De karakters van niet-zelf

Anatta Lakkhana Sutta

In deze toespraak zet de Boeddha de Leer van niet-zelf (anatta) uiteen. Hierin verklaart de Boeddha dat in geen enkele van de vijf aggregaten (materie; gevoelens; waarnemingen; mentale factoren; bewustzijn) zoiets als een ziel of een zelf te vinden is. Een zeer beroemde uitspraak van de Meester is: N'etam mama; n'eso'ham asmi; na me so atta ('Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.') Net zoals bij de eerste toespraak predikte de Boeddha deze toespraak tot de eerste vijf monniken, maar deze keer verwierven zij allemaal Arahatschap (Arahatta). De Anatta Lakkhana Sutta is de tweede toespraak die de Boeddha predikte.

Inleiding

In deze toespraak zet de Meester uiteen dat alle fenomenen onwezenlijk zijn en dat we er daarom niet aan moeten hechten. Iets dat onwezenlijk is, dat wat niet blijvend is, dat is niet onze ware natuur, dat is niet onze eindbestemming (Nibbana). Alle verschijningsvormen zijn vergankelijk (anicca); alle dingen die vergankelijk zijn strekken tot leed (dukkha); alles is instabiel, zonder blijvende essentie (anatta). Dit zijn de drie karakters (ti lakkhana) van het bestaan. Alle dingen, alle verschijningsvormen hebben de aard van opkomen in zich, dus ook de aard van vergaan. Dergelijke dingen die in lijden moeten eindigen, die geen vaste essentie in zich hebben, dat zijn niet de dingen waar wij naar op zoek zouden moeten gaan om de bevrijding van lijden te realiseren. Mensen hebben vaak ideen over een ziel of over een zelf, maar aangezien alle opkomende dingen weer moeten vergaan, kan er geen sprake zijn van een blijvend of onveranderlijk 'zelf', 'ik', 'mij' of 'mijn'. Alle ideen en gehechtheid daaromtrent, zijn obstakels voor je verdere mentale ontwikkeling.

Zelfidentificatie met en honger naar onvergankelijkheid (aniccata) en zegen vormen de principile manifestaties van hunkering, wat ondersteund wordt door een verkeerd inzicht omdat dit niet in overeenstemming is met diepe waarheid. Wanneer men geconfronteerd wordt met het in tegenspraak zijn en de onmogelijkheid van zelfidentificatie met elk van de vijf groepen van hechten (paca upadana kkhandha), zoekt begeerte naar het bevredigen van deze behoefte door de voorstelling van een ziel of een zelf. Maar omdat er, hoe men het ook bekijkt, niet zulk een ziel buiten de vijf aggregaten kan zijn, is een dergelijke 'oplossing' altijd gedoemd tot mislukken. Om dezelfde reden loopt iedere poging om een 'zelf' te identificeren met Nibbana dan ook uit op een mislukking. "Nibbana dat beschouwd wordt als identiek zijnde (met 'zelf' of als 'zelf') als los staande van het (de verheven staat) of er binnenin (binnenin het innerlijke), of Nibbana begrepen als 'mijn' is verkeerd begrepen." (M001). Dit voorkomt niet dat een Perfecte zoals de Boeddha, gangbare spraak gebruikt die in de wereld gehanteerd wordt om te kunnen communiceren. Hij doet dat bijvoorbeeld in de Dhammapada en men moet voorzichtig zijn om dat niet verkeerd te begrijpen:

Iemand is zijn eigen toevlucht. Wie anders kan die toevlucht zijn? Zichzelf volledig bedwongen, bereikt men de verheven toevlucht, die zeer moeilijk te bereiken is.

Slechte daden door hemzelf begaan, geboren uit hemzelf, voortgebracht door hemzelf, vernietigen de boosaardige mens, zoals de diamant de edelsteen splijt.

