Tot Jivaka

Jivaka Sutta

Wat de Boeddha zegt over het eten van vlees.

1. Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Gezegende nabij Rajagaha in het mangobos van Jivaka Komarabhacca.

2. Toen ging Jivaka Komarabhacca naar de Gezegende, en nadat hij hem respect had betuigd, ging hij aan zijn zijde op de grond zitten en zei tegen de Gezegende:

3. "Eerwaarde heer, dit is wat ik heb gehoord: 'Zij slachten levende wezens voor de asceet Gotama. De asceet Gotama eet bewust vlees dat voor hem is bereid van dieren die vanwege hem zijn gedood.' Eerwaarde heer, zeggen degenen die zo spreken wat de Gezegende heeft gezegd en stellen zij hem niet verkeerd voor met wat in strijd is met de feiten? Verklaren zij in overeenstemming met de Dhamma dat niets een grond van afkeuring vormt; zijn dit de rechtmatige woorden van de Gezegende?"

4. "Jivaka, zij die zo spreken, zeggen niet wat door mij is gezegd, maar stellen mij verkeerd voor met wat niet waar is en in strijd is met de feiten."

5. "Jivaka, ik zeg dat er drie gevallen zijn waarin vlees niet moet worden gegeten: wanneer gezien is, gehoord is, of dat er een vermoeden is (dat het levende wezen speciaal is geslacht voor de bhikkhu). Ik zeg dat vlees niet moet worden gegeten in deze drie gevallen. Ik zeg dat er drie gevallen zijn waarin vlees kan worden gegeten: wanneer het niet gezien is, niet gehoord is, of dat er geen vermoeden is (dat het levende wezen speciaal is geslacht voor de bhikkhu). Ik zeg dat vlees in deze drie gevallen gegeten kan worden[1]."

6. "Hier[2], Jivaka, leeft een monnik afhankelijk van een dorp of stad. Hij vertoeft terwijl hij één windstreek doordringt met een geest vol van liefdevolle vriendelijkheid (metta), zo ook de tweede windstreek, zo ook de derde, zo ook de vierde; zo boven, beneden, rondom en overal, en naar allen zowel als naar hemzelf, vertoeft en verblijft hij terwijl hij de gehele wereld doordringt met een geest vol van liefdevolle vriendelijkheid, overvloedig, verheven, onmetelijk, zonder vijandigheid en zonder kwade wil. Dan komt een huishouder of de zoon van een huishouder naar hem toe en nodigt hem uit voor een maaltijd de volgende dag. Als de monnik het wil, accepteert hij dat. Wanneer de nacht ten einde is, kleed hij zich in de morgen aan. Hij neemt zijn bedelnap en bovengewaad en gaat naar het huis van de huishouder of de zoon van een huishouder en neemt hij plaats op een stoel die voor hem in gereedheid is gebracht. Dan serveert de huishouder of de zoon van een huishouder hem voedzaam aalmoezenvoedsel. Het komt niet in hem op: 'Wat goed dat de huishouder of de zoon van een huishouder mij met voedzaam aalmoezenvoedsel bedient. Dat moet hij in de toekomst ook doen.' Zo denkt hij niet. Hij eet dat aalmoesvoedsel zonder eraan gebonden te zijn, zonder eraan verslaafd te zijn. Hij is er volkomen aan toegewijd[3], hij ziet het gevaar ervan in en hij begrijpt de ontsnapping er aan[4]. Wat denk je, Jivaka? Zou deze monnik in zo'n geval kiezen (cetana) voor zijn eigen leed, voor het leed van een ander, of voor het leed van beiden?"

"Nee, eerwaarde heer."

"Laat die monnik zich bij die gelegenheid met onberispelijk voedsel ondersteunen?[5]"

7. "Ja, eerwaarde heer, want ik heb dit gehoord, eerwaarde heer: 'Brahma verblijft in liefdevolle vriendelijkheid (metta).' Eerwaarde heer, de Gezegende is hiervoor mijn zichtbare getuige, want de Gezegende verblijft in liefdevolle vriendelijkheid."

"Jivaka, elke lust (raga), elke haat (dosa), elke begoocheling (moha) waarbij kwade wil (vyapada) ontstaat, is verlaten door de Tathagata, aan de wortel afgekapt, tot een palmstronk gemaakt, hij heeft ermee afgedaan zodat zij in de toekomst niet meer kunnen ontstaan[6]. Als dit is waar je naar verwijst, dan sta ik je dat toe."

"Eerwaarde heer, wat ik zei verwijst exact daar naar."

8-10. "Hier, Jivaka, leeft een monnik afhankelijk van een dorp of stad. Hij vertoeft terwijl hij één windstreek doordringt met een geest vol van mededogen (karuna) (...). Hij vertoeft terwijl hij één windstreek doordringt met een geest vol van meelevende vreugde (mudita) (...). Hij vertoeft terwijl hij één windstreek doordringt met een geest vol van gelijkmoedigheid (upekkha), zo ook de tweede windstreek, zo ook de derde, zo ook de vierde; zo boven, beneden, rondom en overal, en naar allen zowel als naar hemzelf, vertoeft en verblijft hij terwijl hij de gehele wereld doordringt met een geest vol van gelijkmoedigheid, overvloedig, verheven, onmetelijk, zonder vijandigheid en zonder kwade wil. Dan komt een huishouder of de zoon van een huishouden naar hem toe en nodigt hem uit voor een maaltijd de volgende dag. Als de monnik het wil, accepteert hij dat (...). Wat denk je, Jivaka? Zou deze monnik in zo'n geval kiezen voor zijn eigen leed, voor het leed van een ander, of voor het leed van beiden?"

"Nee, eerwaarde heer."

"Laat die monnik zich bij die gelegenheid met onberispelijk voedsel ondersteunen?"

11. "Ja, eerwaarde heer, want ik heb dit gehoord, eerwaarde heer[7]: 'Brahma verblijft in gelijkmoedigheid (upekkha).' Eerwaarde heer, de Gezegende is hiervoor mijn zichtbare getuige, want de Gezegende verblijft in gelijkmoedigheid."

"Jivaka, elke lust (raga), elke haat (dosa), elke begoocheling (moha) waarbij wreedheid, ontevredenheid of afkeer ontstaat, is verlaten door de Tathagata, aan de wortel afgekapt, tot een palmstronk gemaakt, hij heeft ermee afgedaan zodat zij in de toekomst niet meer kunnen ontstaan[8]. Als dit is waar je naar verwijst, dan sta ik je dat toe."

"Eerwaarde heer, wat ik zei verwijst exact daar naar."

12. "Als iemand een levend wezen slacht voor de Tathagata of zijn discipel, vergaart hij veel schuld in vijf gevallen. Wanneer hij zegt: 'Ga en haal dat levend wezen', is dit het eerste geval waardoor hij veel schuld vergaart. Wanneer dat levend wezen pijn en verdriet ervaart doordat het wordt voortgetrokken, met pijn in de keel, is dit het tweede geval waardoor hij schuld vergaart. Wanneer hij zegt: 'Ga en slacht dat levend wezen', is dit het derde geval waardoor hij veel schuld vergaart. Wanneer dat levend wezen pijn en verdriet ervaart doordat het geslacht wordt, is dat het vierde geval waardoor hij veel schuld vergaart. Wanneer hij de Tathagata of zijn discipel van voedsel voorziet dat berispelijk is, is dit het vijfde geval waardoor hij veel schuld vergaart. Iedereen die een levend wezen slacht voor de Tathagata of zijn discipel, vergaart veel schuld in deze vijf gevallen."

13. Toen dit was gezegd, zei Jivaka Komarabhacca tegen de Gezegende: "Het is verbazingwekkend, eerwaarde heer, het is wonderbaarlijk, eerwaarde heer! De monniken eten wat toelaatbaar is, zij eten onberispelijk voedsel! Nu begrijp ik het, eerwaarde heer. Net zoals iemand rechtzet wat op z'n kop staat, openbaar maakt wat verborgen was, of de weg wijst aan hem die verdwaald is, of een lamp omhoog houdt in de duisternis zodat zij die ogen hebben dingen zullen zien; net zo is de Dhamma door de eerwaarde Gotama op vele manieren uitgelegd! Daarom, neem ik mijn toevlucht in hem, in zijn Dhamma en in zijn Sangha. Dat de Gezegende mij als een lekenvolgeling moge aannemen als iemand die zijn toevlucht heeft genomen vanaf deze dag tot het einde van zijn leven[9]!"

Eindnoten

[1] Deze passage vermeldt duidelijk en expliciet de voorschriften voor het eten van vlees die door de Boeddha voor de Sangha zijn vastgelegd. Opgemerkt moet worden dat de Boeddha niet van de monniken verlangt dat ze een vegetarisch dieet volgen, maar hen toestaat vlees te consumeren als ze er zeker van zijn dat het dier niet is geslacht, speciaal om hen van voedsel te voorzien. Zulk vlees wordt tikotiparisuddha 'puur in drie aspecten' genoemd, omdat het niet gezien, niet gehoord of niet vermoed wordt dat het afkomstig is van een dier dat speciaal voor de monniken is gedood. Het voorschrift van de lekenboeddhist om zich te onthouden van het nemen van leven, verbiedt hem om voor zijn voedsel te doden, maar verbiedt niet om vlees te kopen dat is bereid van dieren die al dood zijn. Voor meer over dit onderwerp, zie Boeddhisme — Het eten van vlees.

[2] In deze Leer.

[3] Hij gaat er op een wijze manier mee om, met indachtigheid zodat hij zich goed gewaar (vijañana) is.

[4] Doordat hij helder gewaar (vijañana) is, begiftigd is met wijsheid, ziet hij het gevaar van het eten van voedsel dat op verkeerde wijze (berispelijk) is verkregen en hij begrijpt hoe hij voorkomt dat dit gevaar oplevert (ten aanzien van wedergeboorte).

[5] Deze vraag wordt vaak verkeerd vertaald als: 'Houdt die monnik zich niet bij die gelegenheid in stand met onberispelijk voedsel?', waarop Jivaka dan eveneens bevestigend antwoord. Dezelfde fout wordt bijvoorbeeld ook gemaakt wanneer je zegt: 'Kun je me niet matsen?', maar dan wordt bedoeld: 'Kun je me matsen?'

[6] Hier toont de Boeddha dat hij niet louter verblijft in liefdevolle vriendelijkheid vanwege het bedwingen van kwade wil met de op jhana gebaseerde verworvenheden zoals de goddelijkheid Brahma dat doet, maar dat hij ook de wortels van kwade wil heeft uitgerukt vanwege zijn verwerving van Arahatschap.

[7] Hierna volgen dezelfde alinea's als bij liefdevolle vriendelijkheid m.b.t. mededogen, sympathische vreugde en gelijkmoedigheid.

[8] Wreedheid (vihesa), ontevredenheid (arati) en wrok (patigha) zijn respectievelijk de tegenstellingen van mededogen (karuna), vreugdevolle interesse (piti) en gelijkmoedigheid (upekkha).

[9] Het is raadselachtig dat Jivaka hier zelf verklaart voor het eerst een lekenvolgeling te zijn terwijl hij op dat moment al een in de stroom getredene is (sotapatti). Misschien werd deze formule gebruikt als een middel om iemands toewijding aan het beroep doen van toevlucht zoeken, opnieuw te bevestigen.

Document info
RegID M055
Bijgewerkt 20 februari 2021 12:23:21
Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen