Gewedijver en geschillen
Kalahavivāda Sutta
Het ik, verlangens, meningen, gehechtheid en boosheid.
Noot[1]
Kuto·pahūtā, pari·deva·sokā saha·maccharā ca. Mānā·timānā saha·pesuṇā ca. Kuto·pahūtā te tad·iṅgha brūhi.
862. Vragensteller: Hoe (kuto) ontstaan (pahūtā) gewedijver (kalaha) en geschillen (vivāda), geweeklaag (parideva) en verdriet (soka), samen met (saha) afgunst (maccharā), arrogantie en zelfverheffingswaan (mānātimānā) en wederzijdse kwaadsprekerij (sahapesuṇa)? Kunt u mij uitleggen hoe (kuto) dit ontstaat (pahūtā)? Vertelt (brūhi) u (te) mij dit (tad) alstublieft (iṅgha).
863. De Boeddha: Uit hetgeen wat voor bemind (piyā) wordt gehouden ontstaan gewedijver en geschillen, geweeklaag en verdriet, samen met afgunst (maccharā). Arrogantie en zelfverheffingswaan, samen met kwaadsprekerij, gewedijver en geschillen, houden verband (yuttā) met zelfzucht (macchera). En wanneer gewedijver ontstaat (vivādajātesu), daar is kwaadsprekerij (pesuṇāni).
Piyā su lokasmiṁ kuto·nidānā, ye cāpi lobhā vicaranti loke. Āsā ca niṭṭhā ca kuto·nidānā. Ye samparāyāya narassa honti.
864. Vragensteller: Wat (kuto) is de bron (nidānā) van wat wordt bemind (piyā) in de wereld (loke), evenals (cāpi) de hebzucht (lobha) die zich in de wereld rond beweegt (vicaranti)? Wat is de bron van de hoop (āsā) en de conclusie (niṭṭhā) (van die hoop). Welke (ye) bestaan (honti) in de toekomst (samparāyāya) van een mens (narassa)?
Chandānidānāni piyāni loke, ye cāpi lobhā vicaranti loke, āsā ca niṭṭhā ca itonidānā. Ye samparāyāya narassa honti.
865. De Boeddha: Verlangen als bron (chandānidānāni) van wat wordt bemind in de wereld, evenals (cāpi) de hebzucht (lobha) die in de wereld rond beweegt. Hieruit ontstaan hoop en de conclusie in de toekomst van een mens.
Chando nu lokasmiṁ kuto·nidāno, vinicchayā cāpi kuto·pahūtā, kodho mosa·vajjañca kathaṅkathā ca, ye vāpi dhammā samaṇena vuttā.
866. Vragensteller: Wat is de bron van verlangen (chando) in de wereld, waar komen oordelen (vinicchaya) vandaan, woede (kodha), onwaarheid (mosa), verwarring (kathaṅkathā) en alle andere dingen (dhammā) waar de asceet (samaṇena) (de Boeddha) zeer zeker (vāpi) over spreekt (vuttā)?
Sātaṁ asātanti yamāhu loke. Tamūpanissāya pahoti chando. Rūpesu disvā vibhavaṁ bhavañca, vinicchayaṁ kubbati jantu loke.
867. De Boeddha: Het aangename (sātaṁ) en het onaangename (asātanti) zijn in de wereld onderwerp van gesprek (yamāhu). Afhankelijk (tamūpanissāya) hiervan ontstaat verlangen (chando). En nadat hij niet-bestaan (vibhava) en bestaan (bhava)[2] in het fysieke (rūpa) heeft gezien (disvā), komt een persoon (jantu) tot het oordelen in de wereld[3].
Kodho mosa·vajjañca kathaṅkathā ca, etepi dhammā dvayameva sante. Kathaṅkathī ñāṇa·pathāya sikkhe, ñatvā pavuttā samaṇena dhammā.
868. En daar is woede, onwaarheid en verwardheid wanneer deze tweeledige (dvayameva) dingen (dhammā) (aangenaam en onaangenaam) er zijn (sante). Iemand die onzeker (kathaṅkathī) is zou zich moeten trainen (sikkhe) in het Pad van ware kennis (ñāṇapathāya) om te kunnen begrijpen (ñatvā) wat de asceet heeft gezegd (pavuttā).
Sātaṁ asātañca kuto·nidānā. Kismiṁ asante na bhavanti hete. Vibhavaṁ bhavañcāpi yametam·atthaṁ. Etaṁ me pabrūhi yato·nidānaṁ.
869. Vragensteller: Vanwaar (kuto) de bron (nidānā) van het aangename (sātaṁ) en het onaangename (asātañca) in de wereld? Wat (kismiṁ) moet er ontbreken (asante) om deze niet (na) te laten ontstaan (bhavanti)? Wat is de betekenis van 'niet-bestaan' (vibhava) en 'bestaan' (bhava)? Vertelt (pabrūhi) u mij wat hiervan (yato) de bron (nidānaṁ) is.
Phassa·nidānaṁ sātaṁ a·sātaṁ. Phasse asante na bhavanti hete. Vibhavaṁ bhavañcāpi yametam·atthaṁ. Etaṁ te pabrūmi itonidānaṁ.
870. De Boeddha: Met contact (phassa) als bron is er het aangename (sātaṁ) en het onaangename (asātaṁ). Wanneer er geen (asante) aanraking (phasse) is, bestaan deze zeker niet (hete). Dat ding wat 'niet bestaan' en ook (cāpi) 'bestaan' is, daarvan zeg (pabrūmi) ik dat het datgeen (etaṁ) (contact) als bron heeft (itonidānaṁ).
Phasso nu lokasmi kuto·nidāno. Pari·g·gahā cāpi kuto·pahūtā. Kismiṁ asante na mamattam·atthi. Kismiṁ vibhūte na phusanti phassā.
871. Vragensteller: Wat is de bron van contact (phasso) in de wereld? En (cāpi) waar (kuto) komt bezitsdrang (pariggahā) van dingen vandaan? Met het niet bestaan van wat, is er geen bezitsdrang? Met het verdwijnen van wat, raken (phusanti) contacten (phassā) niet aan?
Nāmañca rūpañca paṭicca phasso. Icchā·nidānāni pari·g·gahāni. Icch·āya·santyā na mamattam·atthi. Rūpe vibhūte na phusanti phassā.
872. De Boeddha: Geest en lichaam (nāmarūpa) zijn afhankelijk (paṭicca) van contact (phasso). Verlangens (icchā) vormen de bron (nidānāni) van het met gehechtheid zijn (pariggahāni). Wanneer verlangens niet bestaan (icchāyasantyā), is er geen (na) zoeker (atthi) naar zelfidentificatie (mamatta). Met de verdwijning van het fysieke (rūpa) raken contacten niet meer aan.
Kathaṁ same·tassa vibhoti rūpaṁ. Sukhaṁ dukhañcāpi kathaṁ vibhoti. Etaṁ me pabrūhi yathā vibhoti. Taṁ jāni·yāmāti me mano ahu.
873. Vragensteller: Welke staat moet iemand hebben bereikt (sametassa) wil het fysieke (rūpa) verdwijnen (vibhoti)? En hoe verdwijnt geluk (sukhaṁ) evenals lijden (dukkha)? Vertel mij hoe (yathā) het verdwijnt. Mijn (me) geest (mano) zegt me dat wij dit zouden moeten weten (jāniyāmāti).
Na sañña·saññī na visañña·saññī, nopi a·saññī na vibhūta·saññī, evaṁ same·tassa vibhoti rūpaṁ. Saññā·nidānā hi papañca·saṅkhā.
874. De Boeddha: Niet waarnemend van waarneming, niet waarnemend van niet-waarneming[4], noch iemand die niet waarneemt, noch iemand wiens waarneming is verdwenen. Zo verdwijnt voor hem (tassa) die vredig (same) is het fysieke. Want (hi) waarnemen[5] is de bron (nidānā) voor de toename (papañca) in het onderscheiden (saṅkhā).
Yaṁ taṁ apucchimha akittayī no. Aññaṁ taṁ pucchāma tad·iṅgha brūhi. Ettāvat·aggaṁ nu vadanti heke. Yakkhassa suddhiṁ idha paṇḍitāse, udāhu aññampi vadanti etto.
875. Vragensteller: Wat (yaṁ) is gevraagd (apucchimha) heeft u (taṁ) ons (no) allemaal uitgelegd (akittayī). Wij willen u (taṁ) graag nog iets (aññaṁ) vragen (pucchāma). Alstublieft (iṅgha), vertel (brūhi) het (tad). Zeggen (vadanti) sommige mensen (heke) dat dit inderdaad het hoogste (ettāvataggaṁ) is? Hier (idha) spreken de wijzen (paṇḍitāse) over de zuiverheid (suddhiṁ) van een yakkha (yakkhassa), of (udāhu) redetwisten (vadanti) zij over iets anders (aññampi) dat hieraan voorbij gaat (etto)?
Ettāvat·aggampi vadanti heke, yakkhassa suddhiṁ idha paṇḍitāse. Tesaṁ paneke samayaṁ vadanti, an·upādi·sese kusalā vadānā.
876. De Boeddha: Sommigen zeggen dat dit het hoogste is, dat hier (idha), o wijzen (paṇḍitāse), de zuiverheid van een yakkha is. Maar sommige (paneke) onder hen (samayaṁ), die bekwaam (kusalā) zijn, spreken (vadanti) over en verklaren (vadānā) een geval waarin niets overblijft (anupādisesa).
Ete ca ñatvā upanissitāti, ñatvā munī nissaye so vimaṁsī. Ñatvā vimutto na vivādameti. Bhavā·bhavāya na sameti dhīro'ti.
877. Wetende (ñatvā) dat deze mensen (ete) beide (ca) afhankelijk (upanissitāti) zijn (van hun meningen van niet-bestaan (ucchedadiṭṭhi) en van bestaan (sassatadiṭṭhi)), onderzoekt (vimaṁsī) de wijze (munī) die (so) afhankelijkheid (nissaye). Omdat hij dit goed begrijpt en bevrijdt (vimutto) is (van meningen (diṭṭhi)) gaat hij geen (na) discussies aan (vivādameti). Een wijs mens (dhīro) brengt alles tot rust (sameti) en gaat geen (na) enkel bestaan meer binnen (bhavābhavāya).
Eindnoten
[1] Volgens de traditie vond deze toespraak plaats tijdens de tot bijna oorlog komende stammen van de Sakya's en de Koliya's toen er onenigheid ontstond over het water van de rivier de Rohini. (Evenals Snp4-15)
Meer over het incident tussen de Sakya's en de Koliya's lees je op de pagina Wereldvrede.
[2] Hoewel het hier naar gelieve nog in een andere context kan worden gezien, kan dit ook worden gezien als een indirecte verwijzing naar de twee extreme leerstellingen, sassatadiṭṭhi en ucchedadiṭṭhi, die extreme opvattingen impliceren. Dit zal ook blijken wanneer de Boeddha de toespraak afsluit.
[3] Zo ontstaat persoonlijke visie (sakkāyadiṭṭhi) en bouwt iemand zijn eigen persoonlijke wereld.
[4] Nid: Hij is noch krankzinnig, noch geestelijk gestoord.
[5] Hier mag je ook lezen: onafhankelijk van waarneming, gevoel en bewustzijn.
| RegID | Snp4-11 |
|---|---|
| Bijgewerkt | 11 oktober 2026 10:37:16 |
| Auteur | Peter van Loosbroek — Ānanda |
| Locatie | www.sleuteltotinzicht.nl |
| Copyright | Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm |
| Overig | Geen |
