De Eerwaarde Radha

Voor veel mensen is het moeilijk om open te staan voor het advies van een wijs mens. Ego's die hun visie (vooral door gevoelens) laten leiden, komen in hevige opstand wanneer zij met de realiteit worden geconfronteerd. Men voelt zich dan snel aangevallen en beledigd. Door deze hooghartigheid is het niet mogelijk om waar respect voor een leraar te hebben.

Het advies van een wijze is als het openbaren van een schat

076. Als iemand een wijs man ontmoet die zijn gebreken opspoort en zijn afkeuring hierover te kennen geeft, dan is dit iemand die een verborgen schat openbaart; met zulk een wijze moet iemand omgaan. In zo'n gezelschap wordt iemand verrijkt en gaat er nooit op achteruit.

nidhinam'va pavattaram yam passe vajjadassinam niggayha vadim medhavim tadisam panditam bhaje tadisam bhajamanassa seyyo hoti na papiyo

Door om te gaan met wijze mensen die als 'schatopenbaarders' zijn, worden je fouten in een opbouwende wijze getoond.

Als iemand een wijs mens ontdekt die hem op zijn fouten wijst en hem noodzakelijkerwijs corrigeert, zou men hem moeten aanzien als iemand waardoor een kostbare schat wordt geopenbaard. Zijn gezelschap moet worden gezocht. De omgang met zulke personen zal betere mensen van hen maken.

Terwijl de Boeddha in het Jetavana Klooster verbleef, sprak de Boeddha dit vers met verwijzing naar de monnik Radha, die eens een arme oude brahmaan was.

Radha was een arme brahmaan die in het klooster verbleef om wat kleine diensten voor de monniken te verrichten. Voor zijn diensten werden hem wat voedsel en kleding en wat andere benodigdheden gegeven, maar hij werd niet aangemoedigd zich bij de Sangha aan te sluiten, hoewel hij een sterk verlangen voelde om monnik te worden.

Op een dag, vroeg in de morgen, toen de Boeddha met zijn bovennatuurlijke kracht de wereld inspecteerde[1], kreeg hij de arme brahmaan in zijn gezichtsveld en wist hij dat hij gereed was voor Arahatschap. Dus ging de Boeddha naar de oude man, en hoorde van hem dat de monniken in het klooster niet wilden dat hij tot de Sangha toetrad. De Boeddha riep daarom alle monniken bij zich en vroeg hen: "Is er hier een monnik die zich herinnert dat deze oude man ooit eens een goede dienst voor hem heeft verricht?" Op deze vraag antwoordde de Eerwaarde Sariputta: "Eerwaarde, ik herinner me een geval waarin deze oude man me een lepel vol met rijst aanbood."

"Als dat zo is," zei de Boeddha, "zouden jullie je weldoener dan niet eens helpen om bevrijd te raken van de ziekten des levens?" De Eerwaarde Sariputta ging er toen mee akkoord om van de oude man een monnik te maken, en hij werd direct toegelaten tot de Sangha. Eerwaarde Sariputta begeleidde de oude monnik die zijn instructies strikt opvolgde. Binnen een paar dagen verwierf de oude monnik Arahatschap.

Toen de Boeddha de volgende keer kwam om de monniken te ontmoeten, rapporteerden zij hem hoe strikt de oude monnik de instructies van Eerwaarde Sariputta opvolgde. De Boeddha zei tot hen, dat een monnik zo open moet zijn als Radha om onderwezen te worden, en zich niet beledigd moet voelen wanneer men hem berispt omtrent een fout of een falen. En toen uitte hij het vers waar dit verhaal mee begon.

De Boeddha zei: "Eerwaarde Sariputta was in een vorig leven de solitair levende olifant die zijn zoon, de zuivere witte olifant, voorstelde aan de timmerlieden. Hij deed dat uit dankbaarheid voor de dienst die zij hem bewezen hadden door zijn voet te genezen."

Toen hij dit had gezegd over de Eerwaarde Sariputta, zei hij, met verwijzing naar Eerwaarde Radha: "Monniken, wanneer een monnik op een fout wordt gewezen, behoort hij open te staan voor discipline[2] zoals Radha, en wanneer hij berispt wordt, moet hij zich niet beledigd voelen."

Uitleg vertaling vers 76

vajjadassinam niggayhavadim medhavim yam nidhinam pavattaram iva passe tadisam panditam bhaje tadisam bhajamanassa seyyo hoti papiyo na

vajjadassinam: die fouten aanwijst; niggayhavadim: die constructief berispt; medhavim: wijze; yam: wie; nidhinam pavattaram iva: zoals een schatgraver; passe: ontdekken; tadisam: zulk; panditam: een wijs mens; bhaje: moet iemand mee omgaan; tadisam: zulk een persoon; bhajamanassa: voor een individu die omgaat; seyyo: goed; hoti: zal gebeuren; papiyo: kwaad; na: zal niet gebeuren

Commentaar

vajjadassinam; niggayhavadim: Iemand die er de fouten uithaalt; iemand die berispt. Deze twee kwaliteiten worden aangevoerd als de karaktertrekken van een persoon die constructief bekritiseert.

Er zijn mensen die anderen op fouten wijzen en berispen met de bedoeling hen te beledigen. Maar hier bedoelt men de constructieve critici. Zij benadrukken natuurlijk fouten en zij berispen, maar de achterliggende bedoeling is anders. Zij treden bij deze activiteiten op als 'schat openbaarders'. Hoe kun je nu een 'schatopenbaarder' beschrijven als iemand die beledigend is? Een gids die iemand met verkeerde bedoelingen berispt, zal onbekwaam zijn de leerling te laten beseffen welke innerlijke persoonlijke schatten hij bezit, en hij zal niet in staat zijn van hem een expert in goed gedrag te maken, zodat hij met tevredenheid voort kan gaan op het pad naar realisatie.

Eindnoten

[1] Zie Dhp227-230, paragraaf De laatste wake, voor een gedetailleerde beschrijving over hoe de Boeddha zijn dag begon.

[2] O.a. ook de discipline om adviezen op te volgen. Wanneer het ego dominant is, zal men zich sneller tegen de leraar keren en opstandig worden.

Document info
RegID Dhp076
Bijgewerkt 22 juni 2020 08:53:48
Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Dhammapada 76