De leeuw

Sīha Sutta

Wanneer we de huidige situatie waarin wij verkeren echt gaan begrijpen, ontstaat er een gevoel van angst dat de functie heeft te vluchten uit een benarde situatie. Vanwege conditionering ontstaat een mentale slaap waardoor mensen door blijven gaan in het bestaan, ongeacht in welke sfeer. Wezens die goed kamma hebben gemaakt en als gevolg daarvan in een hoge sfeer zijn wedergeboren, zijn vatbaarder voor conditionering dan je zou denken. Dat is omdat het in die sferen erg aangenaam is en de tijdsduur veel uitgestrekter is. Hierdoor slijten gedachte- en gewoontepatronen nog eerder in. Zo worden wezens opgenomen in een geïndividualiseerd bestaan (sakkāyapariyāpanna), d.w.z. binnen de vijf groepen van hechten (pañca upadana kkhandha), ongeacht de sfeer of wereld waarin zij leven.

Hemelwezens zijn erg machtig, maar niet per definitie wijs. Wanneer zij de Dhamma vernemen worden ook zij wakker geschud en ontstaat de angst van urgentie (samvega) in hen om een einde aan lijden te maken.

Monniken (bhikkhave), 's avonds komt de leeuw (sīha), de koning der dieren (migarāja), uit zijn hol, strekt zijn lichaam, overziet de vier windrichtingen rondom en brult driemaal zijn leeuwenbrul (sīhanāda). Daarna gaat hij op jacht.

De meeste dieren die het gebrul van de leeuw horen, worden overmand door angst (bhaya), een gevoel van urgentie (samvega) en terreur (santāsaṁ āpajjati). Dieren die in holen leven, kruipen hun hol in; dieren die in het water leven, gaan het water in; dieren die in het bos leven, vluchten het bos in; en de vogels zoeken hun toevlucht in de lucht. Zelfs de majestueuze olifanten, die in dorpen, steden en hoofdsteden met sterke riemen vastgebonden zijn, breken hun banden en rukken zich los. Angstig plassen en poepen ze en vluchten ze alle kanten op. Zo machtig is de leeuw, de koning der dieren, zo majestueus en sterk.

Zo ook, monniken, wanneer de Tathagata in de wereld verschijnt, een arahant, volledig verlicht (samma sambuddha), perfect in kennis en gedrag (vijjacaranasampanna), de gelukkige (sugata), de kenner van de werelden (lokavidu), de onvergelijkbare (anuttara) trainer van mensen die te beteugelen zijn (purisadammasarathi), leraar (sattha) van goden en mensen (devamanussanam), verlicht (buddha) en gezegend (bhagava), onderwijst (deseti) de Dhamma aldus: 1. Zo is (iti) het persoonlijk bestaan (sakkaya), 2. zo is (iti) de oorsprong van het persoonlijk bestaan (sakkāyasamudaya), 3. zo is (iti) het einde van het persoonlijk bestaan (sakkāyanirodha), 4. zo is (iti) de weg (patipada) naar het einde van het persoonlijk bestaan (sakkāyanirodhagāminī).

Wanneer die deva's, die lang leven (dīghāyuka), mooi zijn (vaṇṇavant), overvloedig geluk (sukhabahula) ervaren en lange tijd (ciraṭṭhitika) in verheven (uccesu) paleizen (vimānesu) verblijven, en ook zij (tepi) het onderwijs van de Dhamma (dhammadesanā) van de Tathagata horen (sutvā), worden ze vrijwel allemaal (yebhuyyena)[1] vervuld van angst (bhaya), een gevoel van urgentie (samvega) en terreur (santāsaṁ āpajjati), zoals:

'Het lijkt erop, heer (bho), dat we in werkelijkheid (kho) vergankelijk (anicca) zijn, hoewel we onszelf als zijnde onvergankelijk (niccamhāti) waanden.'

'Het lijkt erop, heer, dat we in werkelijkheid instabiel (adhuva) zijn, hoewel we onszelf als zijnde stabiel (dhuvamhāti) waanden.'

'Het lijkt erop, heer, dat we in werkelijkheid niet eeuwig (asassata) zijn, hoewel we onszelf als zijnde eeuwig (sassatamhāti) waanden.'

'Het lijkt erop, heer, dat we vergankelijk, instabiel en niet eeuwig zijn, opgenomen in het persoonlijke bestaan (sakkāyapariyāpanna)[2].'

Zo krachtig (mahiddhika) is de Tathagata, zo majestueus (mahesakkha) en machtig (mahānubhāva) is hij in deze wereld samen met haar deva's (sadevaka).

Wanneer de Boeddha, de leraar, de weergaloze persoon
in deze wereld met zijn deva's, door directe kennis
het wiel van de Dhamma in beweging zet,
(onderwijst hij) het persoonlijk bestaan (sakkāyapariyāpanna), het einde ervan,
de oorsprong van het persoonlijk bestaan,
en het edele achtvoudige pad
dat leidt tot het tot bedaren brengen van het lijden.

Dan worden zelfs die deva's die van lange levensduur zijn,
mooi, stralend van glorie,
angstig en vervuld van terreur,
zoals dieren die het gebrul van de leeuw horen.

"Het lijkt erop dat wij vergankelijk zijn,
niet voorbij het persoonlijk bestaan zijn" zeggen zij,
wanneer zij het woord horen van de arahant,
de stabiele die volledig bevrijd is (vippamuttassa).

Eindnoten

[1] Mp: 'vrijwel allemaal' (yebhuyyena) maakt naar verluidt een uitzondering voor die deva's die edele discipelen zijn. Hoewel zij een drang naar kennis ervaren (ñāṇasaṁvega), ontstaat er bij de arahants geen enkele angst, omdat zij door zorgvuldig streven hebben bereikt wat bereikt moest worden. De andere deva's, die zich bewust zijn van vergankelijkheid, ervaren zowel angst (bhaya) als mentale schrik (cittuttarāsa) als, op het moment van sterk inzicht, angst vanwege kennis (ñāṇabhaya).

[2] Mp: "Opgenomen in het persoonlijke bestaan (sakkāyapariyāpanna), d.w.z. opgenomen in de vijf aggregaten (pañca kkhandha). Wanneer de Boeddha hen dus de Dhamma onderwijst, die gekenmerkt wordt door de drie eigenschappen (ti lakkhana) en de fouten in de kringloop van het bestaan blootlegt, sluipen er cognitieve angsten (ñāṇabhaya) in hen.

Document info
RegID A04-033
Bijgewerkt 6 maart 2026 11:15:55
Auteur Peter van LoosbroekAnanda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen