Over Angulimala

Angulimala Sutta

Angulimala wordt afgebeeld als de meedogenloze moordenaar. Zijn verhaal laat bij uitstek de bevrijdende kracht van de Leer van de Boeddha zien, en de vaardigheid van de Boeddha als leraar.

1. Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Gezegende nabij Savatthi in het Jetavana, het park van Anathapindika.

2. Bij die gelegenheid was er een bandiet in het rijk van koning Pasenadi van Kosala, Angulimala genaamd, die moorddadig was, met bloed aan de handen, zich inliet met slagen en geweld, genadeloos tegenover levende wezens. Dorpen, steden en districten werden door hem verwoest. Hij was voortdurend mensen aan het vermoorden en hij droeg hun vingers als een krans om zijn hals.

Noot[1]

3. Toen de Heer vroeg in de morgen was opgestaan, zich aangekleed had en zijn bedelnap en bovengewaad genomen had, liep hij Savatthi binnen voor de voedselronde. Toen hij voor voedsel door Savatthi had rondgelopen en teruggekeerd was van de bedelronde, maakte hij na zijn maaltijd zijn rustplaats op orde. Vervolgens nam hij zijn bedelnap en bovengewaad en ging hij de weg op die naar Angulimala leidde. Koeiendrijvers, herders en ploegers zagen de Gezegende langs de weg lopen die naar Angulimala leidde en zeiden tegen hem: "Neem deze weg niet, kluizenaar. Op deze weg is de bandiet Angulimala, die is moorddadig, met bloed aan de handen, laat zich in met slagen en geweld, genadeloos tegenover levende wezens. Dorpen, steden en districten worden door hem verwoest. Hij is voortdurend mensen aan het vermoorden en hij draagt hun vingers als een krans. Mensen zijn via deze weg gegaan in groepen van tien, twintig, dertig, en zelfs veertig, maar toch vallen zij in de handen van Angulimala." Nadat dit gezegd was, vervolgde de Gezegende stilzwijgend zijn weg.

Voor een tweede en een derde keer zeiden de koeiendrijvers, herders en ploegers dit tegen de Gezegende, maar toch vervolgde hij stilzwijgend zijn weg.

4. De bandiet Angulimala zag de Gezegende in de verte naderen. Toen hij hem zag, dacht hij: 'Het is wonderbaarlijk, het is geweldig! Mensen zijn via deze weg gegaan in groepen van tien, twintig, dertig, en zelfs veertig, maar toch zijn ze in mijn handen gevallen. En nu komt deze kluizenaar alleen, zonder gezelschap, alsof hij door het lot wordt gedreven. Waarom zou ik deze kluizenaar niet vermoorden?' En toen nam Angulimala zijn zwaard en schild, maakte zijn boog en pijlkoker vast, en zette de achtervolging op de Gezegende in.

5. De Gezegende verrichtte zo'n prestatie van bovenwereldse kracht, dat de bandiet Angulimala, hoewel hij zo snel rende als hij kon, de Gezegende niet kon inhalen die gewoon op z'n normale tempo liep. Toen dacht de bandiet Angulimala: 'Het is wonderbaarlijk, het is geweldig! Voorheen kon ik zelfs een snelle olifant bijhouden en hem pakken. Ik kon zelfs een snel paard bijhouden en het pakken. Ik kon zelfs een snel hert bijhouden en het pakken. Maar nu, hoewel ik zo snel ren als ik kan, kan ik deze kluizenaar niet bijhouden die gewoon op z'n normale tempo loopt!' Hij stopte en schreeuwde naar de Gezegende: "Stop, kluizenaar! Stop, kluizenaar!"

"Ik ben gestopt, Angulimala, jij zou moeten stoppen."

Toen dacht de bandiet Angulimala: 'Deze kluizenaren, zonen van de Sakya's, spreken de waarheid, verklaren de waarheid. Maar terwijl deze kluizenaar nog steeds loopt, zegt hij: 'Ik ben gestopt, Angulimala, jij zou moeten stoppen.' 'Ik zal eens vragen wat hij bedoelt.'

6. Toen sprak de bandiet Angulimala de Gezegende in deze verzen aan:

"Terwijl jij loopt, kluizenaar, zeg je tegen mij dat je bent gestopt;
En nu ik ben gestopt, zeg je dat ik niet ben gestopt.
Ik vraag je nu, o kluizenaar, wat dit betekent:
Wat bedoel je met dat jij bent gestopt en ik niet?"

"Angulimala, ik ben voor altijd gestopt,
ik onthoud me van gewelddadigheid tegenover levende wezens.
Maar jij hebt geen beperking tegenover levende wezens.
Dat is waarom ik ben gestopt en jij niet."

"Oh, eindelijk deze kluizenaar, een vereerde wijze, is voor mij naar dit grote bos gekomen. Doordat ik jouw vers hoor waarmee je mij de Dhamma onderwijst, zal ik inderdaad voor altijd het kwaad verzaken."

Zo gezegd, nam de bandiet zijn zwaard en wapens en gooide ze in een afgrond. De bandiet aanbad de Verhevene aan z'n voeten, en vroeg ter plekke naar de inwijding.

De Verlichte, de Wijze van Groot Mededogen, de Leraar van de wereld met al haar goden, sprak hem met deze woorden aan: "Kom, monnik." En zo werd hij een monnik.

7. Toen vertrok de Gezegende om terug te keren naar Savatthi met Angulimala als zijn hulpmonnik. Wandelend in etappes, kwam hij uiteindelijk aan in Savatthi, waar hij woonde te Savatthi, in het Jetavana, het park van Anathapindika.

8. Bij die gelegenheid verzamelden grote horde mensen aan de poorten van het binnen paleis van koning Pasenadi. Ze waren erg luidruchtig en schreeuwde: "Majesteit, de bandiet Angulimala is in uw rijk. Hij is moorddadig, met bloed aan de handen, laat zich in met slagen en geweld, genadeloos tegenover levende wezens. Dorpen, steden en districten worden door hem verwoest. Hij is voortdurend mensen aan het vermoorden en hij draagt hun vingers als een krans. De koning moet hem gevangen nemen!"

9. Toen, midden op de dag, reed koning Pasenadi van Kosala met een cavalerie van vijfhonderd man Savatthi uit en vertrok naar het park. Hij reedt zover met zijn rijtuigen als de weg het toeliet, stapte toen zijn rijtuig uit en ging te voet verder naar de Gezegende. Nadat hij respect had betuigd aan de Gezegende, ging hij aan een zijde zitten, en de Gezegende zei tegen hem: "Wat is er, grote koning? Valt koning Seniya Bimbisara van Magadha u aan, of de Licchavi's van Vesali, of andere vijandige koningen?"

10. "Eerwaarde heer, koning Seniya Bimbisara van Magadha valt mij niet aan, noch de Licchavi's, noch andere vijandige koningen. Maar er is een bandiet in mijn rijk genaamd Angulimala. Hij is moorddadig, met bloed aan de handen, laat zich in met slagen en geweld, genadeloos tegenover levende wezens. Dorpen, steden en districten worden door hem verwoest. Hij is voortdurend mensen aan het vermoorden en hij draagt hun vingers als een krans. Ik zal nooit in staat zijn hem gevangen te nemen, Eerwaarde heer."

11. Grote koning, stel u eens voor dat u Angulimala ziet met geschoren hoofd en baard, het gele gewaad draagt en hij van het huislijke leven het thuisloze leven is ingegaan. dat hij zich onthoud van het doden van levende wezens, van het nemen wat niet is gegeven en van leugens. Dat hij zich onthoud van het 's-avonds eten, alleen op één deel van de dag. Dat hij een celibatair leven leidt, deugdzaam, van goed karakter is. Als u hem zo zou zien, hoe zou u hem dan behandelen?"

"Eerwaarde heer, wij zouden hem respect betuigen, of voor hem opstaan, of hem uitnodigen te gaan zitten. Of wij zouden hem uitnodigen gewaden, aalmoezenvoedsel, een rustplaats, of medicinale benodigdheden te accepteren. Of wij zouden voor hem wettige beveiliging, verdediging en bescherming regelen. Maar, Eerwaarde heer, hij is een immorele man, iemand van slecht karakter. Hoe kan hij ooit zulk een deugd en terughoudendheid hebben?"

12. Op dat moment zat de Eerwaarde Angulimala dicht bij de Gezegende. Toen strekte de Gezegende zijn rechterarm en zei tegen koning Pasenadi van Kosala: "Grote koning: dit is Angulimala."

De koning was angstig, geschrokken en doodsbang. Omdat de Gezegende dit wist, zei hij hem: "Wees niet bang, grote koning, wees niet bang. Er is niets voor u waarvoor u bang voor hem hoeft te zijn."

Toen nam de angst, de schrik en de doodsangst van de koning af. Hij ging naar de Eerwaarde Angulimala toe en zei: "Eerwaarde heer, is de edele heer echt Angulimala?"

"Ja, grote koning."

"Eerwaarde heer, van welke familie is de edele heer z'n vader? Van welke familie is zijn moeder?"

"Mijn vader is een Gagga, grote koning. Mijn moeder is een Mantani."

"Laat de edele heer Gagga Mantaniputta naar tevredenheid rusten. Ik zal gewaden leveren, aalmoezenvoedsel, een rustplaats, en medicinale benodigdheden voor de edele heer Gagga Mantaniputta."

13. Op dat moment was de eerwaarde Angulimala een woud monnik (dhutanga): een beoefenaar van de voedselronde praktijk (pindapatik'anga), een beoefenaar van opgelapte vodden dragers (pamsukulik'anga), en hij beperkte zichzelf tot drie gewaden (tecivarik'anga). Hij antwoordde: "Genoeg, grote koning, mijn drievoudige gewaad is voldoende."

Toen ging koning Pasenadi terug naar de Gezegende, en nadat hij hem respect had betuigd, ging hij aan een zijde zitten en zei: "Het is geweldig, Eerwaarde heer, het is wonderbaarlijk hoe de gezegende de ongetrainde bedwingt, vrede brengt bij hen die niet vredig zijn, en hen naar Nibbana leidt die Nibbana niet verwerkelijkt hebben. Eerwaarde heer, wij konden hem zelf niet bedwingen met dwang en wapens, maar de Gezegende heeft hem bedwongen zonder dwang en wapens. En nu, Eerwaarde heer, vertrekken wij. Wij hebben het druk en hebben nog veel te doen."

"Het is nu tijd, grote koning, om te doen wat u passend lijkt."

Toen rees koning Pasenadi van Kosala van zijn zetel, en na de Gezegende respect te hebben betuigd, en hem aan zijn rechterzijde houdend, vertrok hij.

14. Toen, in de ochtend, kleedde de Eerwaarde Angulimala zich aan, nam hij zijn bedelnap en bovengewaad, en liep hij Savatthi binnen voor de voedselronde. Terwijl hij in Savatthi van huis tot huis op zoek was naar een aalmoes, zag hij een vrouw bevallen van een misvormd kind. Toen hij dit zag, dacht hij: 'Wat worden wezens toch gekweld! Inderdaad, wat worden wezens toch gekweld!'

Toen hij in Savatthi had rondgelopen voor aalmoezen en was teruggekeerd van zijn aalmoezenronde, ging hij na zijn maaltijd naar de Gezegende. Na hem hulde te hebben getuigd, ging hij aan een zijde zitten, en zei: "Eerwaarde heer, ik kleedde me in de ochtend aan, nam ik mijn bedelnap en bovengewaad, en ging ik naar Savatthi voor de voedselronde. Terwijl ik in Savatthi van huis tot huis op zoek was naar een aalmoes, zag ik een vrouw bevallen van een misvormd kind. Toen ik dat zag, dacht ik: ''Wat worden wezens toch gekweld! Inderdaad, wat worden wezens toch gekweld!'"

15. "In dat geval, Angulimala, ga naar Savatthi en zeg tegen die vrouw: 'Zuster, sinds ik ben geboren, herinner ik me niet dat ik ooit een wezen opzettelijk van het leven heb beroofd. Dat u bij deze waarheid gezond mag zijn en uw baby gezond mag zijn!'"

"Eerwaarde heer, zou ik niet doelbewust liegen, want ik heb opzettelijk veel levende wezens van het leven beroofd?"

"Dan, Angulimala, ga naar Savatthi, en zeg tegen die vrouw: 'Zuster, sinds ik ben geboren met de edele geboorte, herinner ik me niet dat ik ooit een wezen opzettelijk van het leven heb beroofd. Dat u bij deze waarheid gezond mag zijn en uw baby gezond mag zijn![2]"

"Ja, Eerwaarde heer", antwoordde de eerwaarde Angulimala, en toen hij Savatthi was binnengegaan, vertelde hij de vrouw: 'Zuster, sinds ik ben geboren met de edele geboorte, herinner ik me niet dat ik ooit een wezen opzettelijk van het leven heb beroofd. Dat u bij deze waarheid gezond mag zijn en uw baby gezond mag zijn!' En toen werden de vrouw en de baby gezond.

16. Door een leven te leiden in afzondering, ijverig, energiek en met een vastbesloten wil, realiseerde hijzelf middels directe kennis in korte tijd, dat hoogste doel van het heilige leven waarvoor de zonen van goede gezinnen terecht het huiselijke leven verlaten en het thuisloze leven aangaan. Hij wist direct: 'Wedergeboorte is ten einde gebracht, het heilige leven is geleefd, wat gedaan moest worden is gedaan. Er is geen worden meer tot welk bestaan dan ook.' En zo werd Angulimala een van de Arahats.

17. Toen, in de ochtend, kleedde de Eerwaarde Angulimala zich aan, nam hij zijn bedelnap en bovengewaad, en liep hij Savatthi binnen voor de voedselronde. Tijdens die gelegenheid gooide iemand een kluit aarde en raakte daarmee het lichaam van de Eerwaarde Angulimala, iemand anders gooide een stok en raakte daarmee zijn lichaam en weer iemand anders gooide een potscherf en raakte daarmee zijn lichaam. Vervolgens ging hij naar de Gezegende, met bebloed gezicht dat uit een snede in zijn hoofd stroomde, met zijn gebroken bedelnap en zijn bovengewaad gescheurd. De Gezegende zag hem aankomen en vertelde hem dit: "Verdraag het brahmaan! Verdraag het brahmaan! Je ervaart hier en nu de resultaten van je daden waardoor je anders voor vele jaren gepijnigd zou worden in de hel, vele honderden jaren, vele duizenden jaren[3]."

18. Vervolgens, toen de Eerwaarde Angulimala in afzondering verbleef, en de zegen van bevrijding ervoer, deed hij deze uitspraak[4]:

Wie voorheen begoocheld was,
maar later ontgoocheld,
verlicht deze wereld
zoals de maan wanneer die bevrijd wordt van donkere wolken[5].

Iemand die zijn slechte daden
met goede daden compenseert,
verlicht deze wereld
zoals de maan wanneer die bevrijd wordt van donkere wolken[6].

De jeugdige bhikkhu die toegewijd is,
zijn inspanningen voor de Leer van de Boeddha,
hij verlicht deze wereld
zoals de maan wanneer die bevrijd wordt van donkere wolken.

Laat mijn vijanden een toespraak over de Dhamma horen,
laat hen toegewijd zijn in de Leer van de Boeddha,
laat mijn vijanden omgaan met die goede mensen, die anderen de Dhamma doen omarmen.

Laat mijn vijanden van tijd tot tijd luisteren,
en de Dhamma horen van hen die prediken over verdraagzaamheid,
of van hen die ook spreken over de voordelen van vriendelijkheid,
en laat hen de Dhamma volgen met daden van vriendelijkheid.

Want zij zouden mij dan zeker geen pijn willen doen,
noch zouden zij dan eraan denken andere wezens pijn te willen doen[7].
Dus zij die allen willen beschermen, zwak of sterk,
laat hen de alles overschrijdende vrede bereiken.

Bouwers van irrigatiewerken leiden het water, pijlmakers vormen de pijlschachten, timmerlieden modelleren en buigen het hout, en zij die wijs zijn oefenen zich in zelfbeheersing[8].

Er zijn er die bedwingen door te slaan met een stok,
sommigen met prikkels of met zwepen.
Maar ik werd bedwongen door één enkel iemand,
hij had geen stok, noch enig ander wapen.

'Geweldloze' is de naam die ik draag[9],
hoewel ik gevaarlijk was in het verleden.
De naam die ik vandaag draag is waar:
ik doe geen enkel wezen kwaad.

En hoewel ik ooit leefde als een bandiet,
met de naam Angulimala ('Vinger Halsketting'),
iemand die met de grote vloed werd meegesleept,
ging ik naar de Boeddha voor mijn toevlucht.

En hoewel ik bloed aan mijn handen had,
met de naam Angulimala ('Vinger Halsketting'),
zie de toevlucht die ik gevonden heb!
De band aan het bestaan is doorgekapt.

Terwijl ik de soort daden deed,
die mij naar wedergeboorte in slechte sferen zouden leiden,
het resultaat[10] heeft mij nu bereikt,
maar ik eet nu vrij van schulden[11].

Dwaze mensen met weinig verstand,
doen zich tegoed aan onoplettendheid.
Maar hij die wijs is, behoedt oplettendheid
en koestert dat als een grote schat[12].

Geef niet toe aan onoplettendheid!
Vermijd (de begeerte naar) zintuiglijke plezieren!
De oplettende en contemplatieve persoon
verwerft een overvloed aan zegen[13].

Dus welkom bij die keuze van mij,
die was niet slecht gemaakt [14].
Van de goed analyseerde kwaliteiten die bij mensen bekend zijn,
heb ik de beste verkregen.

Dus welkom bij die keuze van mij,
die was niet slecht gemaakt.
Ik heb de drievoudige kennis (te vijja) verworven,
en alles gedaan wat de Boeddha onderwijst.

Noot[15]

Eindnoten

[1] Dit voorval is in de sutta hier pas opgevat. Voor het complete verhaal, zie Angulimala, de moordenaar die een heilige werd.

[2] Deze uitspraak wordt vandaag de dag nog vaak gereciteerd door boeddhistische monniken als beschermende verzen (paritta) voor zwangere vrouwen die vlak voor de bevalling staan.

[3] Ook een Arahat kan de gevolgen van zijn wilshandelingen nog ervaren. Zie kamma.

[4] Vijf van de volgende verzen worden aangetroffen in de Dhammapada. Angulimala's verzen zijn opgenomen in Thag16-008.

[5] Dit is Dhp172.

[6] Dit is Dhp173.

[7] Hij verwijst hier naar juiste gedachten, de 2e factor van het Edel Achtvoudige Pad, die gewelddadigheid voorkomen en de basis vormen voor een deugdzaam leven.

[8] Dit is Dhp080.

[9] Zijn oorspronkelijke naam: Ahimsaka.

[10] Het resultaat (kamma vipaka) van die soort daden, van dat kamma, was in dat laatste leven tot rijping gekomen.

[11] Terwijl deugdzame monniken oftewel de Arahats, naar verluidt het aalmoezenvoedsel van het land eten als een erfenis van de Boeddha, is de Arahat 'vrij van schulden' omdat hij zichzelf volledig waardig heeft gemaakt om aalmoezen te ontvangen.

[12] Dit is Dhp026.

[13] Dit is Dhp027.

[14] Hiermee verwijst Angulimala waarschijnlijk naar de overvloedige gelukzaligheid die hij geniet (wegens zijn keuze) in het vorige vers is genoemd.

[15] Angulimala's verzen in M086 eindigen hier. In Thag16-008 volgen hierna nog vier verzen.

Document info
RegID M086
Bijgewerkt 16 januari 2021 00:16:51
Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen