In het heden leven — Deel 5

Het zien en begrijpen van alles wat je observeert brengt grote vreugde met zich mee omdat je er volkomen vrij van bent. Door het begrijpen wordt de weg naar innerlijke vrijheid geopenbaard en uiteindelijk, bij de volledige ontwikkeling van begrip, is dit de weg en het doel tegelijkertijd.

Inhoudsopgave

Het sterven van het ik

Het branden van de wereld

Geen binding meer

Het grote mededogen

Het sterven van het ik

We zijn vaak overactief in het maken van plannen voor de toekomst omdat we zo gewend zijn om niet in het heden te leven. Zeker wanneer we ons zorgen maken en onzeker zijn, is er een tendens plannen te smeden. Die plannenmakerij brengt nog meer bezorgdheid, rusteloosheid en twijfels met zich mee dat de energie wegzuigt die nodig is voor creatieve en intelligente actie. Als je daarentegen je geest schoon en helder kunt houden van plannenmakerij (sasankharika citta), zal je geest minder belast zijn en je visie helderder zijn. Door deze helderheid en creativiteit van de geest wordt elk moment als het ware 'het pad van je toekomst' omdat het op een natuurlijke wijze wordt belicht. Echt zien betekent totaal gewaarzijn (vijañana) hetgeen zowel het verleden, het heden en de toekomst omvat. In echt zien en echt begrip bestaat zo'n verdeeldheid niet.

Wanneer je rusteloos (uddhacca) en bezorgd (kukkucca) bent en je vaak in beslag genomen bent door verleden en toekomst, ben je vatbaar voor een depressie omdat je het evenwicht van het nu mist. Ik zeg niet dat er nooit een plan nodig is, natuurlijk wel. Maar we moeten ervoor waken dat het evenwicht niet verloren raakt, het moet niet naar het extreme neigen. Als je onzeker bent (vicikiccha) zul je snel plannen gaan smeden omdat Het zelf niet zonder verleden of toekomst wil leven. Het zelf lijdt eronder. Maar als je goed naar onzekerheid op zich kijkt, als je die staat van de geest observeert, zul je ontdekken dat het slechts een concept van de geest is. Een proces dat komt en gaat en dus niks met de werkelijkheid, met het absolute van doen heeft. Het is niet je ware natuur, het behoort niet aan jou, het behoort niet tot je ware hart. Daarom zei de Boeddha omtrent zulke toestanden:

N'etam mama, n'eso'ham asmi, na me so atta.

Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.

S22-059 — Anatta Lakkhana Sutta — De kenmerken van niet-zelf

Hoe meer je jezelf met onzekerheid identificeert, hoe meer last je er van zult ondervinden. Dus: kijk ernaar en je zult zien dat daar niets te verliezen is. Leef in het heden en geef het 'ik' op.

Als je niet per sé zekerheid wilt hebben (niet omarmt) of je onzekerheid niet per sé wilt vermijden (niet wegduwt), verkeerd de geest in een zekere mate van vrijheid en kan hij open staan voor wat er is. Dan zullen de gewoonlijke problemen van het leven in kracht afnemen. Ze zullen geen overheersende rol meer spelen. Er zijn veel problemen in de wereld, maar een vrije geest kan hiermee makkelijk omgaan. Hij slaat geen acht meer op het verzoek van Het zelf, reageert niet meer op zijn behoefte aan zekerheid. Daarom zullen de problemen van de wereld geen macht meer over je hebben. Jouw vrijheid heeft juist de macht om die problemen te zien als opkomende (uppada) en verdwijnende (vaya) processen. Er is geen binding meer mee. Dit kan je zien als 'het sterven van het ik'.

Het branden van de wereld

De Boeddha zei dat de wereld in brand staat waarmee hij verwijst naar het feit dat er lijden (dukkha) is. 'Waarom dan lachen, waarom dan geluk? Mensen leven in duisternis. Waarom zouden ze het licht niet zoeken?' Zonder licht of wijsheid leven is gevaarlijk (adinava) omdat dat resulteert in lijden. Echter, lijden heeft een functie. De Boeddha zei: 'Als je door het lijden heengaat, kom je er wijzer uit.' Dit betekent dat het leven zelf de middelen in zich draagt om wakker te worden, ondanks dat we in duisternis leven. Het klinkt misschien vreemd, maar als we er op een verstandige manier gebruik van weten te maken, kan het lijden zelf ons helpen onszelf te bevrijden van dat lijden.

Onze zintuigen bedriegen ons voortdurend. Ze beloven ons iets wat niet waargemaakt kan worden. We moeten hun leegte (suññata) inzien. De Boeddha bedoelde niet dat er geen lachen en geluk mag zijn, maar dat het uiteindelijke doel het licht (Nibbana) is en dat het gewone geluk (sukha) daar geen vlucht voor moet zijn. We moeten daar niet aan vastgrijpen, want als we dat doen blijven we steken en maken we geen vorderingen op ons pad.

Een kind kan door z'n onervarenheid een hete kachel aanraken. Het zal dan merken dat dat pijnlijk is en voortaan voorzichtiger zijn. Zo wil de Boeddha ons leren dat als we onze zintuigen niet bewaken, dat dat pijnlijk is vanwege het branden van de wereld.

Zie S35-028 — Adittapariyaya Sutta — De vuur toespraak

Het gewone geluk is oppervlakkig en werelds, maar dit betekent niet dat we het niet nodig hebben in de brandende wereld. We hebben het nodig[1] in de vorm van een voordelige toestand die nodig is tijdens onze tocht naar het einddoel en om ons pad te verlichten[2]. Als we onze concentratie richten op goede zaken zoals bijvoorbeeld het overdenken van de vier Edele Waarheden, zullen we vreugde (piti) ervaren. Dat is een vreugdevolle interesse in het goede. Als we het goede doen zoals een deugdzaam leven leiden, zullen we op een gegeven moment de goede gevolgen daarvan ervaren, dan ervaren we geluk (sukha).

Geen binding meer

Omdat we in de wereld leven waar nu eenmaal lijden is, waar problemen zijn, waar het branden van de wereld is, kunnen we zelfs een geluk ervaren op 'de minder leuke momenten'. Dat is omdat Het zelf er niet in betrokken is dat zich afhankelijk maakt en dus verbonden is met voorkeur en afkeer (anurodhapativirodha), met omarmen en wegduwen. Op die manier worden in afwezigheid van het zelf de zintuigen overstegen. Het is het zelf dat verdeeldheid zaait en onderscheid maakt tussen dit en dat, hier en daar, ik en de rest. Het zelf dat muren opbouwt om het een bij zich te houden en om het andere buiten te sluiten. Maar in de afwezigheid van het zelf is de geest heel open voor alles wat er is, kan hij alles verdragen (khanti), accepteren en overal doorheen gaan. Ongeacht of het nu plezierig of onplezierig is.

De dingen die voorheen lijden in de geest teweegbrachten, worden juist interessant omdat nu heel duidelijk de leegheid (suññata) ervan gezien wordt. Hierdoor verliezen deze dingen het aspect van pijn omdat het 'ik' er geen binding meer mee heeft. Het zelf heeft plaatsgemaakt voor de krachtiger wordende vermogens van Het hart. Het is deze energie waardoor je kunt genieten van alles wat er zich voordoet. Niets vormt nog een obstakel. Het zien en begrijpen van alles wat je observeert brengt grote vreugde met zich mee omdat je er volkomen vrij van bent. Door het begrijpen wordt de weg naar innerlijke vrijheid geopenbaard en uiteindelijk, bij de volledige ontwikkeling van begrip, is dit de weg en het doel tegelijkertijd.

Zo kunnen we leren van lijden en zal het branden van de wereld onze urgentie (samvega) nog meer aanwakkeren om een einde aan lijden te maken.

Het grote mededogen

Het grote mededogen (karuna) is dat je mensen kunt laten inzien dat 'de geest' (mano) slechts een proces is van opkomen (uppada) en vergaan (vaya). Je zou kunnen zeggen dat de geest daarom moet sterven, maar de betekenis hiervan moet niet verkeerd begrepen worden. Gevoelens, waarnemingen, mentale formaties en bewustzijn, is wat we 'de geest' noemen, dit is Het mentaal gebied. En deze 'geclassificeerde componenten' hebben allemaal een functie. Wanneer de geest niet goed bewaakt wordt, maakt hij ons zeer ongelukkig omdat hij dan niet goed kan functioneren. Dan zwaait Het zelf de scepter.

Daarom zeg ik dat niet de geest, maar het 'ik' moet sterven. Want dit 'ik', dit 'zelf' kleeft aan een 'oud bewustzijn' waardoor bewustzijn niet vernieuwd kan worden. In die zin moet de geest steeds kunnen 'sterven'. En pas nadat hij tot volle wasdom is gekomen, zal hij 'uitgeblust' zijn en zal er niets meer van over blijven. Dit betekent niet dat er niets is, maar de persoonlijkheid is verdwenen. Net zoals de rivier die de oceaan bereikt zoals uitgelegd in het hoofdstuk De werking van bewustzijn. Het water van de rivier is er wel, het is in de zee, maar doordat de rivier de zee in is gestroomd, is hij daardoor zijn naam verloren.

Wanneer we kunnen sterven ten aanzien van het verleden, van de toekomst, zelfs ten aanzien van het heden en van alles wat er is, kunnen we ons bewustzijn vernieuwen en kunnen we leren en intelligent zijn. Het meest essentiële wat we leren is dat we het beste af zijn door het oude achter ons te laten, precies zoals een slang zijn oude versleten huid van zich afschud. De slang is daardoor niet geheel een andere slang, maar ook weer niet helemaal dezelfde. Als we het oude van ons af kunnen schudden, zijn we in staat nieuw en fris in het leven te staan. Dit steeds in het nieuwe staan maakt ons flexibeler (muduta) zodat we niet afbreken.

Je zou zeggen dat een grassprietje heel fragiel is, maar bij een hevige storm breekt het niet omdat het buigzaam is. Terwijl vrachtauto's dan van de wegen waaien en daken van de huizen waaien, blijft het grassprietje overeind. De buigzaamheid maakt het grassprietje sterk.

Eindnoten

[1] Raadpleeg jhana.

[2] Geluk is een jhana-factor (jhananga).

Document info
RegID GnTewHErICwkK6J
Bijgewerkt 19 januari 2023 23:08:16
Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen