Devadatta — Zijn kwade daden

Op deze detailpagina wordt uitgelegd wat het 'branden' inhoud. Devadatta bevond zich in zo'n situatie.

Kwade daden leiden tot kwelling

017. Hier brandt iemand en in het hiernamaals brandt iemand; op beide manieren brandt degene die kwaad doet. Berouwvol brandt iemand: 'ik heb kwaad begaan', en nog meer brandt iemand nadat hij naar een ellendige sfeer is gegaan.

idha tappati pecca tappati papakari ubhayattha tappati papam me katan'ti tappati bhiyyo tappati duggatim gato

De kwaaddoener lijdt in deze wereld en in het leven na de dood, en nog veel meer wanneer hij in een ellendige sfeer wordt geboren.

Zij die kwaad begaan, zij die zich schuldig maken aan foute zaken, worden in de geest gekweld, hier en in het leven hierna. Nadat hij na de dood in een sfeer van ellende is geboren, blijft de kwaaddoener zich nog meer kwellen met de gedachte: 'Ik heb kwade daden begaan.'

Terwijl de Boeddha in het Jetavana klooster te Savatthi verbleef, sprak de Boeddha dit vers, met verwijzing naar Devadatta.

Eens verbleef Devadatta met de Boeddha in Kosambi. Toen hij daar verbleef realiseerde hij zich dat de Boeddha veel respect en eerbetoon kreeg en ook offergaven. Hij was jaloers op de Boeddha en hij had de aspiratie om de orde van monniken te leiden. Op een dag, toen de Boeddha predikte in het Veluvana klooster te Rajagaha, benaderde hij de Boeddha, en op gronde van dat de Boeddha oud werd, suggereerde hij dat de orde aan zijn zorg zou moeten worden toevertrouwd. De Boeddha verwierp zijn aanbod en berispte hem door te zeggen dat hij het niet waard was deze verantwoordelijkheid te dragen. Vervolgens vroeg de Boeddha de Sangha om een proclamatie (pakasaniya kamma) uit te voeren ten aanzien van Devadatta.

Devadatta voelde zich gekrenkt en zwoer wraak tegen de Boeddha. Tot drie keer toe probeerde hij de Boeddha te doden. De eerste keer zetten hij enkele boogschutters in. De tweede keer klom hij de Gijjhakuta heuvel op en liet hij een grote rotsblok in de richting van de Boeddha naar beneden rollen. De derde keer liet hij de olifant Nalagiri de Boeddha aanvallen. De ingehuurde moordenaars werden, in plaats van de Boeddha aan te vallen, zijn discipelen. De grote rotsblok die door Devadatta van de Gijjhakuta werd geworpen, verwondde slechts de grote teen van de Boeddha. En de olifant Nalagiri die op de Boeddha afstormde, werd door de Boeddha mak en volgzaam gemaakt.

En zo faalde Devadatta erin de Boeddha te vermoorden, dus probeerde hij een andere tactiek. Hij probeerde de orde van monniken te verscheuren door enkele pas toegetreden monniken met hem mee te nemen naar Gayasisa. Echter, de meesten van hen werden teruggebracht door de hoofddiscipelen Sariputta en Maha Moggallana.

Devadatta werd ziek. Zijn ziekte duurde negen maanden. Op het laatst wilde hij de Boeddha zien en zei hij tegen zijn eigen discipelen: "Ik wil de Boeddha zien; maak het mogelijk voor mij om hem te zien." Maar zij antwoordden hem: "Toen je in goede gezondheid verkeerde, leefde je in vijandschap met de Boeddha. Wij brengen je niet naar hem toe." Waarop Devadatta zei: "Vernietig mij niet. Ik heb inderdaad veel haat gekoesterd tegen de Boeddha, maar de Boeddha heeft geen haat met mij gedeeld, zelfs niet ter grootte van de punt van een haar." En in het geval van de moordenaar Devadatta, in het geval van de rover en moordenaar Angulimala, in het geval van Dhanapala en Rahula; in al deze gevallen bleef hij gelijkmoedig.

Op het laatst wilde Devadatta de Boeddha zien. Maar toen Devadatta uit zijn bed stapte, zonken zijn voeten in de aarde. Op deze manier werd hij door de aarde opgeslokt en naar de Avici Hel gevoerd.

Uitleg vertaling vers 17

papakari: hij die kwaad doet; idha: in deze wereld; tappati: wordt gekweld; pecca: in de volgende wereld; tappati: wordt gekweld; ubhayattha: in beide plaatsen; tappati: wordt gekweld; me: door mij; papam: verkeerde dingen; katam iti: zijn gedaan; tappati: wordt gekweld; duggatim gato: gegaan naar een pijnlijke staat in het leven hierna; bhiyyo: buitengewoon; tappati: wordt gekweld

Hij die kwade daden begaat, die zich inlaat met kwade daden, wordt gekweld in de geest, zowel in deze wereld als in de volgende wereld. En wanneer hij na de dood in een ellendige staat is geboren, blijft degene die kwaad deed, zichzelf nog meer kwellen met de gedachten: 'Ik heb verkeerde daden begaan.'

Commentaar

duggati: 'Pijnlijke koers' (van bestaan). Mensen die zich inlaten met kwade dingen, worden na hun dood geboren in pijnlijke plaatsen. Omdat die plaatsen de slachtoffers doen lijden, worden deze duggati genoemd. In tegenstelling van deze plaatsen van ellende, zijn de suggati, plaatsen van zegening. Zij die zich op deugdzame manieren gedragen, worden eventueel in deze plaatsen geboren.

tappati: 'Kwelling' of 'berouw'. De kwelling waar hier naar wordt verwezen, is de mentale kwelling vanwege de herinnering aan de kwade daden die iemand heeft begaan. Tappati kan worden vertaald als 'branden'. De herinnering aan een kwade daad leidt tot zelfkwelling dat een soort van branden is. Dit is de situatie waarin Devadatta zich bevond.

pecca: 'De volgende werelden.' Wanneer iemand sterft, wordt hij geboren (mits verlicht) in een andere staat, toestand, hetgeen het hiernamaals is. Zijn activiteiten in termen van goed en kwaad die hij op aarde heeft vergaard, zetten zich voort. Daarom impliceert pecca wat met hem gebeurt in de volgende wereld.

Document info
RegID Dhp017
Bijgewerkt 27 januari 2021 16:35:18
Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen