De meditatie van liefdevolle vriendelijkheid

Metta bhavana

Een zeer speciale karaktertrek van de Leer van de Boeddha, is het kardinale uitgangspunt dat het noodzakelijk is vriendelijk te zijn ten opzichte van alle levende wezens.

Inhoudsopgave

Vriendelijkheid waarborgt geweldloosheid

Een verheven staat

Extra aanbevelingen

metta bhavana

Metta: 'liefdevolle vriendelijkheid'; 'vriendelijkheid'; 'welwillendheid'; 'goodwill'; 'onbaatzuchtige serviceverlening'; 'onbegrensde liefde'; 'universele liefde'. Synoniem: adosa.

Bhavana: 'mentale ontwikkeling'.

Metta is een populaire term onder boeddhisten, maar er is geen westers woord dat de betekenis precies weergeeft. Liefdevolle vriendelijkheid, vriendelijkheid, welwillendheid, goodwill, onbaatzuchtige serviceverlening, universele liefde, zijn de favoriete verwijzingen. Metta is de wens voor het geluk en welzijn van alle levende wezens, zonder ook maar één uitzondering.

Liefdevolle vriendelijkheid (metta) en mededogen (karuna) zijn de ruggengraat van de Leer van de Boeddha omdat zij de basis vormen van alle morele handelingen die op hun beurt de 'werkvloer' zijn voor goede concentratie, en concentratie leidt tot kalmte en inzicht (samatha vipassana). Metta is één van de 4 verheven bewustzijnsstaten (brahma vihara) en een van de tien perfectheden (zie paramita).

Vriendelijkheid waarborgt geweldloosheid

Ahimsaya rato betekent 'positieve vreugde vinden in geweldloosheid'; 'vreugde vinden in het cultiveren van liefdevolle vriendelijkheid'.

Een zeer speciale karaktertrek van de Leer van de Boeddha, is het kardinale uitgangspunt dat het noodzakelijk is vriendelijk te zijn ten opzichte van alle levende wezens. De beoefening van liefdevolle vriendelijkheid (metta), die geweldloosheid (avihimsa) waarborgt, leeft onder boeddhisten op grote schaal.

In zijn vermaning tot Rahula, zei de Boeddha: "Ontwikkel, Rahula, de meditatie van liefdevolle vriendelijkheid (metta); want hierdoor wordt kwade wil (vyapada) verdreven. — Ontwikkel, Rahula, de meditatie van mededogen (karuna); want hierdoor wordt kwellen en wreedheid verdreven."

Hiervan uitgaande is het duidelijk dat liefdevolle vriendelijkheid (metta), en mededogen (karuna) lijnrecht tegenover kwade wil en wreedheid staan. Voor iemand wiens geest doordrongen is van liefdevolle vriendelijkheid en mededogen, is het onmogelijk om kwaad te doen.

Kwade wil of haat wordt — evenals zintuiglijke begeerte — veroorzaakt door het vermogen van de zintuigen, zintuigobjecten te ontmoeten. Als het oog van de mens in contact komt met een zichtbaar object, dat volgens zijn manier van denken onplezierig en onaangenaam is, rijst er afkeer (patigha) in hem op, tenzij hij op systematische wijze alertheid beoefent (yoniso manasikara). Datzelfde gebeurt bij het contact tussen het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en tastbare objecten, de geest en mentale objecten. Zelfs begeerlijke dingen, zowel bezield als onbezield, die een mens met grote vreugde vervullen, kunnen aversie en kwade wil veroorzaken (zie anurodhapativirodha). Iemand kan bijvoorbeeld verlangen naar een ander van wie hij houdt en sensuele genegenheid voelen (pema), maar als de ander niet dezelfde genegenheid laat blijken of zich zelfs geheel tegengesteld gedraagt, staan conflicten en wrok in het vooruitzicht. Als hij dan faalt in het beoefenen van systematische alertheid, als hij niet oordeelkundig is, dan zal hij zich als een waanzinnige gedragen. Zijn gedrag kan dan tot rampspoed leiden, zelfs tot moord of tot zelfmoord. Dat is het gevaar van deze hartstochten en zij kunnen overwonnen worden door metta, liefdevolle vriendelijkheid.

