De grote toespraak over de vernietiging van begeerte
Maha Tanhasankhaya Sutta
Een monnik genaamd Sāti verkondigt de verderfelijke misvatting dat hetzelfde bewustzijn van het ene leven naar het andere leven transmigreert. De Boeddha berispt hem met een lange toespraak over het afhankelijk ontstaan en toont hoe alle verschijnselen van het bestaan opkomen en vergaan vanwege voorwaarden.
Inhoudsopgave
Het verkeerde begrip van de monnik Sāti
Conditionaliteit van bewustzijn
De gelijkenis van het vuur met bewustzijn
Algemene vragenlijst over het bestaan
Voeding en afhankelijk ontstaan
Voorwaartse uiteenzetting over het ontstaan
Vragenlijst achterwaartse volgorde over het ontstaan
Samenvatting over het ontstaan
Voorwaartse uiteenzetting over het ophouden
Vragenlijst achterwaartse volgorde over het ophouden
Samenvatting over het ophouden
De ronde bestaan: van conceptie naar volwassenheid
De beëindiging van de ronde: de geleidelijke training
De beëindiging van de ronde: het volledig ophouden
Alle toespraken zijn belangrijk. Maar sommige toespraken zijn in STI geselecteerd als studie object. De bedoeling hiervan is om bepaalde aspecten van deze toespraken uit te lichten.
Vaak zijn in een studie object grote delen in het Pali rechtstreeks uit de Pali Canon opgenomen en vaak woord voor woord door de auteur letterlijk vertaald. De Pali termen zijn makkelijk via links nader te bestuderen. Een term kan, net zoals in het Nederlands, meerdere betekenissen hebben. Diverse vervoegingen, synoniemen, antoniemen etc. zijn in het woordenboek opgenomen. Want perfectie zit hem in de details.
Het leren van Pali is zeker niet het hoofddoel, maar in bepaalde opzichten wel belangrijk. Voor wie wil is dit een mooie gelegenheid om zijn kennis te verruimen. Uiteindelijk gaat het om de ontwikkeling van inzicht wat de voorwaarde (paccaya) is om het allerhoogste doel te bereiken: Nibbana. Het begrijpen van de Dhamma is dan ook van essentieel belang. Deze vertalingen helpen daar zeker bij.
De Boeddha heeft voorspelt dat de Dhamma uit de wereld zal verdwijnen. Omdat de geest bij het waarnemen van alles en nog wat de neiging heeft om te creëren, maken mensen er steeds iets bij. Dit geldt ook m.b.t. de Dhamma waardoor de Leer steeds onzuiverder wordt onderwezen en beoefend. STI is het platform waar de Leer door de auteur in zijn zuivere vorm wordt weergegeven en toegelicht. De vertaling van het Pali stelt de leerling in de gelegenheid om hetgeen de Boeddha werkelijk heeft onderwezen tot in de kern op waarheid te verifiëren. Dit helpt mensen om vertrouwen in STI te hebben waardoor steeds meer mensen de Dhamma op STI zullen volgen en dus de Dhamma langer zal blijven bestaan. Verwijs om deze reden a.u.b. dan ook zoveel mogelijk mensen naar STI.
Lees toespraken (sutta's) niet als een stripboek, maar als een heilige tekst. Serieus en met heel veel respect, want jezelf concentreren (samādhi) op het goede is goed voor je. Lees elke alinea gerust meerdere malen om de betekenis ervan diep in je hart te laten doordringen. 'Wie de Dhamma ziet, ziet mij', zei de Boeddha.
Naast de vertaling van het Pali omvat een studie object ook andere zeer essentiële aspecten.
De Boeddha wijst een monnik terecht vanwege zijn verkeerde begrip. Een belangrijk aspect hierin laat zien dat de Boeddha geen mooiprater was, recht door zee was en niets 'wegkeek'. Gevaar moet gezien worden, en het verkeerde begrip betekent gevaar. Niet alleen voor de monnik zelf, maar ook voor anderen inclusief voor het voortbestaan van de Dhamma.
Vaak hebben onwetende mensen een verkeerd begrip van goede mensen die waarheid spreken. Iemand die les geeft in inzicht meditatie moet daar goed rekening mee houden. Hier geeft de Boeddha aan dat iemand (vanwege het eigen vastgrijpen) door zijn eigen verkeerde begrip een verkeerde voorstelling heeft van mensen en dingen (in dit geval van de Boeddha, de Dhamma en de Sangha) en daardoor zichzelf verwond en veel slechts ophoopt. Hij benadrukt vervolgens dat zo iemand daar, voor een lange tijd veel last van krijgt. Dat is omdat het goede door zo iemand wordt verworpen en het verkeerde is opgepakt.
Hier benadrukt de Boeddha ook de hardnekkigheid van het vastgrijpen van de monnik, het werk van 'ik' (zie zelfoverwinning). Hij vermaant de monnik dat — zelfs nadat hij de Dhamma op meerdere manieren heeft onderwezen — de monnik ook daarna nog steeds bij zijn opvatting blijft.
Een ander belangrijk aspect is dat mensen vaak opkijken tegen iemand die de titel 'monnik' draagt (autoriteit). Ook dit is vanwege het oppakken van een idee, een ongegrond vooroordeel (sarambhapi) waar de Boeddha constant voor waarschuwde. Ook dit is een groot gevaar voor zowel de persoon zelf als voor het voortbestaan van de Dhamma omdat het ware visie vertroebelt. Persoonsverheerlijking is zeer gevaarlijk! Het is, net zoals de desbetreffende monnik, die geen kritisch onderzoek (dhamma vicaya) instelt (= zintuiglijkheid) en hardnekkig vast blijft houden aan ideeën die door begeerte gevoed worden en dus in stand worden gehouden (conditionering). Het is geen intelligente houding.
Naar aanleiding van dit voorval zet de Boeddha de vernietiging van begeerte uiteen.
In de oorspronkelijke teksten worden heel vaak tekstdelen herhaald. In deze toespraak is dit door de auteur (in bepaalde delen) letterlijk overgenomen. Zo is het Pali in de Nederlandse tekst makkelijker te herleiden.
Er zijn ook andere delen waarin gehele alinea's zijn overgeslagen, zowel in het Pali als in het Nederlands. Het betreft dan uitsluitend delen waarin een (overdreven en onnodige) herhaling van dezelfde feiten/teksten wordt herhaald. Dergelijke delen zijn in de standaard canonieke tekst opgenomen zodat het makkelijker was de teksten te onthouden en oraal door te geven. Het weglaten van de tekst wordt vaker door vertalers gedaan en doet beslist geen afbreuk aan de oorspronkelijke tekst.
Indien van toepassing op deze toespraak, wordt het weggelaten deel (alleen in het Pali) in een paneel met de naam Ingekort deel op deze manier aangegeven. Zo kan de leerling makkelijk verifiëren om welke tekst het gaat.
Wat het extra lastig kan maken, is dat de reeks ti meerdere betekenissen heeft. Zo geeft het o.a. het einde van een directe spraak aan. In een ander geval hoort het bij het woord dat grenst aan de linkerkant ervan en dan heeft het een andere betekenis…
Laten we als voorbeeld het woord anaññanti nemen. Wanneer het het einde van een directe spraak betreft, wordt in het Pali — afhankelijk van of het een citaat en/of een citaat binnen een citaat is — dit weergegeven:
- anaññan'ti
- anaññan"ti
- anaññan'"ti
Deze drie reeksen markeren allemaal het einde van een directe spraak, maar zijn tevens gelijk aan anaññanti.
In het Pali (en vaak ook in het Engels) wordt doorgaans geen sluitingsteken gebruikt aan het einde van een of meerdere alinea's. Dat maakt zoiets extra lastig.
De oplossing is als volgt:
In dit geval kan ook niet anaññan worden aangehouden want dat is geen geldige term. Maar anaññanti wel. Wanneer verwezen wordt naar het woordenboek, dan wordt deze reeks gebruikt. Als je de link volgt krijg je de betekenis van alle vervoegingen.
Pali tekens
Momenteel wordt er nog gewerkt om de Pali tekens overal in de website door te voeren. Het kan dus voorkomen dat sommige termen nog niet voorzien zijn van de Pali tekens zoals in de oorspronkelijke Pali tekst.
CanonNr
Het CanonNr is het nummer dat in de oorspronkelijke Pali teksten ook wordt gebruikt. Het is te herkennen aan deze opmaak (voorbeeld):
500.
Overige nummers zijn paragraafnummers zoals STI deze doorgaans gebruikt en verschillen van het CanonNr.
Volledige Pāḷi alinea
Na het CanonNr wordt eerst de volledige Pali alinea weergegeven. Dit kan o.a. handig zijn om te zien hoe de afzonderlijke delen die erna volgen, in de Pali tekst zijn weergegeven.
Pali deel
In het Pali deel worden zinnen oorspronkelijk zonder hoofdletter begonnen. De punt die een zin beëindigd wordt wel aangegeven. Soms is door de auteur een zin opgedeeld in kleinere delen zodat het Pali makkelijker kan worden bestudeerd.
Het Pali woord 'nu'
Het Pali woord nu staat voor een vraagteken. Je vindt het dan ook niet in de vertaling, maar is (meestal) wel als een link in het Pali deel beschikbaar.
Info
Waar nodig wordt extra info gegeven in een paneel met de titel Info. Het betreft dan uitsluitend info m.b.t. die delen waarvoor het Pali is vertaald.
Het essentiële van Pali termen op STI
Op www.sleuteltotinzicht.nl worden vele links met Pali termen tussen de tekst gebruikt. Omdat Pali de taal is die in het oorspronkelijke boeddhisme (Theravada) gehanteerd wordt, leer je de zuivere betekenis ervan. De Boeddha vond het uitermate belangrijk dat wij zorgvuldig en onderzoekend zijn. Dit is de belangrijkste basis om de echte boeddhistische Leer, wat de Boeddha werkelijk heeft onderwezen, correct te leren begrijpen.
De Pali woorden kunnen soms, net zoals Nederlandse woorden, meerdere betekenissen hebben. Het zijn juist de Pali termen waardoor je de Dhamma sneller en beter gaat begrijpen, hoewel het natuurlijk even wennen is. Daarnaast zijn er ook synoniemen, equivalenten, antoniemen en varianten.
Het grote voordeel van de Pali termen is dat je dankzij deze termen heel gericht een onderwerp tot in details kunt onderzoeken en verbanden gaat zien waardoor het totale plaatje snel duidelijk wordt. Dit is de methode van de echte Dhammanuvatti die op weg is een edele discipel (ariyasavaka) te zijn.
Probeer altijd eerst een globale kennis over een onderwerp op te doen. Denk niet dat je meteen alle gerelateerde links op een pagina moet gaan volgen, want dan kom je in een eindeloze cirkel. Bovendien kun je niet altijd alles in één keer perfect kennen. Dat heeft tijd nodig. Door de artikelen vaker te lezen en de Dhamma in praktijk te brengen, leer je ook uit ervaring en zal je kennis gestaag toenemen totdat het 'tot volle wasdom' komt. Het zien van de ware Dhamma is een groot geluk.
Zie ook pariyatti.
Neem ook de pagina Studie tips door voor algemene waardevolle tips.
Het verkeerde begrip van de monnik Sāti
396.
396. evaṁ me sutaṁ — ekaṁ samayaṁ bhagavā sāvatthiyaṁ viharati jetavane anāthapiṇḍikassa ārāme. tena kho pana samayena sātissa nāma bhikkhuno kevaṭṭaputtassa evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ hoti — "tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati anaññan"ti. assosuṁ kho sambahulā bhikkhū — "sātissa kira nāma bhikkhuno kevaṭṭaputtassa evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ — 'tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'"ti. atha kho te bhikkhū yena sāti bhikkhu kevaṭṭaputto tenupasaṅkamiṁsu; upasaṅkamitvā sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etadavocuṁ — "saccaṁ kira te, āvuso sāti, evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ — 'tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'"ti? "evaṁ byā kho ahaṁ, āvuso, bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan"ti. atha kho te bhikkhū sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etasmā pāpakā diṭṭhigatā vivecetukāmā samanuyuñjanti samanugāhanti samanubhāsanti — "mā evaṁ, āvuso sāti, avaca, mā bhagavantaṁ abbhācikkhi, na hi sādhu bhagavato abbhakkhānaṁ, na hi bhagavā evaṁ vadeyya. anekapariyāyenāvuso sāti, paṭiccasamuppannaṁ viññāṇaṁ vuttaṁ bhagavatā, aññatra paccayā natthi viññāṇassa sambhavo"ti. evampi kho sāti bhikkhu kevaṭṭaputto tehi bhikkhūhi samanuyuñjiyamāno samanugāhiyamāno samanubhāsiyamāno tadeva pāpakaṁ diṭṭhigataṁ thāmasā parāmāsā abhinivissa voharati — "evaṁ byā kho ahaṁ, āvuso, bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati anaññan"ti.
In deze eerste alinea zijn niet alle Pali woorden a.d.h.v. de exacte Pali term vertaald omdat dit voor dit studie object niet echt relevant is. De betekenis is uiteraard wel correct. De Pali-alinea is opgenomen om het begin van deze tekst binnen het CanonNr (396) duidelijk te stellen.
evaṁ me sutaṁ — ekaṁ samayaṁ bhagavā sāvatthiyaṁ viharati jetavane anāthapiṇḍikassa ārāme.
1. Aldus heb ik gehoord (evaṁ me sutaṁ). Eens verbleef de Gezegende nabij Savatthi in het Jetavana, het park van Anathapindika.
tena kho pana samayena sātissa nāma bhikkhuno kevaṭṭaputtassa evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ hoti — "tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati anaññan"ti.
2. Tijdens die (tena) gelegenheid (samayena) was er echter (pana) in een monnik (bhikkhuno) genaamd (nāma) Sāti, zoon van een visserman (kevaṭṭaputtassa), in werkelijkheid (kho) zulk (evarūpaṁ) een kwaadaardige (pāpakaṁ) misvatting (diṭṭhigataṁ) ontstaan (uppannaṁ), die aanhield te bestaan (hoti): 'Zoals ik (tathāhaṁ) de Dhamma (dhammaṁ) begrijp (ājānāmi) zoals (yathā) die door de Boeddha (bhagavatā) is onderwezen (desitaṁ), is dat precies hetzelfde (tadevidaṁ) bewustzijn (viññāṇaṁ) rondzwerft (sandhāvati) in de ronden van wedergeboorten (saṁsarati), niet een ander (anaññanti)[1].'
assosuṁ kho sambahulā bhikkhū — "sātissa kira nāma bhikkhuno kevaṭṭaputtassa evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ — 'tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'"ti.
3. Verscheidene (sambahulā) monniken (bhikkhū) hoorden (assosuṁ) inderdaad (kho): 'In een monnik (bhikkhuno) genaamd (nāma) Sāti, zoon van een visserman (kevaṭṭaputtassa), is echt (kira) zulk (evarūpaṁ) een kwaadaardige (pāpakaṁ) misvatting (diṭṭhigataṁ) ontstaan (uppannaṁ): 'Zoals ik (tathāhaṁ) de Dhamma (dhammaṁ) begrijp (ājānāmi) zoals (yathā) die door de Boeddha (bhagavatā) is onderwezen (desitaṁ), is dat precies hetzelfde (tadevidaṁ) bewustzijn (viññāṇaṁ) rondzwerft (sandhāvati) in de ronden van wedergeboorten (saṁsarati), niet een ander (anaññanti).'
atha kho te bhikkhū yena sāti bhikkhu kevaṭṭaputto tenupasaṅkamiṁsu; upasaṅkamitvā sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etadavocuṁ — "saccaṁ kira te, āvuso sāti, evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ — 'tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'"ti?
En dus (atha) vanwege dit (yena) gingen (tenupasaṅkamiṁsu) die (te) monniken (bhikkhū) inderdaad (kho) naar monnik (bhikkhu) Sāti, zoon van een visserman (kevaṭṭaputto). Toen ze naderbij gekomen (upasaṅkamitvā) waren, zeiden ze (etadavocuṁ) tegen de monnik (bhikkhuṁ) Sāti, de zoon van de visserman (kevaṭṭaputtaṁ): "Is het echt (kira) waar (saccaṁ), vriend (āvuso) Sāti, dat zulk (evarūpaṁ) een kwaadaardige (pāpakaṁ) misvatting (diṭṭhigataṁ) in je is ontstaan (uppannaṁ): 'Zoals ik (tathāhaṁ) de Dhamma (dhammaṁ) begrijp (ājānāmi) zoals (yathā) die door de Boeddha (bhagavatā) is onderwezen (desitaṁ), is dat precies hetzelfde (tadevidaṁ) bewustzijn (viññāṇaṁ) rondzwerft (sandhāvati) in de ronden van wedergeboorten (saṁsarati), niet een ander (anaññanti).'?"
"evaṁ byā kho ahaṁ, āvuso, bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan"ti.
"Inderdaad (byā), vrienden (āvuso), precies zoals (evaṁ) ik (ahaṁ), de Dhamma (dhammaṁ) begrijp (ājānāmi) zoals (yathā) die door de Boeddha (bhagavatā) is onderwezen (desitaṁ), is dat precies hetzelfde (tadevidaṁ) bewustzijn (viññāṇaṁ) rondzwerft (sandhāvati) in de ronden van wedergeboorten (saṁsarati), niet een ander (anaññanti)."
atha kho te bhikkhū sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etasmā pāpakā diṭṭhigatā vivecetukāmā samanuyuñjanti samanugāhanti samanubhāsanti —
Daarna (atha) wilden de monniken (bhikkhū) de monnik (bhikkhuṁ) Sāti, de zoon van de visserman (kevaṭṭaputtaṁ), zeker (kho) graag van deze (etasmā) kwaadaardige (pāpakaṁ) misvatting (diṭṭhigatā) scheiden (vivecetukāmā), stelden hem kruislings vragen (samanuyuñjanti), ondervroegen hem nauwgezet (samanugāhanti) en wezen hem terecht (samanubhāsanti):
"mā evaṁ, āvuso sāti, avaca, mā bhagavantaṁ abbhācikkhi, na hi sādhu bhagavato abbhakkhānaṁ, na hi bhagavā evaṁ vadeyya. anekapariyāyenāvuso sāti, paṭiccasamuppannaṁ viññāṇaṁ vuttaṁ bhagavatā, aññatra paccayā natthi viññāṇassa sambhavo"ti.
"Vriend (āvuso) Sāti, spreek (avaca) zo (evaṁ) niet (mā)! Maak geen (mā) verkeerde voorstelling (abbhācikkhi) van de Gezegende (bhagavantaṁ)! Het is beslist (hi) niet (na) goed (sādhu) om een verkeerde voorstelling (abbhakkhāna) van de Boeddha (bhagavato) te hebben! Dit zou de Gezegende (bhagavā) zeker (hi) niet (na) zo (evaṁ) zeggen (vadeyya)! Want op veel verschillende manieren vriend (anekapariyāyenāvuso) Sāti, is door de Boeddha (bhagavatā) verklaard (vuttaṁ) dat bewustzijn (viññāṇaṁ) afhankelijk ontstaat (paṭiccasamuppannaṁ), omdat zonder (aññatra) een voorwaarde (paccayā) er geen (natthi) productie (sambhavoti) van bewustzijn (viññāṇassa) kan zijn[2]."
evampi kho sāti bhikkhu kevaṭṭaputto tehi bhikkhūhi samanuyuñjiyamāno samanugāhiyamāno samanubhāsiyamāno tadeva pāpakaṁ diṭṭhigataṁ thāmasā parāmāsā abhinivissa voharati —
Ondanks (evampi) dat monnik (bhikkhu) Sāti, zoon van een visserman (kevaṭṭaputto), door (tehi) meerdere monniken (bhikkhūhi) nadrukkelijk (kho) kruislings vragen waren gesteld (samanuyuñjiyamāno), zij hem nauwgezet hadden ondervraagd (samanugāhiyamāno) en terechtgewezen (samanubhāsiyamāno), bleef hij hardnekkig (thāmasā) vasthouden (parāmāsā) aan juist die (tadeva) kwaadaardige (pāpakaṁ) misvatting (diṭṭhigataṁ), klampte zich er volledig aan vast (abhinivissa) en bleef (voharati) daarbij:
"evaṁ byā kho ahaṁ, āvuso, bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati anaññan"ti.
"Inderdaad (byā), vrienden (āvuso), precies zoals (evaṁ) ik (ahaṁ), de Dhamma (dhammaṁ) begrijp (ājānāmi) zoals (yathā) die door de Boeddha (bhagavatā) is onderwezen (desitaṁ), is dat precies hetzelfde (tadevidaṁ) bewustzijn (viññāṇaṁ) rondzwerft (sandhāvati) in de ronden van wedergeboorten (saṁsarati), niet een ander (anaññanti)."
397.
397. yato kho te bhikkhū nāsakkhiṁsu sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etasmā pāpakā diṭṭhigatā vivecetuṁ, atha kho te bhikkhū yena bhagavā tenupasaṅkamiṁsu; upasaṅkamitvā bhagavantaṁ abhivādetvā ekamantaṁ nisīdiṁsu. ekamantaṁ nisinnā kho te bhikkhū bhagavantaṁ etadavocuṁ — "sātissa nāma, bhante, bhikkhuno kevaṭṭaputtassa evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ — 'tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'ti. assumha kho mayaṁ, bhante, sātissa kira nāma bhikkhuno kevaṭṭaputtassa evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ — 'tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'ti. atha kho mayaṁ, bhante, yena sāti bhikkhu kevaṭṭaputto tenupasaṅkamimha; upasaṅkamitvā sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etadavocumha — 'saccaṁ kira te, āvuso sāti, evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ — "tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan"ti? evaṁ vutte, bhante, sāti bhikkhu kevaṭṭaputto amhe etadavoca — 'evaṁ byā kho ahaṁ, āvuso, bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'ti. atha kho mayaṁ, bhante, sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etasmā pāpakā diṭṭhigatā vivecetukāmā samanuyuñjimha samanugāhimha samanubhāsimha — 'mā evaṁ, āvuso sāti, avaca, mā bhagavantaṁ abbhācikkhi, na hi sādhu bhagavato abbhakkhānaṁ, na hi bhagavā evaṁ vadeyya. anekapariyāyenāvuso sāti, paṭiccasamuppannaṁ viññāṇaṁ vuttaṁ bhagavatā, aññatra paccayā natthi viññāṇassa sambhavo'ti. evampi kho, bhante, sāti bhikkhu kevaṭṭaputto amhehi samanuyuñjiyamāno samanugāhiyamāno samanubhāsiyamāno tadeva pāpakaṁ diṭṭhigataṁ thāmasā parāmasā abhinivissa voharati — 'evaṁ byā kho ahaṁ, āvuso, bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'ti. yato kho mayaṁ, bhante, nāsakkhimha sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etasmā pāpakā diṭṭhigatā vivecetuṁ, atha mayaṁ etamatthaṁ bhagavato ārocemā"ti.
yato kho te bhikkhū nāsakkhiṁsu sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etasmā pāpakā diṭṭhigatā vivecetuṁ, atha kho te bhikkhū yena bhagavā tenupasaṅkamiṁsu; upasaṅkamitvā bhagavantaṁ abhivādetvā ekamantaṁ nisīdiṁsu.
4. Omdat (yato) die (te) monniken (bhikkhū) absoluut (kho) niet in staat (nāsakkhiṁsu) waren de monnik (bhikkhuṁ) Sāti, de zoon van een visserman (kevaṭṭaputtaṁ), van deze (etasmā) kwaadaardige (pāpakā) misvatting (diṭṭhigatā) te scheiden (vivecetuṁ), gingen (tenupasaṅkamiṁsu) die (te) monniken (bhikkhū) naar de Gezegende (bhagavā). Toen zij in de buurt (upasaṅkamitvā) van de Gezegende (bhagavantaṁ) waren gekomen, betuigden ze respect (abhivādetvā) en gingen ze aan een zijde (ekamantaṁ) zitten (nisīdiṁsu).
ekamantaṁ nisinnā kho te bhikkhū bhagavantaṁ etadavocuṁ — "sātissa nāma, bhante, bhikkhuno kevaṭṭaputtassa evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ — 'tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'ti.
Aan een kant (ekamantaṁ) zittend (nisinnā), zeiden (etadavocuṁ) die (te) monniken (bhikkhū) nadrukkelijk (kho) dit tegen de Gezegende (bhagavantaṁ):
"In een monnik (bhikkhuno) genaamd (nāma) Sāti, bhante, zoon van een visserman (kevaṭṭaputtassa), is er zulk (evarūpaṁ) een kwaadaardige (pāpakaṁ) misvatting (diṭṭhigataṁ) ontstaan (uppannaṁ): 'Zoals ik (tathāhaṁ) de Dhamma (dhammaṁ) begrijp (ājānāmi) zoals (yathā) die door de Boeddha (bhagavatā) is onderwezen (desitaṁ), is dat precies hetzelfde (tadevidaṁ) bewustzijn (viññāṇaṁ) rondzwerft (sandhāvati) in de ronden van wedergeboorten (saṁsarati), niet een ander (anaññanti).'"
assumha kho mayaṁ, bhante, sātissa kira nāma bhikkhuno kevaṭṭaputtassa evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ — 'tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'ti.
"Wij (mayaṁ) hoorden (assumha) inderdaad (kho), dat in een monnik (bhikkhuno) genaamd (nāma) Sāti, de zoon van een visserman (kevaṭṭaputtassa), echt (kira) zulk een kwaadaardige (pāpakaṁ) misvatting (diṭṭhigataṁ) is ontstaan (uppannaṁ): 'Zoals ik (tathāhaṁ) de Dhamma (dhammaṁ) begrijp (ājānāmi) zoals (yathā) die door de Boeddha (bhagavatā) is onderwezen (desitaṁ), is dat precies hetzelfde (tadevidaṁ) bewustzijn (viññāṇaṁ) rondzwerft (sandhāvati) in de ronden van wedergeboorten (saṁsarati), niet een ander (anaññanti).'"
Na het vorige Pali deel is er oorspronkelijk een (overbodige) herhaling waardoor de toespraak hier is ingekort. Het betreft het volgende deel dat zo is gemarkeerd.
De weggelaten tekst omvat dat de monniken de Boeddha alles vertelden wat er was voorgevallen.
397. yato kho te bhikkhū nāsakkhiṁsu sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etasmā pāpakā diṭṭhigatā vivecetuṁ, atha kho te bhikkhū yena bhagavā tenupasaṅkamiṁsu; upasaṅkamitvā bhagavantaṁ abhivādetvā ekamantaṁ nisīdiṁsu. ekamantaṁ nisinnā kho te bhikkhū bhagavantaṁ etadavocuṁ — "sātissa nāma, bhante, bhikkhuno kevaṭṭaputtassa evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ — 'tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'ti. assumha kho mayaṁ, bhante, sātissa kira nāma bhikkhuno kevaṭṭaputtassa evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ — 'tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'ti. atha kho mayaṁ, bhante, yena sāti bhikkhu kevaṭṭaputto tenupasaṅkamimha; upasaṅkamitvā sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etadavocumha — 'saccaṁ kira te, āvuso sāti, evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ — "tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan"ti? evaṁ vutte, bhante, sāti bhikkhu kevaṭṭaputto amhe etadavoca — 'evaṁ byā kho ahaṁ, āvuso, bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'ti. atha kho mayaṁ, bhante, sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etasmā pāpakā diṭṭhigatā vivecetukāmā samanuyuñjimha samanugāhimha samanubhāsimha — 'mā evaṁ, āvuso sāti, avaca, mā bhagavantaṁ abbhācikkhi, na hi sādhu bhagavato abbhakkhānaṁ, na hi bhagavā evaṁ vadeyya. anekapariyāyenāvuso sāti, paṭiccasamuppannaṁ viññāṇaṁ vuttaṁ bhagavatā, aññatra paccayā natthi viññāṇassa sambhavo'ti. evampi kho, bhante, sāti bhikkhu kevaṭṭaputto amhehi samanuyuñjiyamāno samanugāhiyamāno samanubhāsiyamāno tadeva pāpakaṁ diṭṭhigataṁ thāmasā parāmasā abhinivissa voharati — 'evaṁ byā kho ahaṁ, āvuso, bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'ti. yato kho mayaṁ, bhante, nāsakkhimha sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etasmā pāpakā diṭṭhigatā vivecetuṁ, atha mayaṁ etamatthaṁ bhagavato ārocemā"ti.
yato kho mayaṁ, bhante, nāsakkhimha sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etasmā pāpakā diṭṭhigatā vivecetuṁ, atha mayaṁ etamatthaṁ bhagavato ārocemā"ti.
"Bhante, omdat (yato) wij (mayaṁ) absoluut (kho) onmogelijk (nāsakkhimha), de monnik (bhikkhuṁ) Sāti, de zoon van een visserman (kevaṭṭaputtaṁ), van zijn kwaadaardige (pāpakā) misvatting (diṭṭhigatā) konden scheiden (vivecetuṁ), zijn wij (mayaṁ) deze kwestie (etamatthaṁ) aan de Gezegende (bhagavato) komen melden (ārocemāti)."
398.
398. atha kho bhagavā aññataraṁ bhikkhuṁ āmantesi — "ehi tvaṁ bhikkhu, mama vacanena sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ āmantehi — 'satthā taṁ, āvuso sāti, āmantetī'"ti. "evaṁ, bhante"ti kho so bhikkhu bhagavato paṭissutvā yena sāti bhikkhu kevaṭṭaputto tenupasaṅkami; upasaṅkamitvā sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etadavoca — "satthā taṁ, āvuso sāti, āmantetī"ti. "evamāvuso"ti kho sāti bhikkhu kevaṭṭaputto tassa bhikkhuno paṭissutvā yena bhagavā tenupasaṅkami; upasaṅkamitvā bhagavantaṁ abhivādetvā ekamantaṁ nisīdi. ekamantaṁ nisinnaṁ kho sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ bhagavā etadavoca — "saccaṁ kira, te, sāti, evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ — 'tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'"ti? "evaṁ byā kho ahaṁ, bhante, bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan"ti. "katamaṁ taṁ, sāti, viññāṇan"ti? "yvāyaṁ, bhante, vado vedeyyo tatra tatra kalyāṇapāpakānaṁ kammānaṁ vipākaṁ paṭisaṁvedetī"ti. "kassa nu kho nāma tvaṁ, moghapurisa, mayā evaṁ dhammaṁ desitaṁ ājānāsi? nanu mayā, moghapurisa, anekapariyāyena paṭiccasamuppannaṁ viññāṇaṁ vuttaṁ, aññatra paccayā natthi viññāṇassa sambhavoti? atha ca pana tvaṁ, moghapurisa, attanā duggahitena amhe ceva abbhācikkhasi, attānañca khaṇasi, bahuñca apuññaṁ pasavasi. tañhi te, moghapurisa, bhavissati dīgharattaṁ ahitāya dukkhāyā"ti.
atha kho bhagavā aññataraṁ bhikkhuṁ āmantesi — "ehi tvaṁ bhikkhu, mama vacanena sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ āmantehi — 'satthā taṁ, āvuso sāti, āmantetī'"ti.
5. Toen (atha) sprak de Gezegende (bhagavā) nadrukkelijk (kho) een bepaalde (aññataraṁ) monnik (bhikkhuno) aan (āmantesi): "Kom (ehi) jij (tvaṁ), monnik (bhikkhu), vertel (vacanena) de monnik (bhikkhuṁ) Sāti, de zoon van een visserman (kevaṭṭaputtaṁ), in mijn naam (mama): 'De Leraar (satthā) roept (āmanteti) je (taṁ), vriend (āvuso) Sāti.'"
"evaṁ, bhante"ti kho so bhikkhu bhagavato paṭissutvā yena sāti bhikkhu kevaṭṭaputto tenupasaṅkami; upasaṅkamitvā sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etadavoca — "satthā taṁ, āvuso sāti, āmantetī"ti.
"Ja (evaṁ), bhante", antwoordde hij, waardoor (yena) hij (so) inderdaad (kho) instemmend (paṭissutvā) naar monnik (bhikkhu) Sāti, zoon van een visserman (kevaṭṭaputto) ging (tenupasaṅkami). Toen hij naderbij was gekomen (upasaṅkamitvā) zei hij dit (etadavoca): "De Leraar (satthā) roept (āmanteti) je (taṁ), vriend (āvuso) Sāti."
"evamāvuso"ti kho sāti bhikkhu kevaṭṭaputto tassa bhikkhuno paṭissutvā yena bhagavā tenupasaṅkami;
"Ja, vriend (evamāvuso)", antwoordde monnik (bhikkhu) Sāti, zoon van een visserman (kevaṭṭaputto) waardoor (yena) hij inderdaad (kho) na instemming (paṭissutvā) met de monnik (bhikkhuno), naar de Gezegende (bhagavatā) ging (tenupasaṅkami).
upasaṅkamitvā bhagavantaṁ abhivādetvā ekamantaṁ nisīdi. ekamantaṁ nisinnaṁ kho sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ bhagavā etadavoca —
Toen hij in de buurt (upasaṅkamitvā) van de Gezegende (bhagavantaṁ) was gekomen, betuigde hij respect (abhivādetvā) en ging aan een zijde (ekamantaṁ) zitten (nisīdi). Aan een kant (ekamantaṁ) zittend (nisinnaṁ), zei de Gezegende (bhagavā) nadrukkelijk (kho) dit (etadavoca) tegen de monnik (bhikkhuṁ) Sāti, de zoon van een visserman (kevaṭṭaputtaṁ):
"saccaṁ kira, te, sāti, evarūpaṁ pāpakaṁ diṭṭhigataṁ uppannaṁ — 'tathāhaṁ bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan'"ti?
"Is het echt (kira) waar (saccaṁ), Sāti, dat zulk (evarūpaṁ) een kwaadaardige (pāpakaṁ) misvatting (diṭṭhigataṁ) in je is ontstaan (uppannaṁ): 'Zoals ik (tathāhaṁ) de Dhamma (dhammaṁ) begrijp (tathāhaṁ) zoals (yathā) die door de Boeddha (bhagavatā) is onderwezen (desitaṁ), is dat precies hetzelfde (tadevidaṁ) bewustzijn (viññāṇaṁ) rondzwerft (sandhāvati) in de ronden van wedergeboorten (saṁsarati), niet een ander (anaññanti).'?"
"evaṁ byā kho ahaṁ, bhante, bhagavatā dhammaṁ desitaṁ ājānāmi yathā tadevidaṁ viññāṇaṁ sandhāvati saṁsarati, anaññan"ti.
"Inderdaad (byā), bhante, precies zoals (vaṁ) ik (ahaṁ), de Dhamma (dhammaṁ) begrijp (ājānāmi) zoals (yathā) die door de Boeddha (bhagavatā) is onderwezen (desitaṁ), is dat precies hetzelfde (tadevidaṁ) bewustzijn (viññāṇaṁ) rondzwerft (sandhāvati) in de ronden van wedergeboorten (saṁsarati), niet een ander (anaññanti)."
"katamaṁ taṁ, sāti, viññāṇan"ti?
"Wat (katamaṁ) is dat (taṁ) bewustzijn (viññāṇanti), Sāti?"
"yvāyaṁ, bhante, vado vedeyyo tatra tatra kalyāṇapāpakānaṁ kammānaṁ vipākaṁ paṭisaṁvedetī"ti.
"Wat dan ook (yvāyaṁ), bhante, het is dat wat spreekt (vado) en voelt (vedeyyo) en dat hier en daar (tatra) het gevolg (vipākaṁ) van goede en slechte (kalyāṇapāpakānaṁ) daden (kammānaṁ) ervaart (paṭisaṁvedeti)[3]."
Hier verwijst nāma naar het feit dat de monnik Sāti zijn opvatting zelf gecreëerd heeft door 'te benoemen'. Dit is vanwege zijn eigen persoonlijke ervaring en vervolgens aan de hand hiervan (als die voorwaarde (paccayā)) een invulling geeft aan wat is waargenomen. Dit is waardoor er een persoonlijke wereld van ideeën ontstaat en zodoende de realiteit wordt gemist.
"kassa nu kho nāma tvaṁ, moghapurisa, mayā evaṁ dhammaṁ desitaṁ ājānāsi?
"Van wie (kassa), misleide man (moghapurisa), heb jij (tvaṁ) inderdaad (kho) werkelijk (nāma) begrepen (ājānāsi) dat door mij (mayā) op deze manier (evaṁ) de Dhamma (dhammaṁ) is onderwezen (desitaṁ)?"
nanu mayā, moghapurisa, anekapariyāyena paṭiccasamuppannaṁ viññāṇaṁ vuttaṁ, aññatra paccayā natthi viññāṇassa sambhavoti?
"Is dan niet (nanu) door mij (mayā), misleide man (moghapurisa), op veel verschillende manieren (anekapariyāyena) verklaard (vuttaṁ) dat bewustzijn (viññāṇaṁ) afhankelijk ontstaat (paṭiccasamuppannaṁ), omdat zonder (aññatra) een voorwaarde (paccayā) er geen (natthi) productie (sambhavoti) van bewustzijn (viññāṇassa) kan zijn?"
atha ca pana tvaṁ, moghapurisa, attanā duggahitena amhe ceva abbhācikkhasi, attānañca khaṇasi, bahuñca apuññaṁ pasavasi. tañhi te, moghapurisa, bhavissati dīgharattaṁ ahitāya dukkhāyā"ti.
"Maar (pana) ook daarna (atha) heb jij (tvaṁ), misleide man (moghapurisa), door je eigen (attanā) verkeerde begrip (duggahitena) een verkeerde voorstelling (abbhācikkhati) van ons (amhe), maar hiermee (ceva) verwond (khaṇasi) je jezelf (attānañca) en hoop je ook veel (bahuñca) slechts (apuññaṁ) op (pasavasi). Dit zal absoluut zeker (tañhi) voor jou (te), misleide man (moghapurisa), schadelijk (ahitāya) en ongemakkelijk (dukkhāya) kunnen zijn (bhavissati) voor een lange tijd (dīgharattaṁ)."
399.
399. atha kho bhagavā bhikkhū āmantesi — "taṁ kiṁ maññatha, bhikkhave, api nāyaṁ sāti bhikkhu kevaṭṭaputto usmīkatopi imasmiṁ dhammavinaye"ti? "kiñhi siyā bhante? no hetaṁ, bhante"ti. evaṁ vutte, sāti bhikkhu kevaṭṭaputto tuṇhībhūto maṅkubhūto pattakkhandho adhomukho pajjhāyanto appaṭibhāno nisīdi. atha kho bhagavā sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ tuṇhībhūtaṁ maṅkubhūtaṁ pattakkhandhaṁ adhomukhaṁ pajjhāyantaṁ appaṭibhānaṁ viditvā sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etadavoca — "paññāyissasi kho tvaṁ, moghapurisa, etena sakena pāpakena diṭṭhigatena. idhāhaṁ bhikkhū paṭipucchissāmī"ti. atha kho bhagavā bhikkhū āmantesi — "tumhepi me, bhikkhave, evaṁ dhammaṁ desitaṁ ājānātha yathāyaṁ sāti bhikkhu kevaṭṭaputto attanā duggahitena amhe ceva abbhācikkhati, attānañca khaṇati, bahuñca apuññaṁ pasavatī"ti? "no hetaṁ, bhante! anekapariyāyena hi no, bhante, paṭiccasamuppannaṁ viññāṇaṁ vuttaṁ bhagavatā, aññatra paccayā natthi viññāṇassa sambhavo"ti. "sādhu sādhu, bhikkhave! sādhu kho me tumhe, bhikkhave, evaṁ dhammaṁ desitaṁ ājānātha. anekapariyāyena hi vo, bhikkhave, paṭiccasamuppannaṁ viññāṇaṁ vuttaṁ mayā, aññatra paccayā natthi viññāṇassa sambhavoti. atha ca panāyaṁ sāti bhikkhu kevaṭṭaputto attanā duggahitena amhe ceva abbhācikkhati, attānañca khaṇati, bahuñca apuññaṁ pasavati. tañhi tassa moghapurisassa bhavissati dīgharattaṁ ahitāya dukkhāya.
atha kho bhagavā bhikkhū āmantesi — "taṁ kiṁ maññatha, bhikkhave, api nāyaṁ sāti bhikkhu kevaṭṭaputto usmīkatopi imasmiṁ dhammavinaye"ti?
6. Toen sprak de Gezegende (bhagavā) nadrukkelijk (kho) de monniken (bhikkhū) als volgt aan (āmantesi): "Monniken (bhikkhave), wat (kiṁ) denken (maññatha) jullie van hem (taṁ)? Is er slechts (api) in deze persoon (nāyaṁ), monnik bhikkhu Sāti, zoon van een visserman (kevaṭṭaputto), een sprankje begrip aangewakkerd (usmīkatopi) in deze (imasmiṁ) Dhamma en Discipline (dhammavinaye)?"
"kiñhi siyā bhante? no hetaṁ, bhante"ti.
"Hoe (kiñhi) zou dat kunnen (siyā), bhante? Nee (no), zeker niet (hetaṁ), bhante."
evaṁ vutte, sāti bhikkhu kevaṭṭaputto tuṇhībhūto maṅkubhūto pattakkhandho adhomukho pajjhāyanto appaṭibhāno nisīdi.
Toen dit (evaṁ) was gezegd (vutte), zat (nisīdi) monnik (bhikkhu) Sāti, zoon van een visserman (kevaṭṭaputto), stil (tuṇhībhūto), beschaamd (maṅkubhūto), met hangende schouders en zijn hoofd naar beneden (pattakkhandho), somber (adhomukho), neerslachtig (pajjhāyanto) en zonder reactie (appaṭibhāno).
atha kho bhagavā sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ tuṇhībhūtaṁ maṅkubhūtaṁ pattakkhandhaṁ adhomukhaṁ pajjhāyantaṁ appaṭibhānaṁ viditvā sātiṁ bhikkhuṁ kevaṭṭaputtaṁ etadavoca — "paññāyissasi kho tvaṁ, moghapurisa, etena sakena pāpakena diṭṭhigatena. idhāhaṁ bhikkhū paṭipucchissāmī"ti.
Toen (atha) de Gezegende (bhagavā) zich dit inderdaad (kho) gewaar was (viditvā) dat de monnik (bhikkhuṁ) Sāti, de zoon van een visserman (kevaṭṭaputtaṁ), stil (tuṇhībhūtaṁ), beschaamd (maṅkubhūtaṁ), met hangende schouders en zijn hoofd naar beneden (pattakkhandhaṁ), somber (adhomukhaṁ), neerslachtig (pajjhāyantaṁ) en zonder reactie was (appaṭibhānaṁ), zei hij dit (etadavoca): "Misleide man (moghapurisa), jij (tvaṁ) zult zeker (kho) hierdoor (etena) herkend worden (paññāyissasi) door je eigen (sakena) kwaadaardige (pāpakena) misvatting (diṭṭhigatena)[4]. Ik zal omtrent deze kwestie (idhāhaṁ) de monniken (bhikkhū) ondervragen (paṭipucchissāmi)."
atha kho bhagavā bhikkhū āmantesi —
7. Toen (atha) sprak de Gezegende (bhagavā) nadrukkelijk (kho) de monniken (bhikkhū) aan (āmantesi):
"tumhepi me, bhikkhave, evaṁ dhammaṁ desitaṁ ājānātha yathāyaṁ sāti bhikkhu kevaṭṭaputto attanā duggahitena amhe ceva abbhācikkhati, attānañca khaṇati, bahuñca apuññaṁ pasavatī"ti?
"Monniken (bhikkhave), begrijpen (ājānātha) zelfs jullie allemaal (tumhepi) de Dhamma (dhammaṁ) die door mij (me) is onderwezen (desitaṁ) op dezelfde manier (evaṁ) zoals deze (yathāyaṁ) monnik (bhikkhu) Sāti, zoon van een visserman (kevaṭṭaputto) (die) door zijn eigen (attanā) verkeerde begrip (duggahitena) een verkeerde voorstelling (abbhācikkhati) van ons (amhe) heeft, maar hiermee (ceva) zichzelf (attānañca) verwond (khaṇati) en veel (bahuñca) slechts (apuññaṁ) ophoopt (pasavatī)?"
"no hetaṁ, bhante! anekapariyāyena hi no, bhante, paṭiccasamuppannaṁ viññāṇaṁ vuttaṁ bhagavatā, aññatra paccayā natthi viññāṇassa sambhavo"ti.
"Nee (no) zeker niet (hetaṁ) bhante! Want (hi) op veel verschillende manieren (anekapariyāyena) heeft de Boeddha ons (no) inderdaad (hi) verklaard (vuttaṁ) dat bewustzijn (viññāṇaṁ) afhankelijk ontstaat (paṭiccasamuppannaṁ), omdat zonder een voorwaarde (paccayā) er geen (natthi) productie (sambhavo) van bewustzijn (viññāṇassa) kan zijn."
"sādhu sādhu, bhikkhave! sādhu kho me tumhe, bhikkhave, evaṁ dhammaṁ desitaṁ ājānātha. anekapariyāyena hi vo, bhikkhave, paṭiccasamuppannaṁ viññāṇaṁ vuttaṁ mayā, aññatra paccayā natthi viññāṇassa sambhavoti.
"Goed gezegd (sādhu), uitstekend (sādhu), monniken (bhikkhave)! Het is goed (sādhu) dat jullie allemaal (tumhe) werkelijk (kho) de Dhamma (dhammaṁ) begrijpen (ājānātha) zoals (evaṁ) die door mij (me) is onderwezen (desitaṁ). Want op veel verschillende manieren (anekapariyāyena) heb ik inderdaad (hi) aan jullie allemaal (vo) verklaard (vuttaṁ), monniken (bhikkhave), dat bewustzijn (viññāṇaṁ) afhankelijk ontstaat (paṭiccasamuppannaṁ), omdat zonder (aññatra) een voorwaarde (paccayā) er geen (natthi) productie (sambhavoti) van bewustzijn (viññāṇassa) kan zijn."
atha ca panāyaṁ sāti bhikkhu kevaṭṭaputto attanā duggahitena amhe ceva abbhācikkhati, attānañca khaṇati, bahuñca apuññaṁ pasavati. tañhi tassa moghapurisassa bhavissati dīgharattaṁ ahitāya dukkhāya.
"Maar (ca) ook daarna (atha) heeft deze (panāyaṁ) monnik (bhikkhu) Sāti, zoon van een visserman (kevaṭṭaputto), door zijn eigen (attanā) verkeerde begrip (duggahitena) een verkeerde voorstelling (abbhācikkhati) van ons (amhe), maar hiermee (ceva) verwond (khaṇati) hij zichzelf (attānañca) en hoopt veel (bahuñca) slechts (apuññaṁ) op (pasavati). Dit zal absoluut zeker (tañhi) voor deze (tassa) misleide man (moghapurisa), schadelijk (ahitāya) en ongemakkelijk (dukkhāya) kunnen zijn (bhavissati) voor een lange tijd (dīgharattaṁ)."
Conditionaliteit van bewustzijn
8. "Monniken, bewustzijn wordt gerekend tot de bepaalde voorwaarde (paccaya) waarvan het afhankelijk ontstaat (paṭiccasamuppannaṁ). Wanneer bewustzijn (viññāṇa) afhankelijk ontstaat van het oog en vormen, wordt het gerekend tot het oogbewustzijn (cakkhuviññāṇa). Wanneer bewustzijn afhankelijk ontstaat van het oor en geluiden, wordt het gerekend tot het oorbewustzijn (sotaviññāṇa). Wanneer bewustzijn afhankelijk ontstaat van de neus en geuren, wordt het gerekend tot het neusbewustzijn (ghānaviññāṇa). Wanneer bewustzijn afhankelijk ontstaat van de tong en smaken, wordt het gerekend tot het tongbewustzijn (jivhāviññāṇa). Wanneer bewustzijn afhankelijk ontstaat van het lichaam en aanraakbare objecten, wordt het gerekend tot het lichaamsbewustzijn (kāyaviññāṇa). Wanneer bewustzijn afhankelijk ontstaat van de geest en mentale objecten, wordt het gerekend tot het geestesbewustzijn (manoviññāṇa)."
De gelijkenis van het vuur met bewustzijn
"Net zoals vuur wordt gerekend tot de bepaalde voorwaarde (paccaya) afhankelijk waarvan het brandt. Wanneer vuur afhankelijk van hout brandt, wordt het gerekend tot een hout vuur. Wanneer vuur afhankelijk van takkenbossen brandt, wordt het gerekend tot een takkenbossen vuur. Wanneer vuur afhankelijk van gras brandt, wordt het gerekend tot een gras vuur. Wanneer vuur afhankelijk van koeienmest brandt, wordt het gerekend tot een koeienmest vuur. Wanneer vuur afhankelijk van kaf brandt, wordt het gerekend tot een kaf vuur. Wanneer vuur afhankelijk van afval brandt, wordt het gerekend tot een afval vuur. — Net zo, wordt bewustzijn gerekend tot de bepaalde voorwaarde waar het afhankelijk van ontstaat[5]. Wanneer bewustzijn afhankelijk ontstaat van het oog en vormen, wordt het gerekend tot het oogbewustzijn (…) Wanneer bewustzijn afhankelijk ontstaat van de geest en mentale objecten, wordt het gerekend tot het geestesbewustzijn."
Algemene vragenlijst over het bestaan
9. "Monniken, zien jullie: 'Dit moest in het bestaan (bhava) komen[6]?'" — "Ja, bhante." — "Monniken, zien jullie: 'Het ontstaan ervan vindt plaats met dat als voedsel (ahara).'?'" — "Ja, bhante." — "Monniken, zien jullie: 'Met het ophouden van dat voedsel, is datgene wat in het bestaan moest komen, onderworpen aan ophouden.'?" — "Ja, bhante."
10. "Monniken, ontstaat twijfel wanneer iemand aldus onzeker is: 'Is dit wel of niet in het bestaan gekomen?'?" — "Ja, bhante." — "Monniken, ontstaat twijfel wanneer iemand aldus onzeker is: 'Het ontstaan ervan vindt wel of niet plaats met dat als voedsel?'?" — "Ja, bhante." — "Monniken, ontstaat twijfel wanneer iemand aldus onzeker is: 'Met het ophouden van dat voedsel, is datgene dat in het bestaan moest komen, wel of niet onderworpen aan ophouden?'?" — "Ja, bhante."
11. "Monniken, is twijfel in iemand opgegeven die het aldus ziet zoals het werkelijk is met ware wijsheid: 'Dit moest in het bestaan komen.'?" — "Ja, bhante." — "Monniken, is twijfel in iemand opgegeven die het aldus ziet zoals het werkelijk is met ware wijsheid: 'Het ontstaan ervan vindt plaats met dat als voedsel.'?" — "Ja, bhante." — "Monniken, is twijfel in iemand opgegeven die het aldus ziet zoals het werkelijk is met ware wijsheid: 'Met het ophouden van dat voedsel, is datgene dat in het bestaan moest komen, onderworpen aan ophouden.'?" — "Ja, bhante."
12. "Monniken, zijn jullie in dit verband (idha) vrij van twijfel: 'Dit moest in het bestaan komen.'?" — "Ja, bhante." — "Monniken, zijn jullie in dit verband vrij van twijfel: 'Het ontstaan ervan vindt plaats met dat als voedsel.'?" — "Ja, bhante." — "Monniken, zijn jullie in dit verband vrij van twijfel: 'Met het ophouden van dat voedsel, is datgene dat in het bestaan moest komen, onderworpen aan ophouden?'?" — "Ja, bhante."
13. "Monniken, is het aldus goed door jullie gezien zoals het werkelijk is met ware wijsheid: 'Dit moest in het bestaan komen.'?" — "Ja, bhante." — "Monniken, is het aldus goed door jullie gezien zoals het werkelijk is met ware wijsheid: 'Het ontstaan ervan vindt plaats met dat als voedsel.'?" — "Ja, bhante." — "Monniken, is het aldus goed door jullie gezien zoals het werkelijk is met ware wijsheid: 'Met het ophouden van dat voedsel, is datgene dat in het bestaan moest komen, onderworpen aan ophouden?'?" — "Ja, bhante."
Het vlot
14. "Monniken, gezuiverd en helder als deze visie is, als je eraan kleeft, het liefhebt, het koestert, en het behandelt als een bezit. Zouden jullie de Dhamma dan begrijpen die onderwezen is als een vlot om de oversteek te maken, en niet als doel om je eraan vast te grijpen[7]?" — "Nee, bhante." — "Monniken, gezuiverd en helder als deze visie is, als je er niet aan kleeft, het niet liefhebt, het niet koestert, en het niet behandelt als een bezit. Zouden jullie de Dhamma dan begrijpen die onderwezen is als een vlot om de oversteek te maken, en niet als doel om je eraan vast te grijpen?" — "Ja, bhante."
Voeding en afhankelijk ontstaan
15. "Monniken, er zijn deze vier soorten voeding (ahara) voor de handhaving van wezens die reeds in het bestaan (bhava) zijn gekomen en voor de ondersteuning voor hen die een nieuw bestaan zoeken. Welke vier? Materieel voedsel (kabalinkarahara) als voeding, groot en subtiel; contact (phassa) als de tweede; mentale wilshandelingen (mano sañcetana) als de derde; en bewustzijn (viññāṇa) als de vierde[8]."
16. "Welnu, monniken, wat hebben deze vier soorten voeding als voorwaarde (paccaya), wat als oorsprong, van wat ontstaan en worden deze voortgebracht? Deze soorten voeding hebben begeerte (tanha) als voorwaarde, begeerte als oorsprong; zij ontstaan en worden voortgebracht door begeerte."
"En wat heeft begeerte (tanha) als voorwaarde (paccaya), wat als oorsprong, van wat ontstaat en wordt dit voortgebracht? Begeerte heeft gevoel (vedana) als voorwaarde, gevoel als oorsprong; dit ontstaat en wordt voortgebracht door gevoel."
"En wat heeft gevoel (vedana) als voorwaarde, wat als oorsprong, van wat ontstaat en wordt dit voortgebracht? Gevoel heeft contact (phassa) als voorwaarde, contact als oorsprong; dit ontstaat en wordt voortgebracht door contact."
"En wat heeft contact (phassa) als voorwaarde, wat als oorsprong, van wat ontstaat en wordt dit voortgebracht? Contact heeft de zesvoudige basis (salayatana) als voorwaarde, de zesvoudige basis als oorsprong; dit ontstaat en wordt voortgebracht door de zesvoudige basis."
"En wat heeft de zesvoudige basis (salayatana) als voorwaarde, wat als oorsprong, van wat ontstaat en wordt dit voortgebracht? De zesvoudige basis heeft geest en lichaam (nāmarūpa) als voorwaarde, geest en lichaam als oorsprong; dit ontstaat en wordt voortgebracht door geest en lichaam."
"En wat heeft geest en lichaam (nāmarūpa) als voorwaarde, wat als oorsprong, van wat ontstaat en wordt dit voortgebracht? Geest en lichaam heeft bewustzijn (viññāṇa) als voorwaarde, bewustzijn als oorsprong; dit ontstaat en wordt voortgebracht door bewustzijn."
"En wat heeft bewustzijn (viññāṇa) als voorwaarde, wat als oorsprong, van wat ontstaat en wordt dit voortgebracht? Bewustzijn heeft mentale formaties (sankhara) als voorwaarde, mentale formaties als oorsprong; dit ontstaat en wordt voortgebracht door mentale formaties."
"En wat hebben mentale formaties (sankhara) als voorwaarde, wat als oorsprong, van wat ontstaat en wordt dit voortgebracht? Mentale formaties hebben onwetendheid (avijja) als voorwaarde, onwetendheid als oorsprong; dit ontstaat en wordt voortgebracht door onwetendheid."
Voorwaartse uiteenzetting over het ontstaan
Noot[9]
17. "Dus, monniken,
met onwetendheid (avijja) als voorwaarde, ontstaan mentale formaties (sankhara)[10] (in het bestaan (bhava));
met mentale formaties als voorwaarde, ontstaat bewustzijn (viññāṇa);
met bewustzijn als voorwaarde, ontstaat geest en lichaam (nāmarūpa);
met geest en lichaam als voorwaarde, ontstaat de zesvoudige basis (salayatana);
met de zesvoudige basis als voorwaarde, ontstaat contact (phassa);
met contact als voorwaarde, ontstaat gevoel (vedana);
met gevoel als voorwaarde, ontstaat begeerte (tanha);
met begeerte als voorwaarde, ontstaat hechten (upādāna);
met hechten als voorwaarde, ontstaat worden (bhava)[11];
met worden als voorwaarde, ontstaat geboorte (jāti);
met geboorte als voorwaarde, ontstaat ouderdom en dood (jarāmaraṇa), verdriet (soka), weeklagen (parideva), pijn (dukkha), smart (domanassa) en wanhoop (upayasa). Aldus is het ontstaan van deze hele massa van lijden (evametassa kevalassa dukkha khandhassa samudayo hoti)."
Vragenlijst achterwaartse volgorde over het ontstaan
18. "'Met geboorte als voorwaarde, ontstaat ouderdom en dood', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, heeft ouderdom en dood, wel of niet geboorte als voorwaarde; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Ouderdom en dood heeft geboorte als voorwaarde, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met geboorte als voorwaarde, ontstaat ouderdom en dood.'"
"'Met worden als voorwaarde, ontstaat geboorte', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, heeft geboorte, wel of niet worden als voorwaarde; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Geboorte heeft worden als voorwaarde, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met worden als voorwaarde, ontstaat geboorte.'"
"'Met hechten als voorwaarde, ontstaat worden (bhava)', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, heeft worden, wel of niet hechten als voorwaarde; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Worden heeft hechten als voorwaarde, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met hechten als voorwaarde, ontstaat worden.'"
"'Met begeerte als voorwaarde, ontstaat hechten', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, heeft hechten, wel of niet begeerte als voorwaarde; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Hechten heeft begeerte als voorwaarde, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met begeerte als voorwaarde, ontstaat hechten.'"
"'Met gevoel als voorwaarde, ontstaat begeerte', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, heeft begeerte, wel of niet gevoel als voorwaarde; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Begeerte heeft gevoel als voorwaarde, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met gevoel als voorwaarde, ontstaat begeerte.'"
"'Met contact als voorwaarde, ontstaat gevoel', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, heeft gevoel, wel of niet contact als voorwaarde; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Gevoel heeft contact als voorwaarde, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met contact als voorwaarde, ontstaat gevoel.'"
"'Met de zesvoudige basis als voorwaarde, ontstaat contact', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, heeft contact, wel of niet de zesvoudige basis als voorwaarde; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Contact heeft de zesvoudige basis als voorwaarde, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met de zesvoudige basis als voorwaarde, ontstaat contact.'"
"'Met geest en lichaam als voorwaarde, ontstaat de zesvoudige basis', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, heeft de zesvoudige basis, wel of niet geest en lichaam als voorwaarde; hoe zien jullie het in dit geval?" — "De zesvoudige basis heeft geest en lichaam als voorwaarde, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met geest en lichaam als voorwaarde, ontstaat de zesvoudige basis.'"
"'Met bewustzijn als voorwaarde, ontstaat geest en lichaam', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, heeft geest en lichaam, wel of niet bewustzijn als voorwaarde; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Geest en lichaam heeft bewustzijn als voorwaarde, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met bewustzijn als voorwaarde, ontstaat geest en lichaam.'"
"'Met mentale formaties als voorwaarde, ontstaat bewustzijn', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, heeft bewustzijn, wel of niet mentale formaties als voorwaarde; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Bewustzijn heeft mentale formaties als voorwaarde, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met mentale formaties als voorwaarde, ontstaat bewustzijn.'"
"'Met onwetendheid als voorwaarde, ontstaan mentale formaties', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, hebben mentale formaties, wel of niet onwetendheid als voorwaarde; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Mentale formaties hebben onwetendheid als voorwaarde, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met onwetendheid als voorwaarde, ontstaan mentale formaties.'"
Samenvatting over het ontstaan
19. "Goed, monniken. Dus jullie zeggen dit, en ook ik zeg dit: 'Wanneer dit bestaat, komt dat in het bestaan (bhava); met het ontstaan van dit, ontstaat dat[12].' Dat wil zeggen,
met onwetendheid (avijja) als voorwaarde (paccaya), ontstaan mentale formaties (sankhara) (in het bestaan (bhava));
met mentale formaties als voorwaarde, ontstaat bewustzijn (viññāṇa);
met bewustzijn als voorwaarde, ontstaat geest en lichaam (nāmarūpa);
met geest en lichaam als voorwaarde, ontstaat de zesvoudige basis (salayatana);
met de zesvoudige basis als voorwaarde, ontstaat contact (phassa);
met contact als voorwaarde, ontstaat gevoel (vedana);
met gevoel als voorwaarde, ontstaat begeerte (tanha);
met begeerte als voorwaarde, ontstaat hechten (upādāna);
met hechten als voorwaarde, ontstaat worden (bhava);
met worden als voorwaarde, ontstaat geboorte (jāti);
met geboorte als voorwaarde, ontstaat ouderdom en dood (jarāmaraṇa), verdriet (soka), weeklagen (parideva), pijn (dukkha), smart (domanassa) en wanhoop (upayasa). Aldus is het ontstaan van deze hele massa van lijden (evametassa kevalassa dukkha khandhassa samudayo hoti)."
Voorwaartse uiteenzetting over het ophouden
20. Maar met de vervaging van wat er nog over is en het ophouden[13] van onwetendheid (avijja), houden mentale formaties (sankhara)[14] op;
met het ophouden van mentale formaties, houdt bewustzijn (viññāṇa) op;
met het ophouden van bewustzijn, houdt geest en lichaam (nāmarūpa) op;
met het ophouden van geest en lichaam, houdt de zesvoudige bases (salayatana) op;
met het ophouden van de zesvoudige bases, houdt contact (phassa) op;
met het ophouden van contact, houdt gevoel (vedana) op;
met het ophouden van gevoel, houdt begeerte (tanha) op;
met het ophouden van begeerte, houdt hechten (upādāna) op;
met het ophouden van hechten, houdt worden (bhava)[15] op;
met het ophouden van worden, houdt geboorte (jāti) op;
met het ophouden van geboorte (jāti), houdt ouderdom en dood (jarāmaraṇa) op, verdriet (soka), weeklagen (parideva), pijn (dukkha), smart (domanassa) en wanhoop (upayasa). Aldus is het ophouden van deze hele massa van lijden (evametassa kevalassa dukkha khandhassa nirodho hoti)."
Vragenlijst achterwaartse volgorde over het ophouden
21. "'Met het ophouden van geboorte, houdt ouderdom en dood op', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, houdt ouderdom en dood wel of niet op bij het ophouden van geboorte; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Ouderdom en dood houdt op bij het ophouden van geboorte, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met het ophouden van geboorte, houdt ouderdom en dood op.'"
"'Met het ophouden van worden, houdt geboorte op', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, houdt geboorte wel of niet op bij het ophouden van worden; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Geboorte houdt op bij het ophouden van worden, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met het ophouden van worden, houdt geboorte op.'"
"'Met het ophouden van hechten, houdt worden op', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, houdt worden wel of niet op bij het ophouden van hechten; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Worden houdt op bij het ophouden van hechten, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met het ophouden van hechten, houdt worden op.'"
"'Met het ophouden van begeerte, houdt hechten op', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, houdt hechten wel of niet op bij het ophouden van begeerte; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Hechten houdt op bij het ophouden van begeerte, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met het ophouden van begeerte, houdt hechten op.'"
"'Met het ophouden van gevoel, houdt begeerte op', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, houdt begeerte wel of niet op bij het ophouden van gevoel; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Begeerte houdt op bij het ophouden van gevoel, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met het ophouden van gevoel, houdt begeerte op.'"
"'Met het ophouden van contact, houdt gevoel op', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, houdt gevoel wel of niet op bij het ophouden van contact; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Gevoel houdt op bij het ophouden van contact, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met het ophouden van contact, houdt gevoel op.'"
"'Met het ophouden van de zesvoudige bases, houdt contact op', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, houdt contact wel of niet op bij het ophouden van de zesvoudige bases; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Contact houdt op bij het ophouden van de zesvoudige bases, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met het ophouden van de zesvoudige bases, houdt contact op.'"
"'Met het ophouden van geest en lichaam, houdt de zesvoudige bases op', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, houdt de zesvoudige bases wel of niet op bij het ophouden van geest en lichaam; hoe zien jullie het in dit geval?" — "De zesvoudige bases houdt op bij het ophouden van geest en lichaam, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met het ophouden van geest en lichaam, houdt de zesvoudige bases op.'"
"'Met het ophouden van bewustzijn, houdt geest en lichaam op', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, houdt geest en lichaam wel of niet op bij het ophouden van bewustzijn; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Geest en lichaam houdt op bij het ophouden van bewustzijn, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met het ophouden van bewustzijn, houdt geest en lichaam op.'"
"'Met het ophouden van mentale formaties, houdt bewustzijn op', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, houdt bewustzijn wel of niet op bij het ophouden van mentale formaties; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Bewustzijn houdt op bij het ophouden van mentale formaties, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met het ophouden van mentale formaties, houdt bewustzijn op.'"
"'Met het ophouden van onwetendheid, houden mentale formaties op', zo werd het gezegd. Welnu, monniken, houden mentale formaties wel of niet op bij het ophouden van onwetendheid; hoe zien jullie het in dit geval?" — "Mentale formaties houden op bij het ophouden van onwetendheid, bhante. Zo zien wij het in dit geval: 'Met het ophouden van onwetendheid, houden mentale formaties op.'"
Samenvatting over het ophouden
22. "Goed, monniken. Dus jullie zeggen dit, en ook ik zeg dit: 'Wanneer dit niet bestaat, komt dat niet in het bestaan (bhava); met het ophouden van dit, houdt dat op.' Dat wil zeggen,
met het ophouden van onwetendheid (avijja), houden mentale formaties (sankhara) op (in het bestaan (bhava) te komen);
met het ophouden van mentale formaties, houdt bewustzijn (viññāṇa) op;
met het ophouden van bewustzijn, houdt geest en lichaam (nāmarūpa) op;
met het ophouden van geest en lichaam, houdt de zesvoudige basis (salayatana) op;
met het ophouden van de zesvoudige basis, houdt contact (phassa) op;
met het ophouden van contact, houdt gevoel (vedana) op;
met het ophouden van gevoel, houdt begeerte (tanha) op;
met het ophouden van begeerte, houdt hechten (upādāna) op;
met het ophouden van hechten, houdt worden (bhava) op;
met het ophouden van worden, houdt geboorte (jāti) op;
met het ophouden van geboorte, houdt ouderdom en dood (jarāmaraṇa) op, verdriet (soka), weeklagen (parideva), pijn (dukkha), smart (domanassa) en wanhoop (upayasa). Aldus is het ophouden van deze hele massa van lijden (evametassa kevalassa dukkha khandhassa nirodho hoti)."
Persoonlijke kennis
23. "Monniken, kennen en zien op deze wijze, zouden jullie dan aldus terug willen rennen naar het verleden: 'Waren we in het verleden? Waren we niet in het verleden? Hoe waren we in het verleden? Wat zijn we geweest, wat zijn we in het verleden geworden?'?" — "Nee, bhante."
"Kennen en zien op deze wijze, zouden jullie dan aldus voorwaarts willen rennen naar de toekomst: 'Zullen we in de toekomst zijn? Zullen we niet in de toekomst zijn? Wat zullen we in de toekomst zijn? Hoe zullen we in de toekomst zijn? Wat zijn we geweest, wat zullen we in de toekomst worden?'?" — "Nee, bhante."
"Kennen en zien op deze wijze, zouden jullie nu aldus innerlijke twijfels hebben omtrent het heden: 'Ben ik? Ben ik niet? Wat ben ik? Hoe ben ik? Waar komt dit wezen vandaan? Waar zal het naar toe gaan?'[16]?" — "Nee, bhante."
24. "Monniken, kennen en zien op deze wijze, zouden jullie zo spreken: 'De Leraar wordt door ons gerespecteerd. Wij spreken zo uit respect voor de Leraar'[17]?" — "Nee, bhante."
"Kennen en zien op deze wijze, zouden jullie zo spreken: 'De asceet zegt dit, en zo (doen dat ook) andere asceten, maar wij spreken zo niet.'?" — "Nee, bhante."
"Kennen en zien op deze wijze, zouden jullie een andere leraar erkennen?" — "Nee, bhante."
"Kennen en zien op deze wijze, zouden jullie terugkeren naar de inachtnemingen, de rumoerige debatten, de gunstige tekenen[18] van de gewone asceten en brahmanen, en hen aanvaarden als de kern (van het heilige leven)?" — "Nee, bhante."
"Spreken jullie alleen over wat je voor jezelf hebt gekend, gezien en begrepen?" — "Ja, bhante."
25. "Goed, monniken. Dus je bent door mij geleid met deze Dhamma, die hier en nu zichtbaar is, onmiddellijk vruchten afwerpt, uitnodigt tot onderzoek, voorwaarts leidend, om door de wijzen zelf te worden ervaren. Want het was met betrekking tot dit dat er is gezegd: 'Monniken, deze Dhamma is hier en nu zichtbaar, onmiddellijk vruchten afwerpt, uitnodigt tot onderzoek, voorwaarts leidend, om door de wijzen zelf te ervaren.'"
De ronde bestaan: van conceptie naar volwassenheid
26. "Monniken, de conceptie van een embryo in de baarmoeder vindt plaats aan de hand van drie dingen[19]. Hier (idha), is er de samenkomst van de moeder en de vader, maar het is niet het seizoen van de moeder, en het wezen is er niet klaar voor om geboren te worden[20] — in dit geval is er geen conceptie van een embryo in de baarmoeder."
"Hier is er de samenkomst van de moeder en de vader, en het is het seizoen van de moeder, maar het wezen is er niet klaar voor om geboren te worden — in dit geval is er ook geen conceptie van een embryo in de baarmoeder."
"Maar wanneer er de samenkomst is van de moeder en de vader, en het is het seizoen van de moeder, en het wezen is er klaar voor om geboren te worden — door de samenkomst van deze drie dingen vindt de conceptie van een embryo in de baarmoeder plaats."
27. "Dan draagt de moeder het embryo negen of tien maanden in haar baarmoeder met veel bezorgdheid, als een zware last. Dan, aan het einde van die negen of tien maanden, bevalt de moeder met veel bezorgdheid, als een zware last. Dan, wanneer het kind is geboren, voedt zij het met haar eigen bloed; want moedermelk wordt 'bloed' genoemd in de discipline van edele mensen (ariya puggala)."
28. "Wanneer hij opgroeit en zijn vermogens ontwikkelen zich, speelt het kind met spelletjes als speelgoedploegen, tipkatten[21], salto's, speelgoedwindmolens, speelgoedmaten, speelgoedkarretjes en speelgoed pijl en boog."
29. "Wanneer hij opgroeit en zijn vermogens ontwikkelen zich (steeds verder), vermaakt de jongeling zichzelf terwijl hij is voorzien en begiftigd met de vijf koorden van sensueel plezier (kama guna), met vormen die herkenbaar zijn voor het oog (…), met geluiden die herkenbaar zijn voor het oor (…), met geuren die herkenbaar zijn voor de neus (…), met smaken die herkenbaar zijn voor de tong (…), met aanraakbare dingen die herkenbaar zijn voor het lichaam, wat gewenst is, waarnaar verlangd wordt, aangenaam en aantrekkelijk is, verbonden is met zintuiglijk verlangen (kamacchanda), en aangezet wordt door hartstocht (raga)."
De continuering van de ronde
30. "Bij het zien van een vorm met het oog, begeert (abhijjha domanassa) hij ernaar als het aangenaam is; maar hij heeft er een afkeer (patigha) naar als het onaangenaam is. Hij verblijft (viharati) met een indachtigheid van het lichaam die niet gevestigd is, met een beperkte geest. En hij begrijpt dit niet zoals het werkelijk is: de bevrijding van de geest (ceto vimutti) en de bevrijding door wijsheid (pañña vimutti) waarin die kwade (pāpaka) onheilzame (akusala) dingen (dhamma) ophouden zonder overblijfsel (upādi). Betrokken als hij is[22] in voorkeur en afkeer (anurodhapativirodha), welk gevoel (vedana) hij ook voelt — of het nu aangenaam (sukha vedana) of onaangenaam (dukkha vedana) is, of noch onaangenaam noch aangenaam (adukkhamasukhavedanā)[23] — hij vindt vreugde in dat gevoel, verwelkomt het en blijft het vasthouden[24]. Terwijl hij dat zo doet, ontstaat genot in hem. Nu is genot in gevoelens (vedana), hechten (upādāna). Met zijn hechten als voorwaarde (paccaya), ontstaat worden (bhava), met worden als voorwaarde, ontstaat geboorte (jāti), met geboorte als voorwaarde, ontstaat ouderdom en dood (jarāmaraṇa), verdriet (soka), weeklagen (parideva), pijn (dukkha), smart (domanassa) en wanhoop (upayasa). Aldus is het ontstaan van deze hele massa van lijden (evametassa kevalassa dukkha khandhassa samudayo hoti)."
"Bij het horen van een geluid met het oor (…) Bij het ruiken van een geur met de neus (…) Bij het proeven van een smaak met de tong (…) Bij het voelen van een tastbaar object met het lichaam (…) Bij het herkennen (sampajañña) van een mentaal object met de geest, begeert hij ernaar als het aangenaam is; maar hij heeft er een afkeer naar als het onaangenaam is. (…) Nu is genot in gevoelens, hechten. Met zijn hechten als voorwaarde, ontstaat worden, met worden als voorwaarde, ontstaat geboorte, met geboorte als voorwaarde, ontstaat ouderdom en dood, verdriet, weeklagen, pijn, smart en wanhoop. Aldus is het ontstaan van deze hele massa van lijden (evametassa kevalassa dukkha khandhassa samudayo hoti)."
De beëindiging van de ronde: de geleidelijke training
31-38. "Hier (idha), monniken, verschijnt een Tathagata in de wereld, volmaakt, volledig verlicht (…)
(als in M027, §11-18)[25]
(…) hij zuivert zijn geest van twijfel (vicikiccha)."
39. "Nadat hij deze vijf hindernissen (pañca nivarana) heeft verlaten, deze onvolkomenheden van de geest die wijsheid verzwakken, gaat en verblijft (viharati) een monnik, vrij van zintuiglijke dingen, vrij van karmisch onheilzame zaken, in de eerste meditatieve verdieping, die gepaard gaat met aanvangende gedachten (vitakka) en aanhoudende gedachten (vicara) en die vervuld is van vreugdevolle interesse (piti) en geluk (sukha), geboren uit onthechting (vivekaya)[26]."
"Dan, met het afnemen van aanvangende gedachten (vitakka) en aanhoudende gedachten (vicara), door het verkrijgen van innerlijke kalmte (passaddhi) en geestelijke eenheid (ekaggata), gaat en verblijft hij in de tweede meditatieve verdieping, die vrij is van aanvangende gedachten en aanhoudende gedachten, maar vervuld is van vreugdevolle interesse (piti) en geluk (sukha), geboren uit onthechting."
"Met het verdwijnen van vreugdevolle interesse (piti), verblijft hij in gelijkmoedigheid (upekkha vedana)[27], indachtig (sāti) en helder van begrip (sampajañña); en hij ervaart in eigen persoon die zegen waarvan de edelen van geest zeggen: 'Gelukkig leeft hij, die gelijkmoedig en indachtig is.' Aldus gaat en verblijft hij in de derde meditatieve verdieping."
"Na het opgeven van geluk (sukha) en pijn (dukkha), en met de hieraan voorafgaande verdwijning van vreugdevolle interesse (piti) en smart (domanassa), gaat en verblijft hij in de vierde meditatieve verdieping die noch geluk noch pijn kent, die gezuiverd is door gelijkmoedigheid (upekkha) en indachtigheid (sāti)."
De beëindiging van de ronde: het volledig ophouden
40. "Bij het zien van een vorm met het oog, begeert (abhijjha domanassa) hij niet ernaar als het aangenaam is; en hij heeft er geen afkeer (patigha) naar als het onaangenaam is. Hij verblijft (viharati) met een indachtigheid van het lichaam die gevestigd is, met een onbeperkte geest. En hij begrijpt dit zoals het werkelijk is: de bevrijding van de geest (ceto vimutti) en de bevrijding door wijsheid (pañña vimutti) waarin die kwade (pāpaka) onheilzame (akusala) dingen (dhamma) ophouden zonder overblijfsel[28]. Doordat hij aldus voorkeur en afkeer (anurodhapativirodha) heeft verlaten, welk gevoel (vedana) hij ook voelt — of het nu aangenaam (sukha vedana) of onaangenaam (dukkha vedana) is, of noch onaangenaam noch aangenaam (adukkhamasukhavedanā)[29] — hij vindt geen vreugde in dat gevoel (vedana), verwelkomt het niet noch blijft hij het vasthouden[30]. Terwijl hij dat zo doet (het niet vasthouden), houdt het genot in gevoelens in hem op, met het ophouden van zijn genot houdt het hechten (upādāna) op, met het ophouden van hechten houdt worden (bhava) op, met het ophouden van worden houdt geboorte (jāti) op, met het ophouden van geboorte houdt ouderdom en dood (jarāmaraṇa) op, verdriet (soka), weeklagen (parideva), pijn (dukkha), smart (domanassa) en wanhoop (upayasa). Aldus is het ophouden van deze hele massa van lijden (evametassa kevalassa dukkha khandhassa nirodho hoti)."
"Bij het horen van een geluid met het oor (…) Bij het ruiken van een geur met de neus (…) Bij het proeven van een smaak met de tong (…) Bij het voelen van een tastbaar object met het lichaam (…) Bij het herkennen (sampajañña) van een mentaal object met de geest, begeert hij er niet naar als het aangenaam is; en hij heeft er geen afkeer naar als het onaangenaam is. (…), met het ophouden van zijn genot houdt het hechten op, met het ophouden van hechten houdt worden op, met het ophouden van worden houdt geboorte op, met het ophouden van geboorte houdt ouderdom en dood op, verdriet, weeklagen, pijn, smart en wanhoop. Aldus is het ophouden van deze hele massa van lijden (evametassa kevalassa dukkha khandhassa nirodho hoti)."
Conclusie
41. "Monniken, herinner deze bevrijding door de vernietiging van begeerte zoals ik het in het kort heb onderwezen. Maar de monnik Sāti, de zoon van een visserman, is gevangen in een enorm net van begeerte, in het snoer van begeerte."
Dit is wat de Gezegende zei. De monniken waren tevreden en verheugden zich in de woorden van de Gezegende.
Eindnoten
[1] Volgens MA kwam Sāti door een foutieve redenering gebaseerd op wedergeboorte, tot de conclusie dat een aanhoudend (onveranderd) bewustzijn dat van het ene bestaan naar het andere overgaat, noodzakelijk is om wedergeboorte te verklaren.
Het eerste gedeelte van de sutta (tot §8) herhaalt de opening van M022 met als enig onderscheid dat er een verschil in mening wordt aangehangen.
[2] Voor een eenvoudige uitleg over conditionering, zie Wat is conditionering?
[3] Dit suggereert dat het zelf de spreker vertegenwoordigt als de dader van de actie. Het suggereert het zelf als voeler, en het idee van het zelf als het passieve subject. 'Hier en daar' suggereert in deze het 'zelf' als de transmigrerende entiteit dat zijn identiteit behoudt gedurende de opeenvolging van verschillende incarnaties.
[4] Met 'herkend worden' impliceert niet alleen dat mensen hem zullen herkennen, maar ook het duister waar zulk iemand (met verkeerde denkbeelden) kwetsbaar voor is.
[5] MA: Het doel van de gelijkenis is om te tonen dat er geen transmigratie van bewustzijn plaatsvindt over de zintuigpoorten. Precies zoals een houtvuur brandt door de afhankelijkheid van hout en het ophoud wanneer de brandstof op is, zonder te transmigreren naar takkenbossen en dan gerekend wordt tot een takkenbossen vuur. Zo is dat ook met bewustzijn dat ontstaan is in de zintuigpoort van het oog, afhankelijk is van het oog en vormen, dit bewustzijn ophoud wanneer de condities (of voorwaarden) worden verwijderd, zonder te transmigreren naar het oor etc., en dan wordt gerekend tot het oorbewustzijn etc.
Dus de Boeddha zegt in feite: "Bij het verschijnen van bewustzijn is er niet eens louter transmigratie van zintuigpoort tot zintuigpoort, dus hoe kan deze misleide Sāti dan spreken van transmigratie van het ene bestaan naar het andere bestaan?"
[6] MA: 'Dit' verwijst naar de vijf groepen van hechten (pañcupādānakkhandhā). Nadat de Boeddha de conditionaliteit van bewustzijn heeft aangetoond, verklaart hij de conditionaliteit van alle vijf de aggregaten die in het bestaan komen vanwege voorwaarden (condities), hun 'voedsel', en uit het bestaan verdwijnen door het ophouden van die voorwaarden.
[7] Dit wordt gezegd om de monniken erop te wijzen dat er zelfs geen hechten moet zijn aan het juiste begrip van inzicht meditatie (vipassana). Zie De gelijkenis van het vlot.
[8] MA: De Boeddha verklaart deze passage en de volgende die de voedingsstoffen verbindt met afhankelijk ontstaan (paṭiccasamuppāda) om te laten zien dat hij niet alleen de vijf aggregaten kent, maar de hele keten van condities die verantwoordelijk zijn voor hun bestaan. Raadpleeg ahara.
[9] Voor nadere informatie, zie Paṭiccasamuppāda — De leer van het afhankelijk ontstaan.
[10] D.w.z. de 'kamma formaties' (kamma sankhara) die ontstaan vanwege de wedergeboorte producerende wilshandelingen (cetana).
[11] Bestaande uit het actieve en passieve levensproces, d.w.z. het wedergeboorte producerende kamma proces (kamma bhava) en, als het resultaat daarvan, het wedergeboorte proces (upapatti bhava)
[12] Dit is een verklaring van het abstracte principe van het afhankelijke ontstaan (paṭiccasamuppāda), geïllustreerd door de twaalfvoudige formule. Het abstracte principe van ophouden staat vermeld in M038.22. Bhikkhu Ñanamoli had het principe van ontstaan als volgt weergegeven: 'Dat is wanneer dit is; dat ontstaat met het ontstaan van dit.' En het principe van ophouden: 'Dat is niet wanneer dit niet is; dat houdt op met het ophouden van dit.'
[13] Met 'de vervaging van wat er nog over is en het ophouden' moet verstaan worden dat het afnemen of vervagen van onwetendheid een proces is totdat onwetendheid volledig is opgehouden.
[14] Zie de eindnoot bij sankhara in §17.
[15] Zie de eindnoot bij bhava in §17.
[16] Als in M002.7. Volgens MA is dit 'rennen naar het verleden' vanwege hunkering en meningen.
[17] Deze passage verzekert dat de monniken spreken vanuit hun eigen persoonlijke kennis.
[18] Vanwege bijgeloof, drogreden etc.
[19] Het volgende deel van de toespraak kan worden opgevat als een concrete toepassing van het afhankelijke ontstaan (paṭiccasamuppāda) — tot dusver alleen uitgedrukt als een leerstellige formule — op de loop van het individuele bestaan. De passage §26-29 kan worden gebruikt om de factoren van bewustzijn (viññāṇa) tot en met gevoel (vedana) te tonen die het gevolg zijn van vroegere onwetendheid en andere mentale formaties; §40 de oorzakelijke factoren van begeerte (tanha) en hechten (upādāna) terwijl ze een voortzetting van de ronde van samsara opbouwen. De passage §31-40, die het afhankelijk ontstaan verbindt met de verschijning van de Boeddha en zijn onderwijs van de Dhamma, laat zien dat de beoefening van de Dhamma het middel is om de ronde tot een einde te brengen.
[20] Gandhabba staat voor 'het wezen om geboren te worden'. Voor een belangrijk verschil m.b.t. conceptie tussen de boeddhistische visie en de rest van de wereld, zie okkanti.
[21] Een spel waarbij een stuk hout dat aan beide uiteinden taps toeloopt, aan één uiteinde wordt geraakt met een stok om op te springen en vervolgens door dezelfde speler wordt weggeslagen.
[22] Vanwege de aandacht (avajjana) die ernaar uitgaat raakt hij erin betrokken.
[23] 'Noch onaangenaam noch aangenaam gevoel is gelijk aan neutraal gevoel. Let op, want dit wordt ook vaak onvolledig vertaald als door alleen het Pali woord upekkha te gebruiken. Zie de opmerking onder vedana.
[24] MA legt uit dat hij geniet van pijnlijke gevoelens door eraan vast te klampen met gedachten van 'ik' en 'mijn'. Ter bevestiging van de stelling dat een wereldling kan genieten van pijnlijke gevoelens, denkt men niet alleen aan volwaardig masochisme, maar ook aan de algemene neiging van mensen om zichzelf in schrijnende situaties te brengen om hun ego gevoel te versterken.
[25] Daar wordt verteld over de huishouder die de wereld verzaakt (pabbajja) en als monnik verder leeft met de inachtneming van de regels. Hij traint zichzelf en leert de vijf hindernissen overwinnen. Nadat deze overwonnen zijn, wordt in de sutta hier de draad opgepakt. Het verwijzende gedeelte van M027 is voor nu minder belangrijk om M038 te begrijpen. Ik ben wel voornemens dit ontbrekende gedeelte z.s.m. aan te vullen.
[26] Voor toelichting, zie Viveka — Onthechting volgens de Niddesa.
[27] In de 3e jhana heeft gelijkmoedigheid betrekking op een gelijkmoedig gevoel (upekkha vedana): '(…) en hij ervaart in eigen persoon die zegen (…)', oftewel 'gevoel'. In de standaard canonieke tekst wordt gelijkmoedigheid (upekkha) genoemd en niet expliciet verwezen naar gelijkmoedig gevoel, maar dat is een onvolkomenheid in de Abhidhamma. Hier wordt zeker wel gelijkmoedig gevoel bedoeld, vandaar ik de Pali term upekkha vedana erbij heb geplaatst. De gelijkmoedigheid in gevoel is een essentiële basis voor helder begrip (sampajañña) omdat iemand zich dan niet meer laat leiden door gevoel. Gevoelens kleuren de visie namelijk erg in. Echter, ook een gelijkmoedig gevoel verandert (waardoor lijden ontstaat) en moet daarom dus ook worden losgelaten. Pas in de 4e jhana is de upekkha van de hoogste esthetische kwaliteit aanwezig.
[28] Zie appamanacetaso.
[29] 'Noch onaangenaam noch aangenaam gevoel is gelijk aan neutraal gevoel. Let op, want dit wordt ook vaak onvolledig vertaald als door alleen het Pali woord upekkha te gebruiken. Zie de opmerking onder vedana.
[30] Deze uitspraak laat zien dat de keten van het afhankelijk ontstaan wordt verbroken op de schakel tussen gevoel (vedana) en begeerte (tanha). Gevoel ontstaat noodzakelijkerwijs omdat het lichaam dat door begeerte in het verleden is verworven, onderhevig is aan de rijping van het vroegere kamma. Als men echter geen behagen schept in het voelen, zal begeerte niet de kans krijgen om te ontstaan. Dan zal niet een reeks reacties van voorkeur en afkeer ontstaan die toekomstige brandstof voor de ronde vormen, waardoor de ronde tot een einde zal komen.
| RegID | M038 |
|---|---|
| Bijgewerkt | 9 juni 2026 21:06:33 |
| Auteur | Peter van Loosbroek — Ananda |
| Locatie | www.sleuteltotinzicht.nl |
| Copyright | Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm |
| Overig | Geen |