Hetzelfde met de uitspraak 'ajjhattam' (in jezelf) is eenvoudig een gebruikelijke verwijzing naar de focus van het individuele gezichtspunt en moet niet verkeerd worden begrepen. Een monnik hoorde de Boeddha zoals in deze toespraak zeggen, dat de vijf groepen van hechten 'niet-mijn' etc. etc. zijn, en hij vroeg zich af: "Dat betekent dus dat vorm, gevoel, waarneming, mentale factoren, en bewustzijn, 'niet-zelf' zijn. Welk zelf is het dan, dat de handeling doet bij wat zich als 'niet-zelf' voordoet?" Hij werd er regelmatig door de Boeddha op gewezen dat hij de geconditioneerdheid van alle opkomende dingen vergat. (M109). We spreken dus bijvoorbeeld wel van 'ik loop' of 'mijn huis' om met elkaar te kunnen communiceren, maar in absolute zin is er geen 'ik' dat altijd blijft en onveranderlijk is want dat staaft niet met de werkelijkheid. Dan zijn er verkeerde inzichten. "Het is onmogelijk dat iemand met het juiste begrip, een idee aanziet als zijnde het zelf." M115. "Hoe filosofen en goden dan ook een zelf zien in verscheidene vormen, zij zien enkel en alleen de vijf groepen van hechten." (S22-047).

De sutta

Aldus heb ik gehoord: Eens verbleef de Gezegende te Benares (Varanasi), in het hertenpark van Isipatana. Daar sprak hij tot de monniken van de groep van vijf[1]: "Monniken." -- "Eerwaarde Heer", antwoordden zij. En de Gezegende sprak als volgt:

"Monniken, vorm is niet-zelf. Zou vorm wl het zelf zijn, dan zou deze vorm niet tot ziekte leiden, en kan iemand van vorm zeggen: 'Laat mijn vorm zo zijn, laat mijn vorm niet zo zijn.' En omdat vorm niet-zelf is, leidt het tot ziekte, en daarom kan niemand van vorm zeggen: 'Laat mijn vorm zo zijn, laat mijn vorm niet zo zijn.'"

"Monniken, gevoel is niet-zelf. Zou gevoel wl het zelf zijn, dan zou dit gevoel niet tot ziekte leiden, en kan iemand van gevoel zeggen: 'Laat mijn gevoel zo zijn, laat mijn gevoel niet zo zijn.' En omdat gevoel niet-zelf is, leidt het tot ziekte, en daarom kan niemand van gevoel zeggen: 'Laat mijn gevoel zo zijn, laat mijn gevoel niet zo zijn.'"

"Monniken, waarneming is niet-zelf. Zou waarneming wl het zelf zijn, dan zou deze waarneming niet tot ziekte leiden, en kan iemand van waarneming zeggen: 'Laat mijn waarneming zo zijn, laat mijn waarneming niet zo zijn.' En omdat waarneming niet-zelf is, leidt het tot ziekte, en daarom kan niemand van waarneming zeggen: 'Laat mijn waarneming zo zijn, laat mijn waarneming niet zo zijn.'"

"Monniken, mentale factoren zijn niet-zelf. Zouden mentale factoren wl het zelf zijn, dan zouden deze mentale factoren niet tot ziekte leiden, en kan iemand van mentale factoren zeggen: 'Laat mijn mentale factoren zo zijn, laat mijn mentale factoren niet zo zijn.' En omdat mentale factoren niet-zelf zijn, leidt het tot ziekte, en daarom kan niemand van mentale factoren zeggen: 'Laat mijn mentale factoren zo zijn, laat mijn mentale factoren niet zo zijn.'"

"Monniken, bewustzijn is niet-zelf. Zou bewustzijn wl het zelf zijn, dan zou dit bewustzijn niet tot ziekte leiden, en kan iemand van bewustzijn zeggen: 'Laat mijn bewustzijn zo zijn, laat mijn bewustzijn niet zo zijn.' En omdat bewustzijn niet-zelf is, leidt het tot ziekte, en daarom kan niemand van bewustzijn zeggen: 'Laat mijn bewustzijn zo zijn, laat mijn bewustzijn niet zo zijn.'"

"Monniken, wat denken jullie: is vorm blijvend of vergankelijk?" -- "Vergankelijk, Eerwaarde Heer." -- "Welnu, is hetgeen dat vergankelijk is, pijnlijk of plezierig?" -- "Pijnlijk, Eerwaarde Heer." -- "Welnu, is het van hetgeen dat vergankelijk en pijnlijk is omdat het aan verandering onderhevig is, juist om te zeggen: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?" -- "Nee, Eerwaarde Heer."

"Is gevoel blijvend of vergankelijk?" -- "Vergankelijk, Eerwaarde Heer." -- "Welnu, is hetgeen dat vergankelijk is, pijnlijk of plezierig?" -- "Pijnlijk, Eerwaarde Heer." -- "Welnu, is het van hetgeen dat vergankelijk en pijnlijk is omdat het aan verandering onderhevig is, juist om te zeggen: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?" -- "Nee, Eerwaarde Heer."

"Is waarneming blijvend of vergankelijk?" -- "Vergankelijk, Eerwaarde Heer." -- "Welnu, is hetgeen dat vergankelijk is, pijnlijk of plezierig?" -- "Pijnlijk, Eerwaarde Heer." -- "Welnu, is het van hetgeen dat vergankelijk en pijnlijk is omdat het aan verandering onderhevig is, juist om te zeggen: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?" -- "Nee, Eerwaarde Heer."

"Zijn mentale factoren blijvend of vergankelijk?" -- "Vergankelijk, Eerwaarde Heer." -- "Welnu, is hetgeen dat vergankelijk is, pijnlijk of plezierig?" -- "Pijnlijk, Eerwaarde Heer." -- "Welnu, is het van hetgeen dat vergankelijk en pijnlijk is omdat het aan verandering onderhevig is, juist om te zeggen: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?" -- "Nee, Eerwaarde Heer."

"Is bewustzijn blijvend of vergankelijk?" -- "Vergankelijk, Eerwaarde Heer." -- "Welnu, is hetgeen dat vergankelijk is, pijnlijk of plezierig?" -- "Pijnlijk, Eerwaarde Heer." -- "Welnu, is het van hetgeen dat vergankelijk en pijnlijk is omdat het aan verandering onderhevig is, juist om te zeggen: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?" -- "Nee, Eerwaarde Heer."

"Zo moet, monniken, iedere soort van vorm die in het verleden, in de toekomst of in het heden is verrezen, groot of klein, in je of buiten je, ondergeschikt of verheven, ver weg of dichtbij, met juist begrip aldus beschouwd worden: 'Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf[2].'"

"Zo moet iedere soort van gevoel die in het verleden, in de toekomst of in het heden is verrezen, groot of klein, in je of buiten je, ondergeschikt of verheven, ver weg of dichtbij, met juist begrip aldus beschouwd worden: 'Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.'"

"Zo moet iedere soort van waarneming die in het verleden, in de toekomst of in het heden is verrezen, groot of klein, in je of buiten je, ondergeschikt of verheven, ver weg of dichtbij, met juist begrip aldus beschouwd worden: 'Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.'"

"Zo moet iedere soort van mentale factor die in het verleden, in de toekomst of in het heden is verrezen, groot of klein, in je of buiten je, ondergeschikt of verheven, ver weg of dichtbij, met juist begrip aldus beschouwd worden: 'Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.'"

"Zo moet iedere soort van bewustzijn die in het verleden, in de toekomst of in het heden is verrezen, groot of klein, in je of buiten je, ondergeschikt of verheven, ver weg of dichtbij, met juist begrip aldus beschouwd worden: 'Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.'"

"De genstrueerde edele leerling, monniken, die het zo ziet, hunkert niet naar materile vorm, gevoel, waarneming, mentale factoren en bewustzijn[3]. Door hartstochtloosheid is hij onthecht, door onthechting is hij bevrijd; in bevrijding ontstaat het besef dat hij bevrijd is, en hij begrijpt: 'Geboorte is vernietigd, het heilige leven is geleefd (magga brahmacariya), wat gedaan moest worden is gedaan (katam karniyam), er komt niets meer tot elke staat van bestaan (naparam itthattaya)[4].'"

Dat is wat de Gezegende zei. De monniken waren blij, en zij loofden zijn woorden. En gedurende deze toespraak, werden de harten van de monniken van de groep van vijf, vanwege de onthechting van de bezoedelingen, bevrijd[5].

Eindnoten

[1] De eerste monniken waren: Bhaddiya; Mahanama; Vappa; Kondaa; Assaji.

[2] N'etam mama; n'eso'ham asmi; na me so atta.

[3] Zie paca upadana kkhandha in het Woordenboek.

[4] Zie de eindnoot uiteindelijke kennis in M019 voor meer informatie.

[5] Zij verwierven allen Arahatschap, de hoogste graad van heiligheid die door inzicht in de ware aard der fenomenen bewerkstelligd wordt.

RegID: S22-059
Bijgewerkt op: 5 december 2004
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Geen