Liefdevolle vriendelijkheid heeft het karakter van een welwillende vriend. De vijand van metta is kwade wil (haat), terwijl de indirecte of gemaskerde vijand vleselijke of zinnelijke liefde is of het verlangen naar zelfzuchtige genegenheid (pema). Wanneer het verschil tussen zinnelijke liefde en metta niet wordt gezien, kan zinnelijke liefde veel leed veroorzaken voor jezelf en voor anderen. Iemand moet zichzelf beschermen tegen deze verborgen vijand. Vaak houden mensen zich bezig met gedachten van sensuele genegenheid, en krijgen zij een verkeerd beeld van metta. Zij denken dan dat zij metta cultiveren, maar beseffen niet dat ze op het verkeerde spoor zitten. Als iemand gelijkmoedig (upekkha) zou zijn en zulke gedachten nauwkeurig zou onderzoeken, zou hij zich realiseren dat ze gekleurd zijn door zintuiglijke gehechtheid en voorkeur. Als het gevoel van liefde het directe resultaat van gehechtheid en vastklampen is, dan is het zeker geen metta.

De Pali commentaren leggen liefdevolle vriendelijkheid als volgt uit:

Iemand heeft alle wezens lief...

  1. Als hij niet kwelt (geen enkel wezen kwelt) en aldus kwellen vermijdt.
  2. Als hij niet schadelijk is (ten opzichte van alle wezens) en aldus schadelijkheid vermijdt.
  3. Als hij niet martelt (geen enkel wezen martelt) en aldus marteling vermijdt.
  4. Als hij niet vernietigt (geen enkel wezen vernietigt) en aldus vernietiging vermijdt.
  5. Als hij zich niet ergert (ten opzichte van alle wezens) en aldus ergernis vermijdt.
  6. Door te denken 'mogen alle wezens vriendelijk zijn en niet vijandig'.
  7. Door te denken 'mogen alle wezens gelukkig zijn en niet ongelukkig'.
  8. Door te denken 'mogen alle wezens gelukkig zijn en vrij zijn van lijden'.

Op deze acht manieren heeft iemand alle wezens lief; daarom wordt dit liefdevolle vriendleijkheid (metta) genoemd.

In het algemeen hebben mensen slechts ideeën over liefde; zij denken daarbij aan gehechtheid: 'Als je niet gehecht bent, is er geen liefde.' Maar het is juist die gehechtheid, die bezitsdrang, die een einde maakt aan liefde, omdat in 'hebben' geen ware vrijheid bestaat. Doordat men niet de juiste liefde ontwikkelt, is het beeld dat men van liefde heeft vaak slechts een zaak van het hoofd, terwijl Het hart is verstoken van ware liefde.

Zinnelijke liefde (pema) of eigenliefde, is, vanwege persoonlijke voorkeuren die daarachter schuilgaan, een fixatie op slechts een punt. Waar fixatie is, daar is ook uitsluiting, geslotenheid en afkeer, met diverse problemen als gevolg. Iemand of dingen willen 'hebben', willen 'bezitten', iets of iemand altijd bij je willen houden of steeds maar méér willen, dat is de diep zittende wortel die door onwetendheid stevig op zijn plaats gehouden wordt en die zoveel lijden veroorzaakt. Iemand die gretig tracht te 'bezitten' zal in teleurstelling en in woede ontaarden wanneer het 'bezit' er niet meer is. Deze eigenliefde is de weg die leidt naar verdeeldheid en disharmonie.

Daartegenover wordt een alles omvattende universele liefde niet gedreven door hebzucht en persoonlijke voorkeuren. Deze liefde heeft een open hart voor alles wat zij op haar pad tegenkomt. Omdat er geen voorkeuren zijn, is er ook geen afkeer (zie anurodhapativirodha), dus ook geen lijden. Het is een onuitputtelijke bron van geluk die niets met zintuiglijkheid te maken heeft, want, wanneer er iets niet is, dan is dat geen enkel probleem omdat in ware liefde niets ontbreekt. In onbaatzuchtige liefde is geen enkel gemis, geen enkele drang om iets te hebben of om ontevreden over te zijn. Deze universele liefde, deze ware metta, is de weg die leidt naar eenheid en harmonie.

Een beoefenaar van metta geniet 11 zegeningen (volgens A11-016 — Metta Sutta — 2 — Liefdevolle vriendelijkheid — 2):

  1. Hij slaapt gelukkig en snel.
  2. Hij ontwaakt met een liefhebbend en een blij hart.
  3. Hij wordt in zijn slaap niet gestoord door nachtmerries.
  4. Hij is geliefd bij alle menselijke wezens.
  5. Hij is eveneens geliefd bij niet-menselijke wezens zoals dieren.
  6. Hij blijft buiten het bereik van vergif, wapens etc.
  7. Hij geniet bescherming van onzichtbare hemelwezens.
  8. Hij kan zich snel concentreren omdat zijn geest kalm is.
  9. Hij heeft een mooi uiterlijk (haat maakt lelijk).
  10. Hij sterft rustig.
  11. Hij wordt op z'n minst wedergeboren in een gelukkige staat (brahma vihara).

Zinnelijke liefde of pema is een soort verlangen dat in staat is veel droefheid, verdriet en jammeren voort te brengen. De Boeddha heeft dit duidelijk uitgelegd in zijn toespraken, en vijf verzen (212-216) uit hoofdstuk zestien van de Dhammapada (het hoofdstuk over Geliefd).

Uit de Dhammapada.

213. Uit genegenheid ontstaat verdriet; uit genegenheid ontstaat vrees. Voor hem die vrij is van genegenheid bestaat er geen verdriet. Vanwaar dan nog vrees?

pemato jayati soko pemato jayati bhayam pemato vippamuttassa natthi soko, kuto bhayam

Uit genegenheid ontstaat verdriet en angst. Als er geen genegenheid is, dan is er ook geen verdriet en angst.

Men dient dit goed te begrijpen: genegenheid betekent op zo'n manier van iemand houden, dat men een gehechtheid ontwikkelt ten opzichte van degene van wie men houdt; wanneer de laatstgenoemde ook heel veel van jou houdt, wordt er een band gecreëerd. Maar als je van elkaar gescheiden wordt, of als de genegenheid van de geliefde ten opzichte van jou afneemt, voel je je ellendig en kun je je zelfs dwaas gaan gedragen. De Boeddha zegt in zijn uitleg van de eerste Edele Waarheid:

(…) verenigd zijn met (sampayoga) iets dat men niet lief heeft (appiyehi), is lijden, gescheiden zijn (vippayoga) van iets dat men lief heeft (piyehi), is lijden, niet krijgen wat men verlangt is lijden (yampiccham nalabhati tam pi dukkam) (…)

D22 — Maha Satipatthana Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid

Een verheven staat

Hoe dan ook, metta is een zeer zuivere verheven staat van de mens; zoals kwikzilver kan het zichzelf nergens aan hechten. Het is een kalme, niet-aanmatigende superieure vorm van onthechting onder de deugden.

Het is moeilijk om gelijkmoedig van iemand te houden, zonder enige vorm van vastklampen, zonder enig idee van 'zelf', 'mij' en 'mijn'; want in de mens is het 'ik' dominant. Het mag haast onmogelijk lijken om lief te hebben zonder enig onderscheid te maken tussen deze en gene, zonder barricades op te werpen tussen personen, om iedereen als broeders en zusters te beschouwen met een onbegrensd hart. Maar zij die dat zelfs maar een klein beetje proberen zullen worden beloond. Het is zeer de moeite waard. Door voortdurende inspanning en vastberadenheid bereikt men stap voor stap de eindbestemming, Nibbana.

Een beoefenaar van metta moet op zijn hoede zijn voor brutaal, egocentrisch gericht volk. Als iemand vriendelijk en oprecht is, komt het vaak voor dat anderen zijn goede kwaliteiten proberen uit te buiten voor hun eigenbelang. Dit moet niet aangemoedigd worden. Als men toelaat dat mensen die op zichzelf gericht zijn, op een oneerlijke wijze misbruik maken van iemands vriendelijkheid en tolerantie, dan leidt dat eerder tot het versterken dan tot het bedaren van het kwaad en het lijden in de gemeenschap.

Liefdevolle vriendelijkheid (metta) is samen met mededogen (karuna) de ruggengraat van het pad van de Boeddha. In tegenstelling tot andere religieuze leraren, leert hij dat bevrijding niet afhankelijk (anissito) is van een of andere goddelijke macht die zogenaamd boven de mens staat, maar dat het cultiveren van de verheven kwaliteiten die in de mens zelf aanwezig zijn, een voorwaarde is voor die bevrijding. Hierdoor stelt deze Prachtige Mens (Acchariya Manussa) de waarde van de mensheid boven die van een geheimzinnige autoriteit. Bovendien onderwijst de Boeddha zijn eigen ervaringen en daarom is boeddhisme geen verzinsel, maar een ontdekking. Dit is de reden waarom de Boeddha het wachten op 'liefde en mededogen' van een goddelijke schepper van de hand wijst en aanspoort die kwaliteiten zelf te ontwikkelen.

Extra aanbevelingen

Document info
RegID pprl3A3RwDuqnwS
Bijgewerkt 9 oktober 2023 10:34:01
Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen