De basis van meditatie

Via deze pagina wordt gewezen op de meest essentiële bases van meditatie en wat je dient te vermijden. Zo kan iedereen op een correctie en dus verantwoorde manier de eerste stappen zetten op het pad van ware boeddhistische meditatie.

Deze sectie wordt aangepast

Het voorlopige plan is als volgt:

Ten eerste wordt de informatie herzien en uiteindelijk ingedeeld in uitklapbare panelen. Dat is handig want dan kun je op deze pagina blijven, wat belangrijk is om de basis van meditatie goed te leren.

De pagina's van de oude lijst verderop blijft voorlopig bestaan totdat een pagina weg kan. De informatie uit die pagina's wordt nog verwerkt. Uiteindelijk zullen al die links verdwijnen en alleen panelen overblijven.

Van dezelfde content die in de uitklapbare panelen komt, wordt ook (wellicht in de meeste gevallen) een pagina gemaakt. Die pagina's worden misschien geplaatst in de sectie Inzicht meditatie in de rubriek Meditatie. Of dit de exacte locatie wordt, daarover moet ik nog een definitieve beslissing maken. Wordt via de nieuwsbrief bekend gemaakt.

Op deze manier zal ook daar zowel de basis als andere onderwerpen over meditatie bij elkaar worden gebracht. Ook deze pagina (De basis van meditatie) is daar al naar toe verhuist, maar is gewoon als een sectie zoals voorheen via de Sitemap te bereiken.

Wees een echte discipel van de Boeddha.

Mediteren is veel meer dan louter op een kussentje zitten. Leer vooral de Dhamma en wees een echte Dhammānuvattī.

DefTerm en Kernwoord

De termen in het woordenboek zijn als volgt opgemaakt:

sakkāyapariyāpanna

Links naar de term (DefTerm) in het woordenboek zijn gewoon als reguliere links opgemaakt. Omdat de DefTerm zich al in het woordenboek bevindt heeft die term daar natuurlijk geen link. Je bent immers al op de plaats van bestemming.

Maar vaak is een DefTerm uit het woordenboek als een kernwoord opgenomen in een afzonderlijke pagina of als een belangrijk onderdeel daarvan. Om in zo'n geval aan te geven dat dit een DefTerm in het woordenboek betreft, is die met een link als volgt opgemaakt:

sakkāyapariyāpanna

Dit is gedaan om het kernwoord met een link aan te geven zodat je er eventueel direct naar toe kunt. Dit heeft hetzelfde resultaat als wanneer je met een reguliere link naar een DefTerm in het woordenboek gaat. Het is een belangrijke link omdat het woordenboek de centrale bron is en je daar meer verwijzingen aantreft.

Advies bij de basis van meditatie

Inleiding

Dat je de basis van meditatie goed aanleert is van groot belang. Want straks wordt het de manier waarop je het door heel je leven heen gaat toepassen. In het kijken, luisteren, ruiken, proeven, voelen en denken, altijd en overal, 24/7. Het zal een allesbepalende factor voor jouw geluk worden en een radicale, positieve verandering in je leven teweegbrengen.

In de teksten van De basis van meditatie kun je soms veel links aantreffen. Als je deze links meteen al gaat volgen, bestaat de kans dat je straks de echte basis van meditatie mist doordat je je hoofd vol informatie propt. Dat werkt alleen maar averechts. Maar de links zijn natuurlijk niet voor niets aangebracht: ze zijn bedoeld om op een later tijdstip je kennis stapsgewijs te verruimen.

Het advies is dan ook als volgt:

De eerste kennis opdoen

Leer hier wat boeddhistische meditatie werkelijk is en concentreer je voornamelijk op de tekst zonder (al te veel) links te volgen. Dat wordt voor in het begin te veel.

Eigen ervaring is een belangrijk aspect

Oefen zoals beschreven en wees hier serieus in. Door het in praktijk brengen van de Dhamma doe je eigen ervaring op. Die eigen ervaring is erg belangrijk. Want hierdoor krijg je niet alleen meer zelfvertrouwen, maar de geest zal ook helderder worden waardoor er meer begrip in je ontstaat. Uiteindelijk zal dit begrip transformeren in ware wijsheid dat de voorwaarde is voor de bevrijding van alle lijden. Je zult steeds beter en dieper uit eigen ervaring begrijpen dat dit de enige weg is naar een absoluut en blijvend geluk. Die eigen ervaring is van veel grotere betekenis dan dat iemand dit tegen je zegt. De eigen ervaring is een erg belangrijk aspect binnen de boeddhistische Leer.

Theorie en praktijk in balans houden

Het leren van de Dhamma (in dit geval wat hier beschreven is) en het in praktijk brengen ervan (je meditatie) moet altijd in balans zijn. Als je slechts alleen leest zonder praktijkervaring, stop je je hoofd vol zonder dat je er iets van begrijpt. Van de andere kant gezien kun je ook niet correct oefenen als je niet weet wat de juiste manier hiervoor is.

Herlees de instructies

Kom vaker terug naar De basis van meditatie en lees de informatie van deze gehele sectie zo nu en dan nogmaals door. Zo kun je de manier waarop je oefent steeds wat bijstellen. Want niemand kan alles in één keer perfect doen. Alles moet ontwikkeld worden. Dat vergt niet alleen inspanning (padhāna), maar heeft ook tijd nodig.

Kennis van de Dhamma is essentieel

Wanneer je kennis hebt van de belangrijkste aspecten kun je wat links gaan volgen om je kennis uit te breiden. Want kennis over de Dhamma is uitermate essentieel. Zorg ervoor dat het leren van de Dhamma (pariyatti) en het in praktijk brengen (patipatti) ervan, evenwichtig is. Boeddhisme is de weg van het midden (majjhimā paṭipadā), d.w.z. dat het uitersten vermijdt.

Tot slot

Wanneer je links hebt gevolgd, kun je altijd weer makkelijk terug naar De basis van meditatie via de sitemap. De link voor de sitemap vind je op elke pagina (bovenaan) in het menu.

Vóór het volgende paneel worden nog panelen geplaatst ter inleiding. Zie de mededeling Deze sectie wordt aangepast.

Concentratie wordt vaak verkeerd uitgelegd

samādhi

'Concentratie'. Letterlijk: 'plaatsing hier samen'.

Concentratie is een synoniem voor geestelijke eenheid (ekaggatā); kalmte (samatha); onverstoorbaarheid (avikkhepa).

Deze synoniemen doen echter vaak het idee ontstaan dat concentratie altijd tot het gewenste doel leidt en als zodanig uitgelegd wat een misvatting is. Zo wordt concentratie vaak in één adem als kalmte (samatha) uitgelegd. Dit is te kort door de bocht, want waarmee in zo'n geval geen rekening gehouden wordt, is dat concentratie een neutrale mentale factor is (zie cetasika). D.w.z. dat de concentratie gericht kan zijn op zowel heilzame (kusala) als onheilzame (akusala) dingen (objecten) wat dan ook tot verschillende gevolgen leidt. Vandaar dat we spreken van juiste concentratie (sammāsamādhi) dat leidt tot juist begrip (sammādiṭṭhi) en verkeerde concentratie (micchāsamādhi) dat leidt tot verkeerd begrip (micchādiṭṭhi).

Wanneer de concentratie gericht is op een verkeerd object, dan worden we daardoor niet rustig, maar juist onrustig. Maar als de concentratie gericht is op een goed object, bereiken we die gewenste kalmte wel. Verkeerde concentratie is het pad van Māra. Juiste concentratie is het Pad van de Boeddha. En dat maakt een groot verschil, een verschil tussen diepe duister en helder licht. Wie stelt dat concentratie tot kalmte leidt is dan ook onzorgvuldig en onvolledig in zijn uitleg.

Net zoals elke soort van bewustzijn (viññāṇa) ook niet als vanzelfsprekend tot bevrijding (vimutti) leidt, is er een groot verschil tussen de verschillende typen bewustzijn. Bewustzijn heeft de functie (de bedoeling) om totaal gewaar te zijn oftewel om helderheid van bewustzijn (sampajañña) te verkrijgen en daardoor de bevrijding van de geest.

Zo heeft ook concentratie een functie, namelijk om het doel — Nibbāna — te bereiken. Dit is alleen mogelijk om de juiste concentratie (sammāsamādhi) aan te wenden. Alleen in dit perspectief is concentratie een synoniem voor kalmte (samatha) en overige synoniemen.

Hoe werkt concentratie?

samādhi

'Concentratie'. Letterlijk: 'plaatsing hier samen'.

Concentratie is een synoniem voor geestelijke eenheid (ekaggatā); kalmte (samatha); onverstoorbaarheid (avikkhepa).

Inleiding

Wat we willen bereiken is innerlijke harmonie, rust, vrede, kalmte. Maar wat is daarvoor nodig? Maakt het iets uit waar we ons mee bezigen, waar onze interesse naar uitgaat? Of zijn dit juist allesbepalende zaken?

Harmonie of verdeeldheid

De functie van concentratie is om de geest tot eenheid (ekaggatā) te brengen. D.w.z. dat de geest niet verdeeld of versnipperd is.

De betekenis van geest (mano) en bewustzijn (viññāṇa) en de staat van bewustzijn (citta) ligt dicht bij elkaar. Maar voor nu is het niet belangrijk om de verschillen heel exact te kennen. Want hier zullen we de hoofdlijnen aanhalen waar het in essentie om draait, namelijk concentratie (samādhi) en aandacht (āvajjana).

Zoals bij veel dingen, zijn ook hier twee kanten van belang waarvan het belangrijk is deze kanten of richtingen te begrijpen. Wanneer de geest (mano) oftewel de aandacht (āvajjana) tot eenheid is gebracht, gaat dit richting harmonie, vrede (vūpasamaya). Wanneer hij verdeeld of versnipperd is, gaat het richting disharmonie, onvrede. Het eerste vermindert het lijden en maakt er een einde aan. Het tweede maakt het groter en houdt het in stand.

Als de geest tot eenheid is gebracht, is hij heel. Als hij heel is, kan hij echt en dus helder zien (waardoor hij ook kan ontdekken (passati)). Dan is het bewustzijn helder. En doordat er een helder zien is, is er helder begrip (sampajañña). Het bewustzijn is dan gezuiverd (pārisuddhi). Dit is waar het om gaat omdat de zuivering van de geest (cittapārisuddhi) de voorwaarde is voor een helder begrip en zodoende diepe wijsheid kan voortbrengen dat noodzakelijk is voor de bevrijding (vimutti) van lijden (dukkha). Maar als de geest niet heel is, niet tot eenheid (ekaggatā) is gebracht, is hij verdeeld en bevuild (asava). De aandacht is dan versnipperd, afgeleid (vikkhittacitta) en de geest onrustig.

Wat betekent het als de geest verdeeld of versnipperd is? Het is wanneer de aandacht wordt getrokken door iets, als je afgeleid bent, door iets in beslag genomen bent. De aandacht is dan niet meer recht voor je of bij datgene wat echt van belang is. Hierdoor mis je wat echt belangrijk, betekenisvol is. Je begrijpt dan niet echt — zeker niet in diepe zin — in welke situatie je jezelf bevindt, wat er precies aan de hand is. En dit is juist zo betekenisvol. Zo leven wij bijvoorbeeld in een wereld die vergankelijk is, maar omdat de meeste mensen dit niet diep in hun hart begrijpen, klampen ze zich overal aan vast, dan weer hier, dan weer daar (S56-011) en begrijpen niets van het gevaar (ādīnava) dat daarin schuilt. Hier zullen we nu niet verder over uitweiden, maar als je het werk goed doet zul je dit straks vanzelf en op een natuurlijke manier, door je eigen ervaring, steeds beter gaan begrijpen. Want als je niet meer ingaat op de dominante eisen van de geest om overal op te reageren en in betrokken te raken (voeding geven aan (āhāra)), betekent dit dat hij steeds minder of niet meer vastgrijpt (anupādāya). De geest die niets vastgrijpt komt tot eenheid (ekaggatā), tot kalmte (samatha) en uiteindelijk tot die diepe vrede (vūpasamaya) waar de Boeddha het in zijn eerste toespraak (S56-011) over had.

Door niet vast te grijpen verzamelt (upādi) hij niet en raakt hij niet verontreinigt (asava). In plaats daarvan zal hij zich ontdoen van zijn eerder verzamelde (upādi) ballast (anupādisesanibbāna) en wordt hij als een rimpelloos meer dat alles helder weerkaatst. Om dit te bereiken is het essentieel om de manier te begrijpen hoe je het doel bereikt. Wat erg motiverend zal zijn, is dat je elke situatie steeds beter uit eigen ervaring (veditabba) zult gaan begrijpen, mits je de instructies van de Leraar, de Sammāsambuddha, serieus neemt en correct opvolgt. Dit brengt geen nadeel, maar voordeel. Altijd en overal.

De tot eenheid gebrachte geest is als een heldere spiegel

De heelheid van geest en de verdeelde geest zou ik willen verduidelijken met een spiegel. Een spiegel die aan de muur hangt weerspiegelt alles wat zich voor de spiegel bevindt. De spiegel weerspiegelt het hele gebeuren, de totaliteit van wat er op elk moment zich voor de spiegel afspeelt oftewel de realiteit. Die weergave is niet gebaseerd op een leugen. Het is een eerlijk beeld, niet misleidend. Dit kun je vergelijken met de tot eenheid gebrachte geest (ekaggatā) die kalm (samatha) is en de totale realiteit (sacca) kan zien.

Maar als de spiegel van de muur valt en in duizenden stukjes uiteen barst, is de spiegel verdeeld, versnipperd. Elk stukje kan nu slechts een klein deeltje weerspiegelen, niet het hele beeld, niet de totaliteit. En ook als je al die stukjes aan elkaar zou lijmen, dan vertoond de spiegel scheuren die als kloven tussen de delen bestaan. De kloven verdelen de eenheid, werken de eenheid tegen. Dit kun je vergelijken met de verdeelde of versnipperde geest die alles in hokjes plaatst. In afzonderlijke dingen en gebeurtenissen waardoor hij de samenhang ervan niet ziet.

Concentratie kan leiden tot fixatie

Concentratie (samādhi) kan de geest tot eenheid (ekaggatā) brengen, maar concentratie kan ook leiden tot fixatie. Wanneer je gefixeerd bent op een punt, op een of ander object, sluit dit alles wat daar omheen is uit. Het levert een beperkte visie dat lijkt op het kijken door een sleutelgat. Zintuiglijk verlangen (kāmacchanda) speelt hierin de sleutelrol en staat een harmonieuze, vredige staat van de geest, ernstig in de weg.

Een tot eenheid gebrachte geest daarentegen, kan de totaliteit, het totale gebeuren, het totale plaatje zien. Op elk moment begrijpt hij elk afzonderlijk ding (dhamma) en elke toestand. Het belangrijkste aspect hierin is de eigenschap van opkomen (uppada) én vergaan (vaya) van alle dingen, van alle toestanden. Hij ziet en begrijpt dat alles in een voortdurende staat van verandering (vipariṇāma) is.

Precies zoals een hand ook twee kanten heeft, ook zo kan hij van alles twee kanten zien. De belangrijkste oorzaak hiervan is, dat hij geen voorkeur en geen afkeer heeft (anurodhapaṭivirodha): hij omarmt niets en hij duwt niets weg. Zo is er geen verdeeldheid, maar eenheid. Dit is van essentieel belang, want alleen zo kan hij openstaan voor alles wat er is en zodoende de realiteit (sacca) van alle dingen zeer helder zien en begrijpen (sampajañña).

De tot eenheid gebrachte geest (ekaggatā) ziet niet slechts elk afzonderlijk ding of toestand op zich, maar alle oorzaken en gevolgen die ermee samenhangen. En niet op één moment, maar voortdurend. Altijd en overal. Dit is totaal helder gewaarzijn (sampajañña) waar de Boeddha voortdurend op wijst. Omdat iemand de belangrijkste aspecten van alle verschijnselen diep in het hart begrijpt, namelijk het opkomen (uppada) en het vergaan (vaya), grijpt hij zich nergens in de wereld (van het oor, het oog, de neus, de tong, het lichaam en de geest) aan vast. En omdat hij zich nergens aan vastgrijpt is zijn geest bevrijdt (vimutti).

Wat zijn mentale associaties?

Vaak worden mentale associaties uitgelegd als het onbewust verbinden van de ene gedachte met de andere. Maar vanuit boeddhistisch perspectief gezien beslaat het begrip mentale associaties een veel breder gebied dan alleen gedachten.

Het mentale gebied is in de boeddhistische Leer gedefinieerd als gevoelens (vedanā), waarnemingen (saññā) mentale formaties (saṅkhāra) en bewustzijn (viññāṇa). Mentale associaties betreft de verbanden tussen deze gedefinieerde groepen.

Deze groepen omvatten dus ook gedachten, herinneringen, ervaringen, boosheid, zorgelijkheid, onrust, kalmte, vreugde, een visie, een innerlijke stem etc. Kortom: elke mentale staat die kan opkomen/ontstaan (uppajjati). Al deze fenomenen kunnen onderlinge verbanden hebben. Het vastgrijpen (upādāya), het reageren erop, het voeding (āhāra) geven, leidt tot toename (papañca), tot het geconditioneerde (saṅkhata). Zo raakt de geest dus steeds voller waardoor hij steeds slechter gaat functioneren, want een volle geest kan niet bevatten, niet begrijpen. Mentale associaties oftewel mentale activiteiten, moeten daarom tot rust gebracht worden (sabbasaṅkhārasamathāya). In boeddhistische meditatie is het dan ook van groot belang dat alle staten van de geest (citta) goed gezien en begrepen worden waarin aandacht (āvajjana) de vooraanstaande rol heeft omdat aandacht de eerste fase is in de cognitieve opeenvolgingen. Het beschouwen van de geest (cittānupassanā) is één van de fundamenten van indachtigheid (sati).

Wie zich wil verdiepen in de boeddhistische Leer dient te begrijpen dat er niet één enkel fenomeen is — fysiek of mentaal — dat op zichzelf kan bestaan. Met andere woorden: het ene ding ontstaat uit het andere ding. Alles wat ontstaat, is afhankelijk van een voorwaardelijke conditie (paccaya) ontstaan (er gaat altijd iets aan vooraf). Daarom zegt de Boeddha dat een allereerste begin van dingen niet waarneembaar is. Mentale associaties zijn allemaal reacties op reacties.

Wanneer dit er is, ontstaat dat. Wanneer dit er niet is, kan dat niet ontstaan. Iets kan alleen ontstaan uit iets anders als er een afhankelijkheid is. Wanneer die afhankelijkheid van iets er niet is, kan daar niets uit ontstaan.

De manier om het doel te bereiken

De manier om het doel — Nibbāna — te bereiken is om in alles wat je zegt, doet en denkt heel echt (akuttima) te zijn.

Wanneer het in je meditatie, en dus ook in het observeren tijdens de sleur van het dagelijks leven, niet zo gaat zoals je het zou willen (of niet snel genoeg), ben je geneigd daar iets aan te doen. Maar hier steekt het belangrijkste obstakel voor succes de kop op. Zodra jij er iets aan probeert te doen, gaat het mis. Dat is vanwege de bemoeienis van het 'ik'. Het zijn de ideeën van 'ik' die een algemene drijfveer vormen tijdens allerlei toestanden. Het 'ik' is niet echt, waar en werkelijk. Het is dan ook essentieel te begrijpen dat het 'ik' niet tussenbeide moet komen, niet dominant moet zijn. Als dit meespeelt zal dit onnatuurlijke acties teweegbrengen (pātubhāva). Het brengt je niet bij het doel want Nibbāna is het echte, het ongekunstelde (anatam). De bemoeienis van het 'ik' houd je hier juist van weg, verwijdert je ervan. Zie het 'ik' als de vriend van Māra de misleider. En die is de meest slechte vriend (pāpamitta).

Een doel bereiken zonder dat je dat wilt, is niet mogelijk. Inspanning (padhāna) is nodig. Maar die inspanning moet gebaseerd zijn op de wil (chanda), en niet worden gedreven door een zintuiglijk verlangen (kāmacchanda) waardoor je 'het doel voorbijschiet'. Hierin dien je duidelijk het onderscheid te zien. Want zintuiglijkheid betekent begeerte (taṇhā). Vanwege begeerte (taṇhā) in deze, is er sprake van 'het doel willen hebben' en daarom van dwangmatigheid, een niet natuurlijke, gekunstelde (kutta) manier, waardoor het doel alleen maar verder weg komt te liggen. De Boeddha leert in alles de middenweg (majjhimā paṭipadā). Deze middenweg kun je niet 'pakken'; het kan alleen door training worden ontwikkeld (bhāvanā).

En wat is de allerbelangrijkste manier om je goed te ontwikkelen in deze training? Met de bemoeienis van het 'ik' met al z'n ideeën en pogingen om de zaak in goede banen te leiden, wordt het een gekunsteldheid dat tot mislukken gedoemd is. Weet dat aandacht (āvajjana) de eerste fase is in de cognitieve opeenvolgingen. Dus aandacht is essentieel en die hoort zo puur mogelijk te zijn, d.w.z. louter aandacht schenken aan wat er is, zonder de tussenkomst van wat dan ook. Daarom is het belangrijk dat het 'ik' daar tussenuit blijft; die moet niet het werk voor jou doen. Het is een kwestie van louter aandacht schenken en meer is het niet. Want zonder de tussenkomst van het 'ik' kan en zal aandacht het werk voor jou doen. In het begin zal dit niet makkelijk zijn, maar als je standvastig bent in het louter aandacht schenken en je nergens voeding (āhāra) aan geeft, kan het niet anders dan dat de geest tot rust komt.

Wees in mentaal opzicht als de onbeweeglijke kikker.

Wees altijd als een passieve toeschouwer, precies zoals deze kikker. Hij laat het 'ik' niet tussenbeide komen. Hij is stil, observeert slechts en doet verder niets. Dit leidt tot juist begrip (sammādiṭṭhi), tot wijsheid, tot bevrijding (vimutti).

Waarom het benoemen volstrekt verkeerd is

Extra aanvulling

Heel vaak wordt geleerd dat je tijdens de meditatie de dingen die je ervaart en waarneemt dient te benoemen. Dit artikel verduidelijkt niet alleen heel exact welke nadelen daaraan verbonden zijn, maar ook dat het in strijd is met wat de Boeddha werkelijk heeft onderwezen.

Dit is een extra aanvulling op de pagina Nāmarūpa — Geest en lichaam, wat wordt daarmee bedoeld? Om gerelateerde informatie samen te bundelen is deze uitleg ook op die pagina ingesloten.

Een meditatieve houding (indachtigheid) is niet alleen van toepassing wanneer je in je meditatiekamertje zit, maar dient zich 24/7 uit te breiden naar alle activiteiten in het dagelijks leven.

Uitleg nāmarūpa

Nāma (letterlijk: 'naam' of 'benoeming') is 'ervaring', subjectief gezien als 'het mentale proces van het identificeren van een object' (rūpa kāya adhivacanasamphassa).

Rūpa (verschijning) is ook 'ervaring', objectief (feitelijk) gezien als een 'entiteit' die is waargenomen en ontvangen door het mentale proces van identificatie (nāma kāye paṭighasamphassa).

Emotie is een opgewondenheid van het lichaam dat begint bij gedachten. Een gedachte creëert een mentaal beeld en, als we daaraan vasthouden (upādāya), ontstaat er een overeenkomstige emotie (vedanā). Afhankelijk van wat de zintuigen willen of juist niet willen, kan dit zowel aangenaam als onaangenaam zijn. Pas wanneer dit mentale beeld wordt losgelaten (anupādāya) en er geen aandacht meer aan wordt besteed, verdwijnt de emotie.

Het is van groot belang dat je deze uiteenzetting goed begrijpt. Als de geest niet goed wordt beschouwd krijgt Māra ruimte en ben je onbeschermd (anātha). Dan zullen kwade (pāpaka), onheilzame (akusala) dingen (dhammā) in je toenemen (papañca). Maar door de geest te beschouwen (cittānupassanā) ga je hem begrijpen, weet je wat gedaan moet worden om dit tegen te gaan waardoor je jezelf beschermt (sanātha).

Het begrijpen van voorkeur en afkeer

Het Pāḷi woord voor voorkeur en afkeer is anurodhapaṭivirodha. Waar voorkeur is, daar is ook afkeer. Of: waar een omarmen is, daar is ook een wegduwen. Voorkeur en afkeer lijken op het eerste gezicht twee verschillende aspecten te zijn. In werkelijkheid leiden ze echter naar hetzelfde: ontkenning (moha) van wat er is, weg van de realiteit.

De eerste van de vijf hindernissen (pañcanīvaraṇa) die onze mentale ontwikkeling blokkeren, zijn zintuiglijke verlangens (kāmacchanda) met alle gevolgen van dien. Deze werken voorkeur en omarmen in de hand en wakkeren daarom tegelijkertijd ook afkeer en wegduwen aan. In beide gevallen wordt de realiteit gemist waardoor het allerhoogste doel — Nibbāna — buiten ons bereik komt te liggen. Hoe sterker zintuiglijk verlangen aanwezig is, hoe sterker voorkeur en omarmen, dus ook afkeer en het wegduwen. Dit is het pad van Māra de misleider die je steeds om de waarheid probeert heen te leiden in plaats van er doorheen. Wees altijd indachtig (sati).

Zintuiglijke verlangens wekken een schijnbare bevrediging (assada) op en mensen zien die zogenaamde bevrediging als een ontsnapping (nissaraṇa) aan problemen, aan lijden (dukkha). Het gaat hierbij niet om een persoonlijk probleem, maar een universeel probleem. Kortgezegd: het niet begrijpen wat lijden is. Dan is er ook geen urgentie (samvega) om een einde aan dat lijden te maken. Of die urgentie is er wel, maar je begrijpt niet in welke richting ware vrijheid ligt. Vertrouwen (saddha) in de Boeddha en kennis (ñāṇa) van zijn Dhamma spelen hierin een essentiële rol.

Het onderdrukte of ontkende probleem (dukkha) — wat het ook is — steekt steeds weer de kop op nadat de schijnbare bevredigende gevoelens weggeëbd zijn. En geleidelijk aan zal het steeds intenser worden. Dat is omdat om de realiteit wordt heengegaan en daarom het leerproces wordt gehinderd. Ontkenning leidt nooit tot realiteit (sacca), maar tot begoocheling (moha). De schijnbare zintuiglijke bevrediging (assada) die de meeste mensen uitbundig najagen, waarborgt dus geen ontsnapping (nissaraṇa) maar het tegenovergestelde: gevaar (ādīnava). De angst (bhaya) die dit teweegbrengt zonder dat men het zich realiseert omdat dit proces niet begrepen wordt, genereert een vastklampen (upādāna) en een afhankelijkheid (anissita). Geen zelfvertrouwen (saddha) om de oplossing in jezelf (ajjhatta) te zoeken. Vastklampen aan allerlei dingen en/of bepaalde mensen. Zo functioneert dit zintuiglijk verlangen als een manier om de oplossing van het probleem te ontlopen en de cirkel is rond (samsara). Daarom is de weg er niet omheen, maar er doorheen en 'de dingen zien zoals ze werkelijk zijn' (yathābhūtaṁ), niet zoals je ze wilt zien.

De term paṭigha in 'nāma kāye paṭighasamphassa', betekent dat de identificatie gepaard gaat met een onderliggende haat (dosa) vanwege de tussenkomst van het 'ik' (dat identificeert). Het zijn de 'prikkels' die door zintuiglijke verlangens (kāmacchanda) worden opgewekt. Dan is iemand 'prikkelbaar', vatbaar voor allerlei dingen (dhamma). Dit 'ik' dat de wil van de zintuigen volgt en zich daaraan onderwerpt, heeft een afkeer (paṭigha) van waarheid (sacca), het hekelt waarheid omdat de wil van de zintuigen wordt opgevolgd. Precies zoals Māra de misleider dit wil. Het is zowel afkeer in het algemeen als afkeer van edele mensen die waarheid spreken. Het is daarmee in strijd omdat het een verkeerd beeld vormt en zodoende belasterd (abbhakkhāna).

De 'prikkels' die door zintuiglijke verlangens (kāmacchanda) worden opgewekt, veroorzaken ook onrust. Rusteloosheid is samen met zorgelijkheid (uddhaccakukkucca) één van de overige vijf hindernissen (pañcanīvaraṇa). Alle dingen moeten tot rust gebracht worden (sabbasaṅkhārasamathāya).

Haat (dosa) is één van de drie wortels (mula) en wordt in deze uitdrukking aangeduid met het synoniem paṭigha, wat een factor is die diep in de latente lagen (anusaya) van de geest sluimert. Het kan een gradatie zijn die gaat van lichte boosaardigheid tot zuivere haat. Er is dan ook veel aandacht voor nodig om het te zien, vandaar dat de indachtigheid van de geest (cittānupassanā) cruciaal is. Geduld (khanti), liefdevolle vriendelijkheid (mettā) en mededogen (karuṇā) zijn dan ook essentiële zaken om te cultiveren (bhāvanā).

Nāma en mano

Wat met nāma wordt bedoeld is uitermate belangrijk, want dit wordt over de hele wereld en door veel mensen — ook door monniken — volstrekt verkeerd begrepen. En de reden waarom, is precies vanwege de diepe, werkelijke betekenis hiervan: omdat ze aan de Dhamma zoals die door de Boeddha is onderwezen, een eigen, persoonlijke invulling geven, er een eigen draai aan geven. Het leidt niet tot helder gewaarzijn (vijānana), maar tot subjectiviteit. Waarom dat zo is zal ik in dit artikel uitvoerig uiteenzetten.

Mano verwijst ook naar 'gedachten' oftewel het mentale proces van beeldvorming dat tot een geheel samengevoegd wordt en waarvan de inhoud gehaald wordt uit de verscheidene beelden die door diverse gewaarwordingen zijn aangereikt. Deze betekenisvolle totale 'ervaring' is dhamma, subjectief (persoonlijk) gezien als de 'identificatie van een entiteit' (nāma) en objectief (feitelijk) gezien als de 'geïdentificeerde entiteit' (rūpa). Daarom zeggen we dat we in een ervaringswereld leven (sakkāyapariyāpanna). Dhamma (in de zin van 'dingen'), hetgeen deze 'betekenisvolle totale ervaring' is, wordt normaalgesproken gezien als een aangename of onaangename omstandigheid (lokadhamma).

Persoonlijke benoeming vanwege de tussenkomst van 'ik'

Het is cruciaal te begrijpen dat 'ervaring' hier staat voor de 'persoonlijke ervaring'. En 'naam' of 'benoeming' is de naam oftewel de betekenis die aan die ervaring door de persoon wordt benoemd oftewel ingevuld, en daarom bepaald (votthapana).

Het identificeren is echter wel nodig voor de ontwikkeling van bijvoorbeeld het onderscheidingsvermogen (buddhavisaya). Daarom heeft bewustzijn (viññāṇa) meerdere functies (viññāṇakicca) zoals het bepalen (votthapana) en het registreren (tadarammana) van een object. Maar hoe meer het 'ik' tussenbeide komt (er sprake is van een persoonlijke benoeming/identificering/bepaling), hoe eerder een object verkeerd wordt geïdentificeerd. Daarom kan bewustzijn worden gezien als een 'ego trip' waarin het 'ik' of ego ten onrechte (= onrechtvaardig (adhamma)) bepaald wat de realiteit is. Dit is het verkeerde pad van Māra die het goede Pad van de Boeddha sluit.

Binnen de vijf groepen van hechten (pañcupādānakkhandhā) is het bewustzijn (viññāṇa) dat de overige groepen, dat wil zeggen het gehele bestaan, bij elkaar houdt, gaande houdt. Het is vanwege het niet begrijpen waardoor dit bestaan oftewel de vijf groepen van hechten, continueren te bestaan. Dat is omdat dingen verkeerd worden geïdentificeerd door de aanwezigheid van dat ik-bewustzijn. Wanneer we kunnen 'sterven' ten opzichte van het 'ik' zodat het zich nergens meer inmengt, worden er geen gedachten, geen denkbeelden en geen werelden, geen bestaan meer gecreëerd. Dan houdt het bos van ideeën op. Dan kunnen we zien met het licht van louter aandacht zonder de dominante bemoeienis en identificering van het 'ik'. Dit is de uitdoving (nirodha) van bewustzijn, ook wel 'verwerving van uitdoving' (nirodhasamāpatti) genoemd. Eenvoudig gezegd is het de verdwijning van het ik-bewustzijn dat plaatsgemaakt heeft voor helder gewaarzijn (vijānana). Dit is de functie van bewustzijn. Onthoud dat 'de dingen zien zoals je ze wilt zien' het werk van bewustzijn (viññāṇa) is, en 'de dingen zien zoals ze werkelijk zijn', het werk van gewaarzijn (vijānana) is oftewel van louter aandacht.

"Hier (idha), Bahiya, moet je jezelf aldus trainen: 'In hetgeen men ziet, zal slechts zijn wat gezien is; in hetgeen men hoort, zal slechts zijn wat gehoord is; in hetgeen gevoeld wordt, zal slechts zijn wat gevoeld is; in hetgeen men waarneemt, zal slechts zijn wat waargenomen is.' Op deze manier moet je jezelf trainen, Bahiya[1]."

"Als, Bahiya, in hetgeen je ziet, slechts is wat gezien is; in hetgeen je hoort, slechts is wat gehoord is; in hetgeen je voelt, slechts is wat gevoeld is; in hetgeen je waarneemt, slechts is wat waargenomen is, dan, Bahiya, zul je niet 'daarbij' horen; als, Bahiya, je niet 'daarbij' hoort, dan, Bahiya, zul je niet 'daarin' zijn; als, Bahiya, je niet 'daarin' bent, dan, Bahiya, zul je noch hier, noch aan de andere zijde, noch tussen beide in zijn. Precies dit is het einde van lijden."

Ud1-10 — Bahiya Sutta — Bahiya

Het is de persoon die zelf vastgrijpt (upādāya), die zelf etiketten plakt a.d.h.v. zijn eigen persoonlijke ervaring. De ervaring wordt dus persoonlijk geïdentificeerd, het is een persoonlijke identificatie, verbonden met het persoonlijke. We noemen het ook wel zelfidentificatie, en ja, op dezelfde manier wordt ook een 'zelf' gezien/geïdentificeerd (dat niet bestaat).

Deze benoeming, deze individuele, persoonlijke identificering, levert ideeën en gedachten op die niet 'per definitie' de waarheid zijn maar eerder voor onrust, twijfel en verwardheid zorgen.

Het is vanwege het niet begrijpen waar nāma werkelijk voor staat. Vanwege dit niet begrijpen wordt zelfs ook door veel monniken onderwezen dat het in meditatie de bedoeling is om te 'benoemen' (het zeggen of denken van wat je waarneemt). We hebben gezien dat het benoemen juist leidt tot de verdraaiing (vipallāsa) van de realiteit. Op Wees altijd als een passieve toeschouwer tref je duidelijke voorbeelden aan van wat de Boeddha echt onderwijst.

Het leidt tot verkeerd inzicht

Als we onszelf aanleren te benoemen, wordt het dus een gewoonte, een leefwijze, een 'pathway' waarin persoonlijke opvattingen (sakkāyadiṭṭhi) gevoed (āhāra) worden en daardoor in stand worden gehouden, in plaats van dat ze verdwijnen. Dit is exact het tegenovergestelde van wat de Leraar van de Leer van geen-zelf (satthā anatta vādī) onderwijst. Want het is dat 'ik' dat een tweedeling creëert (paṭivibhatta) en de geest verdeeld waardoor hij juist niet tot eenheid (ekaggatā) komt, niet tot kalmte (samatha) komt, niet tot een vredige (vūpasamaya) staat komt. In plaats daarvan creëert hij een disharmonie (viyatta) tussen ons en al het overige, tussen een persoonlijke 'waarheid' en wat waarheid werkelijk is. Misschien zeg je nu: 'Ik heb een goede ervaring met het benoemen. Iedereen doet dat toch? En die en die bekende monnik (bhikkhu) onderwijst het.' Maar ook dit is een persoonlijke ervaring. Het kan je een goed gevoel geven of het idee dat dit echt de weg is. Wat mensen niet begrijpen, is hoe listig de geest kan zijn, dat dit gevoel, dit idee, allemaal een creatie van de geest is. Het excuus dat iedereen dit doet is niets anders dan conditionering en omdat die en die monnik het onderwijst is niets anders dan een ongegronde aanname (sarambhapi) dat het daarom correct moet zijn. Het zijn allemaal listen van de geest. Die is niet alleen sluw, maar ook zeer snel en knap in het creëren van een wereld. Maar hij is minder knap om zich van dit alles (sakkāyadhamma) te ontdoen.

Een idee is de waarheid niet. En mensen kunnen zelfs heel rare, kromme, gevaarlijke, ziekelijke, kwalijke (pāpaka) ideeën hebben dat allemaal de basis vormt van verkeerde opvattingen (micchādiṭṭhi). Wees niet nalatig (pamāda) en train jezelf in het beschouwen van de geest (cittānupassanā).

Alles brandt

Om de dingen te zien zoals ze werkelijk zijn (yathābhūtaṁ) moeten we niet met ideeën naar iets kijken. Want dat betekent een vooropgezette geest (sasaṅkhārikacitta), een vooringenomenheid, met een aanname (sarambhapi), een persoonlijke visie (sakkāyadiṭṭhi) en een tekort aan zelfvertrouwen (saddha) als basis. Dit is wat voor een verstoring (iñjita) zorgt. Het creëert een kloof tussen jou en wat er werkelijk is. Tussen een illusionair 'ik' en de waarheid.

In S35-028 zegt de Boeddha dan ook dat alles brandt. Wanneer het 'ik' in aanraking komt met een object dat de voorkeur heeft, ontstaat er een aangenaam gevoel. Maar als het een object betreft dat niet de voorkeur heeft ontstaat er een onaangenaam gevoel. Zowel voorkeur als afkeer (anurodhapaṭivirodha) intensiveert begeerte, begeerte intensiveert hechten etc. Het is omdat er onbewust een idee van 'ik' speelt dat nog niet is opgegeven (attanudiṭṭhimuhacca). Dit leidt tot een persoonlijke, ingekapselde wereld (sakkāyapariyāpanna), weg van wat er in werkelijkheid is of speelt.

Als bijvoorbeeld iemand tot je spreekt en je luistert met ideeën, hoor je niet wat er gezegd wordt omdat de ideeën ertussen zitten. Als je iets leest en er komen ideeën in je op, begrijp je niet wat er werkelijk staat geschreven omdat ideeën tussenbeide komen die de realiteit verdraaien. Ideeën kunnen het luisteren en het lezen ook meteen afkappen omdat ideeën en gevoelens toenemen (papañca) en de geest zo niet open kan zijn voor wat er werkelijk is.

Daarom is het benoemen, het persoonlijk invullen van wat er is, een manier waardoor het de verkeerde kant op gaat. De geest benoemd van zichzelf al vanwege het 'ik' dat voortdurend tussenbeide komt. De geest moet juist tot rust (samatha) komen, tot bedaren komen om helder gewaar (sampajañña) te kunnen zijn. Alle mentale activiteiten moeten tot rust worden gebracht (sabbasaṅkhārasamathāya), en daarom juist niet worden aangewakkerd (papañca). Pas wanneer de geest tot rust komt gaat hij echt zien omdat hij dan niet is afgeleid en niet wordt beïnvloed (asava), noch van binnenuit (intern) noch van buitenaf (extern). Dit echte zien is ontwaken (bujjhati) tot de realiteit hetgeen de voorwaarde is voor het realiseren van een diepe innerlijke vrede (vūpasamaya).

Het is dus zeker niet de bedoeling dat je dingen gaat benoemen, identificeren, de werkelijkheid subjectief gaat invullen. Pas als dit invullen tot bedaren komt kan in plaats daarvan louter aandacht het echte werk doen waarin met het licht van de Dhamma de dingen worden gezien zoals ze werkelijk zijn. Waarom is dat zo? Omdat hierin (idha) geen 'ik' is die tussenbeide komt oftewel vastgrijpt (upādāya), zich overal mee identificeert. Dit is wat de Sammāsambuddha onderwijst.

Vanwege het niet begrijpen van de Dhamma

En toch zijn er monniken die de mensen leren om te 'benoemen', alsof de Boeddha dit heeft onderwezen. M022 en M038 zijn sprekende voorbeelden waarin de Boeddha monniken ernstig aansprak. Hij vermaande hen omdat zij vanwege hun eigen vastgrijpen (upādāya) een verkeerd beeld van de Boeddha, de Dhamma en de Saṅgha creëerden. Hij zei erbij dat zij hierdoor veel schade (ahitāya) aanrichtten. Niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen omdat dit de manier is waardoor de Dhamma verkeerd wordt doorgegeven en dus uit de wereld zal verdwijnen. En ondanks dat, zijn er hele legers mensen die achter zulke mensen aanlopen. Wellicht vanwege hun eigen identificatie (upādāya) waardoor ze aannemen (sarambhapi) dat deze monniken 'wijs' zijn vanwege hun gewaad, titel of gewoon vanwege persoonsverheerlijking. De dingen zien zoals je ze wilt zien (micchādiṭṭhi) is niet gelijk aan de dingen zien zoals ze werkelijk zijn (sammādiṭṭhi).

Wees altijd kritisch en onderzoekend (dhammavicaya) van geest, zoals de Sammāsambuddha, de Prachtige Mens (acchariyamanussa), de Leraar van de Leer van geen-zelf (satthā anatta vādī) ook de twijfelende Kalama's onderwees (A03-065).

Vóór het volgende paneel worden nog panelen geplaatst ter inleiding. Zie de mededeling Deze sectie wordt aangepast.

Satipatthana training

Satipatthana is de kern van de boeddhistische inzicht meditatie vormen en daarmee de belangrijkste binnen het gehele boeddhistische systeem. Om de satipatthana training oftewel mindfulness correct te beoefenen, start je op de groep pagina Satipatthana training. Deze wijst de weg voor zowel beginners als voor gevorderden. Voordat je hiermee begint is het verstandig om eerst De basis van meditatie goed door te nemen.

De oude lijst

  1. Neerzitten en dagelijkse activiteiten
  2. Waarom de ademhaling als basis meditatie?
  3. De houding in meditatie
  4. De manier van ademen
  5. In meditatie niet benoemen
  6. In meditatie niet tellen
  7. Aandacht het werk laten doen
  8. Hoe vaak en hoe lang mediteren?
  9. De perfecte wandelmeditatie
  10. Je meditatieve leven uitbreiden
  11. Theorie en praktijk gaan samen

Extra aanbevelingen

Zie ook de groep pagina Satipatthana training.

Op groep pagina's zijn pagina's gebundeld omtrent een cruciaal onderwerp. Deze gebundelde pagina's noemen we sub pagina's. Ze werken gezamenlijk naar de betekenis en het doel van de groep pagina. In opbouwende en eenvoudige bewoording geven ze exact weer wat de Boeddha werkelijk heeft onderwezen.

Eindnoten

[1] Voor een belangrijke uitleg wat de Boeddha hier bedoelt, zie saññāvedayitanirodha.