Personen

Een lijst van personen met een toelichting en/of verwijzing. Voornamelijk tijdgenoten van de Boeddha, maar niet per definitie.

a

Abhaya

Zoon van koning Bimbisara. Ook wel Abhayarajakumara genoemd (Abhaya, zoon (kumara) van de koning (raja). Hij was degene die Jivaka, toen een zuigeling, langs de weg vond. Hierdoor kreeg hij ook wel de bijnaam Komarabhacca, hetgeen zoiets betekent als 'de medische behandeling van zuigelingen'.

Abhayarajakumara

Zie Abhaya.

Acariya Anuruddha

Commentator van boeddhistische teksten. Zie ook acariya. Niet verwarren met de andere Anuruddha.

Acariya Buddhaghosa

Commentator van boeddhistische teksten, geboren in 430 na Chr. in de nabijheid van Uruvela. Zie ook acariya.

Adinnapubbaka

Vader van Mattakundali.

Aggidatta

Een brahmaan die samen met zijn leerlingen tot de Sangha toetrad. Zie Dhp188-192.

Ahimsaka

De oorspronkelijke naam van Angulimala.

Ajakalapaka

Een yakkha. Zie o.a. Ud1-07.

Ajatasattu

Zoon van koning Bimbisara en koningin Kosala Devi. Zijn karakter werd al voorspeld toen hij nog in de baarmoeder zat: 'ongeboren vijand'. Door eerzucht gedreven doodde hij zijn vader, koning Bimbisara om koning van Magadha te worden (zie o.a. Dhp162). Zijn volledige naam is Ajatasattu Vedehiputta. Het commentaar verklaart 'Vedehiputta' als 'zoon van de Vedehi vrouw'.

Ajita Kesakambali

Religieuze leraar ten tijde van de Boeddha.

  • Nihilisme (natthika ditthi / ucchedavada). Dit werd onderwezen door Ajita Kesakambali, een tegenhanger van de Boeddha die beweerde dat de verdiensten van ieder geloof in goede en kwade handeling slechts een illusie is, dat er na de dood geen verder leven meer volgt, dat de mens bij de dood opgelost wordt in de elementen. Ook de Lokayata oftewel Carvaka theorie valt onder deze categorie.
  • Zie ook

    Ajita

    Brahmaanse student. Zie o.a. Snp5-00; Snp5-01.

    Alara Kalama

    Eerste leermeester van de Boeddha voor zijn verlichting. Hij leerde de Bodhisatta om de sfeer van niets-heid te bereiken maar kon hem het pad naar Nibbana niet wijzen. Alara Kalama stierf 1 week voor de verlichting van de Boeddha.

    Alavaka

    Een yakkha. Zie Snp1-10.

    Alavi gotama

    ?

    Alexander Cunningham

    Alexander Cunningham was geboren in 1814 en kwam in 1833 als een tweede luitenant naar India. Al snel na zijn komst naar India begon zijn interesse in de cultuur te groeien en hij bezocht vele duizenden tempels. In die dagen stond archeologie nog maar in de kinderschoenen en meer in het licht van schatten jacht en grafroverij, maar zelfs toen scheen Cunningham's hoofdmotief een genieus verlangen te zijn om de oude geschiedenis van India beter te leren kennen; een geschiedenis die bijna geheel onbekend was voor de Indiase bevolking zelf en enkel vaag begrepen werd door Europeanen.

    Hij kreeg te maken met vele moeilijkheden en frustraties. De wegen waren zeer slecht, er heerste constant het gevaar voor malaria, roverij kwam overal voor, en in vele plaatsen waar Cunningham kwam was de bevolking niet behulpzaam of ze logen tegen hem over het hoe en wat omtrent de ruïnes van dat gebied. Het ergste van alles was nog, dat brahmaanse priesters beweerden dat elke lang veronachtzaamde ruïne of beeld 'heilig' was, zodra Cunningham zijn interesse liet merken, en dan geld eisten voordat zij hem toestonden het object te tekenen of te meten.

    Maar ondanks al deze moeilijkheden, leerde Cunningham een groot aantal oude teksten te ontcijferen. Hij lokaliseerde of bezocht een groot aantal plaatsen, leverde er veel over, en hij ontwikkelde een opmerkelijke kennis van de oude Indiase geografie, haar numismatische en vergelijkende stijlen van de Indiase sculptuur. In 1861 werd besloten een archeologisch centrum op te richten, en Alexander Cunningham, die juist uit het leger was gegaan, was de natuurlijke keuze om de eerste Algemene Directeur te zijn. Vanaf toen tot aan zijn terugkeer naar Engeland in 1885, weidde Cunningham zijn leven aan het blootleggen van India's verleden.

    Vanuit de boeddhistische zienswijze is de belangrijkheid van Cunningham te wijten aan zijn persoonlijke interesse die hij kreeg bij het lokaliseren van de plaatsen die verbonden zijn met het leven van de Boeddha. Als jonge man was hij, net zoals vele Victorianen, een evangelisch christen die geloofde dat, hoe eerder zijn eigen geloof Indiase inheemse religies verving, hoe beter. Zijn armzalige kennis van het hindoeïsme en de islam schijnt nooit veranderd te zijn, maar toen hij het boeddhisme beter leerde kennen, groeide er gestaag een diep respect in hem voor haar kijk op het leven en haar bijdrage aan de Indiase ontwikkeling.

    Hij scheen een speciale belangstelling voor de Maha Bodhi Tempel te hebben, en zijn eerste daad toen hij aan het hoofd van het Archeologisch Centrum stond was, dat hij de grote tempel bezocht om te zien welke stappen er ondernomen konden worden om in haar omgeving opgravingen te doen en haar sculpturen en inscripties te bewaren.

    Ambapali

    Tijdens zijn laatste bezoek aan Vesali werd de Boeddha door de prostituee Ambapali voor een maaltijd uitgenodigd. De jaloerse Licchavi's vroegen Ambapali die eer aan hen te geven, maar zij weigerde dit. Toen de Licchavi's zelf de Boeddha vroegen, zei hij dat hij dat niet kon maken omdat hij al een afspraak had gemaakt met Ambapali. Nadat de Gezegende haar verblijd had met een gesprek over de Dhamma, schonk zij hem haar mango bos. Ambapali trad later in als non en verwierf Arahatschap. Haar naam betekent 'mango vrouw'. Ambapali heeft voor ons in de Therigatha een mooi vers achtergelaten. Zie Thig13-001.

    Amita

    Broer (maar waarschijnlijk een zuster) van Suddhodana. Heeft een zoon die Tissa heet en een monnik van de Boeddha was.

    Amitodana

    De vader van Ananda en broer van Suddhodana.

    Anagarika Dharmapala

    De man die het idee van Sir Edwin Arnold als eerste uitdroeg, was Anagarika Dharmapala. Hij werd geboren in 1864 in een religieus gezin en werd al op jonge leeftijd diep geraakt door het boeddhisme dat als een trein door Sri Lanka raasde. In 1891 bezocht hij Sarnath en was geschokt en bedroeft door wat hij zag. De plaats waar de Boeddha de Dhamma voor de eerste keer uiteengezet had, werd door de plaatselijke dorpelingen gebruikt om afval neer te gooien waarin de varkens zich te goed deden. De ruïnes van de eens zo prachtige kloosters, tempels en stupas waren voor geen mens van belang, behalve dan dat ze afgebroken konden worden waardoor ze goedkope stenen leverden voor andere gebouwen.

    Een paar dagen later, op 22 januari, arriveerde Dharmapala en zijn vriend, de Japanse monnik Kozan, in Bodh Gaya. De Maha Bodhi Tempel was een paar jaar tevoren gerestaureerd, maar er was niemand die de tempel beheerde of er voor zorgde, en haar omgeving was overgroeid en smerig. Toen Anagarika bij de Diamanten Zetel (Vajirasana) zijn eerbied betoonde, ontstond er plotseling, een uit diepe devotie geboren inspiratie in hem. Hij beschrijft in zijn dagboek wat er gebeurde: "Na zes mijlen rijden (vanaf Gaya), arriveerden we bij de heilige plaats. Een mijl in de omtrek kon je her en der gebroken beelden, etc. van onze Heer zien liggen. Bij de ingang van de Mahant's Tempel aan beide zijden van het portaal waren beelden van onze Heer in de meditatieve houding en van het uiteenzetten van de Wet. Hoe verheven! De heilige Vihara — met de Heer zittende op zijn troon en de grote plechtigheid die de gehele omgeving doordringt, maakt het hart van de vrome volgeling aan het huilen. Hoe verheven! Meteen toen ik met mijn voorhoofd de Vajirasana aanraakte, ontstond er plotseling een impuls in mijn geest. Het gaf me in om hier op deze heilige plaats te stoppen — zó heilig, dat niets ter wereld gelijk is aan deze plaats waar Prins Sakya Sinha de Verlichting bereikte onder de Bodhi boom. Toen het plotselinge impuls tot mij kwam, vroeg ik de monnik Kozan of hij zich bij me wilde voegen, en vreugdevol stemde hij daarmee in, maar meer dan dat, hij dacht zelfs hetzelfde! We beloofden beiden plechtig dat we hier zouden blijven totdat er enkele boeddhistische monniken zouden komen om de leiding over de plaats over te nemen." Hij reisde de gehele wereld rond en kreeg veel steun, vooral in de boeddhistische landen.

    Anagarika Dharmapala stierf in 1933 te Sarnath en vlak voor zijn dood zei hij: "Ik zou nóg wel vijfentwintig keer geboren willen worden om de Dhamma van de Heer te verspreiden."

    Opmerking van Peter van Loosbroek: Enkele dagen voordat ik voor het eerst naar Sri Lanka zou gaan in 1994, wandelde ik door het bos. Hoewel ik nog nooit van Anagarika Dharmapala had gehoord, kwam keer op keer de naam 'Anagarika' in mijn geest op, heel duidelijk. Toen ik eenmaal in Sri Lanka was en in een klooster verbleef te Ratmalana, werd mijn aandacht getrokken door een kast. Ik keek erin en er lag een boek in. De schrijver was Anagarika Dharmapala.

    Ananda

    Ananda was de neef van de Boeddha en zijn meest geliefde discipel. Zoon van Amitodana. Zijn naam betekent 'gezegend', of 'gelukkig'. Toespraken die beginnen met de woorden 'Aldus heb ik gehoord' (evam me sutam) zijn doorgaans verhaald door de Eerwaarde Ananda. Ananda werd 120 jaar.

    Voor meer over deze persoon, zie Ananda op de pagina Tijdgenoten van de Boeddha.

    Anathapindika

    Een rijke koopman en de belangrijkste mannelijke sponsor van de Boeddha. Zijn naam Anathapindika betekent letterlijk: 'hij die voedsel geeft aan de armen'. Zijn oorspronkelijke naam was Sudatta en hij was geboren in Savatthi. Het was degene die het Jetavana klooster liet bouwen dat nabij Savatthi ligt. Het land kocht hij van prins Jeta. Het is in dit klooster waar de Boeddha 35% van zijn toespraken hield.

    Voor meer over deze persoon, zie Anathapindika op de pagina Tijdgenoten van de Boeddha.

    Angulimala

    Van alle gebeurtenissen die in het leven van de Boeddha plaatsvonden, was de meest beroemde wel die van de bekering van Angulimala. Deze rover en moordenaar had al zoveel mensen gedood dat de mensen die buiten de stad woonden, hun handeltje inpakten en uit veiligheidsoverwegingen in de stad gingen wonen. Van elk van zijn slachtoffers hakte hij een vinger af en hing die als een ketting om zijn nek, vandaar zijn naam 'Angulimala' (Vinger Halsketting). En hoewel hij de schrik van het platteland was, werd hij toch een van de Arahats.

    Zijn oorspronkelijke naam was Ahimsaka (Geweldloze). Hij werd geboren als de zoon van de priester in het hof van koning Pasenadi van Kosala, wiens naam Gagga was. Zijn moeder heette Mantani. Daarom sprak Koning Pasenadi in M086 Angulimala aan als Gagga Mantaniputta.

    Angulimala wordt afgebeeld als de meedogenloze moordenaar. Zijn verhaal laat bij uitstek de bevrijdende kracht van de Leer van de Boeddha zien, en de vaardigheid van de Boeddha als leraar.

    Voor meer over deze persoon, zie Angulimala op de pagina Tijdgenoten van de Boeddha.

    Anjana

    Grootvader van Yasodhara.

    Aññata Kondañña

    Eén van de eerste vijf discipelen van de Boeddha. Kondañña kreeg deze naam na de eerste toespraak. Zie o.a. S22-059; S56-011.

    Anoja

    Vrouw van Maha Kappina toen zij nog niet tot de Sangha waren toegetreden. Zie Dhp079.

    Anopama

    Een non van de Boeddha, een vrouw die het Arahatschap heeft verworven. Zie haar vers in de Therigatha Thig06-005. Dochter van Maijha.

    Anuruddha

    Neef van de Boeddha en halfbroer van Ananda. Niet verwarren met Acariya Anuruddha.

    Ardjuna

    Zoon van één van de Sakya prinsen.

    Asanga

    Boeddhistische filosoof uit de 4e eeuw na Christus.

    Asita

    De wijsgeer die voorspelde dat Siddhatta de jonge prins óf een machtige koning zou worden die de wereld zou regeren, óf een monnik zou worden. Hij stond ook bekend als Kaladevala; 'de Onthechtte'; 'de Donkere Pracht'. Zie Snp3-11 waarin beschreven staat hoe hij de Sakya's bezocht en voor het eerst de Boeddha ontmoette.

    Asoka

    Koning Asoka was een Indiase keizer. Hij noemde zichzelf ook wel Piyadassi, 'Bemind door de Goden'. Hij werd in 274 voor Chr. gekroond en werd de derde keizer van het Mauryan rijk. In totaal regeerde hij achtendertig jaar. Voordat hij een toegewijde volgeling van de Boeddha werd, had hij in grote getale slachtoffers gemaakt om zijn rijk uit te breiden. Later, na zijn bekering tot het boeddhisme, deed hij zijn uiterste best om zijn land te regeren volgens de boeddhistische principes. Hij leidde het derde Concilie in zijn hoofdstad te Pataligama, verenigde de Sangha en zond toen ervaren monniken naar alle delen van India en zelfs ver weg naar Syrië, Egypte en Macedonië. De meest succesvolle missies naar het buitenland was de missie die geleid werd door zijn zoon, de monnik Mahinda, die naar Sri Lanka gezonden werd.

    In een van zijn inscripties vertelt koning Asoka dat hij de gebruikelijke gewoonte van een koning, die meestal bestond uit pleziertochten, opgegeven had, en dat hij in plaats daarvan nu begonnen was aan pelgrimstochten, of zoals hij dat zelf noemde: 'Dhamma reizen'. In 260 voor Chr. ging hij op pelgrimstocht naar Uruvela, en tien jaar later naar Lumbini.

    Overal in het Midden Land (Majjhimadesa), richtte hij pilaren op om de plaatsen te markeren waar belangrijke gebeurtenissen hadden plaatsgevonden. Vandaag de dag kan de pelgrim nog steeds zijn invloed op het Midden Land bespeuren, want Asoka heeft in vele plaatsen in India zijn pilaren opgericht. Sommige pilaren, soms vijftien meter hoog, zijn nu gebroken maar vertonen een opmerkelijke hoge kunst in polijstwerk. Elk van de pilaren was bekroond met een kapiteel, soms een edele stier of een energieke leeuw. Van ver af kon men de bouwwerken als meesterstukken van de Indiase kunst herkennen. Alle pilaren werden gemaakt in de steengroeven van zuid Varanasi (Kasi) en van daaruit soms honderden kilometers versleept naar de plaats waar ze overeind gezet werden.

    Assaji

    Een schaamteloze en verdorven monnik die samen met Punabbasuka uit de Sangha werd gezet. Zie Dhp077.

    Een andere Assaji was een van de vijf eerste monniken. Zie o.a. S56-011; S22-059. Deze Assaji bekeerde Sariputta.

    Attadattha

    Een monnik van de Boeddha. Zie Dhp166.

    Atula

    Een lekenvolgeling die in Savatthi leefde. Voor sommige mensen spreek je te weinig, bij anderen weer teveel. Atula is hier een goed voorbeeld van. Zie Dhp227-230.

    Atula (Onvergelijkbare) is ook een naam die aan de Boeddha werd toegekend.

    b

    Bahiya

    Een leerling van de Boeddha. Zie o.a. Ud1-10.

    Bandhula

    Prins van de Malla's.

    Bavari

    Brahmaanse leraar van de zestien studenten die naar de Boeddha gingen om hem hun vragen te stellen. Zie o.a. Snp5-00; Snp5-16.

    Bhadda Kaccana

    Zie Yasodhara.

    Bhadda

    Zie Yasodhara. Er is ook een Bhadda die een lekenvolgeling van de Boeddha was.

    Bhaddakapilani

    De vrouw van Maha Kassapa toen hij nog geen monnik was.

    Bhaddiya

    Een monnik van de Boeddha. Ook wel Lakuntaka Bhaddiya vanwege zijn kleine gestalte. Zie Dhp294-295.

    Een andere Bhaddiya was een van de vijf eerste monniken. Zie S22-059.

    Bhadravudha

    Brahmaanse student. Zie o.a. Snp5-00; Snp5-12.

    Bhallika

    Hij en Tapassu waren de eerste twee lekenvolgelingen van de Boeddha.

    Bharadvaja

    Er waren veel mensen die Bharadvaja heetten. Zie o.a. Snp3-09. In Snp1-04 wordt Kasi Bharadvaja genoemd, Bharadvaja van Kasi (Varanasi); in Snp1-07 Aggika Bharadvaja; in Snp3-04; M007 Sundarika Bharadvaja.

    Bhikkhu Bodhi

    Amerikaanse monnik in Sri Lanka. Zorgt voor zeer veel en zeer goed werk. ##Uitwerken##

    Bimba

    Zie Yasodhara.

    Bimbisara

    Koning van Magadha en trouwe volgeling van de Boeddha. Zijn volledige naam was Seniya Bimbisara. Zijn vrouw was koningin Vedehi. Hij werd vermoord door zijn zoon Ajatasattu. Na zijn dood werd hij geboren in de Catummaharajika hemel als de deva Janavasabha.

    Koning Bimbisara had ook een zoon die Abhaya heette. Dat was degene die Jivaka vond.

    Bimrao Ambedkar

    Bimrao Ambedkar en een half miljoen van zijn volgelingen, allemaal van de laagste kasten 'de onaanraakbaren', verzaakten het hindoeïsme en werden boeddhisten op 14 oktober 1955. Dit is de meest betekenisvolle gebeurtenis omtrent de overleving van het boeddhisme in India.

    Bindusara

    Vader van Asoka.

    Bodhiraksita

    Naar wij weten, de eerste pelgrim die van Sri-Lanka naar Bodh Gaya kwam (ong. jaar 0 (nul)).

    Boeddha Dipankara

    Een van de vorige Boeddha's, zie Boeddha's uit het verleden. Zie ook Sumedha.

    Boeddha Gotama

    De Boeddha van dit tijdperk. Zie Gotama.

    Boeddha Kakusandha

    Een van de vorige Boeddha's, zie Boeddha's uit het verleden.

    Boeddha Kassapa

    Een van de vorige Boeddha's, zie Boeddha's uit het verleden.

    Boeddha Konagamana

    Een van de vorige Boeddha's, zie Boeddha's uit het verleden.

    Boeddha Medhankara

    Een Boeddha die leefde in hetzelfde wereldtijdperk (kappa) als Boeddha Dipankara.

    Boeddha Metteya

    De toekomstige Boeddha, zie Boeddha's uit het verleden.

    Boeddha Padumuttara

    Een van de vorige Boeddha's, zie Boeddha's uit het verleden.

    Boeddha Saranankara

    Een Boeddha die leefde in hetzelfde wereldtijdperk (kappa) als Boeddha Dipankara.

    Boeddha Sikhi

    Een van de vorige Boeddha's, zie Boeddha's uit het verleden.

    Boeddha Tanhankara

    Een Boeddha die leefde in hetzelfde wereldtijdperk (kappa) als Boeddha Dipankara.

    Boeddha Vessabhu

    Een van de vorige Boeddha's, zie Boeddha's uit het verleden.

    Boeddha Vipassi

    Een van de vorige Boeddha's, zie Boeddha's uit het verleden.

    Brahma Sahampati

    Brahma Sahampati was een hoge goddelijkheid van de Brahma wereld. Hij was degene die de nieuwe Boeddha verzocht om de Leer te verkondigen. Zie M026; wbk brahma kayika deva.

    Buddhaghosa

    Zie Acariya Buddhaghosa.

    c

    Cakkhupala

    De blinde monnik. Zie o.a. Dhp001; Thag01-095.

    Canda

    Een non van de Boeddha, een vrouw die het Arahatschap heeft verworven. Zie haar vers in de Therigatha Thig05-012. Zij was in de leer bij Patacara.

    Cañki

    Een brahmaan ten tijde van de Boeddha. Zie o.a. Snp3-09.

    Chandragupta

    Grootvader van Asoka.

    Channa

    Channa was de wagenmenner van de Boeddha geweest toen de laatste nog een prins was. Ook Channa werd later een monnik, maar hij had veel eigendunk vanwege het feit dat hij Siddhatta vergezeld had met het verzaken van de wereld en hij gaf zich niet over aan discipline. De oplegging van 'de hogere straf' (brahmadanda) deed hem in een gehoorzame monnik veranderen.

    Citta

    Een huishouder van de stad Macchikasanda. Zie o.a. Dhp303.

    Cittahattha

    Monnik van de Boeddha. Zie o.a. Dhp038-039.

    Cunda

    De smid die de Boeddha het laatste maal gegeven had. Zie D16.

    Cundaka

    Een monnik van de Boeddha. Zie D16.

    d

    Dabba Mallaputta

    Een leerling van de Boeddha. Zie o.a. Ud8-09; Ud8-10.

    Dandapani

    Volgens M018 is Dandapani een Sakya. Aan de Koliya's kant komt ook een Dandapani voor. Misschien berust dat op een fout of is het een andere Dandapani.

    Datta

    Kleindochter van Visakha. Zie Dhp213.

    Devadatta

    Devadatta was de zoon van koning Suppabuddha en koningin Pamita, een tante van de Boeddha. Devadatta was de broer van Yasodhara, dus was hij een neef en zwager van de Boeddha.

    Hij trad in een vroegtijdige fase van de Boeddha's prediking toe tot de sangha, samen met Ananda en andere Sakya prinsen. Hij stond bekend om zijn wereldse psychische vermogens (pothujjanika iddhi), maar hij kon geen enkel stadium van heiligheid verwerven (zie ariya puggala/ariya).

    Eén van zijn hoofddonateurs was koning Ajatasattu die een klooster voor hem bouwde.

    Al vanaf zijn jeugd was hij de rivaal van Siddhatta. De Boeddha noemde hem een 'speekselslikker' (khelasika). Hij veroorzaakte een scheuring in de Sangha en hij probeerde de Boeddha tot drie keer toe te vermoorden.

    Voor meer over deze persoon, zie Devadatta op de pagina Tijdgenoten van de Boeddha.

    Devanampiyatissa

    Sri Lankaanse koning die door Mahinda werd bekeerd toen hij op jacht was.

    Dhamma

    Een non van de Boeddha, een vrouw die het Arahatschap heeft verworven. Zie haar vers in de Therigatha Thig01-017.

    Dhammarama

    Een monnik van de Boeddha, zie o.a. Dhp364.

    Dhammasoka

    Een koning die ziekenhuizen liet bouwen voor zowel mensen als dieren.

    Dhammika

    Een lekenvolgeling van de Boeddha. Zie o.a. Snp2-14.

    Dhanañjaya

    De vader van Visakha.

    Dhaniya

    Lekenvolgeling van de Boeddha. Zie Snp1-02.

    Dharmasvamin

    Waarschijnlijk de laatste pelgrim die de heilige plaatsen in India zag voordat het Moslim leger haar vernietigende werk volbracht, was de Tibetaanse monnik, Dharmasvamin. Hoewel er vele Tibetaanse monniken naar het Midden Land (Majjhimadesa) trokken, scheen Dharmasvamin de enige te zijn die aantekeningen achterliet. Deze aantekeningen gaf hij aan de lekenman Chos-dar. In 1234, op een leeftijd van zevenendertig jaar, vertrok hij naar het Midden Land. In die tijd was het in India een gigantische puinhoop doordat het Moslim leger veel verwoestingen had aangericht, en nergens bleek het veilig te zijn vanwege plunderaars en moordenaars. Dharmasvamin's biografie is voor ons van grote betekenis omdat het een zeldzaam ooggetuigen verslag is van het tragische einde van het boeddhisme in India.

    Dhotaka

    Brahmaanse student. Zie o.a. Snp5-00; Snp5-05.

    Dhotodana

    Broer van Suddhodana.

    Dighajanu

    Een lekenvolgeling van de Boeddha. Zie A08-054.

    e

    Edwin Arnold

    Met Buchanan in 1809, begonnen Engelse reizigers steeds vaker Bodh Gaya of Sarnath te bezoeken om de kruimelige monumenten te bekijken in de hoop 'curiosa' te verzamelen, welke makkelijk meegenomen kon worden van de verwaarloosde en verloren plaatsen. Maar de Engelsman die naar Bodh Gaya kwam in 1885 kwam niet als een kijker of een toerist, maar als een pelgrim. Zijn naam was Sir Edwin Arnold. Arnold had reeds een reputatie als uitstekend dichter toen hij werd aangesteld als directeur van het Deccan College te Pune in 1857. Met zijn vrije houding en zijn kennis van het Sanskriet ontwikkelde hij al spoedig interesse in Indiase religie, in het bijzonder het boeddhisme.

    Nadat hij zijn studie over het boeddhisme gecompleteerd had, bracht hij in 1861 zijn beroemde gedicht Licht van Azië uit, dat op een sympathieke wijze het leven en de Leer van de Boeddha weergeeft. Boeddhisme werd vaak door christelijke missionarissen als een 'sombere en pessimistische afgoderij' betiteld, maar nu kwam aan het licht dat het boeddhisme een verfijnde en ethische filosofie was met haar eigen schoonheid en aantrekkingskracht. Boeddhisten in het westen die lange tijd afbrekende kritiek over hun religie van de Europeanen aan hadden moeten horen, waren zeer verblijd met het gedicht en het maakte Arnold tot een soort held.

    Sir Arnold had lang gewenst om eens naar Bodh Gaya en Sarnath te gaan, en toen hij vele uitnodigingen ontving om Sri Lanka, Thailand, Birma en Japan te bezoeken, besloot hij naar het oosten te reizen en tegelijkertijd zijn lang gekoesterde wens te vervullen. Tijdens zijn komst was hij diep getroffen toen hij in de galerie van de Maha Bodhi Tempel stond, zich realiserende dat hier de Boeddha de Verheven Verlichting verwezenlijkt had, maar tegelijkertijd was hij ook bedroefd door de algemene verwaarlozing van de grote tempel. Hij liep naar de achterkant van de tempel en ging zwijgzaam onder de Bodhi boom staan. Toen hij aan een van de hindoe priesters vroeg of hij een paar bladeren van de Bodhi boom mocht hebben, zei deze: "Pluk er zoveel als u wilt, sahib, het behoort ons niet toe."

    Het was Sir Edwin Arnold die het idee aandroeg voor de restauratie van de Maha Bodhi Tempel en hij zorgde ervoor dat de tempel uiteindelijk in boeddhistische handen kwam. Als de pelgrim zijn eerbied betoont in de Maha Bodhi Tempel of door de stille tuinen wandelt die er omheen liggen, is het goed zich te herinneren wat moderne boeddhistische pelgrims van vroegere westerse boeddhisten geërfd hebben. Sir Edwin stierf in 1904.

    Ekudana

    Een monnik van de Boeddha. Zie Dhp259.

    f

    Fa Hien

    De eerste van wat later een vloed van pelgrims naar het Midden Land (Majjhimadesa) zou worden vanuit China, was Fa Hien. Verlangend authentieke kopieën van boeddhistische teksten te bemachtigen en de heilige plaatsen in India te bezoeken, begonnen Fa Hien en zijn drie compagnons in 399 na Chr. aan een van de meest avontuurlijke reizen in de geschiedenis. Alleen hun eigen taal sprekende, met slechts een klein beetje achtergrondinformatie en wetende dat India ergens ongeveer in het westen lag, hadden Fa Hien en zijn metgezellen niets anders als gids om op te steunen dan hun geloof. Het enige dat de weg markeerde toen zij de gevreesde Taklamakan woestijn doorkruisten, waren de stukken beenderen van minder gelukkige reizigers.

    g

    Gagga

    De vader van Angulimala.

    Gawampati

    Zie Yasa.

    Gaya Kassapa

    Een broer van Maha Kassapa. Hij en zijn 200 leerlingen sloten zich bij de Boeddha aan.

    Gopi

    Lekenvolgelinge van de Boeddha. Zie Snp1-02.

    Gotama

    Familienaam van de Boeddha van dit tijdperk. Sakya was de naam van zijn stam.

    h

    Hemaka

    Brahmaanse student. Zie o.a. Snp5-00; Snp5-08.

    Hemavata

    Een yakkha. Zie Snp1-09.

    Huien Tsiang

    Een pelgrim die door Fa Hien werd geïnspireerd om naar India te gaan om er boeddhistische teksten te halen. Hij werd geboren in een religieuze familie in 604 na Chr., en kreeg toestemming om een monnik te worden toen hij nog maar een kind was. Toen hij nog maar krap in de twintig was, verwierf hij al een reputatie van grote geleerdheid, en op zijn zesentwintigste besloot hij naar India te gaan om boeddhistische teksten te verzamelen, de Dhamma te bestuderen onder Indiase meesters en om de heilige plaatsen te bezoeken. Hij verzocht het keizerlijk hof om toestemming om China te verlaten. Toen dat geweigerd werd besloot hij in het geheim te gaan.

    Toen hij de westelijke grenzen van China bereikt had, was zijn paard al gestorven en de twee monniken die hem vergezelden begonnen tekenen van grote twijfels over de reis te vertonen en begonnen te praten over de terugtocht. Toen de gouverneur van de regio Huien Tsiang vertelde over het terrein dat voor hem lag, werd hij weemoedig. Zijn twee metgezellen verlieten hem en hij verbleef een hele maand in Kwa-chow, zichzelf afvragend wat hij zou doen. Toen bereikte een officiële opdracht de gouverneur dat er een monnik China trachtte te verlaten en wanneer hij gevonden was moest deze gearresteerd en teruggezonden worden. De Gouverneur vroeg Huien Tsiang of hij de bedoelde persoon was, en toen hij dat bevestigde, zei de gouverneur die een vrome religieuze boeddhist was tegen de monnik: "Omdat de Meester inderdaad in staat is tot zulk een project, zal ik, voor zijn bestwil dit document vernietigen", en hij schuurde het document voor zijn neus kapot. "En nu, heer", zei hij, "moet u snel gaan." In 635 arriveerde hij tenslotte in Nalanda waar hij vijf jaar bleef.

    i

    j

    Janapada Kalyani

    Zie Rupananda.

    Janavasabha

    Zie Bimbisara.

    Janussoni

    Een brahmaan ten tijde van de Boeddha. Zie o.a. Snp3-09.

    Jatukanni

    Brahmaanse student. Zie o.a. Snp5-00; Snp5-11.

    Jivaka Komarabhacca

    Zie Jivaka.

    Jivaka

    Jivaka was de persoonlijke dokter van de Boeddha en lijfarts van koning Bimbisara. Hij schonk het Jivakarama klooster en verzorgde de wond aan de voet van de Boeddha toen Devadatta een moordaanslag op hem gepleegd had.

    Hij was als baby door een prostituee te vondeling gelegd en werd langs de kant van de weg gevonden door prins Abhaya, de zoon van koning Bimbisara. Hij werd toen omringd door kraaien. Omdat hij toen nog leefde werd hij Jivaka genoemd; (jivati = 'in leven zijn').

    Zijn 'familienaam' was Komarabhacca, hetgeen zoiets betekent als 'de medische behandeling van wezen'. Deze bijnaam was gegeven aan zijn redder Abhaya, vandaar zijn volledige Jivaka Komarabhacca is (Jivaka van Komarabhacca). Jivaka werd niet alleen gevonden door prins Abhaya, maar ook door hem geadopteerd.

    Jivaka wordt in Azië geëerd door boeddhisten en tot op zekere hoogte ook door genezers buiten het boeddhisme, als een modelarts en boeddhistische heilige.

    Voor meer over deze persoon, zie Jivaka op de pagina Tijdgenoten van de Boeddha.

    Junha

    Een minister van koning Pasenadi. Zie o.a. Dhp177.

    k

    Kaccana

    Kaccayana Gotta

    Zie Maha Kaccana.

    Kakudha

    Een lekenvolgeling van de Boeddha.

    Kakusandha

    Een van de vorige Boeddha's. Zie Boeddha's uit het verleden.

    Kala

    Een minister van koning Pasenadi. Zie o.a. Dhp177.

    Kalabu

    Koning Kalabu, de naam van Devadatta in een van zijn vorige levens. Zie J313.

    Kaladevala

    Een andere naam van Asita.

    Kali

    Het dienstmeisje van Vedehika van Vedehika. Zie M021.

    Kalinga

    Een lekenvolgeling van de Boeddha.

    Kaludayi

    De enige van de vele afgezanten die het lukte de Boeddha naar het paleis van Suddhodana te krijgen nadat Suddhodana daar om gesmeekt had.

    Kanishka

    Koning Kanishka heeft het klooster te Kapilavatthu laten bouwen.

    Kappa

    Brahmaanse student. Zie o.a. Snp5-00; Snp5-10.

    Kassapa

    Een van de vorige Boeddha's. Zie Boeddha's uit het verleden.

    Katissabha

    Een lekenvolgeling van de Boeddha.

    Keniya

    Lekenvolgeling van de Boeddha. Zie o.a Snp3-07.

    Khara

    Een yakkha. Zie Snp2-05.

    Khema

    Khitaka

    Een monnik van de Boeddha, zie Thag01-104.

    Khujjuttara

    Het dienstmeisje van koningin Samavati (van koning Udena). Samavati, een van de koninginnen van koning Udena, zond Khujjuttara, haar dienstmeisje, vaak naar de Boeddha om naar zijn toespraken te luisteren om er vervolgens verslag over te doen. Samavati werd zo blij met Khujjuttara's toespraken, dat ze de Boeddha en zijn monniken vaak uitnodigde voor een maaltijd. Zodoende kon ze hem de Dhamma horen prediken, samen met haar gevolg van hofdames.

    De Boeddha noemde Khujjuttara zijn meest vooraanstaande vrouwelijke lekenvolgeling voor wat betreft haar uitgebreide kennis en het onderwijzen van de Dhamma. Het is aan Khujjuttara te danken dat wij nu beschikken over de Itivuttaka.

    Zij was in een vorig leven ook al het dienstmeisje van de Bodhisatta, zie J354.

    Meer volgt.

    Kisa Gotami

    De moeder die tevergeefs een mosterdzaadje zocht voor haar overleden zoon. Later een non van de Boeddha. Zie Div068.

    Koka

    Koka de jager die door zijn eigen honden werd doodgebeten. Zie Dhp125.

    Kokalika

    De hoofdmonnik van Devadatta die samen met hem een scheuring veroorzaakte in de gemeenschap. In Snp3-10 lees je hoe Kokalika in de lagere sferen werd wedergeboren.

    Kolita

    Oorspronkelijke naam van Maha Moggallana.

    Komarabhacca

    Zie Abhaya.

    Kondañña

    Zie Aññata Kondañña.

    Kosala Devi

    Dochter van Maha Kosala; zuster van koning Pasenadi; één van koning Bimbisara's vrouwen; moeder van Ajatasattu.

    Kozan

    Japanse vriend van Anagarika Dharmapala.

    Kukkutamitta

    Een jager die bekeerd werd tot het boeddhisme. Zie Dhp124.

    Kumara

    Moeder van Maha Kassapa.

    Kumaragupta

    Stichter van de universiteit van Nalanda.

    Kundakakumara

    Naam van de Boeddha in een van zijn vorige levens. Zie J313.

    l

    Lakkhana

    Een monnik van de Boeddha. Een van de acht grote Arahats. Zie o.a. Dhp307.

    Lakuntaka Bhaddiya

    Een monnik van de Boeddha. Zijn werkelijke naam was Bhaddiya maar hij werd ook wel 'de kleine Bhaddiya' (Lakuntaka Bhaddiya) genoemd. Zie Bhaddiya.

    m

    Madhurapacika

    Lekenvolgelinge, zie o.a. Dhp283-284.

    Magandiya

    Opmerkingen

    Vader of dochter?

    Sommige vertalers melden dat de Magandiya in Snp4-09 de vader is van de dochter die aan de Boeddha wordt aangeboden, maar waarschijnlijk betreft Magandiya daar de dochter zelf, want zij begrijpt de Boeddha niet. Daarentegen zijn er aanwijzingen (zie Dhp320-322) dat de ouders van de aangeboden dochter de Boeddha weldegelijk begrijpen en zelfs het pad van anagami verwerven wanneer de Boeddha hun aanbod afwijst. Het is dan ook waarschijnlijker dat de persoon in Snp4-09 niet Magandiya de asceet is waarmee de Boeddha in gesprek is, maar de dochter die werd aangeboden.

    Magha

    Een brahmaan. In Snp3-05 vraagt Magha aan wie en hoe je het beste een offergave kunt geven. Is niet duidelijk of dit dezelfde is als in Dhp030.

    Maha Cunda

    Een leerling van de Boeddha.

    Maha Kaccana

    Monnik van de Boeddha. Ook Kaccayana Gotta en Maha Kaccayana genoemd. Hij werd door de Boeddha geprezen vanwege zijn vaardigheid in het analyseren van de Dhamma en het doorgeven aan anderen. Zie o.a. Dhp043.

    Maha Kaccayana Gotta

    Zie Maha Kaccana.

    Maha Kaccayana

    Zie Maha Kaccana.

    Maha Kappina

    Monnik van de Boeddha. Zie Dhp079.

    Maha Kassapa

    Ook 'Uruvela Kassapa' genoemd, de bekende Kassapa die doorgaans in de teksten voorkomt. Een van de beste discipelen van de Boeddha. Hij en zijn 500 leerlingen sloten zich bij de Boeddha aan. Hij verbleef het liefst alleen in de wouden. Waarschijnlijk is dat ook de reden waarom er niets bekend is over hoe hij gestorven is. Het was Maha Kassapa die het Eerste Concilie voorzat, vlak na de dood van Boeddha.

    Maha Kosala

    Vader van koning Pasenadi van Kosala.

    Maha Kotthita

    Monnik van de Boeddha.

    Maha Maya

    Moeder van de Boeddha; prinses van de Koliya's; Suddhodana's koningin; zuster van Maha Pajapati Gotami. Zij stierf zeven dagen na de geboorte van de Boeddha en zij werd wedergeboren als een man in de Tusita hemel. Maya deva kwam naar de Tavatimsa hemel om de Boeddha daar de Abhidhamma te horen prediken.

    Maha Moggallana

    Samen met Sariputta hoofd van de discipelen van de Boeddha. De Eerwaarde Maha Moggallana beschikte over abhiñña, de zes hogere krachten of vormen van bovenwereldse kennis.

    Voor meer over deze persoon, zie Maha Moggallana op de pagina Tijdgenoten van de Boeddha.

    Maha Pajapati Gotami

    Peettante van de Boeddha en samen met haar oudere zuster Maha Maya (de moeder van de Boeddha), de vrouw van koning Suddhodana. Zij was de jongste zuster van Suppabuddha. Zij had een dochter Rupananda, en een zoon Nanda.

    Na de dood van koning Suddhodana liep zij samen met zes anderen van Kapilavatthu naar Vesali om daar de inwijding van de Boeddha te ontvangen. Het was daar waar de gemeenschap van nonnen (Bhikkhuni Sasana) voor het eerst werd gesticht. Zie Ananda voor meer.

    Tijdens die lange en moeizame tocht naar Vesali was koningin Pajapati 55 jaar. De andere zes personen die koningin Pajapati op haar tocht naar Vesali vergezelden waren: Yasodhara, Rahula, Khujjuttara het dienstmeisje, Mala, de vrouw van Kaludayi, Subha de voormalige courtisane en haar dochter Rupananda.

    Maha Sudassana

    Een koning, een 'Wiel-in-beweging-zettende universele heerser'. Zie D16, 5.18; D17.

    Mahadhana

    Mahakala

    Een lekenvolgeling van de Boeddha. Zie Dhp161.

    Mahali

    Leider van de Licchavi's.

    Mahanama

    Mahinda

    Zoon van koning Asoka. Zie Asoka.

    Maijha

    Moeder van Anopama; Vader van Anopama. Zie Thig06-005.

    Makhadeva

    De Boeddha in een van zijn vorige levens als koning. Zie o.a. J009.

    Makhadeva

    Naam van de Boeddha in een van zijn vorige levens. Zie o.a. J009.

    Makkhali Gosala

    Religieuze leraar van de Ajivaka's (ook wel Ajivika's) ten tijde van de Boeddha, een klasse van Naakte asceten. Vanuit boeddhistisch standpunt beschouwd als de ergste sofisten[1]. In de toespraken wordt vaak naar hen verwezen.

    De fatalistische 'mening van niet-oorzakelijkheid' van het bestaan (ahetuka ditthi), werd onderwezen door Makkhali Gosala, een tegenhanger van de Boeddha die elke handeling van corruptheid en zuiverheid van wezens ontkende, en beweerde dat alles bepaald wordt door het noodlot. Zij lieten alle menselijke inspanningen buiten beschouwing.

    Ze hadden strenge regels en ze hebben nooit vlees, vis of bedwelmende middelen aangeraakt en ze hadden een rigide schaal van voedselrantsoenering. Er wordt vermeld dat ze het niet altijd mogelijk vonden om zich aan deze rigide gedragscode te houden.

    In M071 — Tevijjavacchagotta Sutta — Tot Vacchagotta over de drievoudige kennis, staat dat de Boeddha zich slechts één Ajivaka in 91 wereldtijdperken (kappa) kon herinneren die in een hemelse sfeer was geboren, en ook die had een leerstelling gepredikt over morele efficiëntie van daden.

    De Ajivaka's verheerlijkte zichzelf en kleineerden anderen.

    Zie ook

    Mala

    De vrouw van Kaludayi.

    Mallika

    Een vrouw van koning Pasenadi. Zij werd ook wel Kosala Mallika genoemd.

    Malunkyaputta

    Een eigenwijze monnik.

    Mantani

    De moeder van Angulimala.

    Mattakundali

    Een jonge brahmaan uit Savatthi. Zijn vader heette Adinnapubbaka. Zie Dhp002.

    Mendaka

    Grootvader van Visakha.

    Metivala Sangharatana

    Sri Lankaanse monnik die het Nava Jetavana Maha Vihara heeft gebouwd. Op 31 December 1988 werd de tempel geopend.

    Mettagu

    Brahmaanse student. Zie o.a. Snp5-00; Snp5-04.

    Migara

    Schoonvader van Visakha.

    Migaramatu

    'Moeder van Migara' Een naam voor Visakha.

    Milinda

    Koning Milinda, koning van Sagala, zie Milinda Pañha.

    Mogharaja

    Brahmaanse student. Zie o.a. Snp5-00; Snp5-15.

    Moliya Phagguna

    De monnik die kwaad werd als er iets van gezegd werd dat hij vaak met de nonnen omgaat. Zie M021.

    Mutta

    Een non van de Boeddha, een vrouw die het Arahatschap heeft verworven. Zie haar vers in de Therigatha Thig01-011.

    n

    Nadi Kassapa

    Een broer van Maha Kassapa. Hij en zijn 300 leerlingen sloten zich bij de Boeddha aan.

    Nagarjuna

    Boeddhistisch filosoof.

    Nagasena

    Monnik die ongeveer 500 jaar na de dood van de Boeddha leefde, zie Milinda Pañha.

    Nalaka

    Neef van Asita. Zie Snp3-11.

    Nalijangha

    Een brahmaanse raadsman van koning Pasenadi.

    Nanda

    Nandika

    Zie Sujata.

    Nigantha Nataputta

    Religieuze leraar van de Nigantha's ten tijde van de Boeddha, een klasse van Naakte asceten. De tegenwoordige Jains. Nigantha Nataputta is de naam waaronder de Jain leraar, Mahavira, bekend was bij zijn tijdgenoten.

    Hij leerde dat daden uit het verleden moeten worden uitgeroeid door ernstige soberheid, nieuwe daden moeten worden vermeden door niets te doen. Door alle wandaden uit het verleden door boete te verdrijven en geen nieuwe wandaden te begaan, werd de toekomst vrijgemaakt. Van de vernietiging van daden resulteert de vernietiging van lijden; dit leidt tot de vernietiging van gevoelens. Zo is alle lijden uitgeput en gaat men voorbij de ronden van het bestaan. Er wordt gezegd dat hij de term kamma in zijn leer niet gebruikte. Hij gebruikte daarentegen het woord danda. Volgens hem was de danda van de daad veel crimineler dan de danda's van woord en geest.

    Danda betekent waarschijnlijk 'zonden' of 'kwetsende daden'. Buddhaghosa zegt in MA ii.595ff, dat de jaïnistische gedachte was dat citta (de manodanda) niet in lichamelijke handelingen of in woorden kwam die onverantwoordelijk en mechanisch waren, zoals het roeren en zuchten van takken in de wind.

    De fout in deze leer is, dat zij geen rekening houdt met het geluk en ellende dat het gevolg is van goede of van slechte daden van het huidige leven, noch houdt zij er rekening mee dat geluk en ellende samengaat met de overeenkomstige daad.

    Zie ook

    Nigrodha

    Zie o.a. D25.

    Nigrodhakappa

    Monnik van de Boeddha en leraar van o.a. Vangisa. Zie o.a. Snp2-12.

    Nikata

    Een lekenvolgeling van de Boeddha.

    Nimi

    Naam van de Boeddha in een van zijn vorige levens. Zie o.a. J009.

    o

    Okkaka

    Wellicht een van de voorvaderen van de Boeddha, zie Snp5-00, 991. In Snp2-07, 302-306 wordt ook over deze koning verteld.

    p

    Pakudha Kaccayana

    Religieuze leraar ten tijde van de Boeddha.

    Volgens Pakudha Kaccayana zijn er zeven eeuwige 'elementen': aarde, water, vuur, lucht, vreugde, verdriet en leven. Hij beweerde verder dat deze elementen geen interactie met elkaar hebben. Dit valt onder de categorie sassatavada.

    Zie ook

    Pamita

    Vrouw van koning Suppabuddha; koningin van de Koliya's; moeder van Yasodhara en Devadatta. Zij was een tante van de Boeddha.

    Pandita

    Een monnik van de Boeddha. Zie o.a. Dhp080.

    Pasenadi

    Koning van Kosala met Savatthi als hoofdstad; zoon van koning Maha Kosala.

    Een arme man had een heel mooie vrouw waar koning Pasenadi verliefd op werd. De koning nam de man als een van zijn bedienden in dienst met de bedoeling hem te doden zodat hij de mooie vrouw voor zichzelf kon hebben. De arme man werd een onmogelijke taak opgelegd en er werd hem verteld dat als hij die niet volbracht, hij geëxecuteerd zou worden. Achteraf kon de koning niet slapen toen hij dacht aan het kwaad dat hij voorhad te begaan. De brahmanen van het hof vertelden hem dat hij bevrijd zou worden van zijn slechte kamma als hij een groot offer zou uitvoeren. Hoe dan ook, uiteindelijk ontmoette hij de Boeddha die hem de Dhamma onderwees en zijn geest tot rust bracht. Koning Pasenadi werd een lekenvolgeling van de Boeddha en was tevens een groot donateur.

    Koning Pasenadi was teleurgesteld toen hij hoorde dat zijn vrouw een dochter gebaard had in plaats van een zoon. Maar de Boeddha wees hem erop dat een dochter net zo goed in staat is om succesvol en heilig te zijn als een zoon.

    Pasura

    Een brahmaanse student. Zie o.a Snp4-08.

    Patacara

    Een non van de Boeddha, een vrouw die heel wat ellende had meegemaakt en uiteindelijk Arahatschap verwierf.

    Voor meer over deze persoon, zie Patacara op de pagina Tijdgenoten van de Boeddha.

    Pavarika

    Deze naam komt voor in D16, vers 1.18.

    Pesala

    Non van de Boeddha.

    Pingiya

    Brahmaanse student. Zie o.a. Snp5-00; Snp5-16. In Snp5-17, betuigt Pingiya op wonderschone wijze zijn eerbied aan de Boeddha en de Leer. Maar het gehele 5e hoofdstuk van de Sutta Nipata is wonderschoon.

    Piyadassi

    Zie Asoka.

    Pokkharasati

    Een brahmaan ten tijde van de Boeddha. Zie o.a. Snp3-09.

    Posala

    Brahmaanse student. Zie o.a. Snp5-00; Snp5-14.

    Potaliputta

    Een zwerver, zie o.a. M136.

    Prakriti

    Ananda vraagt het meisje Prakriti van de Mantanga kaste om wat water. Ze aarzelt en zegt dat ze van lage kaste is en dat zij te min voor hem is. Maar Ananda benadrukt de boeddhistische verwerping van het kastensysteem en zegt tegen het meisje: "Ik vroeg je niet om kaste, maar om water."

    Pukkusa

    Toen de Boeddha met een grote groep monniken op weg was naar Kusinagar (of Kusiñara), ontmoette hij onderweg Pukkusa die hem twee gewaden schonk van geweven gouden draden. Toen Ananda het kleed over de Boeddha zijn oude, zieke lichaam legde, straalde het lichaam zodanig, dat het gouden kleed in vergelijking tot zijn lichaam verbleekte. Zie D16.

    Punabbasuka

    Een schaamteloze en verdorven monnik die samen met Assaji uit de Sangha werd gezet. Zie Dhp077.

    Punna

    Zie Sujata waar de naam verwijst naar een dienstmeisje. Er was ook een ossendienst asceet die Punna heette. Zie daarvoor M057.

    Punnaji

    Zie Yasa.

    Punnaka

    Brahmaanse student. Zie o.a. Snp5-03.

    Punnika

    Een non van de Boeddha, een vrouw die het Arahatschap heeft verworven. Zie haar vers in de Therigatha Thig12-XX1.

    Purana Kassapa

    Religieuze leraar ten tijde van de Boeddha.

    De 'mening van het ineffectieve van handeling' (akiriya ditthi), werd onderwezen door Purana Kassapa, een andere tegenhanger van de Boeddha die elk karmisch effect ontkende van goede en slechte handelingen: "Wie doodt, steelt, rooft, etc., zal niets gebeuren. Voor vrijgevigheid, zelfcontrole en waarheidsliefde, etc. etc., valt er geen beloning te verwachten."

    De 'mening van het ineffectieve van handeling' (akiriya ditthi), werd onderwezen door Purana Kassapa, een andere tegenhanger van de Boeddha die elk karmisch effect ontkende van goede en slechte handelingen: "Wie doodt, steelt, rooft, etc., zal niets gebeuren. Voor vrijgevigheid, zelfcontrole en waarheidsliefde, etc. etc., valt er geen beloning te verwachten."

    Dergelijke uitspraken van hem zijn te vinden in D02 — Samaññaphala Sutta — De vruchten van het thuisloze leven.

    De Anguttara Nikaya meldt dat hij beweerde alwetend te zijn. DhpA beweert dat hij zelfmoord pleegde door verdrinking.

    Zie ook

    Putigatta Thera Tissa

    'De Ouderling met het Stinkende Lichaam.' Zie Dhp041.

    q

    r

    Radha

    Dienaar van Sujata; een andere Radha was een monnik, zie Dhp076.

    Rahula

    Zoon van de Boeddha (Siddhatta) en Yasodhara. Hij werd geboren op de dag dat zijn vader het paleis verliet om de verlichting te zoeken. Op de leeftijd van zeven jaar werd hij ingewijd als een leerling-monnik door de Eerwaarde Sariputta toen de Boeddha na zijn verlichting voor de eerste maal Kapilavatthu bezocht. De Boeddha beschreef hem als de meest vooraanstaande discipel onder hen die gewillig waren in de training. Overeenkomstig MA, werd M061 aan Rahula onderwezen toen hij zeven jaar was, dus erg kort na zijn inwijding. In M147 staat vermeld hoe hij Arahatschap verwierf na het luisteren naar een toespraak die door de Boeddha werd verteld over de ontwikkeling van inzicht. Zie ook J354.

    Rahulamata

    'Moeder van Rahula'. Zie Yasodhara.

    Ramaneyyaka

    Monnik van de Boeddha (arahat), zie Thag01-049.

    Ratthapala

    Monnik van de Boeddha. Zie o.a. M082.

    Revata

    Een monnik van de Boeddha. Zie o.a. Dhp227-230.

    Rupananda

    Halfzuster van de Boeddha, dochter van Suddhodana en van Maha Pajapati Gotami. Haar oorspronkelijke naam was Nanda, hetgeen vreugde of tevredenheid betekent. Wanneer ouders bij de geboorte van hun kindje erg vreugdevol waren, werd het kindje vaak Nanda genoemd. Maar omdat Nanda een erg mooie vrouw werd, werd zij Rupananda genoemd (iemand met een verrukkelijk lichaam). Soms werd zij ook Sundari Nanda of Janapada Kalyani genoemd. Zij was getrouwd met Nanda, de halfbroer van de Boeddha en, volgens de huidige informatie, haar eigen broer. Zie o.a. Dhp150.

    s

    Sabhiya

    Sabhiya was degene die aan de verscheidene religieuze leiders vragen wilde stellen, maar zij weigerde om op zijn vragen in te gaan. Sommigen werden zelfs boos. De Boeddha echter, liet hem alle vragen stellen die hij maar wilde. Zie Snp3-06.

    Sakka

    Koning van de goden in de Tavatimsa hemel. Zie wbk: deva; Tavatimsa.

    Sakkodana

    Broer van Suddhodana.

    Salha

    Een monnik van de Boeddha. Zie D16.

    Samavati

    Samavati was een van de koninginnen van koning Udena van Kosambi. Samavati zond Khujjuttara, haar dienstmeisje, vaak naar de Boeddha om naar zijn toespraken te luisteren om er vervolgens verslag over te doen. Samavati werd zo blij met Khujjuttara's toespraken, dat ze de Boeddha en zijn monniken vaak uitnodigde voor een maaltijd. Zodoende ze kon hem de Dhamma horen prediken, samen met haar gevolg van hofdames.

    Samavati werd de belangrijkste discipel in liefdevolle vriendelijkheid (metta) en mededogen (karuna).

    Meer volgt.

    Samiddhi

    Een monnik van de Boeddha, zie o.a. M136.

    Sangamaji

    Een leerling van de Boeddha. Zie o.a. Ud1-08.

    Sañjaya Belathiputtha

    Religieuze leraar van de Ajñana's ten tijde van de Boeddha. De leraar van Sariputta en Maha Moggallana voordat zij een leerling van de Boeddha werden.

    Ajñāna is een van de 'heterodoxe' scholen en de oude school van radicaal scepticisme. Het waren asceten en grote rivalen van de Boeddha. Ze waren van mening dat het onmogelijk was kennis van metafysische aard te verkrijgen of de waarheidswaarde van filosofische proposities vast te stellen; en zelfs als kennis mogelijk was, was het nutteloos en nadelig voor uiteindelijke redding. Ze waren gespecialiseerd in weerlegging zonder zelf een positieve leerstelling te propageren.

    Zie ook

    Santati

    Een minister van koning Pasenadi. Zie o.a. Dhp142.

    Santuttha

    Een lekenvolgeling van de Boeddha.

    Saranganatha

    Naam die de Boeddha in één van z'n vorige levens werd toegeschreven door inwoners van Isipatana toen hij z'n leven opofferde aan een hinde.

    Sariputta

    Samen met Maha Moggallana hoofd van de discipelen van de Boeddha en zeer verheven in wijsheid. Zijn oorspronkelijke naam was Upatissa. Voor een volledig verslag van deze bijzondere man, zie Life of Sariputta door Nyanaponika Thera (Wheel 90-92),

    Satagira

    Een yakkha. Zie Snp1-09.

    Sela

    Leerling van de Boeddha. Zie o.a Snp3-07.

    Seniya Bimbisara

    Zie Bimbisara.

    Seniya

    De naakte honden dienst asceet. Na zijn inwijding als monnik van de Boeddha, werd hij een van de Arahats. Zie M057.

    Serivan

    'De man van Seri', naam van de Boeddha in een van zijn vorige levens. Zie o.a. J003.

    Siddhatta

    Naam van de Boeddha voor zijn verlichting. De betekenis is 'wens vervuld' of 'hij die zijn doel heeft bereikt'.

    Sigala

    De zoon van een boeddhistische familie die in Rajagaha woonde. Zie D31.

    Sihahanu

    Grootvader van de Boeddha.

    Sirima

    Een courtisane die in Rajagaha leefde. Zuster van Jivaka. Zie Dhp147. Zij verwierf de staat van sotapatti.

    Sivaka

    Een demon (yakkha). Zie o.a. Anathapindika schenkt het Jetavana klooster.

    Sona

    Een non van de Boeddha, een vrouw die het Arahatschap heeft verworven. Zie haar vers in de Therigatha Thig05-008.

    Sopaka

    Zie Ovr005; Snp1-07.

    Soreyya

    De zoon van een rijk man uit de gelijknamige stad Soreyya en een monnik van de Boeddha. Zie o.a. Dhp043.

    Sotthiya

    Degene die de Boeddha gras aanbood als zetel vóór zijn verlichting.

    Sottiya

    De eerste boogschutter die in opdracht van Devadatta de Boeddha in het Bamboebos besloop om hem te doden. Hij begon echter over heel z'n lichaam hevig te beven en was niet in staat de daad ten uitvoer te brengen. Sottiya werd door de Gezegende bekeerd.

    Subahu

    Zie Yasa.

    Subha

    Een courtisane die later non werd. Er is ook een Subha die een zoon van een brahmaan was, zie M135.

    Subhadda

    De laatste persoon die door de Boeddha zelf werd ingewijd. Er was ook een andere Subhadda die blij was dat de Boeddha gestorven was en er was ook een lekenvolgeling Subhadda. Er waren ook lekenvolgelingen met de naam Subhadda. Zie o.a. D16.

    Suciloma

    Een yakkha. Zie Snp2-05.

    Sudatta

    Oorspronkelijke naam van Anathapindika.

    Suddhodana

    De vader van de Boeddha. Zijn naam betekent 'zuivere rijst'.

    Sudhira

    De jongeman die zich door de schoonheid van Uppalavanna liet verleiden. Hij kon zich niet meer beheersen en verleidde haar toen Uppalavanna zojuist van de Boeddha toestemming had gekregen om zich door Maha Pajapati te laten inwijden. Ook Sudhira was naar de Boeddha gekomen om zich als monnik te laten inwijden. Het voorval speelde zich af in Vesali.

    Sudinna

    Zie Sujata.

    Suja

    Vrouw van Sakka. Zie wbk Sakka.

    Sujata

    De vrouw die de Boeddha rijst in melk aanbood. Haar vader heette Nandika en hij had veel koeien. Een herdersjongetje, Sudinna, had de Boeddha voor zijn verlichting ook al melk gegeven. Nandika was de meester van dit jongetje. Zij hadden ook twee dienstmeisjes die Punna en Radha heette. Het dorp waar zij woonden aan de rivier de Nerañjara, heette Senani. Dit dorpje ligt tegenover Bodh Gaya (Uruvela) aan de andere kant van de rivier.

    Sukkodana

    Broer van Suddhodana.

    Sumana Devi

    De moeder van Visakha.

    Sumangala

    De moeder van een non van de Boeddha, een vrouw die het Arahatschap heeft verworven. Zie haar vers in de Therigatha Thig02-003.

    Sumedha

    Sumitta

    Dit was de persoon waar Maha Pajapati Gotami in het donker tegenaan botste toen zij met haar gevolg doodop in Vesali arriveerde. Sumitta bracht hen toen bij de Boeddha.

    Sundari Nanda

    Zie Rupananda.

    Sundari

    Een rivaliserende sekte probeerde de Boeddha uit jaloezie te schande te maken door een vrouw, Sundari genaamd, aan te sporen te doen alsof zij zwanger was, en dan publiekelijk de Boeddha ervan te beschuldigen dat hij de vader zou zijn. Toen zij de beschuldiging uitdroeg, knaagde er een muis door het koord dat een kussen voor haar buik vasthield. De fraude werd ontmaskerd, en de Boeddha werd in het gelijk gesteld.

    Sunidha

    Samen met Vassakara was hij de hoofdminister van koning Ajatasattu. Zij bouwden vestigingen bij Pataligama (Patna) ter verdediging tegen de Vajji's.

    Sunita

    Sunita was onder de laagste kaste geboren, maar in het boeddhistische systeem is dit geen voorwaarde om iemand te weerhouden het hoogste doel te bereiken. Sunita werd een van de Arahats.

    Voor meer over deze persoon, zie Sunita op de pagina Tijdgenoten van de Boeddha.

    Suppabuddha

    Suppavasa

    De Koliya vrouw. Zie A04-057.

    Suppiya

    De vriendin van Visakha.

    t

    Tapassu

    Hij en Bhallika waren de eerste twee lekenvolgelingen van de Boeddha.

    Tarukkha

    Een brahmaan ten tijde van de Boeddha. Zie o.a. Snp3-09.

    Tissa Metteyya

    Brahmaanse student. Zie o.a. Snp5-00; Snp5-02.

    Tissa

    Voor Tissa's, zie o.a. Dhp041; Dhp075; Dhp096.

    Todeyya

    Een brahmaan ten tijde van de Boeddha. Zie o.a. Snp3-09. Todeyya was ook een van de zestien brahmanen in het vijfde hoofdstuk van de Sutta Nipata. Wellicht wordt hier dezelfde Todeyya bedoeld. Zie o.a. Snp5-00; Snp5-09. In M135 wordt ook een Todeyya genoemd.

    Tuttha

    Een lekenvolgeling van de Boeddha.

    u

    Udaya

    Een minister van koning Suddhodana. Hij was een van de aanstichters van de onenigheid tussen de Sakya's en de Koliya's. Er was ook een Udaya die een brahmaanse student was, zie Snp5-13.

    Udayi

    Een (arrogante) monnik van de Boeddha. Zie o.a. Dhp064.

    Udayin

    Een monnik van de Boeddha. Zie o.a. A05-159; M136.

    Uddaka Ramaputta

    De tweede leermeester van de Boeddha. Hij stierf de avond voor de verlichting van de Boeddha.

    Udena

    Koning Udena was de koning van Vamsa.

    Upaka

    Een Ajivaka asceet die de Boeddha tegen kwam direct na zijn verlichting. Zie Dhp353 en M026 — Ariyapariyesana Sutta — De edele zoektocht.

    Upali

    Een van de arahat discipelen. Hij was de meester van de Vinaya Pitaka.

    Upasiva

    Brahmaanse student. Zie o.a. Snp5-00; Snp5-06.

    Upatissa

    Oorspronkelijke naam van Sariputta.

    Upavana

    Een monnik die eens de hulpmonnik van de Boeddha is geweest. Eens werd hij door de Boeddha gemaand opzij te gaan zodat hij niet in het zicht van de deva's stond toen hij de Meester koelte toewuifde. Zie D16.

    Uppalavanna

    Omschrijving volgt. Zie ook J354.

    Uruvela Kassapa

    Zie Maha Kassapa.

    Uttama

    Een non van de Boeddha, een vrouw die het Arahatschap heeft verworven. Zie haar vers in de Therigatha Thig03-002.

    v

    Vacchagotta

    Een zwervende asceet.

    Vajiri

    Prinses Vajiri, zie o.a. M087.

    Vakkali

    Een monnik die vanwege zijn ongeneeslijke ziekte zichzelf doodde. Hij was een Arahat.

    Vangisa

    Monnik van de Boeddha en leerling van Nigrodhakappa. Zie o.a. Snp2-12; Snp3-03.

    Vappa

    Een van de vijf eerste monniken. Zie o.a. S22-059;Thag01-061.

    Vasabha

    Koningin Vasabha, vrouw van koning Pasenadi. Ook Vasabhakhattiya. Zie o.a. M087.

    Vasabhakhattiya

    De dochter van een slavin van Mahanama, moeder van Vidudabha. Ook Vasabha.

    Vasettha

    Een brahmaan ten tijde van de Boeddha. Zie o.a. Snp3-09. Vasettha kan ook een familienaam zijn, zie D16.

    Vasitthi

    Een non van de Boeddha, een vrouw die het Arahatschap heeft verworven. Zie haar vers in de Therigatha Thig06-002.

    Vassakara

    Samen met Sunidha was hij de hoofdminister van Koning Ajatasattu. Zij bouwden vestigingen bij Pataligama (Patna) ter verdediging tegen de Vajji's.

    Vedehika

    Een huisvrouw van Savatthi, meesteres van Kali. Zie M021.

    Vedehiputta

    Zie Asoka.

    Vessavana Kuvera

    Een koning. Zie o.a. Snp2-14.

    Vidudabha

    De zoon van koning Pasenadi tegen wie hij wrokgevoelens koesterde toen de koning op hogere leeftijd was. Ook rekende hij af met de Sakya's.

    Opmerkingen

    Onduidelijkheid

    Ergens zit er een onduidelijkheid in het verhaal: enerzijds wordt verteld dat Vidudabha de zoon van koning Pasenadi is en de zoon van Vasabhakhattiya (of Vasabha), een van zijn vrouwen. Maar Vasabhakhattiya was uitgehuwelijkt aan de zoon van koning Pasenadi... Het kan natuurlijk ook zijn dat zowel de zoon als de kleinzoon van Pasenadi de naam Vidudabha droeg. Moet dus nog proberen te achterhalen hoe dat precies zit.

    Vimala

    Visakha

    De belangrijkste vrouwelijke sponsor van de Boeddha. Een lekenvolgelinge die de acht gunsten vroeg aan de Boeddha en deze kreeg. Zij schonk het Pubbarama klooster aan de oostelijke kant van Savatthi. Haar geboorteplaats was Bhaddiya in het koninkrijk Anga. Haar grootvader was Mendaka; haar vader heette Dhanañjaya; haar schoonvader Migara.

    Omdat zij, gezien de graden van heiligheid, verder gevorderd was dan haar schoonvader, werd zij, ondanks zij jonger was, 'Migara's moeder' genoemd (Migaramatu).

    In de boeken staat dat Visakha tien zonen en tien dochters had. Zij stierf op de rijpe leeftijd van 120 jaar.

    Voor meer over deze persoon, zie Visakha op de pagina Tijdgenoten van de Boeddha.

    Vyagghapajja

    De familienaam van Dighajanu, 'Lange Knieën'. Vyagghapajja betekent 'Tijgers-pad'. Hij werd zo genoemd omdat zijn stamouders geboren waren op een bospad dat door tijgers werd geteisterd. Vyagghapajja was Dighajanu's familienaam.

    w

    x

    y

    Yasa

    De jongeling van Isipatana. Nadat Yasa was toegetreden tot de Sangha, volgden ook zijn vier vrienden: Gawampati, Punnaji, Subahu, Wimala.

    Yasodhara

    z

    zzz

    Eindnoten

    [1] Bedrieglijk, spitsvondig, vals redenerend.

    Document info
    RegID Hlp004
    Bijgewerkt 21 februari 2021 01:49:50
    Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
    Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
    Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
    Overig Geen