' of 'afwijking'. Het kan een afwijking van moraliteit (sīlavipatti) of een afwijking van begrip (diṭṭhivipatti) zijn.

"Om in daden af te wijken, of in woorden, of in zowel daden als in woorden: dit wordt afwijking van moraliteit genoemd."

"'Aalmoezenvoedsel en offergave zijn waardeloos, er is geen vrucht en gevolg van goede en slechte daden, er zijn niet zulke dingen als dit en het leven hierna (…).' Zulke verkeerde inzichten wordt afwijking van begrip genoemd." (Pug 67; 68)

Zie ook A07-030 — Mislukking; A08-007 — Devadattavipatti Sutta — Devadatta's tekortkomingen.

vippamutta

'Bevrijd'; 'vrijgelaten'; 'gered' (van). Synoniem: nissaṭa; mutta. Antoniem: avippamutta.

vippamuttassa

Grammatica: van vippamutta.

vippayoga

'Gescheiden van'; 'dissociatie van'. Let op de toevoeging yoga. Het tegenovergestelde is sampayoga.

vippayutta

A. 'Gescheiden'; 'losgemaakt'; 'losgekoppeld' (van).

B. 'Gedissocieerd'.

vippayuttapaccaya

'Dissociatie voorwaarde' is een van de 24 voorwaarden. Zie paccaya.

viraga

'Onthechting'; 'afwezigheid van verlangen'; 'hartstochtloosheid'.

Viraga verschijnt vaak in de standaard canonieke tekst en kan dus in die context worden begrepen:

"De geïnstrueerde edele discipel (ariyasāvaka), monniken, die het zo ziet, hunkert niet naar materiële vorm, gevoel, waarneming, mentale formaties en bewustzijn[2]. Door vlekkeloosheid (viraja) is hij onthecht (viraga), door onthechting is hij bevrijd (vimutti); in bevrijding ontstaat het besef dat hij bevrijd is, en hij begrijpt onmiddellijk: 'Geboorte is vernietigd (khīṇajāti), het heilige leven (maggabrahmacariya) is geleefd, wat gedaan moest worden is gedaan (katam karniyam), er is niets meer van dit dat nog tot enige staat van bestaan komt (naparam itthattaya)[3].'"

virāgānupassanā

'Contemplatie van onthechting', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Het is de vervaging van hebzucht en het ophouden van lijden. Zie vipassanā; viraga.

viraja

'Vlekkeloos', dat wil zeggen 'vrij van bezoedelingen'.

viriya

'Energie'; 'inspanning'; 'heldenmoed'; 'wilskracht'; 'vastberadenheid'; 'kracht'; 'vermogen'; 'sterkte'; 'vitaliteit'. Letterlijk: 'mannelijkheid'. Fonetische variant: vīriya.

Het is een van de spirituele vermogens (zie bala); een van de 7 factoren van verlichting (bojjhanga); en identiek aan juiste inspanning (sammāvāyāma) van het Achtvoudige Pad (zie Ariya Aṭṭhaṅgika Magga).

Zie verder padhāna; cetasika; Tabel II.

vīriya

vīriya

A. 'Inspanning'; 'energie'; 'kracht'; 'vermogen'; 'sterkte'; 'vitaliteit'. Letterlijk: 'mannelijkheid'. Fonetische variant: viriya.

B. 'Wilskracht'; 'vastberadenheid'. Letterlijk: 'mannelijkheid'. Fonetische variant: viriya.

C. 'Met inspanning; 'met energie'.

Voor meer, zie viriya.

viriyapāramī

'Perfectie van energie'. Zie pāramitā; viriya.

vīriyapāramī

'Voltooiing van inspanning'; 'perfectie van energie'.

vīriyasamādhi

'Concentratie gebaseerd op energie'. Constructie: vīriya + samādhi.

Zie ook iddhipāda.

vīriyasamādhipadhānasaṅkhārasamannāgata

'Concentratie van energie bestaande uit het samengaan met inspanning'. Constructie: vīriyasamādhi + padhānasaṅkhārasamannāgata. Fonetische variant: vīriyasamādhippadhānasaṅkhārasamannāgata.

Zie ook iddhipāda.

vīriyasambojjhaṅga

'Verlichtingsfactor van energie'. Zie viriya.

viruhati

A. 'Geneest'; 'heelt'; 'groeit over'. Synoniem: tikicchati. Constructie: ConstructieUitgesteld. Grammatica: Tt; Intrans. Samenstelling: SamenstellingUitgesteld.

B. 'Groeit'; 'ontwikkelt'; 'ontspruit'. Grammatica: Tt; Intrans.

visam

'Het vergif'. Zie Dhp124 — Kukkutamitta de jager.

visamalobha

Letterlijk: 'onrechtvaardige hebzucht'.

Voor meer, zie ook abhijjhā visamalobha.

visaṁyoga

'Verbreking'; 'scheiden van', zoals in A04-010.

visaṅkhāra

'Onvoorwaardelijk'; 'ongeconditioneerd'; 'ongebouwd'; 'niet gemaakt'; 'gedemonteerd'.

visaṅkhāragata

'Onvoorwaardelijk worden'; 'ongeconditioneerd worden'; 'ongebouwd worden'; 'niet gemaakt worden'; 'gedemonteerd worden'.

visata

'Wijdverspreid'. Wordt toegewezen aan begeerte (taṇhā) omdat het uitgespreid en verspreid is. Zie A04-199 — Taṇhā Sutta — Begeerte — De verstrikker en de ideeën van ik.

visattika

'Kleverig'. Wordt toegewezen aan begeerte (taṇhā) omdat het plakt, zich vasthecht en zich hier en daar vastzet. Zie A04-199 — Taṇhā Sutta — Begeerte — De verstrikker en de ideeën van ik.

visaya

'Sfeer'; 'veld'; 'bereik'; 'object'. In de context van de boeddhistische epistemologie is visaya een algemene term voor het veld/sfeer van de zes zintuigen.

visuddhi

'Zuivering'; 'zuiverheid'.

De 7 stadia van zuivering (satta visuddhi) vormen de onderbouw van de Vimutti Magga (Het pad naar vrijheid, zie (VimM) dat door de arahat Upatissa is opgetekend. Vervolgens is hier weer de Visuddhimagga (Pad van zuivering, zie Vis) op gebaseerd, het kolossale werk van Buddhaghosa. Beide werken zijn alleen in het Chinees bewaard gebleven.

Bezig Ben momenteel druk bezig dit item uit te werken. Excuses voor het ongemak.

visuddhimagga

'Pad van zuivering'. Zie visuddhi.

vitakka

'Aanvangende gedachten'; 'gedachteconceptie', is een van de secundaire (niet constant) mentale factoren (zie cetasika; Tabel II), en kan hetzij karmisch heilzaam, karmisch onheilzaam of karmisch neutraal zijn.

Haar functie is de geest naar een object van onderzoek te richten. Zie de rubriek Toelichting jhāna-factoren op Jhānaṅga — Jhāna factoren die de vijf hindernissen opruimen.

Het wordt ook saṅkappa genoemd hetgeen van twee soorten is: sammāsaṅkappa oftewel juiste gedachten en micchāsaṅkappa oftewel verkeerde gedachten. Zie ook M019.

"Er zijn drie karmisch onheilzame (akusala) gedachten: zintuiglijke gedachten (kāmavitakka), hatelijke gedachten (vyapada vitakka) en gewelddadige gedachten (vihiṁsāvitakka)."

"Er zijn drie karmisch heilzame (kusala) gedachten: gedachten van verzaking (nekkhamma vitakka), gedachten zonder haat (avyapada vitakka) en gedachten zonder geweld (avihiṁsāvitakka)."

De laatste drie zijn de drie soorten van juiste gedachten. Ga naar de beschrijving van juiste gedachten op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

Zie ook

vitakkacarita

'Degene die overdenkend van karakter is'.

Zie ook carita.

vitakkasaṅkhārasaṇṭhāna

'Het stillen of bedaren van gedachtenprocessen'; 'het tot rust brengen van mentale activiteiten'. Constructie: vitakka + saṅkhāra + saṇṭhāna.

vitakkasaṅkhārasaṇṭhānaṁ

'De vorming van afleidende gedachten'. Zie M020.6.

vitakkasaṅkhārasaṇṭhānaṁ

Grammatica: van vitakkasaṅkhārasaṇṭhāna.

vitakkasaṇṭhāna

'Verwarde gedachten'; 'afleidende gedachten'. Zie M020.

vitakkavicāra

'Aanvangende en aanhoudende gedachten', ook wel 'gedachteconceptie en redenerend denken', zijn verbale functies (vacīsaṅkhāra) van de geest, de zogenaamde 'innerlijke spraak'. Dit zijn samenstellingen van de 1e meditatieve verdieping (jhāna), maar ze zijn afwezig in de hogere meditatieve verdiepingen.

  1. "Aanvangende gedachten (vitakka) is het op het punt staan vast te grijpen aan een object om het de aandacht te geven. Haar kenmerk is het vastzetten van het bewustzijn op het object."
  2. "Aanhoudende (vicara) is het ronddolen en het heen en weer gaan van de geest (...) Het manifesteert zichzelf als de continuerende activiteit van de geest."

Vis 4

Nummer 1 wordt vergeleken met de slag tegen een bel; nummer 2 met het weergalmende geluid.

Zie ook

vitakketi

'Bedenken'; 'overwegen'. Zie papañca.

vītikkama

A. 'Stadium van overschrijding'; 'overtreding'; 'misdaad'. Letterlijk: 'te ver gaan'. Antoniem: avītikkama. Grammatica: Mnl; van vītikkamati.

Zie ook anusaya.

B. 'Verder gaan dan'. Letterlijk: 'te ver gaan'.

vivaṭṭakappa

Zie kappa.

vivaṭṭana

'Omkeren'. Hier wordt het verzwakken of teniet doen van de banden (saṁyojana) bedoeld. Iemand die een meditatieve verdieping (jhāna) heeft bereikt, moet daar niet stoppen, maar moet doorgaan met het ontwikkelen van inzicht meditatie (vipassanā). De stadia van inzicht worden observeren (sallakkhana) genoemd. Wanneer het licht van inzicht begint te schijnen, bereikt de mediteerder de bovenwereldse paden (lokuttaramagga). Omdat deze paden de banden die iemand binden aan de cyclus van geboorte en dood (samsara) verzwakken en uiteindelijk teniet doen, wordt dit 'het omkeren' (vivaṭṭana) genoemd.

Zie ook vivattananupassana.

vivattananupassana

'Contemplatie van het omkeren', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; vivaṭṭana.

vivaṭṭaṭṭhāyī

Zie kappa.

viveceti

A. 'Scheiden'; 'afraden' (van); 'afbrengen' (van).

B. 'Discrimineert'.

C. 'Bekritiseert'.

vivecetukāma

'Willen scheiden'; 'willen afraden' (van); 'willen afbrengen' (van).

vivecetukāmā

Grammatica: van vivecetukāma.

vivecetuṁ

'Scheiden'; 'afraden' (van); 'afbrengen' (van). Grammatica: Inf van viveceti; Caus; Intrans (+Abl).

viveka

'Onthechting'; 'afzondering'. Zie Viveka — Onthechting volgens de Niddesa; viraga; upadhi; jhāna.

Zie ook Dhp075 — De novice monnik Tissa van het woudklooster.

vivekaja

'Geboren uit onthechting', zie viveka; jhāna.

vivicc' evakamehi

'Onthecht van zintuiglijke dingen', zie viveka; jhāna.

vivicca akusalehi dhammehi

'Onthecht van karmisch onheilzame dingen', zie viveka; jhāna.

viyatta

A.1 'Ervaren'; 'geleerd'; 'ingewijd'; 'onderscheiden in begrip'. Letterlijk: 'onderscheiden'. Grammatica: Vdw van vyañjayati. Variant: byatta; vyatta.

B.1 'Verdeeld'; 'gescheiden'; 'disharmonie'. Letterlijk: 'losgemaakt'. Synoniem: paṭivibhatta; viyojita. Grammatica: Vdw van viyuñjati. Variant: viyutta.

vo

A.1 'Jullie allemaal' (subject).

A.2 'Jullie allemaal' (object).

A.3 'Door jullie allemaal'; 'met jullie allemaal'.

A.4 'Aan jullie allemaal'; 'voor jullie allemaal'.

A.5 'Van jullie allemaal'; 'jullie'.

A.6 'Wanneer jullie allemaal'; 'terwijl jullie allemaal'.

B.1 Prefix.

C.1 'Inderdaad'; 'waarlijk'; 'zeker'.

vohara

A. 'Verbale expressie'; 'benaming'.

B. 'Bijnaam'; 'alias'.

C. 'Bedrijfsactiviteit'; 'handel'; 'commercie'; 'zakelijke transacties'.

D. 'Manier van spreken'; 'communicatiemethode'; 'verbale omgang'.

E. 'Intentie'; 'strategie'.

F. 'Rechtsgeleerdheid'.

G. (Gram) 'gebruik'; 'gebruik van een woord'.

vohāradesanā

'Conventionele beschrijving'; 'conventionele uitdrukking'; 'conventionele uiteenzetting'. In tegenstelling tot een verklaring die waar is in de hoogste zin (paramatthadesanā). Het wordt ook sammutisacca genoemd.

Zie ook paramattha.

vohārasacca

'Conventionele realiteit'. Zie paramattha.

voharati

A.1 'Spreekt'; 'communiceert'; 'geeft uitdrukking'; 'gebruikt taal'. Letterlijk: 'voert uit'.

A.2 'Gebruikt'.

C. 'Roept'; 'handelt'; 'beheert'.

vohāravacana

'Conventionele aanduidingen'. Zie paramattha.

votthapana

'Bepalen'; 'beslissen', is een van de 14 functies van bewustzijn (viññāṇakicca). Zie votthapana citta.

votthapana citta

'Bepaling bewustzijn', is het geesteselement dat (onafhankelijk van kamma functioneert, zie Tabel I 70) in het proces van zintuiglijke waarneming de functie uitvoert om het zintuigobject te bepalen. Zie ook votthapana.

vriendschap

Vriendschap, althans goede vriendschap, is een erg belangrijk aspect binnen de mentale ontwikkeling en is binnen het boeddhisme daarom van grote waarde. Zie voor een mooie compilatie bij mitta.

vuccati

'Is gezegd'; 'zo genoemd'.

vūpakaṭṭha

'Afgezonderd' (van); 'geïsoleerd' (van); 'teruggetrokken' (van). Letterlijk: 'weggesleept'.

vūpasama

'Vrede', vanwege het afnemen van hartstocht oftewel begeerte, d.w.z. Nibbāna.

De Boeddha gebruikt vūpasamaya o.a. ook in de eerste toespraak (S56-011): "Monniken, de middenweg (majjhimā paṭipadā), welke door de Tathāgata begrepen is, vermijdt deze beide uitersten; deze brengt visie voort (cakkhu), deze brengt kennis voort (ñāṇa), en deze leidt tot vrede (vūpasamaya), tot hogere wijsheid (abhiññāya), tot verlichting (sambodhaya), tot Nibbāna."

Zie ook resultaat van het pad.

vūpasamaya

Zie vūpasama.

vuppajjati

'Verschijnt'; 'ontstaat'; 'wordt geboren'. Letterlijk: 'gaat omhoog'. Synoniem: upapajjatijāyatī; nibbattati; pabhavati; sañjāyati; samudayati; samudeti. Antoniem: nirujjhati. Grammatica: Tt; Intrans.

vutta

A.1 'Gezaaid'; 'verspreid'; 'geplant'.

A.2 'Geschoren'.

B.1 'Zei'; 'vertelde'; 'sprak'; 'noemde'.

B.2 'Verklaard'; 'genoemd'; 'gezegd' (te zijn).

B.3 'Gesproken met'.

B.4 'Wat gezegd werd'; 'wat er gesteld werd'.

B.5 'Bedoelde'.

B.6 'Gedicht'; 'vers'; 'strofe'. Letterlijk: 'gesproken'.

B.7 (Gram) 'meter'; 'prosodie'. Letterlijk: 'gesproken'.

C.1 'Met een bestaansmiddel' (van); 'leven van'; 'als middel van bestaan'.

vuttaṁ

Grammatica: van vutta.

vutte

Grammatica: van vutta.

vyādhi

'Ziekte', is een van de goddelijke boodschappers (devadūta). Bekijk de definitie van lijden in D22. De Boeddha noemt 'ziekte' (vyādhi) oorspronkelijk niet in voorgaande lijst. Waarschijnlijk doordat ziekte een aspect van ouderdom is.

vyapada

'Kwade wil'; 'boosheid'; 'kwade bedoelingen'. Synoniem: kodha; paṭigha; dosa. Een van de vijf hindernissen (pañcanīvaraṇa); een van de bezoedelingen van de geest, zie upakkilesa.

vyapada saṅkappa

'Gedachten van kwade wil', is een van de drie verkeerde gedachten. Het is de tegenstelling van avyapada saṅkappa.

Ga naar de beschrijving van juiste gedachten op Ariya Aṭṭhaṅgika Magga — Het Edel Achtvoudige Pad.

vyapada vitakka

'Hatelijke gedachten'. Zie vitakka.

w

waarheidspreker

Er is een mooi vers in de Therigata: Thig13-001 — Ambapali.

wado

'Wado Ryu Karate Do' is een Japanse krijgskunst die Peter van LoosbroekĀnanda, auteur van sleuteltotinzicht.nl, 40 jaren lang beoefend en onderwezen heeft. Zie Leraar in de krijgskunst.

x

y

yadidam

'Dat wil zeggen'; 'namelijk'.

yakkha

Alavaka de yakkha bedreigt de Boeddha.

Alavaka de yakkha bedreigt de Boeddha (Snp1-10).

'Demon'; 'een duivels mens'; 'geest'. Yakkha is ook een algemene term voor een niet-menselijke geest, niet noodzakelijkerwijs kwaadaardig, die in bomen woont en in open ruimtes in bossen. Voor hen werden altaren gebouwd waar dorpelingen offers brachten in ruil voor gunsten en beschermende invloeden. De Boeddha onderwees en bekeerde ook de yakkha's.

Zoals aangegeven wordt met 'yakkha' ook soms een (duivels) mens bedoeld. Zie o.a. Snp1-10; Snp1-09; Snp4-11.875.


yama

A. Een van de zes hemels van de zintuiglijke sfeer: (kāmāvacara) of (kāmaloka) is de sfeer waarin wij leven. Zie deva.

B. De koning van de Dood.

yāmadevā

'De goden die naar geluk zijn gegaan'. Zie deva.

yamakapāṭihāriya

'Tweeledig Wonder' of 'synchrone emanatie'. "Daar volvoerde de Perfecte het Tweeledig Wonder dat door geen enkele discipel volbracht kon worden: van het bovenste gedeelte van zijn lichaam ontsprong een vlam naar voren. En van het onderste gedeelte van zijn lichaam ontsprong een stroom water...", etc.

yampi

'Wat dan ook'. Antoniem: tampi.

yampicchaṁ nalabhati taṁ pi dukkaṁ

'Niet krijgen wat men verlangt is lijden'. Bekijk de definitie van lijden in D22.

Yamuna

Rivier de Yamuna. Geen toelichting.

yana

'Rijtuig'; 'voertuig'; 'manier'; 'methode'; 'gaan' zoals bijvoorbeeld bij ekāyana, samathayana, en vipassanāyāna.

Zie ook sukkhavipassaka; samatha yanika; Jhāna — De meditatieve verdiepingen.

yasa

'Roem; 'status'; 'lofspraak'. Het is een van de wereldse wisselvalligheden waar het tegenover ayasa staat. Zie lokiyadhamma. 'Het op onrechtmatige wijze verkrijgen van roem' is een van Māra's legers. Zie Māra.

yathā

A. 'Zoals'; 'als'; 'volgens'; 'overeenkomstig'; 'hoe'; 'op welke manier dan ook'.

B. 'Omdat'; 'aangezien'.

C. (Gram) 'bijvoorbeeld'. Letterlijk: 'zoals'.

yathābhūta

'De dingen zien zoals ze werkelijk zijn'; 'overeenkomstig de realiteit'; 'in zijn ware essentie'. Dit houdt in dat de drie eigenschappen van fenomenen worden doorgrond: anicca, dukkha en anatta. Zie tilakkhaṇa.

yathābhūtaṁ

Zie yathābhūta.

yathābhūtañāṇadassana

'De kennis en het begrijpen van hoe dingen werkelijk zijn'. Zie ook yathābhūtañāṇadassananupassana.

Zie ook yathābhūta; ñāṇadassana; A10-001.

yathābhūtañāṇadassananupassana

'Contemplatie van perfecte kennis en visie volgens de realiteit', is een van de 18 hoofdsoorten van inzicht-kennis. Zie vipassanā; yathābhūtañāṇadassana.

yathākāmakaraṇīya

'Om naar wens te worden gedaan' (door); 'kwetsbaar' (voor). Letterlijk: 'om volgens wens te worden gedaan'. Constructie: yathā + kāma + karaṇīya.

yathākammūpagañāṇa

'De kennis van wedergeboorte in overeenstemming met iemands wilshandelingen', is identiek aan het goddelijk oog (dibba cakkhu). Het is één van de 6 hogere krachten (abhiññā) (5). Ook gebruikt voor yathākammūpagañāṇa: cutūpapātañāṇa.

Zie ook De Boeddha — De uren voor zijn verlichting.

yatha-santhatik'anga

Eén van de 13 dhutaṅga praktijken voor woudmonniken. Zie dhutaṅga.

yathāyaṁ

'Zo'; 'zodat dit'. Constructie: yathā + ayaṁ.

yato

A. 'Vanwaar'; 'van waaruit'; 'waar dan ook'.

B. 'Sinds'; 'omdat'; 'vanwege het feit dat'; 'op grond waarvan'. Letterlijk: 'van waaruit'.

C. 'Wanneer'; 'vanaf wanneer'; 'sinds'.

yebhuyyena

'Meestal'; 'vrijwel allemaal'; 'min of meer'; 'over het algemeen'; 'grotendeels'; 'in de meeste gevallen'; 'voor het grootste deel'.

yena

A. 'Waardoor'; 'met welke dan ook'.

B. 'Vanwege'; 'waardoor'.

C. 'Waar'; 'waar dan ook'; 'in welke richting'; 'naar'; 'richting'

yo ca buddhañca dhammañca saṅghañca saraṇaṁ gato

'Zij die hun toevlucht nemen in de Boeddha, de Dhamma en de Saṅgha'.

yoga

'Banden'; 'ketenen'; 'jukken'; 'gehechtheid', 'slavernij' staat voor de vier hoofdbezoedelingen (asava) en is daarmee gelijk aan.

De vaak voorkomende uitspraak 'niet veilig voor slavernij' (ayogakkhema) en 'veilig voor slavernij' (yogakkhema) is uitgelegd in A04-010.

yogakkhema

'Veilig voor slavernij'; 'vrij van banden'. Zie yoga; A04-010.

yogakkhemakāma

'De wens hebben dat iemand veilig is voor gehechtheid'. Hier staat 'kāma' voor 'wens' of 'verlangen'. Het tegenovergestelde is ayogakkhemakāma. Zie ook yoga.

yojana

Een lengtemaat, geschat tussen 7 en 9 mijl (dus tussen 11,2 en 14,4 km).

yonisomanasikāra

'Volledige aandacht'; 'systematische alertheid'; 'wijze overweging'. Letterlijk: 'De aandacht grondig richten met een doel.' Zie ook manasikara; ayonisomanasikāra.

Yonisomanasikāra is een voorwaarde voor het in de stroom treden (sotāpattiyaṅga).

Zie ook paṭisaṅkhā.

yonisomanasikāra bahulikaro

'Continue wijze overweging'. Zie ook manasikara.

yuganaddha

'Het koppelen of samenspannen' zoals bijvoorbeeld in samatha vipassanā yuganaddha.

yvāyaṁ

'Welke dan ook'; 'wat dan ook'; 'dit en dat'. Letterlijk: 'welke dan ook dit'.

z

zelfidentificatie

Zie Nāmarūpa — Geest en lichaam, wat wordt daarmee bedoeld?; Het zelf; zelfoverwinning; sakkāyapariyāpanna.

zelfoverwinning

Zelfoverwinning (attajinati) is essentieel in de boeddhistische training. Zie o.a. Upapattibhava — Het wedergeboorteproces in alle eenvoud; De weg van niet-dwang; Niet van mij; Geen ideeën van ik; Het unieke van de Boeddha en zijn Leer; Leraar in de krijgskunst; Niet vastgrijpen in het waarnemen; De niet vooropgezette geest; intuïtief inzicht; moha.

zelfoverwinning

Anuloma: ↑ Ik (mama) → ↑ verstoringen (iñjita) → ↓ zelfvertrouwen (saddha) → ↑ toename (papañca) → ↑ aannames (sarambhapi) → ↑ eigendunk (māna) → ↑ verdraaiing van visie (diṭṭhivipallāsa) → ↓ juist begrip (sammādiṭṭhi) → ↓ bevrijding (vimutti).


Paṭiloma: ↓ Ik → ↓ verstoringen → ↑ zelfvertrouwen → ↓ toename → ↓ aannames → ↓ eigendunk → ↓ verdraaiing van visie → ↑ juist begrip → ↑ bevrijding.

zwerver

Zie samaṇa.

zwervers

Zie samaṇa.

Eindnoten

[1] 'Geluk en pijn' oftewel aangenaam en onaangenaam gevoel, zie vedanā.

[2] Zie pañcupādānakkhandhā.

[3] Voor uitleg, raadpleeg De uiteindelijke kennis.