Het ongeconditioneerde

Nibbana

Nibbana is het hoogste doel van alle boeddhistische aspiraties. Het is een bovenwereldse staat die niet volledig in wereldse woorden kan worden uitgedrukt.

Inhoudsopgave

Wat is Nibbana?

De schildpad en de vis over Nibbana

De parabel van de man en de honing

Overige definities van Nibbana

Nibbana element

Uitspraken

nibbana

'Uitblussing'; 'vrijheid van begeerte'.

Wat is Nibbana?

Voor Nibbana zijn er verscheidene namen die verwijzen naar Nibbana, zoals vupasama: 'afnemen van hartstocht' (waardoor je vrediger wordt); accutam thanam: 'de onveranderlijke plaats'; upasama: 'vrede'; asankhata: 'het ongeconditioneerde'; asankhata paramattha: 'ongeconditioneerde realiteit'; khemam: 'veiligheid'; santi: 'vrede'; animitta: 'het tekenloze'; amara: 'het onsterfelijke'; amatam padam: 'de onsterfelijke staat'; nippapañca: 'vrijheid van samsarische toename'; anatam: 'het ongekunstelde'; dhuva: 'stabiel'; panitam: 'verheven'; subha; 'wenselijk'; suddhi: 'zuiverheid'.

Alles verandert, maar deze regel gaat niet op voor Nibbana omdat Nibbana het ongeconditioneerde (asankhata) is. In tegenstelling tot samsara, het bestaan van verschijnselen, is Nibbana eeuwig (dhuva), wenselijk (subha), en gelukkig (sukha).

Volgens het boeddhisme zijn alle dingen, werelds (lokiya) of bovenwerelds (lokuttara), geclassificeerd in twee groepen, namelijk: datgene dat geconditioneerd is door oorzaken (sankhata) en datgene dat niet geconditioneerd is door oorzaken (asankhata).

"De volgende drie zijn de kenmerken van alle geconditioneerde dingen (sankhatalakkhanani): opkomen (uppada), vergaan (vaya) en verandering van toestand (thitassa aññatattam)."

Opkomen, ontstaan (of worden), is een essentieel kenmerk van alles dat geconditioneerd is door een oorzaak of oorzaken oftewel een voorwaardelijke conditie (paccaya). Dat wat opkomt of wordt, is onderworpen aan verandering en ontbinding. Elk geconditioneerd ding is een constant worden en is eeuwig aan het veranderen. De universele wet van verandering geldt voor alles in de kosmos — zowel mentaal als fysiek — van de meest minuscule kiem tot aan het hoogste wezen of het meest massale object. De geest, hoewel die niet waarneembaar is, verandert zelfs sneller dan materie.

Nibbana, een bovenwereldse (lokuttara) staat, gerealiseerd door Boeddha's en arahats, is verklaard door geen enkele oorzaak geconditioneerd te zijn. Vandaar dat het niet onderworpen is aan worden, verandering en ontbinding. Het is zonder geboorte (ajata), zonder ouderdom (ajara) en het is onsterfelijk (amara). Strikt gesproken is Nibbana noch een oorzaak, noch een gevolg. Daarom is het uniek (kevala). Alles dat van een oorzaak ontspringt moet onvermijdelijk weer verdwijnen, en zoiets is onwenselijk (asubha). Maar Nibbana is ongeconditioneerd en daarom wenselijk (subha).

Het leven is iemands dierbaarste bezit, maar wanneer iemand geconfronteerd wordt met onoverkomelijke moeilijkheden en onverdraagbare lasten, wordt dat leven een ondraagbare last. Soms probeert men bevrijding te vinden door een einde aan het leven te maken alsof zelfmoord alle individuele problemen zal oplossen. Lichamen worden verfraaid en aanbeden. Maar zulke bekoorlijke, aanbiddelijke en verlokkelijke vormen, worden extreem verwerpelijk wanneer zij door de tijd en door ziekten misvormd worden. Mensen verlangen ernaar om vredig en gelukkig met hun verwanten te leven, omringt met amusement en geneugten, maar als door een of ander ongeluk het slechte van de wereld ingaat tegen hun ambities en verlangens, is het onvermijdelijke lijden (dukkha) onbeschrijfelijk scherp.

Het volgende vers uit de Dhammapada sprak de Boeddha naar aanleiding van een gebeurtenis die te lezen is in Dhp225 — De brahmaan die de vader van de Boeddha was geweest.

225. Zulke geweldloze wijzen, die het lichaam beheersen, komen tot de Onsterfelijke Staat, waar zij, eenmaal daar aangekomen, vrij zijn van lijden.

ahimsaka munayo niccam kayena samvuta te yanti accutam thanam yattha gantva na socare

Met voortdurende beteugeling van het lichaam en zonder kwaad te doen, gaan zij naar het van lijden verstoken, onsterfelijke Nibbana.

De schildpad en de vis over Nibbana

Er zijn boeken volgeschreven over een antwoord op deze heel natuurlijke en simpele vraag 'Wat is Nibbana?' Uiteindelijk hebben ze alleen maar veel meer verwarring gezaaid dan helderheid gebracht. Het enige voor rede vatbare antwoord dat op de vraag te geven valt, is dat deze vraag nooit compleet beantwoord kan worden. Het begrip Nibbana kan niet in woorden samengevat worden, omdat de menselijke taal te arm is om de ware natuur van de Absolute Waarheid of Uiterste Realiteit uit te drukken, hetgeen Nibbana is. Taal is gemaakt en wordt gebruikt door massa's mensen om dingen en ideeën uit te drukken die zij ervaren hebben via hun zintuiglijke organen en hun geest. Een dergelijke bovenwereldse (lokuttara) ervaring valt niet onder deze categorie. Daarom kunnen er geen woorden zijn om die ervaring uit te drukken, net zoals de landschildpad geen woorden in zijn woordenschat had om aan de vis de aard van het vaste land uit te leggen.

De landschildpad vertelde aan zijn vriend de vis dat hij (de landschildpad) zojuist teruggekeerd was van een wandeling op het land. "Je bedoelt natuurlijk zwemmend", zei de vis. De landschildpad probeerde uit te leggen dat je op het land niet kunt zwemmen, dat het vast was, en dat je erover moet lopen. Maar de vis bleef erbij dat er niet zoiets kon bestaan, dat het vloeibaar moest zijn zoals zijn meer, met golven, en dat men in staat moest zijn er in te kunnen duiken en er in te zwemmen.

De parabel van de man en de honing

De volgende mooie parabel illustreert treffend de vergankelijke aard van het leven en haar verleidelijke genoegens.

Een man baande zich een weg door een dicht begroeid woud vol met doornstruiken en stenen. Plotseling, tot zijn grote ontsteltenis, doemt er een olifant voor hem op die de achtervolging op hem inzet. Uit angst neemt hij de benen en als hij een put ziet, rent hij ernaar toe om zich erin te verschuilen. Maar tot zijn grote angst (bhaya) ziet hij een adder op de bodem van de put. Hoe dan ook, omdat hij geen andere mogelijkheden ziet om te kunnen ontsnappen (nissarana), springt hij in de put en grijpt zich vast aan een doornige kruipplant die daar groeit.

Als hij opkijkt, ziet hij twee muizen: een witte en een zwarte die aan de kruipplant knagen. Boven z'n hoofd hangt een bijennest waaruit zo nu en dan wat honing sijpelt. Deze man, op hachelijke wijze zich niet gewaar van deze onzekere situatie, proeft hij begerig aan de honing. Een vriendelijk persoon biedt hem vrijwillig aan een pad ter ontsnapping (nissarana) aan te tonen, maar de begerige man smeekt hem te verontschuldigen totdat hij zichzelf heeft verzadigd in zijn genoegens.

Het doornige pad is samsara, de oceaan van het leven. Het is vol moeilijkheden (dukkha) en gevaren (adinava) die overwonnen moeten worden, vol met tegenstellingen en onrechtvaardige kritiek waaruit aanvallen en beledigingen voortkomen. Zo is het doornige pad van het leven. De olifant staat hier voor de dood (marana); de adder voor ouderdom (jara); de kruipplant voor geboorte; de twee muizen voor dag en nacht (de tegenstellingen). De druppels honing vertegenwoordigen de voorbijgaande zintuiglijke geneugten (kamacchanda). De man vertegenwoordigt het zogeheten wezen. De vriendelijke persoon die vrijwillig aanbood een pad ter ontsnapping te tonen, is de Boeddha.

Het tijdelijke wereldse geluk is louter de bevrediging van een zintuiglijk verlangen. Wanneer iets waarnaar verlangd wordt, verkregen wordt, verrijst er vanzelf weer een ander verlangen. Want menselijke verlangens zijn onverzadigbaar! Lijden is iets fundamenteels van het bestaan en kan niet vermeden worden als je het bestaan vastgrijpt, het bestaan dat geconditioneerd (sankhata) is. Maar Nibbana is niet geconditioneerd (asankhata), het is eeuwig (dhuva), wenselijk (subha), en gelukkig (sukha).

Er moet een onderscheid gezien worden in het geluk van Nibbana en het gewone wereldse geluk. Het geluk van Nibbana groeit noch vanuit het oude, noch is het monotoon of saai. Het is een vorm van geluk welke nooit vermoeit, nooit wisselt of schommelt. Het verrijst door het afnemen van hartstocht (vupasama) zoals het tijdelijke wereldse geluk dat enkel het gevolg is van de bevrediging van een verlangen (vedayita).

Overige definities van Nibbana

Nibbana is de ware natuur van de mens en het hoogste doel van alle boeddhistische aspiraties — dat wil zeggen, absolute uitblussing van de zich aan het leven verankerende wil, welke zich manifesteert als hebzucht (lobha), haat (dosa) en begoocheling (moha), en het krampachtige hechten (upadana) aan het bestaan (bhava tanha). Daarmee is Nibbana de verheven en absolute bevrijding van alle toekomstige geboorten (jati), ouderdom (jara), ziekte (vyadhi) en dood (marana). Het is de bevrijding van alle lijden en ellende (dukkha).

In het Pali wordt nooit gesproken over 'het Nibbana binnengaan' of er 'naar toe gaan' omdat er, als een verlicht mens sterft, niet een wezen is dat Nibbana binnengaat of er naar toe gaat. Na de dood van een verlicht persoon (arahat) kan er over hem niets meer worden gezegd dat nog enige betekenis heeft, omdat er in zo'n geval van uitblussing (nirodha) geen spoor meer van 'ik' is.

Het is niet correct te denken dat Nibbana het natuurlijke resultaat is van de uitblussing van begeerte (tanha). Nibbana is niet een resultaat van iets. Als het een resultaat van iets zou zijn, zou het een gevolg zijn, een effect dat door een oorzaak voortgebracht werd. Het zou sankhata, 'voortgebracht', 'geconditioneerd' zijn. Maar Nibbana is het ongeconditioneerde (asankhata). Nibbana is noch oorzaak noch gevolg. Het is voorbij oorzaak en gevolg. Waarheid is niet een resultaat of een effect van iets. Het is niet geproduceerd als een mystieke, spirituele mentale staat, als jhana of samadhi.

Nibbana element

Nibbana dhatu, oftewel het 'Nibbana element' duidt op de mentale staat van een arahat. Er zijn twee vormen: sa upadi sesa nibbana, en anupadi sesa nibbana.

De volledige uitblussing van bezoedelingen (kilesa parinibbana), ook wel genoemd sa upadi sesa nibbana, zie It041, dat wil zeggen, 'Nibbana met de groepen van het bestaan (de khandha's) nog resterend', (zie upadi). Dit vindt plaats tijdens de verwerving van arahatschap oftewel perfecte heiligheid. 'Resterend' betekent dat de groepen van het bestaan tijdens het leven van de arahat uiteraard wel aanwezig zijn, maar dat ze geen enkele invloed meer op hem hebben.

De volledige uitblussing van de groepen van het bestaan (khandha parinibbana), ook genoemd anupadi sesa nibbana, zie It041; A04-118, dat wil zeggen, 'Nibbana zonder de groepen (khandha) resterend', in andere woorden: 'het tot rust komen', of nog beter, 'het niet meer continueren' van dit fysiek-mentale proces van bestaan. Dit vindt plaats op het moment van de dood van een arahat. Hoewel het einde van de cyclus (samsara) al is bereik op het moment van arahatschap tijdens het leven, is er op het moment van de dood, niets meer van hem over. De groepen die al eerder geen invloed op hem hadden, zijn opgehouden te continueren. Nu is er totaal niets meer van de arahat overgebleven.

Uitspraken

Laten we een paar andere definities en beschrijvingen van Nibbana onder de loep nemen zoals die in de originele Pali teksten gevonden worden:

Er is, monniken, een staat waar geen aarde, geen water, geen vuur, geen lucht is;
geen voorwaarde (paccaya) voor het bestaan van oneindige ruimte (akasanañcayatana),
geen voorwaarde voor het bestaan van oneindig bewustzijn (viññanañcayatana),
geen voorwaarde voor het bestaan van niets-heid (akiñcaññayatana),
geen voorwaarde voor het bestaan van noch waarnemen noch niet waarnemen (n'eva sañña nasaññayatana);
noch deze wereld, noch een andere wereld, noch beiden:
noch zon noch maan[1].

Hier, monniken, zeg ik, is er geen komen, geen gaan, geen staan, noch dood noch geboorte. Zonder afhankelijkheid, niet gemaakt, dit is zonder zintuiglijke objecten. Dit is inderdaad het einde van lijden."

Ud8-01

Het ongekunstelde is moeilijk te zien,
de waarheid is niet makkelijk te zien;
hunkering wordt doorgrond door hem die weet,
er is geen hindernis voor hem die ziet.

Ud8-02

Er is, monniken, het niet-geborene, het niet-gewordene, het niet-geschapene, het niet-gevormde.

Als, monniken, dit niet-geborene, niet-gewordene, niet-geschapene, niet-gevormde er niet zou zijn
dan zou hier geen ontkomen aan het geborene, het gewordene, het geschapene, het gevormde te bespeuren zijn.

Maar omdat het niet-geborene, het niet-gewordene, het niet-geschapene, het niet-gevormde er is, is het mogelijk een ontkomen aan het geborene, het gewordene, het geschapene, het gevormde te bespeuren.

Ud8-03

Voor wie zich ergens aan vastklampt is er instabiliteit,
wie zich nergens aan vastklampt is er geen instabiliteit;
als er geen instabiliteit is, is er kalmte;
als er kalmte is, is er geen begeerte:
als er geen begeerte is, is er geen komen en gaan;
als er geen komen en gaan is, is er geen dood en geboorte;
als er geen dood en geboorte is, is er noch 'hier' noch 'voorbij' noch 'tussen de twee'.

Dit is eenvoudigweg het einde van lijden.

Ud8-04

"Monniken, wat is het ongeconditioneerde, het absolute (asankhata)? Monniken, het is de uitblussing van begeerte (ragakkhayo), de uitblussing van haat (dosakkhayo), de uitblussing van illusie (mohakkhayo). Dit, monniken, wordt het absolute (asankhata) genoemd."

S38-001

"In vervoering gebracht door begeerte (raga), woedend door haat (dosa), verblindt door begoocheling (moha), overstelpt, met een verstrikte geest, brengt dit een mens tot zijn eigen verwoesting, de verwoesting van anderen, de verwoesting van beiden, en ervaart hij mentaal lijden en verdriet. Maar als begeerte, haat en begoocheling zijn opgegeven, brengt dit een mens noch tot zijn eigen verwoesting, noch tot de verwoesting van anderen, en ervaart hij geen mentaal lijden en verdriet. Zo is Nibbana zichtbaar in dit leven, onmiddellijk, uitnodigend, aantrekkelijk, en begrijpelijk voor de wijzen."

"Dit, monniken, is waarlijk de vrede, dit is het hoogste, namelijk het einde van alle formaties (sankhara), het verzaken van ieder substratum voor wedergeboorte (upadhi), het verwelken van begeerte (tanha), gehechtheid (upadana), uitblussing (nirodha), Nibbana."

A03-032

"Net zoals de wind een stevige rotsblok niet in beweging brengt, zo kunnen noch zichtbare objecten, noch geluiden, noch geuren, noch smaken, noch tastbare dingen, noch het begeerde noch het niet-begeerde (van de geest), iemand van zulk een karakter aan het wankelen brengen. Zijn geest is gelijkmoedig (upekkha); bevrijding (vimutti) is verworven."

A06-055

"Het is de volledige opheffing van die enorme dorst (tanha), het opgeven, het verzaken, het er vrij van zijn, de onthechting ervan."

"Het tot rust brengen van alle opkomende dingen, het opgeven van alle bezoedelingen, uitdoving van begeerte (tanha), onthechting (viraga), opheffing (nirodha), Nibbana."

"Radha, de uitblussing van begeerte (tanhakkhayo) is Nibbana."

"Monniken, wat er ook is, geconditioneerde of ongeconditioneerde dingen, onthechting (viraga) is van al die dingen het allerhoogst."

"Dat betekent vrijheid van verwaandheid en eigendunk (mana), vernietiging van begeerte (tanha), de ontworteling van gehechtheid (viraga), het doorkappen van het continueren, de uitblussing van hartstocht (raga) en gehechtheid (upadana), opheffing (nirodha), Nibbana."

"Hier hebben de vier elementen van vastheid, vloeibaarheid, temperatuur en ruimte geen plaats; de noties van lengte en breedte, het subtiele en het grove, goed en kwaad, geest en lichaam (nama rupa) zijn alle tezamen vernietigd; noch deze wereld noch de andere, noch komen, gaan of staan, noch dood noch geboorte, noch zintuiglijke objecten worden er aangetroffen."

"Er is, monniken, een staat waar geen aarde, geen water, geen vuur, geen lucht is (dhatu); geen basis voor het bestaan van de oneindigheid van ruimte, geen basis voor het bestaan van de oneindigheid van bewustzijn, geen basis voor het bestaan van de oneindigheid van niets-heid, geen basis voor het bestaan van noch waarnemen noch niet waarnemen (zie jhana); noch deze wereld, noch een andere wereld, noch beiden: noch zon noch maan."

Eindnoten

[1] De vier elementen zijn de voornaamste elementen van materie, zie dhatu A. De vier 'onstoffelijke sferen', subtielste aspecten van waarneming, kunnen ervaren worden in het meest gevorderde stadium van meditatie, maar zijn nog steeds 'werelds' en dus anders dan Nibbana, zie jhana 5-8. 'Zon en maan' kan men beschouwen als het algehele fysieke universum.

Document info
RegID INdDObJ8RRyEiG3
Bijgewerkt 12 november 2023 15:51:07
Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen