Snel

Tuvaṭaka Sutta

Een schets van de ideale monnik.

Bezig Deze pagina wordt momenteel verder voorzien van het Pāḷi.

Pucchāmi taṁ ādicca·bandhu, vivekaṁ santi·padañca mahesi. Kathaṁ disvā nibbāti bhikkhu, anupādiyāno lokasmiṁ kiñci.

915. Vragensteller: Ik vraag u, Bloedverwant van de Zon (ādiccabandhu), Grote Ziener (mahāisi), over onthechting (vivekaṁ) en de staat van vrede (santi). Door wat (kathaṁ) te hebben gezien (disvā) is een monnik (bhikkhu) helemaal bekoeld (nibbāti) en grijpt hij zich nergens (kiñci) in de wereld aan vast (anupādiyāno)?

Mūlaṁ papañca·saṅkhāya, mantā asmīti sabbam·uparundhe. Yā kāci taṇhā ajjh·attaṁ, tāsaṁ vi·nayā sadā sato sikkhe.

916. De Boeddha: Hij moet doorgronden (saṅkhāya) dat (de eigendunk (māna)) 'ik ben' (asmīti) de oorzaak (mūlaṁ) van de snelle vermeerdering (papañca) (van ideeën) is en met wijsheid (mantā) allemaal doet stoppen (sabbamuparundhe). Iemand (kāci) moet zichzelf altijd (sadā) intens (vi) trainen (sikkhe) om bewust (sato) te zijn van die (tāsaṁ) (en) welke (yā) begeerte (taṇhā) dan ook in hem (ajjhattaṁ) is.

Yaṁ kiñci dhammam·abhi·jaññā, ajjh·attaṁ atha vāpi bahiddhā, na tena thāmaṁ kubbetha. Na hi sā nibbuti sataṁ vuttā.

917. Welke Dhamma iemand ook zou kunnen begrijpen (dhammamabhijaññā), of het nu intern (ajjhattaṁ) of zelfs (vāpi) extern (bahiddhā) is[1], daardoor (tena) dient men niet (na) hardnekkig (thāmaṁ) te zijn. Want dat (sā) wordt door de goede mensen (sataṁ) zeker (hi) niet (na) verklaard (vuttā) als het bekoelen (nibbuti).

Seyyo na tena maññeyya, nīceyyo atha vāpi sarikkho. Phuṭṭho a·neka·rūpehi, Nātumānaṁ vi·kappayaṁ tiṭṭhe.

918. Iemand moet daardoor (tena) niet (na) van zichzelf denken (maññeyya) dat hij beter is (seyyo), of minder (nīceyyo) of daarna (atha) zelfs (vāpi) gelijk (sarikkho) dan anderen. Aangeraakt (phuṭṭho) door vele (aneka) vormen (rūpehi), moet iemand niet zelf (nātumānaṁ) doorgaan (tiṭṭhe) met het construeren van zelfwaan (vikappayaṁ).

Ajjh·attamev·upasame, Na aññato bhikkhu santim·eseyya. Ajjh·attaṁ upasantassa, natthi attā kuto nir·attā vā.

919. Een monnik (bhikkhu) moet in zichzelf vrede (ajjhattamevupasame) realiseren. Hij moet niet (na) vrede zoeken (santimeseyya) via een ander (aññato). Want in iemand die innerlijk (ajjhattaṁ) gekalmeerd (upasantassa) is, daar is geen (natthi) zelf (attā), laat staan (kuto) (hetzij (vā)) een niet-zelf (nirattā).

Majjhe yathā samuddassa, ūmi no jāyatī ṭhito hoti, evaṁ ṭhito anej·assa. Ussadaṁ bhikkhu na kareyya kuhiñci.

920. Aangezien (yathā) er in het midden (majjhe) van de oceaan (samuddassa) geen (no) golven (ūmi) zijn, maar (de oceaan daar) onbeweeglijk (ṭhito) blijft (hoti), net zo moet ook hij onbeweeglijk (ṭhito) zijn, onverstoord (aneja) zijn. Een monnik (bhikkhu) moet niet (na) ergens (kuhiñci) een gezwel (ussadaṁ) veroorzaken (kareyya).

Akittayī vivaṭa·cakkhu, sakkhi·dhammaṁ pari·s·saya·vi·nayaṁ. Paṭi·padaṁ vadehi bhaddante. Pātimokkhaṁ atha vāpi samādhiṁ.

921. Vragensteller: Degene met het geopende oog (vivaṭacakkhu), die persoonlijk de Dhamma heeft gerealiseerd (sakkhidhammaṁ), het verdrijven van gevaren (parissayavinaya) heeft verklaard (akkitayī). Bhaddante, vertel (vadehi) mij het pad (paṭipadaṁ). De regels (pātimokkha) of anders over concentratie (samādhi).

Cakkhūhi neva lolassa, gāma·kathāya āvaraye sotaṁ, rase ca nānugijjheyya. Na ca mamāyetha kiñci lokasmiṁ.

922. De Boeddha: Hij moet niet (neva) begerig (lolassa) zijn met de ogen (cakkhūhi), hij moet de oren (sotaṁ) afsluiten (āvaraye) voor dorpsroddel (gāmakathāya). En (ca) hij moet geen begeerte hebben (nānugijjheyya) naar smaken (rase) en (ca) niets in de wereld (lokasmiṁ) als 'mijn' opvatten (mamāyetha).

Phassena yadā phuṭṭhassa, pari·devaṁ bhikkhu na kareyya kuhiñci. Bhavañca nābhijappeyya, bheravesu ca na sampavedheyya.

923. Wanneer er aanraking (phuṭṭhassa) middels contact (phassena) is zou een monnik (bhikkhu) niet moeten weeklagen (parideva). Hij moet niet naar het bestaan (bhavañca) verlangen (nābhijappeyya), en (ca) niet (na) angstig (bheravesu) zijn te midden van beangstigende dingen (sampavedheyya)[2].

A·n·nānam·atho pānānaṁ, khādanīyānaṁ athopi vatthānaṁ. Laddhā na sannidhiṁ kayirā, Na ca pari·t·tase tāni a·labha·māno.

924. Nadat hij voedsel (annānamatho) en vervolgens ook (athopi) drinken (pānānaṁ) heeft verkregen (laddhā), eetbare dingen (khādanīyānaṁ) en ook (athopi) kleding (vatthānaṁ), zou hij dit niet (na) in voorraad (sannidhiṁ) moeten houden (kayirā), en (ca) niet (na) van streek zijn (parittase) wanneer hij deze dingen (tāni) niet verkrijgt (alabhamāno).

925. Hij moet een contemplatief iemand (jhāyī) zijn, niet iemand met een rusteloze basis (pādalolassa). Hij moet zich onthouden van zorgelijkheid (kukkucca), hij moet niet nalatig (nappamajjeyya) zijn (maar oplettend). Een monnik moet zich bevinden te midden van stoelen en bedden (in verblijven) waar het rustig is.

926. Hij moet niet te veel slapen en hij moet zich constant inspannen (ātāpī) om zich toe te wijden (bhajeyya) aan waakzaamheid (jāgariyaṁ). Luiheid (tandiṁ), bedrog (māya), gelach (hassaṁ), speelsheid (khiḍḍaṁ), seksuele gemeenschap (methunaṁ), persoonlijke versiering (savibhūsaṁ). Dit geeft hij allemaal op (vippajahe).

Āthabbaṇaṁ supinaṁ lakkhaṇaṁ, no vidahe athopi nakkhattaṁ, virutañca gabbha·karaṇaṁ. Tikicchaṁ māmako na seveyya.

927. Hij doet (vidahe) niet (no) aan de praktijk van Artha Veda (āthabbaṇa) spreuken, noch (athopi) het interpreteren van dromen (supinaṁ), voortekenen (lakkhaṇaṁ) of astrologie (nakkhattaṁ). Mijn volgeling (māmako) moet geen dierlijke geluiden interpreteren (virutañca), genezing beoefenen (tikicchaṁ) en zich niet (na) inlaten met (seveyya) (het helpen) vrouwen vruchtbaar maken (gabbhakaraṇaṁ).

928. Een monnik wankelt niet door blaam, noch is hij opgetogen door hulde[3]. Hij moet hebzucht en gierigheid verdrijven, evenals emoties als boosheid en lasterlijke taal.

929. Een monnik moet niet betrokken raken in kopen en verkopen. Hij moet niets doen wat kritiek doet oplopen. Hij moet geen intimiteit vormen met de mensen in het dorp, en hij moet mensen niet aanspreken vanuit een verlangen naar gewin.

930. Een monnik moet niet opscheppen en niet insinuerend spreken (payuttaṁ). Hij moet zichzelf niet trainen in onbeschaamdheid; hij moet geen omstreden praatjes uiten[4].

931. Hij moet niet tot leugens worden verleid. Met helder gewaarzijn (sampajāno) moet hij niets oneerlijks doen. Vanwege zijn leefwijze, zijn wijsheid, of zijn goede gedrag en voorschriften, moet hij een ander niet verachten.

932. Wanneer hij wordt geprovoceerd doordat hij vele woorden heeft gehoord van asceten die veelvuldig spreken of van wereldlingen, moet hij niet met harde woorden reageren. Want goede mensen nemen beslist geen wraak.

933. Deze Dhamma begrijpend, moet de onderzoekende monnik zichzelf trainen om constant waakzaam te zijn. Wanneer het besef daagt dat vrede gevonden kan worden in kalmte, moet hij zichzelf volledig toeleggen op de Leer van Gotama.

Abhibhū hi so an·abhi·bhūto, sakkhi·dhammam·anītiham·a·dassī. Tasmā hi tassa bhagavato sāsane. Appa·matto sadā namassam·anusikkhe'ti.

934. Hij is de overwinnaar (abhibhū), onoverwonnen (anabhibhūto). Hij, die de Dhamma persoonlijk heeft ervaren (sakkhi), niet door horen zeggen maar zelf gezien (anītihamadassī). Vanwege dat (tassa) neemt hij daarom (tasmā) beslist (hi) de Leer (sāsane) van die Gezegende (bhagavato) als voorbeeld (anusikkhe). Waakzaam (appamatto) en altijd (sadā) respectvol (namassamāna).

Eindnoten

[1] Of de kennis van hemzelf is of vernomen van anderen.

[2] In dit vers staat verlangen tegenover angst (bhaya). Uit verlangen ontstaat angst. Wanneer er geen verlangen is, is er ook geen angst.

[3] Zie A08-006 — Dutiya Loka Dhamma Sutta — Tweede toespraak over wereldse dingen.

[4] Nid: Spraak die verbonden is met gewaden etc., of spraak die gericht is op een dergelijk doel.

Document info
RegID Snp4-14
Bijgewerkt 25 oktober 2026 20:42:03
Auteur Peter van Loosbroek — Ānanda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen