De vijf oude monniken en de lekenvolgelinge

Vijf oude monniken hebben verdriet om een vrouw. Het zijn niet de dingen en mensen wat verdriet en ellende veroorzaakt, maar het hechten aan dingen en mensen...

Kap het bos en het struikgewas om

283. Monniken, kap het woud om maar niet de alleenstaande boom, want het is het woud en het struikgewas waar vanuit angst ontstaat. Na dit te hebben omgekapt zul je Nibbana bereiken.

vanam chindatha ma rukkham vanato jayati bhayam chetva vanaña vantham ca nibbana hotha bhikkhavo

Kap het bos en het struikgewas om, maar niet de alleenstaande boom. Het is het bos en het struikgewas dat angst voortbrengt. Bevrijd je daarvan.

Monniken, kap het woud van bezoedelingen om, maar kap niet de alleenstaande boom om. Angst komt voort uit het woud van bezoedelingen. Veeg het schoon, zowel het woud als het struikgewas. Wanneer dit kapwerk volbracht is heb je Nibbana verwerkelijkt.

Gehechtheid aan vrouwen

284. Zolang er het struikgewas van bezoedelingen van de man naar de vrouw bestaat, zo lang is die man in zijn geest gehecht, precies zoals een kalf gehecht is aan de moederkoe.

yavam hi vanatho na chijjati anumatto'pi narassa narisu patibaddhamano'va tava so vaccho khirapako'va matari

Zolang de hartstocht van de man naar vrouwen niet afgekapt is, ligt de geest aan banden.

Zolang de geest van de man gehecht is aan vrouwen, al is het slechts een moment, zolang zal zijn geest gehecht zijn, precies zoals een kalf gehecht is aan de moederkoe. Zijn gehechtheid (die niet verwijderd is) is als het niet gekapte struikgewas in het bos.

Terwijl de Boeddha in het Jetavana klooster verbleef, sprak de Boeddha dit vers, met verwijzing naar vijf oude monniken.

Het verhaal gaat, dat toen zij nog het huiselijke leven leidden, zij rijke huishouders waren die in Savatthi woonden. Als goede vrienden van elkaar, verenigden zij zich voor het doen van goede zaken. Toen ze de Boeddha hoorden prediken, zeiden ze tegen elkaar: "Wij zijn oude mannen; waarom zouden we nog langer lekenvolgelingen blijven?" En zodoende vroegen ze de Boeddha om hen in te wijden in de Sangha; ze trokken zich terug van de wereld en kozen voor het kloosterleven. Vanwege hun hoge leeftijd, waren zij niet in staat om de Dhamma uit hun hoofd te leren; daarom bouwden ze een kluizenaarshut van bladeren en gras aan de grens van het klooster om daar gezamenlijk in te leven. Tijdens hun bedelronden gingen ze vaak naar de huizen van hun zonen en vrouwen waar zij hun maaltijd in ontvangst namen.

De vrouw van een van de oude monniken, Madhurapacika, was een goede vriendin van hen. Daarom verkregen zij gewoonlijk hun maaltijden bij haar en namen zij daar plaats om hun maaltijd te nuttigen. Madhurapacika zou hen uit haar voorraad sauzen en curies hebben gegeven. Maar in de loop van de tijd werd ze getroffen door een of andere ziekte en stierf ze. Daarop verzamelden de bejaarden monniken zich in een van hun hutten; ze vielen elkaar om de nek, weenden en weeklaagden en riepen: "Madhurapacika, de lekenvolgelinge is dood!" Daarop kwamen andere monniken uit alle windrichtingen en vroegen: "Broeders, wat is er aan de hand?" De oude monniken antwoordden: "Eerwaarden, de vrouw die voorheen de vrouw van onze metgezel was, is overleden. Zij was een zeer vrijgevige weldoenster van ons. Waar zullen wij nu een soortgelijk vrouw vinden? Dit is waarom wij treuren."

En de monniken begonnen een discussie in de Hal van Waarheid. Toen de Boeddha binnen kwam, vroeg hij: "Monniken, wat is het onderwerp van jullie discussie, nu jullie hier bij elkaar zitten?" Toen zij het hem vertelden, zei hij: "Monniken, dit is niet de eerste keer dat zij zich zo gedragen; in een vorig leven deed zich dezelfde situatie voor."

"In een vorige staat van bestaan waren zij allen geboren als kraaien. Toen zij (Madhurapacika) langs de kust van de zee liep, greep een golf haar en wierp haar de zee in waarin zij verdween. Daarop weenden en weeklaagden zij en zeiden: 'We zullen haar eruit trekken', en meteen begonnen ze met hun snavel aan een poging om de grote oceaan leeg te scheppen. Uiteindelijk waren ze door dit gekkenwerk uitgeput."

Nadat de Boeddha deze Kaka Jataka in detail uiteengezet had, sprak hij de monniken als volgt aan: "Monniken, voor zover jullie zijn blootgesteld aan dit lijden vanwege het woud van begeerte (lobha), haat (dosa) en begoocheling (moha), past het jullie om dit woud om te kappen, want door dit te doen zullen jullie bevrijding van lijden verwerven."

Uitleg vertaling vers 283

bhikkhavo vanam chindatha ma rukkham vanato bhayam jayati vanañca vanathañca chetva nibbana hotha

bhikkhavo: monniken; vanam: het woud (van bezoedelingen); chindatha: omkappen; ma rukkham: (kap) niet de boom (om); vanato: van het woud (van bezoedelingen); bhayam: angst; jayati: ontstaat; vanañca: het woud; vanathañca: en ook het struikgewas; chetva: te hebben omgekapt; nibbana hotha: verwerf je Nibbana

Uitleg vertaling vers 284

narassa narisu anumatto api vanatho yavam hi na chijjati tava so matari khirapako vaccho iva patibaddhamano eva

narassa: de man; narisu: naar vrouwen; anumatto api: zelfs het geringste; vanatho: het struikgewas van bezoedelinge (bestaat); yavam hi: zolang als; na chijjati: (is dit) niet vernietigd; tava: tot dan; so: die man; matari: (gehecht) aan de moederkoe; khirapako: zuigeling; vaccho iva: zoals een kalf; patibaddhamano eva: zal zeker mentaal (aan vrouwen) gehecht zijn

Commentaar

narassa narisu: de man naar vrouwen. De Boeddha verwijst naar de sterke en onbeteugelde gehechtheid die een man voor vrouwen koestert (en andersom natuurlijk). De houding van de Boeddha ten opzichte van seks is overduidelijk in bepaalde gedeelten van zijn toespraken (sutta's). De openende toespraken van de Anguttara Nikaya geven o.a. het volgende aan:

"Monniken, ik ken geen enkele andere vorm waardoor het hart van een man wordt aangetrokken, dan de vorm van een vrouw. Monniken, de vorm van een vrouw vult de geest van een man. Monniken, ik ken geen enkel ander geluid (...) ik ken geen enkel andere geur (...) ik ken geen enkel andere smaak (...) ik ken geen enkel andere aanraking (...) waardoor het hart van een man meer wordt aangetrokken, dan de aanraking van een vrouw. Het geluid, de geur, de smaak, de aanraking van een vrouw, vult de geest van de man."

"Monniken, ik ken geen enkele andere vorm, geluid, geur, smaak en aanraking waardoor het hart van een vrouw meer wordt aangetrokken, dan de vorm, het geluid, de geur, de smaak en de aanraking van een man. Monniken, de geest van een vrouw wordt door deze dingen gevuld."

Hier is een toespraak over seks, in onmiskenbare taal de waarheid verklaard, die geen enkel gezond mens kan ontkennen. Seks is door de Boeddha omschreven als de meest sterke impuls in de mens. Als iemand een slaaf wordt van deze impuls, verandert zelfs de meest sterke mens in een ware slappeling; zelfs een heilige zakt van een hoger naar een lager niveau. De seksuele drang is een vuur dat met grote voorzichtigheid verzorgd dient te worden, vooral in de jeugd. Wanneer iemand niet oplettend en beheerst is, kan het onnoemelijk veel leed veroorzaken. Er is geen vuur zo hevig als het vuur van hartstocht. Hartstochten sterven niet weg, ze branden weg.

Omdat de Boeddha een praktische filosoof was, verwachtte hij van zijn lekenvolgelingen niet dat zij een ascetisch leven zouden leiden. Sterker nog, hij noemde hen 'genieters van zintuiglijke plezieren' (gihi kamabhogi). Omdat hij weldegelijk de instincten, de impulsen, de lusten en de driften van de mens kende, verbood de Meester seksuele relaties niet voor de lekenvolgelingen zoals hij dat wel voor de monniken en nonnen deed. Maar hij waarschuwde de mensen voor de verkeerde manier van het bevredigen van seksuele verlangens. Hij ging een stap verder en raadde de inachtneming van de acht voorschriften aan, met speciale nadruk op de derde regel voor de lekenvolgeling gedurende de vastendagen van afzondering (uposatha) of wanneer de gelegenheid zich daar toe diende.

Wanneer iemand alleen wil leven, dan zou hij ware inspanning moeten aanwenden om zuiver te zijn in lichamelijk gedrag, in spraak en in gedachten. Als hij niet sterk genoeg is om alleen te blijven, dan kan hij met een partner samenleven, maar hij moet zich onthouden van seksuele relaties die verkeerd zijn en die leed veroorzaken (zie onder ariya atthangika magga de paragraaf Onthouding van seksueel wangedrag). De Boeddha verklaart o.a. in de Parabhava Sutta — Ondergang (Snp1-06) het volgende:

106. "Een vrouwengek te zijn, een dronkaard, een gokker en alles te verkwisten wat hij verdiend heeft — dit is één oorzaak van iemands ondergang."

108. "Niet tevreden zijn met eigen vrouw, maar gezien worden met een prostituee of met de vrouwen van anderen — dit is één oorzaak van iemands ondergang."

110. "Niet jeugdig meer zijn, een jonge vrouw nemen en het niet kunnen slapen uit jaloersheid vanwege haar — dit is één oorzaak van iemands ondergang."

De Boeddha heeft de kwade resultaten van overspel samengevat in deze woorden:

Vier dingen overkomen een achteloos persoon die slaapt met iemand die (met iemand anders) gehuwd is: hij wint aan zonde maar schiet tekort in slaap, het derde is ongenade, terwijl het vierde de hel (niraya) is. (Dhp309)

Door de houding van de Boeddha moeten wij niet begrijpen dat een leven met een partner verafschuwd moet worden of dat dat verkeerd is. Hij verwijst naar de gehechtheid, en het is juist de gehechtheid die ware liefde voor elkaar in de weg staat; door gehechtheid is er claimingsdrang, bezitsdrang etc. (zie o.a. pema). Een leven met een echte partner, iemand die je maatje is, kan heel mooi en edel zijn. En aan seks is helemaal niks verkeerd, mits dit op de juiste manier bedreven wordt en waarbij extremen vermeden worden.

Document info
RegID Dhp283-284
Bijgewerkt 22 juni 2020 09:02:05
Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen