De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid

Maha Satipatthana Sutta

De satipatthana training is de allerbelangrijkste vorm van inzicht (vipassana) meditatie en daarmee de belangrijkste binnen het gehele boeddhistische systeem. De reden is eenvoudigweg omdat de ontwikkeling van het Edel Achtvoudige Pad (ariya atthangika magga) nodig is voor bevrijding van lijden. Van dit pad vertegenwoordigt de satipatthana training de 7e factor: juiste indachtigheid (samma sati).

De satipatthana training — de fundamenten van indachtigheid — bestaat uit de volgende 4 hoofdgroepen: 1) Indachtigheid van het lichaam; 2) Indachtigheid van gevoelens; 3) Indachtigheid van de geest; 4) Indachtigheid van mentale objecten.

De Boeddha zelf noemt het 'De enige weg' om bevrijding van lijden te realiseren. Aan het einde van zijn toespraak garandeert hij het succes van deze inzicht meditatie.

Inhoudsopgave

De kern van inzicht meditatie

De enige weg

Indachtigheid van het lichaam — Kaya nupassana

Indachtigheid omtrent de ademhaling — Anapana Sati

De gelijkenis van de acrobaat

De houdingen van het lichaam — Iriyapatha

De vier soorten van helder begrip — Catusampajañña

Het beschouwen van de walgelijkheden van het lichaam — Patikkulamanasikara

De gelijkenis van de zak met ingrediënten

De beschouwing van de materiële elementen — Dhatumanasikara

De gelijkenis van de geslachte koe

Beschouwingen van de negen soorten lichamen — Navasivathikapabba

Contemplatie op de begraafplaats 1

Contemplatie op de begraafplaats 2

Contemplatie op de begraafplaats 3

Contemplatie op de begraafplaats 4

Contemplatie op de begraafplaats 5

Contemplatie op de begraafplaats 6

Contemplatie op de begraafplaats 7

Contemplatie op de begraafplaats 8

Contemplatie op de begraafplaats 9

Indachtigheid van gevoelens — Vedana nupassana

Indachtigheid van de geest — Citta nupassana

Indachtigheid van mentale objecten — Dhamma nupassana

De vijf hindernissen — Pañca nivarana

Zintuiglijk verlangen

Kwade wil

Luiheid en traagheid

Rusteloosheid en bezorgdheid

Twijfel

De vijf aggregaten van hechten — Pañca upadana kkhandha

Materiële vorm

Gevoelens

Waarneming

Mentale formaties

Bewustzijn

De zes innerlijke en de zes uiterlijke zintuigbases — Salayatana

Het oog en materiële vormen

Het oor en het geluid

De neus en de geur

De tong en de smaak

Het lichaam en tastbare dingen

De geest en mentale objecten

De zeven factoren van verlichting — Bojjhanga

Verlichtingsfactor indachtigheid

Verlichtingsfactor onderzoek naar dhamma's

Verlichtingsfactor energie

Verlichtingsfactor vreugde

Verlichtingsfactor kalmte

Verlichtingsfactor concentratie

Verlichtingsfactor gelijkmoedigheid

De Vier Edele Waarheden — Cattari Ariya Sacca

Het bestaan van lijden

De oorzaak van lijden

De opheffing van lijden

Het pad dat leidt naar de opheffing van lijden

Succes verzekerd

Wegwijzer

Aanvullende ondersteuning

Deze toespraak vormt de belangrijkste voor inzicht meditatie. Voor wie deze meditatie wil volgen, is er een pagina voor Aanvullende ondersteuning: Satipatthana — Boeddhisme — De meditatie van indachtigheid

Op bovenstaande pagina vind je tevens gerelateerde informatie omtrent dit onderwerp.

Meer over deze serie

Meer pagina's en informatie over deze serie, zie Boeddhisme — De Leer van de Boeddha.

De kern van inzicht meditatie

Iemand die inzicht meditatie beoefent dient steeds de drie kenmerken van het bestaan (ti lakkhana) in ogenschouw te nemen, namelijk: vergankelijkheid (aniccata), lijden of het onbevredigende aspect (dukkha), en instabiliteit of het onwezenlijke (anatta) van dingen. Alle verschijningsvormen, alle dingen hebben deze drie eigenschappen gemeen, en omdat de beoefenaar zich dat volledig gewaar is, grijpt hij zich nergens meer in de wereld aan vast. De belangrijkste inzicht mediatie is de satipatthana training.

In de Dhammapada staan een paar verzen omtrent deze drie kenmerken van het bestaan:

277. Wanneer met wijsheid de vergankelijkheid van samengestelde dingen wordt gezien, krijgt men genoeg van dit lijden. Dit is het pad naar zuiverheid.

sabbe sankhara anicca'ti yada paññaya passati atha nibbindati dukkhe esa maggo vishuddhiya

Alle geconditioneerde dingen zijn vergankelijk. Ontwaking door deze kennis leidt tot bevrijding.

278. Wanneer met wijsheid het lijden van samengestelde dingen wordt gezien, krijgt men genoeg van dit lijden. Dit is het pad naar zuiverheid.

sabbe sankhara dukkha'ti yada paññaya passati atha nibbindati dukkhe esa maggo vishuddhiya

Alle geconditioneerde dingen zijn beladen met lijden. Deze kennis verheldert je pad...

279. Wanneer met wijsheid het onwezenlijke van samengestelde dingen wordt gezien, krijgt men genoeg van dit lijden. Dit is het pad naar zuiverheid.

sabbe dhamma anatta'ti yada paññaya passati atha nibbindati dukkhe esa maggo vishuddhiya

Alle dingen zijn zonder een zelf of ziel. Deze ontwaking leidt naar het pad...

De enige weg

1. Aldus heb ik gehoord[1]. Eens verbleef de Gezegende bij de Kuru's, in Kammasadhamma[2], een marktstad van het Kuru volk. Toen sprak de Gezegende de monniken als volgt toe: "Monniken", en zij antwoordden: "Eerwaarde Heer." En de Gezegende sprak als volgt:

"Dit is de enige weg (ekayana), monniken, voor de zuivering van wezens, voor het overwinnen van verdriet en weeklagen, voor de vernietiging van lijden en smart, om het juiste pad[3] te bereiken, voor de verwezenlijking van Nibbana, namelijk, de vier fundamenten van indachtigheid[4]."

"Welke zijn deze vier?"

  1. "Hierin[5], monniken, beschouwt een monnik[6] het lichaam als een lichaam (kaya nupassana)[7]. Hij doet dat ijverig (atapi), met helder begrip (sampajano) en indachtig (satima), terwijl hij (tijdelijk)[8] de hebzucht (abhijjha) en smart (domanassa) in deze wereld (loke) (van het lichaam) opgeeft."
  2. "Hij beschouwt gevoelens als gevoelens (vedana nupassana). Hij doet dat ijverig, met duidelijk begrip en aandachtig, terwijl hij (tijdelijk) de hebzucht en smart in deze wereld (van gevoelens) opgeeft."
  3. "Hij beschouwt bewustzijn als bewustzijn (citta nupassana). Hij doet dat ijverig, met duidelijk begrip en aandachtig, terwijl hij (tijdelijk) de hebzucht en smart in deze wereld (van het bewustzijn) opgeeft."
  4. "Hij beschouwt mentale objecten als mentale objecten (dhamma nupassana). Hij doet dat ijverig, met duidelijk begrip en aandachtig, terwijl hij (tijdelijk) de hebzucht en smart in deze wereld (van mentale objecten) opgeeft."

Indachtigheid van het lichaam — Kaya nupassana

Indachtigheid omtrent de ademhaling — Anapana Sati

2. "En hoe, monniken, beschouwt een monnik het lichaam als een lichaam?"

"Hierin, monniken, zit een monnik neer die naar het woud is gegaan, naar de voet van een boom, of naar een lege ruimte, buigt zijn benen kruiselings[9] in zijn schoot, houdt zijn lichaam rechtop en wekt indachtigheid op omtrent het object van meditatie, namelijk, de adem die recht voor hem is[10]."

"Indachtig (sato) ademt hij in, en indachtig ademt hij uit. Wanneer hij lang inademt[11], dan weet hij: 'Ik adem lang in'; wanneer hij lang uitademt, dan weet hij: 'Ik adem lang uit'; wanneer hij kort inademt, dan weet hij: 'Ik adem kort in'; wanneer hij kort uitademt, dan weet hij: 'Ik adem kort uit.' — Zo traint hij zichzelf: 'Ik zal inademen en het hele (adem)lichaam (sabbakayapatisamvedi)[12] ervaren'. Zo traint hij zichzelf: 'Ik zal uitademen en het hele (adem)lichaam ervaren'. Zo traint hij zichzelf: 'Ik zal inademen en de activiteit van de formatie van het (adem)lichaam kalmeren (passambhayam kayasamkharam)'[13]. Zo traint hij zichzelf: 'Ik zal uitademen en de activiteit van het lichaam kalmeren.'"

"Net zoals een handige acrobaat of de leerling van de acrobaat, wanneer hij lang tuimelt, weet: 'Ik tuimel lang'; of als hij kort tuimelt, 'Ik tuimel kort', net zo, monniken, weet een monnik, wanneer hij lang inademt: 'Ik adem lang in'; wanneer hij lang uitademt, dan weet hij: 'Ik adem lang uit'; wanneer hij kort inademt, dan weet hij: 'Ik adem kort in'; wanneer hij kort uitademt, dan weet hij: 'Ik adem kort uit.' Zo traint hij zichzelf: 'Ik zal inademen en het hele (adem)lichaam ervaren.' Zo traint hij zichzelf: 'Ik zal uitademen en het hele (adem)lichaam ervaren.' Zo traint hij zichzelf: 'Ik zal inademen en de activiteit van de formatie van het (adem)lichaam kalmeren.' Zo traint hij zichzelf: 'Ik zal uitademen en de activiteit van de formatie van het (adem)lichaam kalmeren.'"

"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam[14]. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam[15]."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts een lichaam[16]', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk[17] en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, beschouwt een monnik het lichaam als een lichaam."

De houdingen van het lichaam — Iriyapatha

3. "En verder, monniken, wanneer hij loopt, weet een monnik: 'Ik loop[18]'; wanneer hij staat, weet hij: 'Ik sta'; wanneer hij zit, weet hij: 'Ik zit'; wanneer hij ligt, weet hij: 'Ik lig'; of gewoon als zijn lichaamshouding verandert, weet hij dit."

"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts een lichaam', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van het lichaam."

De vier soorten van helder begrip — Catusampajañña

4. "En verder, monniken, is een monnik, in het naar voren gaan en in het naar achteren gaan, een persoon die helder begrip (sampajañña) beoefent; in het recht vooruit kijken en in het naar de andere richtingen kijken, een persoon die helder begrip beoefent; in het buigen en het strekken, een persoon die helder begrip beoefent; in het dragen van het schoudergewaad, de andere twee gewaden en de bedelnap, een persoon die helder begrip beoefent; in het aanschouwen van wat gegeten, gedronken, gekauwd, en genoten wordt, een persoon die helder begrip beoefent; als hij zijn ontlasting doet en urineert, een persoon die helder begrip beoefent; in lopen, in staan, in zitten, in slapen, in ontwaken, in spreken en in zwijgen, een persoon die helder begrip beoefent."

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts een lichaam', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van het lichaam."

Het beschouwen van de walgelijkheden van het lichaam — Patikkulamanasikara

5. "En verder, monniken, beschouwt een monnik dit lichaam dat slechts gehuld is in een huid en vol met veel onreinheden is vanaf de voetzolen naar boven, en vanaf het haar op het hoofd naar beneden, en denkt hij: 'Er is in en aan dit lichaam haar van het hoofd, haar van het lichaam, nagels, tanden, huid, vlees, zenuwen, botten, merg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, dikke darmen, dunne darmen, de inhoud van de maag, ontlasting, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, lymfe, speeksel, snot, gewrichtssmeer, en urine.'"

"Juist zoals, monniken, er een zak zou zijn met twee openingen, gevuld met graan van verschillende soorten, namelijk: heuvelrijst, rijst van het laagland, bonen, tuinbonen, sesamzaad, gepelde rijst[19]; en een man met ogen die goed zien, zou, nadat hij de zak losgemaakt heeft, denken: 'Dit is heuvelrijst; dit is rijst van het laagland; dit zijn bonen; dit zijn tuinbonen; dit is sesamzaad; dit is gepelde rijst.' Op dezelfde manier, monniken, beschouwt een monnik dit lichaam dat slechts gehuld is in een huid en vol met veel onreinheden is vanaf de voetzolen naar boven, en vanaf het haar op het hoofd naar beneden, en denkt hij: 'Er is in en aan dit lichaam haar van het hoofd, haar van het lichaam, nagels, tanden, huid, vlees, zenuwen, botten, merg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, dikke darmen, dunne darmen, de inhoud van de maag, ontlasting, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, lymfe, speeksel, snot, gewrichtssmeer, en urine[20].'"

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts een lichaam', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van het lichaam."

De beschouwing van de materiële elementen — Dhatumanasikara

6. "En verder, monniken, beschouwt een monnik in dit lichaam overeenkomstig het beweegt of gerangschikt is, de elementen van materie, en denkt: 'Er zijn in dit lichaam het element van vastheid (pathavi), het element van vloeibaarheid (apo), het element van temperatuur (tejo), en het element van beweging (vayo)[21].'"

"Monniken, op wat voor een manier ook een handige koeienslachter of de leerling van een koeienslachter een koe heeft geslacht en in porties heeft verdeeld, en bij een kruising van vier wegen moet gaan zitten (om het vlees te kunnen verkopen)[22]; op diezelfde manier beschouwt een monnik in dit lichaam overeenkomstig hoe het gepositioneerd of gerangschikt is, de elementen van materie, al denkende: 'Er is in dit lichaam het element van vastheid, het element van vloeibaarheid, het element van temperatuur, en het element van beweging.'"

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts een lichaam', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van het lichaam."

Beschouwingen van de negen soorten lichamen — Navasivathikapabba
Contemplatie op de begraafplaats 1

7. "En verder, monniken, als een monnik, in welke hoedanigheid dan ook, een lichaam ziet dat één, twee, drie dagen dood is; gezwollen, blauw, vol met etter is en op de begraafplaats geworpen is, denkt hij over zijn eigen lichaam aldus: 'Waarlijk, dit lichaam van mij is van dezelfde aard als dat lichaam, het zal hetzelfde ondergaan als dat lichaam en het zal daar niet aan ontkomen.'"

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts een lichaam', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van het lichaam."

Contemplatie op de begraafplaats 2

8. "En verder, monniken, als een monnik, in welke hoedanigheid dan ook, een lichaam ziet dat op de begraafplaats geworpen is, terwijl het wordt gegeten door kraaien, haviken, gieren, honden, jakhalzen of door verschillende soorten van wormen, denkt hij over zijn eigen lichaam aldus: 'Waarlijk, dit lichaam van mij is van dezelfde aard als dat lichaam, het zal hetzelfde ondergaan als dat lichaam en het zal daar niet aan ontkomen.'"

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts een lichaam', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van het lichaam."

Contemplatie op de begraafplaats 3

9. "En verder, monniken, als een monnik, in welke hoedanigheid dan ook, een lichaam ziet dat op de begraafplaats geworpen is en tot een skelet met wat vlees en bloed gereduceerd is en door pezen bij elkaar gehouden wordt, denkt hij over zijn eigen lichaam aldus: 'Waarlijk, dit lichaam van mij is van dezelfde aard als dat lichaam, het zal hetzelfde ondergaan als dat lichaam en het zal daar niet aan ontkomen.'"

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts een lichaam', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van het lichaam."

Contemplatie op de begraafplaats 4

"En verder, monniken, als een monnik, in welke hoedanigheid dan ook, een lichaam ziet dat op de begraafplaats geworpen is en tot een met bloed besmeurd skelet zonder vlees gereduceerd is, maar nog door banden bij elkaar gehouden wordt, denkt hij over zijn eigen lichaam aldus: 'Waarlijk, dit lichaam van mij is van dezelfde aard als dat lichaam, het zal hetzelfde ondergaan als dat lichaam en het zal daar niet aan ontkomen.'"

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts een lichaam', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van het lichaam."

Contemplatie op de begraafplaats 5

"En verder, monniken, als een monnik, in welke hoedanigheid dan ook, een lichaam ziet dat op de begraafplaats geworpen is en tot een skelet gereduceerd is dat met pezen bij elkaar gehouden wordt, maar zonder vlees en niet met bloed besmeurd is, denkt hij over zijn eigen lichaam aldus: 'Waarlijk, dit lichaam van mij is van dezelfde aard als dat lichaam, het zal hetzelfde ondergaan als dat lichaam en het zal daar niet aan ontkomen.'"

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts een lichaam', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van het lichaam."

Contemplatie op de begraafplaats 6

"En verder, monniken, als een monnik, in welke hoedanigheid dan ook, een lichaam ziet dat op de begraafplaats geworpen is en gereduceerd is tot een stel van elkaar af liggende botten, verspreid liggend in alle richtingen — een bot van een hand, een bot van een voet, een scheenbeen, een dijbeen, het bekken, de ruggengraat en de schedel, elk op een andere plaats — denkt hij over zijn eigen lichaam aldus: 'Waarlijk, dit lichaam van mij is van dezelfde aard als dat lichaam, het zal hetzelfde ondergaan als dat lichaam en het zal daar niet aan ontkomen.'"

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts een lichaam', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van het lichaam."

Contemplatie op de begraafplaats 7

10. "En verder, monniken, als een monnik, in welke hoedanigheid dan ook, een lichaam ziet dat op de begraafplaats geworpen is en gereduceerd is tot botten, wit als een schelp, denkt hij over zijn eigen lichaam aldus: 'Waarlijk, dit lichaam van mij is van dezelfde aard als dat lichaam, het zal hetzelfde ondergaan als dat lichaam en het zal daar niet aan ontkomen.'"

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts een lichaam', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van het lichaam."

Contemplatie op de begraafplaats 8

"En verder, monniken, als een monnik, in welke hoedanigheid dan ook, een lichaam ziet dat op de begraafplaats geworpen is en gereduceerd is tot botten die al langer dan een jaar bij elkaar op een hoopje liggen, denkt hij over zijn eigen lichaam aldus: 'Waarlijk, dit lichaam van mij is van dezelfde aard als dat lichaam, het zal hetzelfde ondergaan als dat lichaam en het zal daar niet aan ontkomen.'"

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts een lichaam', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van het lichaam."

Contemplatie op de begraafplaats 9

"En verder, monniken, als een monnik, in welke hoedanigheid dan ook, een lichaam ziet dat op de begraafplaats geworpen is en gereduceerd is tot vergane botten en stof geworden is, denkt hij over zijn eigen lichaam aldus: 'Waarlijk, dit lichaam van mij is van dezelfde aard als dat lichaam, het zal hetzelfde ondergaan als dat lichaam en het zal daar niet aan ontkomen.'"

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt extern het lichaam als een lichaam, of hij beschouwt zowel intern als extern het lichaam als een lichaam. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent het lichaam; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent het lichaam; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent het lichaam."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts een lichaam', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van het lichaam."

Indachtigheid van gevoelens — Vedana nupassana

11. "En hoe, monniken, beschouwt een monnik gevoelens als gevoelens?"

"Hierin, monniken, weet een monnik, wanneer hij een aangenaam gevoel ervaart: 'Dit is een aangenaam gevoel'; wanneer hij een onaangenaam gevoel ervaart, weet hij: 'Dit is een onaangenaam gevoel'; wanneer hij een noch aangenaam noch onaangenaam gevoel ervaart, weet hij: 'Dit is een noch aangenaam noch onaangenaam gevoel'; wanneer hij een aangenaam werelds gevoel (samisa) ervaart, weet hij: 'Dit is een aangenaam werelds gevoel'; wanneer hij een aangenaam spiritueel (niet-werelds) (niramisa) gevoel ervaart, weet hij: 'Dit is een aangenaam spiritueel gevoel'; wanneer hij een onaangenaam werelds gevoel ervaart, weet hij: 'Dit is een onaangenaam werelds gevoel'; wanneer hij een onaangenaam spiritueel gevoel ervaart, weet hij: 'Dit is een onaangenaam spiritueel gevoel'; wanneer hij een noch aangenaam noch onaangenaam werelds gevoel ervaart, weet hij: 'Dit is een noch aangenaam noch onaangenaam werelds gevoel'; wanneer hij een noch aangenaam noch onaangenaam spiritueel gevoel ervaart, weet hij: 'Dit is een noch aangenaam noch onaangenaam spiritueel gevoel[23].'"

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern gevoelens als gevoelens, of hij beschouwt extern gevoelens als gevoelens, of hij beschouwt zowel intern als extern gevoelens als gevoelens. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent gevoelens; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent gevoelens; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent gevoelens[24]."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er zijn slechts gevoelens', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van gevoelens."

Indachtigheid van de geest — Citta nupassana

12. "En hoe, monniken, beschouwt een monnik de geest als de geest[25]?"

"Hierin, monniken, kent een monnik de geest met begeerte (lobha) als de geest met begeerte; de geest zonder begeerte als de geest zonder begeerte; de geest met haat (dosa) als de geest met haat; de geest zonder haat, als de geest zonder haat; de geest met onwetendheid (moha) als de geest met onwetendheid; de geest zonder onwetendheid als de geest zonder onwetendheid; de vernauwde geest (sankhitta citta) als de vernauwde geest; de afgeleide geest (vikkhitta citta) als de afgeleide geest; de ontwikkelde staat van de geest (mahaggata citta) als de ontwikkelde staat van de geest; de onontwikkelde staat van de geest (amahaggata citta of kamavacara citta) als de onontwikkelde staat van de geest; de overtrefbare geest (sauttara citta) als de overtrefbare geest; de onovertrefbare geest (anuttara citta) als de onovertrefbare geest; de geconcentreerde geest (samahita citta) als de geconcentreerde geest; de ongeconcentreerde geest (asmahita citta) als de ongeconcentreerde geest; de bevrijde geest (vimutta citta) als de bevrijde geest[26]; de niet bevrijde geest (avimutta citta) als de niet bevrijde geest."

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern de geest als de geest, of hij beschouwt extern de geest als de geest, of hij beschouwt zowel intern als extern de geest als de geest. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent de geest; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent de geest; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent de geest[27]."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er is slechts bewustzijn', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van de geest."

Indachtigheid van mentale objecten — Dhamma nupassana

13. "En hoe, monniken, beschouwt een monnik mentale objecten als mentale objecten[28]?"

De vijf hindernissen — Pañca nivarana

"Hierin, monniken, beschouwt een monnik mentale objecten als mentale objecten, te weten de vijf hindernissen (pañca nivarana)."

"Hoe, monniken, beschouwt een monnik mentale objecten als mentale objecten, te weten de vijf hindernissen?"

Zintuiglijk verlangen

"Hierin, monniken, weet een monnik wanneer zintuiglijk verlangen (kamacchanda) in hem aanwezig is: 'Er is zintuiglijk verlangen in mij', of als zintuiglijk verlangen in hem afwezig is, dan weet hij: 'Er is geen zintuiglijk verlangen in mij.' Hij begrijpt hoe het opkomen van zintuiglijk verlangen dat nog niet is ontstaan tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van reeds opgekomen zintuiglijk verlangen tot stand komt; en hij begrijpt hoe het opgegeven zintuiglijk verlangen in de toekomst niet meer tot stand zal komen."

Kwade wil

"Wanneer kwade wil (vyapada) in hem aanwezig is, dan weet hij: 'Er is kwade wil in mij', of als kwade wil in hem afwezig is, dan weet hij: 'Er is geen kwade wil in mij.' Hij begrijpt hoe het opkomen van kwade wil dat nog niet is ontstaan tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van reeds opgekomen kwade wil tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven kwade wil in de toekomst niet meer tot stand zal komen."

Luiheid en traagheid

"Wanneer luiheid en traagheid (thina middha) in hem aanwezig zijn, dan weet hij: 'Luiheid en traagheid zijn in mij aanwezig', of als luiheid en traagheid in hem afwezig zijn, weet hij: 'Luiheid en traagheid zijn niet in mij.' Hij begrijpt hoe het opkomen van luiheid en traagheid die nog niet is ontstaan tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van reeds opgekomen luiheid en traagheid tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven luiheid en traagheid in de toekomst niet meer tot stand zal komen."

Rusteloosheid en bezorgdheid

"Wanneer rusteloosheid en bezorgdheid (uddhacca kukkucca) in hem aanwezig zijn, dan weet hij: 'Rusteloosheid en bezorgdheid zijn in mij aanwezig', of als rusteloosheid en bezorgdheid in hem afwezig zijn, dan weet hij: 'Rusteloosheid en bezorgdheid zijn niet in mij.' Hij begrijpt hoe het opkomen van rusteloosheid en bezorgdheid die nog niet ontstaan is tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van opgekomen rusteloosheid en bezorgdheid tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven rusteloosheid en bezorgdheid in de toekomst niet meer tot stand zal komen."

Twijfel

"Wanneer twijfel (vicikiccha) in hem aanwezig is, weet hij: 'Er is twijfel in mij', of als twijfel in hem afwezig is, weet hij: 'Er is geen twijfel in mij.' Hij begrijpt hoe het opkomen van twijfel die nog niet ontstaan is tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van opgekomen twijfel tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven twijfel in de toekomst niet meer tot stand zal komen."

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern mentale objecten als mentale objecten, of hij beschouwt extern mentale objecten als mentale objecten, of hij beschouwt zowel intern als extern mentale objecten als mentale objecten. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent mentale objecten; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent mentale objecten; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent mentale objecten."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er zijn slechts mentale objecten', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van mentale objecten, te weten de vijf hindernissen."

De vijf aggregaten van hechten — Pañca upadana kkhandha

14. "En verder, monniken, beschouwt een monnik mentale objecten als mentale objecten, te weten de vijf aggregaten van hechten (pañca upadana kkhandha)."

"Hoe, monniken, beschouwt een monnik mentale objecten als mentale objecten, te weten de vijf aggregaten van hechten?"

"Hierin, monniken, weet een monnik:

Materiële vorm

'Aldus is materiële vorm (rupa); aldus is het ontstaan van materiële vorm; en aldus is het verdwijnen van materiële vorm.'

Gevoelens

'Aldus zijn gevoelens (vedana); aldus is het ontstaan van gevoelens; en aldus is het verdwijnen van gevoelens.'

Waarneming

'Aldus is waarneming (sañña); aldus is het ontstaan van waarneming; en aldus is het verdwijnen van waarneming.'

Mentale formaties

'Aldus zijn mentale formaties (sankhara); aldus is het ontstaan van mentale formaties; en aldus is het verdwijnen van mentale formaties.'

Bewustzijn

'Aldus is bewustzijn (viññana); aldus is het ontstaan van bewustzijn; en aldus is het verdwijnen van bewustzijn.'"

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern mentale objecten als mentale objecten, of hij beschouwt extern mentale objecten als mentale objecten, of hij beschouwt zowel intern als extern mentale objecten als mentale objecten. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent mentale objecten; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent mentale objecten; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent mentale objecten."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er zijn slechts mentale objecten', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van mentale objecten, te weten de vijf aggregaten van hechten."

De zes innerlijke en de zes uiterlijke zintuigbases — Salayatana

15. "En verder, monniken, beschouwt een monnik mentale objecten als mentale objecten, te weten de zes innerlijke zintuigbases (adhyatma ayatana) en de zes uiterlijke zintuigbases (bahir ayatana)[29]."

"Hoe, monniken, beschouwt een monnik mentale objecten als mentale objecten, te weten de zes innerlijke en de zes uiterlijke zintuigbases?"

Het oog en materiële vormen

"Hierin, monniken, begrijpt een monnik het oog en materiële vormen en de band die afhankelijk van beide (het oog en vormen) ontstaat. Hij begrijpt hoe het opkomen van de band die nog niet ontstaan is tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van de reeds opgekomen band tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven band in de toekomst niet meer tot stand zal komen."

Het oor en het geluid

"Hij begrijpt het oor en geluiden en de band die afhankelijk van beide (het oor en het geluid) ontstaat. Hij begrijpt hoe het opkomen van de band die nog niet ontstaan is tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van de reeds opgekomen band tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven band in de toekomst niet meer tot stand zal komen."

De neus en de geur

"Hij begrijpt de neus en geuren en de band die afhankelijk van beide (de neus en geuren) ontstaat. Hij begrijpt hoe het opkomen van de band die nog niet ontstaan is tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van de reeds opgekomen band tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven band in de toekomst niet meer tot stand zal komen."

De tong en de smaak

"Hij begrijpt de tong en smaken en de band die afhankelijk van beide (de tong en smaken) ontstaat. Hij begrijpt hoe het opkomen van de band die nog niet ontstaan is tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van de reeds opgekomen band tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven band in de toekomst niet meer tot stand zal komen."

Het lichaam en tastbare dingen

"Hij begrijpt het lichaam en tastbare dingen en de band die afhankelijk van beide (het lichaam en tastbare dingen) ontstaat. Hij begrijpt hoe het opkomen van de band die nog niet ontstaan is tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van de reeds opgekomen band tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven band in de toekomst niet meer tot stand zal komen."

De geest en mentale objecten

"Hij begrijpt de geest en mentale objecten en de band die afhankelijk van beide (de geest en mentale objecten) ontstaat. Hij begrijpt hoe het opkomen van de band die nog niet ontstaan is tot stand komt; hij begrijpt hoe het opgeven van de reeds opgekomen band tot stand komt; en hij begrijpt hoe de opgegeven band in de toekomst niet meer tot stand zal komen."

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern mentale objecten als mentale objecten, of hij beschouwt extern mentale objecten als mentale objecten, of hij beschouwt zowel intern als extern mentale objecten als mentale objecten. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent mentale objecten; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent mentale objecten; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent mentale objecten."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er zijn slechts mentale objecten', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van mentale objecten, te weten de zes innerlijke en de zes uiterlijke zintuigbases."

De zeven factoren van verlichting — Bojjhanga

16. "En verder, monniken, beschouwt een monnik mentale objecten als mentale objecten, te weten de zeven factoren van verlichting."

"Hoe, monniken, beschouwt een monnik mentale objecten als mentale objecten, te weten de zeven factoren van verlichting?"

Verlichtingsfactor indachtigheid

"Hierin, monniken, wanneer de verlichtingsfactor indachtigheid (sati sambojjhanga) aanwezig is, weet een monnik: 'De verlichtingsfactor indachtigheid is in mij'; of wanneer de verlichtingsfactor indachtigheid afwezig is, weet hij: 'De verlichtingsfactor indachtigheid is niet in mij'; en hij begrijpt hoe het ontstaan van de verlichtingsfactor indachtigheid die nog niet ontstaan is tot stand komt; en hoe de voltooiing[30] door het ontwikkelen van de reeds opgekomen verlichtingsfactor indachtigheid tot stand zal komen."

Verlichtingsfactor onderzoek naar dhamma's

"Wanneer de verlichtingsfactor onderzoek naar dhamma's (dhamma vicaya sambojjhanga)[31] aanwezig is, weet hij: 'De verlichtingsfactor onderzoek naar dhamma's is in mij'; of wanneer de verlichtingsfactor onderzoek naar dhamma's afwezig is, weet hij: 'De verlichtingsfactor onderzoek naar dhamma's is niet in mij'; en hij begrijpt hoe het ontstaan van de verlichtingsfactor onderzoek naar dhamma's die nog niet ontstaan is tot stand komt; en hoe de voltooiing door het ontwikkelen van de reeds opgekomen verlichtingsfactor onderzoek naar dhamma's tot stand zal komen."

Verlichtingsfactor energie

"Wanneer de verlichtingsfactor energie (viriya sambojjhanga) aanwezig is, weet hij: 'De verlichtingsfactor energie is in mij'; of wanneer de verlichtingsfactor energie afwezig is, weet hij: 'De verlichtingsfactor energie is niet in mij'; en hij begrijpt hoe het ontstaan van de verlichtingsfactor energie die nog niet ontstaan is tot stand komt; en hoe de voltooiing door het ontwikkelen van de reeds opgekomen verlichtingsfactor energie tot stand zal komen."

Verlichtingsfactor vreugde

"Wanneer de verlichtingsfactor vreugde (piti sambojjhanga) aanwezig is, weet hij: 'De verlichtingsfactor vreugde is in mij'; of wanneer de verlichtingsfactor vreugde afwezig is, weet hij: 'De verlichtingsfactor vreugde is niet in mij'; en hij begrijpt hoe het ontstaan van de verlichtingsfactor vreugde die nog niet ontstaan is tot stand komt; en hoe de voltooiing door het ontwikkelen van de reeds opgekomen verlichtingsfactor vreugde tot stand zal komen."

Verlichtingsfactor kalmte

"Wanneer de verlichtingsfactor kalmte (passaddhi sambojjhanga) aanwezig is, weet hij: 'De verlichtingsfactor kalmte is in mij'; of wanneer de verlichtingsfactor kalmte afwezig is, weet hij: 'De verlichtingsfactor kalmte is niet in mij'; en hij begrijpt hoe het ontstaan van de verlichtingsfactor kalmte die nog niet ontstaan is tot stand komt; en hoe de voltooiing door het ontwikkelen van de reeds opgekomen verlichtingsfactor kalmte tot stand zal komen."

Verlichtingsfactor concentratie

"Wanneer de verlichtingsfactor concentratie (samadhi sambojjhanga) aanwezig is, weet hij: 'De verlichtingsfactor concentratie is in mij'; of wanneer de verlichtingsfactor concentratie afwezig is, weet hij: 'De verlichtingsfactor concentratie is niet in mij'; en hij begrijpt hoe het ontstaan van de verlichtingsfactor concentratie die nog niet ontstaan is tot stand komt; en hoe de voltooiing door het ontwikkelen van de reeds opgekomen verlichtingsfactor concentratie tot stand zal komen."

Verlichtingsfactor gelijkmoedigheid

"Wanneer de verlichtingsfactor gelijkmoedigheid (upekkha sambojjhanga) aanwezig is, weet hij: 'De verlichtingsfactor gelijkmoedigheid is in mij'; of wanneer de verlichtingsfactor gelijkmoedigheid afwezig is, weet hij: 'De verlichtingsfactor gelijkmoedigheid is niet in mij'; en hij begrijpt hoe het ontstaan van de verlichtingsfactor gelijkmoedigheid die nog niet ontstaan is tot stand komt; en hoe de voltooiing door het ontwikkelen van de reeds opgekomen verlichtingsfactor gelijkmoedigheid tot stand zal komen."

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern mentale objecten als mentale objecten, of hij beschouwt extern mentale objecten als mentale objecten, of hij beschouwt zowel intern als extern mentale objecten als mentale objecten. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent mentale objecten; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent mentale objecten; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent mentale objecten."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er zijn slechts mentale objecten', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van mentale objecten, te weten de zeven factoren van verlichting."

De Vier Edele Waarheden — Cattari Ariya Sacca

17. "En verder, monniken, beschouwt een monnik mentale objecten als mentale objecten, te weten de Vier Edele Waarheden (cattari ariya sacca)."

"Hoe, monniken, beschouwt een monnik mentale objecten als mentale objecten, te weten de Vier Edele Waarheden?"

"Hierin, monniken, begrijpt een monnik overeenkomstig de realiteit: 1. 'Dit is lijden' (dukkha); en hij begrijpt overeenkomstig de realiteit: 2. 'Dit is de oorzaak van lijden' (samudaya); en hij begrijpt overeenkomstig de realiteit: 3. 'Dit is de opheffing van lijden' (nirodha); en hij begrijpt overeenkomstig de realiteit: 4. 'Dit is het pad dat leidt tot opheffing van lijden' (magga)[32]."

Het bestaan van lijden

18. "En wat, monniken, is de edele waarheid van lijden (dukkha)? Geboorte (jati) is lijden, ouderdom (jara) is lijden, ziekte (vyadhi) is lijden, dood (marana) is lijden, verdriet (soka) en weeklagen (parideva), pijn (dukkha), smart (domanassa) en wanhoop (sambhavanti) zijn lijden; gevoegd worden bij het onaangename (appiyehisampayoga) is lijden, gescheiden worden van het geliefde (piyehivippayoga) is lijden, niet krijgen wat men wil is lijden (yampiccam nalabhati tampi dukkam) — kortom, de vijf groepen (die het object zijn) van hechten (pañca upadana kkhandha), zijn lijden (samkhittena pañcupadanakkhandha dukkha)."

"Wat, nu, is geboorte? Het is de geboorte van wezens die tot welke orde dan ook behoren, hun geboren worden, hun ontstaan, hun conceptie, hun in het bestaan komen, de manifestatie van de aggregaten, hun verwerving van de zintuigbases — dit heet geboorte."

"En wat is ouderdom? Het is de veroudering van wezens die tot welke orde dan ook behoren, zij worden zwak, afgeleefd, grijs en gerimpeld; het verzwakken van hun vitale kracht, het uitgeput raken van hun zintuiglijke vermogens — dit heet ouderdom."

"En wat is dood? Het is het vertrekken en het wegsterven van wezens die tot welke orde dan ook behoren, hun vernietiging, verdwijning, dood, de beëindiging van hun levensperiode, ontbinding van de aggregaten, het afwerpen van het lichaam — dit heet dood."

"En wat is verdriet? Het is het verdriet dat ontstaat door enigerlei verlies of ongeluk dat men ontmoet, het verdrietige, de verdrietige staat van de geest, het innerlijke verdriet, innerlijke ellende — dit heet verdriet."

"En wat is weeklagen? Over welk verlies of ongeluk dan ook dat men ontmoet, is er jammeren en weeklagen, gejammer en geweeklaag, de staat van jammeren en weeklagen — dit heet weeklagen."

"En wat is pijn? Het is de lichamelijke pijn en het lichamelijk onaangename, het pijnlijke en onaangename gevoel dat voortkomt uit lichamelijk contact — dit heet pijn."

"En wat is smart? Het is de mentale pijn en de mentale onaangenaamheid, het pijnlijke en onaangename gevoel dat voortkomt uit mentaal contact — dit heet smart."

"En wat is wanhoop? Het is de droefheid en wanhoop die ontstaan door een verlies of ongeluk dat men ontmoet, de staat van droefheid en radeloosheid — dit heet wanhoop."

"En wat is het lijden van 'niet krijgen wat men wil'? In wezens die onderhevig zijn aan geboorte, ontstaat de wens: 'O, dat wij niet onderhevig aan geboorte zullen zijn! O, dat ons geen nieuwe geboorte te wachten zal staan!' En in wezens die onderhevig aan ouderdom, ziekte, dood, verdriet, weeklagen, pijn, smart en wanhoop zijn, verrijst de wens: 'O, dat wij niet onderworpen zullen zijn aan deze dingen! O, dat deze dingen ons niet te wachten zullen staan!' Maar dit kan niet verkregen worden door het alleen maar te wensen — en niet krijgen wat men wel wenst, is lijden."

"En wat is (de bedoeling van het standpunt) 'Kortom, de vijf groepen van hechten, zijn lijden'? Het zijn de vijf aggregaten van materiële vorm, gevoel, waarneming, mentale formaties en bewustzijn — dit heet: 'kortom, de vijf groepen van hechten, zijn lijden.'"

"Dit, monniken, is de edele waarheid van lijden."

De oorzaak van lijden

19. "En wat, monniken, is de edele waarheid van de oorzaak (samudaya) van lijden? Het is de hunkering (tanha) die wedergeboorte (ponobhavika) veroorzaakt en welke gepaard gaat met hartstocht (kama raga) en wellust, en welke bevrediging zoekt in dingen, dan weer hier, dan weer daar, namelijk: hunkering naar zintuiglijke geneugten (kama tanha), hunkering naar bestaan (bhava tanha), en hunkering naar niet-bestaan (vibhava tanha)."

"Maar waar ontstaat deze hunkering (tanha) en waar wortelt deze zich? Overal in de (mentale en fysieke) wereld waar hartstochtelijke en aangename dingen zijn, daar ontstaat deze hunkering en daar wortelt het zich."

"En wat is er in de (mentale en fysieke) wereld dat hartstochtelijk en aangenaam is? Het oog (cakkhu) in de wereld is hartstochtelijk en aangenaam; daar ontstaat deze hunkering en daar wortelt het zich. Het oor (sota) (...). De neus (ghana) (...). De tong (jivha) (...). Het lichaam (kaya) (...). De geest (mano) in de (mentale en fysieke) wereld is hartstochtelijk en aangenaam; daar ontstaat deze hunkering en daar wortelt het zich."

"Zichtbare objecten (rupa), geluiden (sadda), geuren (gandha), smaken (rasa), tastbare objecten (photthabba) en mentale objecten (zie dhammarammana), zijn hartstochtelijk en aangenaam; daar ontstaat deze hunkering en daar wortelt het zich."

"Oogbewustzijn (cakkhu viññana), oorbewustzijn (sota viññana), neusbewustzijn (ghana viññana), tongbewustzijn (jivha viññana), lichaamsbewustzijn (kaya viññana) en geestesbewustzijn (mano viññana) is hartstochtelijk en aangenaam; daar ontstaat deze hunkering en daar wortelt het zich."

"Het (corresponderende zesvoudige) contact (phassa) is hartstochtelijk en aangenaam; daar ontstaat deze hunkering en daar wortelt het zich."

"Het gevoel (vedana) dat ontstaat vanuit dat zesvoudige contact is hartstochtelijk en aangenaam; daar ontstaat deze hunkering en daar wortelt het zich."

De waarneming (sañña) van zichtbare objecten, van geluiden, van geuren, van smaken, van tastbare objecten, van mentale objecten is hartstochtelijk en aangenaam; daar ontstaat deze hunkering en daar wortelt het zich.

"De zesvoudige wil (cetana) (gericht naar zichtbare objecten, geluiden, etc.) is hartstochtelijk en aangenaam; daar ontstaat deze hunkering en daar wortelt het zich."

"De zesvoudige hunkering (tanha) (gericht naar visuele vormen, geluiden, etc.) is hartstochtelijk en aangenaam; daar ontstaat deze hunkering en daar wortelt het zich."

"De zesvoudige aanvangende gedachten (vitakka) (omtrent visuele vormen, geluiden, etc.) is hartstochtelijk en aangenaam; daar ontstaat deze hunkering en daar wortelt het zich."

"De zesvoudige aanhoudende gedachten (vicara) zijn hartstochtelijk en aangenaam; daar ontstaat deze hunkering en daar wortelt het zich."

"Dit, monniken, is de edele waarheid van de oorzaak van lijden."

De opheffing van lijden

20. "En wat, monniken, is de edele waarheid van de opheffing (nirodha) van lijden? Het is het volledig doen verwelken en doen ophouden, het opgeven, het laten varen, het loslaten en het verwerpen van deze hunkering."

"Maar waar moet deze hunkering opgegeven worden, waar moet zij uitgeblust worden? Overal in de (mentale en fysieke) wereld waar hartstochtelijke en aangename dingen zijn, daar moet deze hunkering opgegeven worden, daar moet het uitgeblust worden."

"Het oog (cakkhu) in de wereld is hartstochtelijk en aangenaam; daar moet het uitgeblust worden. Het oor (sota) (...). De neus (ghana) (...). De tong (jivha) (...). Het lichaam (kaya) (...). De geest (mano) in de (mentale en fysieke) wereld is hartstochtelijk en aangenaam; daar moet deze hunkering opgegeven worden, daar moet het uitgeblust worden."

"Zichtbare objecten (rupa), geluiden (sadda), geuren (gandha), smaken (rasa), tastbare objecten (photthabba) en mentale objecten (zie dhammarammana), zijn hartstochtelijk en aangenaam; daar moet deze hunkering opgegeven worden, daar moet het uitgeblust worden."

"Oogbewustzijn (cakkhu viññana), oorbewustzijn (sota viññana), neusbewustzijn (ghana viññana), tongbewustzijn (jivha viññana), lichaamsbewustzijn (kaya viññana) en geestesbewustzijn (mano viññana) is hartstochtelijk en aangenaam; daar moet deze hunkering opgegeven worden, daar moet het uitgeblust worden."

"Het (corresponderende zesvoudige) contact (phassa) is hartstochtelijk en aangenaam; daar moet deze hunkering opgegeven worden, daar moet het uitgeblust worden."

"Het gevoel (vedana) dat ontstaat vanuit dat zesvoudige contact is hartstochtelijk en aangenaam; daar moet deze hunkering opgegeven worden, daar moet het uitgeblust worden."

"De zesvoudige wil (cetana) (gericht naar zichtbare objecten, geluiden, etc.) is hartstochtelijk en aangenaam; daar moet deze hunkering opgegeven worden, daar moet het uitgeblust worden."

"De zesvoudige hunkering (tanha) (gericht naar visuele vormen, geluiden, etc.) is hartstochtelijk en aangenaam; daar moet deze hunkering opgegeven worden, daar moet het uitgeblust worden."

"De zesvoudige aanvangende gedachten (vitakka) (omtrent visuele vormen, geluiden, etc.) is hartstochtelijk en aangenaam; daar moet deze hunkering opgegeven worden, daar moet het uitgeblust worden."

"De zesvoudige aanhoudende gedachten (vicara) zijn hartstochtelijk en aangenaam; daar moet deze hunkering opgegeven worden, daar moet het uitgeblust worden."

"Dit, monniken, is de edele waarheid van de opheffing van lijden."

Het pad dat leidt naar de opheffing van lijden

21. "En wat, monniken, is de edele waarheid van het pad (magga) dat leidt naar de opheffing van lijden? Het is eenvoudigweg het Edel Achtvoudige Pad (ariya atthangika magga), namelijk: juist begrip (samma ditthi), juiste gedachten (samma sankappa), juiste spraak (samma vaca), juist handelen (samma kammanta), juiste wijze van levensonderhoud (samma ajiva), juiste inspanning (samma vayama), juiste indachtigheid (samma sati), juiste concentratie (samma samadhi)."

"En wat, monniken, is juist begrip (samma ditthi)? Begrijpen wat lijden is; begrijpen wat de oorzaak van lijden is; begrijpen wat het ophouden van lijden is; begrijpen wat het pad is dat leidt naar de opheffing van lijden. Dit is juist begrip."

"En wat, monniken, zijn juiste gedachten (samma sankappa)? Gedachten die vrij zijn van wellust; gedachten die vrij zijn van kwade wil; gedachten die vrij zijn van kwelzucht. Dit zijn juiste gedachten."

"En wat, monniken, is juiste spraak (samma vaca)? Onthouding van het vertellen van leugens; onthouding van het spreken van lasterende taal; onthouding van het spreken van harde woorden; onthouding van onzinnig gepraat. Dit is juiste spraak."

"En wat, monniken, is juist handelen (samma kammanta)? Onthouding van doden; van het nemen wat niet gegeven is; van seksueel wangedrag. Dit is juist handelen."

"En wat, monniken, is de juiste wijze van levensonderhoud (samma ajiva)? Wanneer de edele leerling een verkeerde wijze van levensonderhoud vermijdt, en zich voorziet in zijn levensonderhoud op een juiste wijze. Dit is de juiste wijze van levensonderhoud."

"En wat, monniken, is juiste inspanning (samma vayama)? 1. "Hierin[33] wekt een monnik zijn wil op om het opkomen van kwaad — onheilzame staten — te vermijden, hij spant zich in, wekt zijn energie op, richt zijn geest daarop en streeft daarnaar. 2. Om het kwaad — onheilzame staten te overwinnen die reeds opgekomen zijn — wekt hij zijn wil op, spant hij zich in, wekt zijn energie op, richt zijn geest daarop en streeft daarnaar. 3. Voor het opkomen van heilzame staten die nog niet opgekomen zijn, wekt hij zijn wil op, spant hij zich in, wekt zijn energie op, richt zijn geest daarop en streeft daarnaar. 4. Voor het handhaven van de heilzame staten die opgekomen zijn, om hen niet af te laten zwakken maar hen tot groei te brengen, tot volle wasdom en perfecte ontwikkeling — wekt hij zijn wil op, spant hij zich in, wekt zijn energie op, richt zijn geest daarop en streeft daarnaar: dit is juiste inspanning."

"En wat, monniken, is juiste indachtigheid? (samma sati) 1. Hierin verblijft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van het lichaam met betrekking tot het lichaam; 2. hij beoefent de indachtigheid van gevoel met betrekking tot gevoelens; 3. hij beoefent de indachtigheid van de geest met betrekking tot de geest; 4. hij beoefent de indachtigheid van mentale objecten met betrekking tot mentale objecten. Hij doet dat vol ijver, helder begrijpend en oplettend, en overwint de begeerte en smart omtrent de wereld: dit is juiste indachtigheid."

"En wat, monniken, is juiste concentratie (samma samadhi)? Hierin gaat en verblijft een monnik, vrij van zintuiglijke dingen, vrij van karmisch onheilzame zaken, in de eerste meditatieve verdieping, die gepaard gaat met aanvangende gedachten (vitakka)[34] en aanhoudende gedachten (vicara)[35] en die vervuld is van vreugde (piti) en geluk (sukha), geboren uit onthechting (viveka)."

"Dan, met het afnemen van aanvangende gedachten (vitakka) en aanhoudende gedachten (vicara) , door het verkrijgen van innerlijke kalmte (passaddhi) en geestelijke eenheid (ekaggata), gaat en verblijft hij in de tweede meditatieve verdieping, die vrij is van aanvangende gedachten en aanhouden denken, maar vervuld is van vreugde (piti) en geluk (sukha), geboren uit onthechting."

"Met het verdwijnen van vreugde (piti), verblijft hij in gelijkmoedigheid (upekkha), indachtig (sati) en helder van begrip (samma pañña); en hij ervaart in eigen persoon die zegen waarvan de edelen van geest zeggen: 'Gelukkig leeft hij, die gelijkmoedig en indachtig is.' Aldus gaat en verblijft hij in de derde meditatieve verdieping."

"Na het opgeven van geluk (sukha) en pijn (dukkha), en met de hieraan voorafgaande verdwijning van vreugde (piti) en smart (domanassa), gaat en verblijft hij in de vierde meditatieve verdieping die noch geluk noch pijn kent, maar zuiverheid van indachtigheid vanwege gelijkmoedigheid (upekkha). Dit, monniken, is juiste concentratie[36]."

"Dit, monniken, is de edele waarheid van het pad dat leidt naar de opheffing van lijden."

Inzicht

"Op deze wijze beschouwt hij intern mentale objecten als mentale objecten, of hij beschouwt extern mentale objecten als mentale objecten, of hij beschouwt zowel intern als extern mentale objecten als mentale objecten. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent mentale objecten; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent mentale objecten; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent mentale objecten."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er zijn slechts mentale objecten', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk (anissito) en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van mentale objecten, te weten de Vier Edele Waarheden."

Succes verzekerd

22. "Waarlijk, monniken, als iemand deze fundamenten van indachtigheid, op deze wijze, zeven jaar[37] zou beoefenen, dan kan hij één van deze twee resultaten verwachten: inzicht (voor de uiteindelijke bevrijding, dat wil zeggen Arahatschap) hier en nu; of, als er nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van de niet-terugkerende[38] (anagami)."

"Monniken, afgezien van zeven jaren. Als iemand deze fundamenten van indachtigheid op deze wijze zes jaren, vijf jaren, vier jaren, drie jaren, twee jaren, of één jaar zou beoefenen, dan kan hij één van deze twee resultaten verwachten: inzicht hier en nu; of, als er nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van de niet-terugkerende (anagami)."

"Monniken, afgezien van één jaar. Als iemand deze fundamenten van indachtigheid op deze wijze zeven maanden zou beoefenen, dan kan hij één van deze twee resultaten verwachten: inzicht hier en nu; of, als er nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van de niet-terugkerende (anagami)."

"Monniken, afgezien van zeven maanden. Als iemand deze fundamenten van indachtigheid op deze wijze zeven maanden, zes maanden, vijf maanden, vier maanden, drie maanden, twee maanden, één maand, een halve maand zou beoefenen, dan kan hij één van deze twee resultaten verwachten: kennis hier en nu; of, als er nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van de niet-terugkerende (anagami)."

"Monniken, afgezien van een halve maand. Als iemand deze fundamenten van indachtigheid op deze wijze een week zou beoefenen, dan kan hij één van deze twee resultaten verwachten: kennis hier en nu; of, als er nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van de niet-terugkerende (anagami)."

"Vanwege dit werd er gezegd: 'Dit is de enige weg, monniken, voor de zuivering van wezens, voor het overwinnen van verdriet en weeklagen, voor de vernietiging van lijden en smart, om het juiste pad te bereiken[39], voor de verwezenlijking van Nibbana, namelijk, de vier fundamenten van indachtigheid.'"

Aldus sprak de Gezegende. De monniken verheugden zich in zijn woorden.

Eindnoten

[1] 'Aldus heb ik gehoord' (Evam me sutam): Toespraken die op deze manier beginnen zijn doorgaans verhaald door de Eerwaarde Ananda, de neef en meest geliefde discipel van de Boeddha. Zie Ananda op de pagina Personen voor meer informatie over deze bijzondere monnik.

[2] Kammasadhamma lag, volgens sommige leerlingen, in de omgeving van het huidige Delhi.

[3] Voor het 'juiste pad' zie ariya puggala/ariya.

[4] Voor een overzicht en gerelateerde informatie, zie satipatthana.

[5] In deze leer, in deze oefening.

[6] MA: "Iedereen die deze oefening uitvoert wordt 'monnik' (of non) genoemd."

[7] Overeenkomstig MA heeft de herhaling in de zinsnede 'beschouwt het lichaam als een lichaam' als doel om precies het object van contemplatie aan te geven en dat object daarmee te isoleren van andere objecten waarmee het kan worden verward. Per oefening dien je duidelijk bij het object van meditatie te blijven. Zo moet, in de oefening van de indachtigheid van het lichaam, het lichaam als zodanig worden beschouwd, en niet je gevoelens, ideeën of emoties omtrent het object. Het betekent ook dat het lichaam slechts beschouwd dient te worden als een lichaam en niet als een man, een vrouw, een zelf of als een levend wezen etc. De essentie van boeddhistische meditatie is om als een passieve toeschouwer te kijken naar fenomenen en ze gewoon te zien voor wat ze zijn, en meer niet. Gelijkwaardige principes worden ook toegepast op de herhalingen in elk van de andere drie fundamenten van indachtigheid.

[8] Het tijdelijk opgeven van hebzucht en verdriet op het moment van meditatie. Strikt gesproken betekent dit dat je er bij het verwerven van de jhana's (meditatieve verdiepingen), d.m.v. concentratie tijdelijk vrij van bent. Bij het bereiken van Arahatschap zijn deze hoedanigheden totaal uitgeroeid.

[9] Deze houding wordt meestal door oosterse mensen aangenomen, maar voor westerse mensen is dat erg moeilijk. Wie niet in een lotushouding kan zitten, kan gewoon op een stoel gaan zitten of op de knieën met een stevig kussen of een bankje ter ondersteuning. Als je niet comfortabel zit is het moeilijk jezelf te concentreren. Je moet gemakkelijk zitten maar de ruggengraat moet rechtop gehouden worden zonder slapte of overdreven stijfheid en je dient nergens tegenaan te leunen. De handen kunnen losjes op de schoot of op de benen worden gelegd. Een originele manier in Theravada boeddhisme is dat de rechterhand met de rug op de palm van de linkerhand rust. Deze houding heeft overigens geen betekenis afgezien van het feit dat het een goede manier is om de armen te ontspannen. De ogen moeten gesloten zijn omdat anders je geest teveel wordt afgeleid door uiterlijke dingen; de lippen zijn gesloten en het puntje van je tong raakt het boven verhemelte om te voorkomen dat er steeds speeksel naar buiten stroomt.

[10] Anapana sati: Indachtigheid met betrekking tot de ademhaling. Ana = inademing, apana = uitademing.

[11] De oefening van de indachtigheid van ademen (anapana sati) behelst geen opzettelijke of gekunstelde poging om de ademhaling te manipuleren zoals in hatha yoga, maar een aanhoudende inspanning om het gewaarzijn op de ademhaling te vestigen wanneer het in en uit beweegt op haar natuurlijke ritme. Indachtigheid wordt gevestigd op de neusvleugels of op de bovenlip, afhankelijk van waar de adem het best wordt gevoeld. De duur van de ademhaling wordt opgemerkt, maar niet bewust onder controle gebracht. In M118 — Anapanasati Sutta — De indachtigheid van ademen is de volledige ontwikkeling van deze meditatiemethode uiteengezet. Voor een goed georganiseerde collectie teksten over dit onderwerp, zie Bhikkhu Nanamoli, Mindfulness of Breathing.

[12] Sabba kaya: Letterlijk 'het hele (adem)lichaam'. Overeenkomstig Vis, betekent 'kaya' hier niet het fysieke lichaam (waar de term normaal gesproken voor staat), maar het totale gebeuren van de in- en uitademing (sabbakayapatisamvedi). MA: de zinsnede 'het hele (adem)lichaam ervaren' (sabbakayapatisamvedi) betekent dat de meditator gewaar is van elke in- en uitademing tijdens de drie fases van de ademhaling: het begin, het midden en het einde.

[13] De activiteit van het lichaam die gekalmeerd (tot rust gebracht) wordt is hier de beweging van de ademhaling. Het is een kwestie van er alleen maar naar kijken. Verder niets.

[14] MA: 'Intern': het beschouwen van de ademhaling in zijn eigen lichaam. 'Extern': het beschouwen van de ademhaling van een ander. 'Intern en extern': het beschouwen van de ademhaling in zijn eigen lichaam en het beschouwen van de ademhaling van een ander, zonder onderbroken aandacht. Een gelijke verklaring is ook van toepassing op de passage die volgt in elk van de andere secties, behalve dat voor de externe beschouwing van gevoelens, de geest, en mentale objecten, (los van hen met telepathische vermogens) deze van de eerste passage afgeleid moet worden.

Wanneer je de beide werelden (de interne en de externe) gewaar bent, kun je de samenhang van dingen zien en zul je beseffen dat de innerlijke en uiterlijke wereld niet van elkaar gescheiden zijn. Innerlijk en uiterlijk worden dan niet langer meer als twee apart van elkaar bestaande verschijnselen gezien.

[15] MA: De 'opkomende dingen' (samudayadhamma) voor het lichaam zijn de voorwaarden voor het ontstaan van het lichaam, namelijk: onwetendheid, begeerte, wilshandelingen en voedsel, samen met het van moment tot moment ontstaan van de fysieke verschijnselen in het lichaam. In het geval van de indachtigheid van ademen, vormen de fysieke organen voor de ademhaling die in het commentaar worden genoemd, een aanvullende opkomende factor. Dit betekent dat bijvoorbeeld de longen van een betere kwaliteit zullen worden. Voor carapatiënten zal de beoefening van de indachtigheid van ademen dan ook duidelijk merkbaar zijn. De 'verdwijnende factoren' (vayadhamma) voor het lichaam is de opheffing van de oorzakelijke condities en de kortstondige ontbinding van fysieke verschijnselen in het lichaam.

[16] Er is slechts een lichaam, maar er is geen levend wezen, geen individu, geen vrouw, geen man, geen zelf, niets dat behoort tot een zelf; noch een persoon, noch iets dat tot een persoon behoort. (MA).

[17] Anissito: onafhankelijk, niet ondersteund door begeerte (tanha) en verkeerde kijk (ditthi).

[18] In de westerse psychologie onderwijst men vaak het benoemen van wat er is, wat je doet, of wat je ervaart. Zoals in vorige eindnoten is uitgelegd, is dat niet de boeddhistische methode van inzicht meditatie. Door het benoemen van situaties of fenomenen worden er subjectieve denkprocessen op gang gebracht; we gaan dan 'labels plakken' waardoor we steeds meer in termen gaan denken en het risico lopen er in te blijven steken. Dit levert vaak een ongegrond vooroordeel op, hetgeen je belet de dingen te zien zoals ze zijn. Op die manier kunnen we geen universele geest ontwikkelen die alles als een eenheid ziet, maar zal ons denken ontaarden in een verdeelde geest die alles apart en los van elkaar ziet.

Zonder een denkproces op gang te brengen, kun je begrijpen, weten en je helder gewaar zijn wat je doet of wat er is. Je kijkt, je zwijgt. Niet alleen verbaal, maar ook geestelijk moet er zwijgen zijn om objectief gewaar te kunnen zijn. In ware meditatie moeten gedachteprocessen juist tot rust komen teneinde de stroom van het zelfbewustzijn een halt toe te roepen. Je geeft alle aandacht aan alleen maar kijken. Hierin ben je slechts een passieve toeschouwer die alles kan zien en begrijpen zonder de bemoeienis van het ik. Je begrijpt wat er is, zonder interpretaties, zonder labels te plakken, zonder het oerwoud van ideeën, en zonder persoonlijke ervaringen te koppelen aan wat je waarneemt. Er is slechts 'objectief gewaarzijn' en dat is de essentie van vipassana meditatie.

Laten we een paar citaten uit deze sutta aanhalen en eens kijken wat de Boeddha hierover te zeggen heeft:

Voorbeeld 1: "Wanneer hij lang inademt, dan weet hij: 'Ik adem lang in.'" Hier zegt de Boeddha dat degene die mediteert, weet dat hij lang inademt, dat is alles.

Voorbeeld 2: "Bewust van het hele (adem)lichaam (...)." Hier is duidelijk dat de meditator zich louter gewaar dient te zijn van wat er is, meer niet.

Voorbeeld 3: Het is een kwestie van louter objectief gewaarzijn, zonder dat je gevraagd wordt verder nóg iets te doen: "En verder, monniken, wanneer hij loopt, weet een monnik: 'Ik loop'; wanneer hij staat, weet hij: 'Ik sta'; wanneer hij zit, weet hij: 'Ik zit'; wanneer hij ligt, weet hij: 'Ik lig'; of gewoon als zijn lichaamshouding verandert, weet hij dit."

Voorbeeld 4: "In deze Leer, Bahiya, moet je jezelf aldus trainen: 'In hetgeen men ziet, zal slechts zijn wat gezien is; in hetgeen men hoort, zal slechts zijn wat gehoord is; in hetgeen gevoeld wordt, zal slechts zijn wat gevoeld is; in hetgeen men waarneemt, zal slechts zijn wat waargenomen is.' Op deze manier moet je jezelf trainen, Bahiya." Ud1-10.

Als je op deze manier oefent, zul je op den duur duidelijk beseffen dat er slechts 'lopen' is, en geen ik die loopt. Er is een handeling, een daad, maar er kan nergens een permanente dader, 'ik', 'ziel', 'zelf', 'geest' of wat dan ook gevonden worden. Er is geen permanent wezen achter de handeling te vinden. Noch achter het lichamelijke, achter de gevoelens, achter het bewustzijn etc.

[19] Met de rijst van het hoog- en laagland wordt een rode rijst bedoeld.

[20] In later opgetekende Pali-werken zijn de hersenen aan deze lijst met onreinheden toegevoegd om zo een lijst met 32 delen te vormen.

[21] Deze vier elementen van het bestaan zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden en omvatten het hele bestaan. Symbolisch gezien zijn dit de vier elementen: aarde, water, vuur en lucht. Voor meer, zie dhatu.

[22] Wanneer de koe in stukken gesneden is, zijn nog wel alle bestanddelen van de koe aanwezig. Toch ziet de slachter ze niet meer als een koe. Alleen door de samenwerking en samenvoeging van de elementen spreken wij van 'koe', 'mens' of wat voor object dan ook.

[23] Wereldse gevoelens (samisa) zijn gevoelens die 'gebonden zijn aan het wereldse leven', en niet-wereldse (niramisa) of spirituele gevoelens zijn gevoelens die 'gebonden zijn aan een leven waarin de wereld verzaakt is'. Niet-wereldse aangename gevoelens betekenen geluk dat voortkomt uit meditatie, terwijl niet-wereldse onaangename gevoelens verband houden met iemands onvolkomen gewaarzijn en langzame vooruitgang op het pad naar bevrijding. Niet-werelds neutraal gevoel is gelijkmoedigheid dat resulteert in inzicht.

[24] De opkomende en verdwijnende factoren voor gevoelens zijn dezelfde als die voor het lichaam, behalve dan dat voedsel wordt vervangen door contact, omdat contact de voorwaarde voor gevoel is.

[25] Als een object van contemplatie verwijst bewustzijn (citta) naar de staat van de geest. Omdat bewustzijn van nature zelf het naakte weten of herkennen van een object is, wordt de kwaliteit van elke staat van de geest bepaald door de mentale factoren die ermee samengaan zoals begeerte, haat en begoocheling of hun tegenstellingen, zoals die in de toespraak genoemd worden.

De betekenis van de drie woorden viññana (bewustzijn), citta (gedachten), en mano (geest), ligt dicht bij elkaar, maar in nadere beschouwing genomen hebben de begrippen 'bewustzijn', 'gedachten' en 'geest' verschillende betekenissen.

[26] De woorden 'bevrijde geest' moeten volgend DA begrepen worden als de geest die tijdelijk en gedeeltelijk is bevrijd van bezoedelingen (asava's) door inzicht of door de jhana's. Omdat de satipatthana training deel uitmaakt van de voorafgaande fase van het pad dat gericht is op de bovenwereldse paden voor bevrijding, moet deze laatste categorie niet begrepen worden als een geest die bevrijd is door de verwerving van de bovenwereldse paden (zie ariya puggala/ariya) omdat we hier te doen hebben met de alledaagse wereld van de beginner in meditatie.

[27] De opkomende en verdwijnende factoren voor de geest zijn dezelfde als die voor het lichaam, behalve dan dat voedsel wordt vervangen door geest en lichaam, omdat geest en lichaam de voorwaarde voor bewustzijn is.

[28] Het woord 'mentale objecten' duidt hier op de onderdelen van de Dhamma die essentieel zijn voor de bevrijding, namelijk de hindernissen (pañca nivarana), de factoren van verlichting (bojjhanga), de aggregaten van hechten (upadanakkhandha), de zintuigsferen (ayatana), en de Vier Edele Waarheden (cattari ariya sacca). Het hoogtepunt van de meditatie is het doorgronden van de leerstelling en wel het fundament van de Dhamma: de Vier edele Waarheden.

[29] Ook vaak 'zintuigsferen' genoemd. Er zijn er twaalf in getal, en zij zijn in twee groepen verdeeld — inwendige en uitwendige. Zie ayatana.

[30] Het verder ontwikkelen, het tot volledige wasdom brengen van de verlichtingsfactor.

[31] Dhamma staat hier voor het mentale en het fysieke, oftewel de realiteit. Waarheidlievend zijn, alles nauwkeurig onderzoeken en analyseren, dat is dhamma vicaya. Het boeddhistische pad is er een van kritisch nadenken en niet een van alles klakkeloos aannemen. Ook voor wat betreft de Leer van de Boeddha.

[32] Deze Maha Satipatthana Sutta is de versie uit de Digha Nikaya (D22). Hij verschijnt ook in de Majjhima Nikaya (M010) en heet daar de 'Satipatthana Sutta'. Het verschil is, dat in M010 de Vier Edele Waarheden niet in detail worden uitgelegd.

[33] In deze leer, in deze oefening.

[34] Aanvangende gedachten of gedachteconceptie. Zie vitakka.

[35] Aanhoudende gedachten of redenerend denken. Zie vicara.

[36] Zie jhana.

[37] 'Zeven jaar' is niet letterlijk zeven jaar. In het Pali staat dit voor enkele jaren hetgeen er plusminus zeven kunnen zijn. Het kunnen er dus ook goed vijf of negen zijn. Verderop verklaart hij dat het resultaat zelfs in een week kan worden bereikt.

[38] Anagami, de voorlaatste fase van heiligheid.

[39] Voor het 'juiste pad', zie ariya puggala/ariya.

Document info
RegID D22
Bijgewerkt 18 november 2020 14:20:56
Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen