De tot eenheid gebrachte geest is als een heldere spiegel

De tot eenheid gebrachte geest (ekaggatā) ziet niet slechts elk afzonderlijk ding of toestand op zich, maar alle oorzaken en gevolgen die ermee samenhangen.

De heelheid van geest en de verdeelde geest zou ik willen verduidelijken met een spiegel. Een spiegel die aan de muur hangt weerspiegelt alles wat zich voor de spiegel bevindt. De spiegel weerspiegelt het hele gebeuren, de totaliteit van wat er op elk moment zich voor de spiegel afspeelt oftewel de realiteit. Die weergave is niet gebaseerd op een leugen. Het is een eerlijk beeld, niet misleidend. Dit kun je vergelijken met de tot eenheid gebrachte geest (ekaggatā) die kalm (samatha) is en de totale realiteit (sacca) kan zien.

Maar als de spiegel van de muur valt en in duizenden stukjes uiteen barst, is de spiegel verdeeld, versnipperd. Elk stukje kan nu slechts een klein deeltje weerspiegelen, niet het hele beeld, niet de totaliteit. En ook als je al die stukjes aan elkaar zou lijmen, dan vertoond de spiegel scheuren die als kloven tussen de delen bestaan. De kloven verdelen de eenheid, werken de eenheid tegen. Dit kun je vergelijken met de verdeelde of versnipperde geest die alles in hokjes plaatst. In afzonderlijke dingen en gebeurtenissen waardoor hij de samenhang ervan niet ziet.

Concentratie kan leiden tot fixatie

Concentratie (samādhi) kan de geest tot eenheid (ekaggatā) brengen, maar concentratie kan ook leiden tot fixatie. Wanneer je gefixeerd bent op een punt, op een of ander object, sluit dit alles wat daar omheen is uit. Het levert een beperkte visie dat lijkt op het kijken door een sleutelgat. Zintuiglijk verlangen (kāmacchanda) speelt hierin de sleutelrol en staat een harmonieuze, vredige staat van de geest, ernstig in de weg.

Een tot eenheid gebrachte geest daarentegen, kan de totaliteit, het totale gebeuren, het totale plaatje zien. Op elk moment begrijpt hij elk afzonderlijk ding (dhamma) en elke toestand. Het belangrijkste aspect hierin is de eigenschap van opkomen (uppada) én vergaan (vaya) van alle dingen, van alle toestanden. Hij ziet en begrijpt dat alles in een voortdurende staat van verandering (vipariṇāma) is.

Precies zoals een hand ook twee kanten heeft, ook zo kan hij van alles twee kanten zien. De belangrijkste oorzaak hiervan is, dat hij geen voorkeur en geen afkeer heeft (anurodhapaṭivirodha): hij omarmt niets en hij duwt niets weg. Zo is er geen verdeeldheid, maar eenheid. Dit is van essentieel belang, want alleen zo kan hij openstaan voor alles wat er is en zodoende de realiteit (sacca) van alle dingen zeer helder zien en begrijpen (sampajañña).

De tot eenheid gebrachte geest (ekaggatā) ziet niet slechts elk afzonderlijk ding of toestand op zich, maar alle oorzaken en gevolgen die ermee samenhangen. En niet op één moment, maar voortdurend. Altijd en overal. Dit is totaal helder gewaarzijn (sampajañña) waar de Boeddha voortdurend op wijst. Omdat iemand de belangrijkste aspecten van alle verschijnselen diep in het hart begrijpt, namelijk het opkomen (uppada) en het vergaan (vaya), grijpt hij zich nergens in de wereld (van het oor, het oog, de neus, de tong, het lichaam en de geest) aan vast. En omdat hij zich nergens aan vastgrijpt is zijn geest bevrijdt (vimutti).

Document info
RegID pAq72WlovYeBmIB
Bijgewerkt 30 juli 2026 20:49:48
Auteur Peter van LoosbroekĀnanda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen