De Eerwaarde non Patacara (2)

Een wijs en deugdzaam mens kijkt de dood dapper aan en zal de angst voor de dood overwinnen.

Wanneer de dood komt, kunnen noch ouders, noch kinderen, noch verwanten iemand beschermen.

288. Noch zonen bieden bescherming, noch vader noch familie; wanneer iemand gegrepen wordt door de koning van de Dood, dan wordt er temidden van kennissen geen bescherming gevonden.

na santi putta tanaya na pita na'pi bandhava antakena'dhipannassa natthi ñatisu tanata

Als een persoon door de beëindiger (de dood) gegrepen wordt, kunnen zonen hem niet beschermen. Zelfs iemands vader kan geen bescherming bieden tegen de grip van de dood, noch kunnen iemands verwanten hem redden.

De waarheid hieromtrent kennende, moet de deugdzame en wijze persoon het pad naar Nibbana vrijmaken.

289. Laat de wijze, die dit feit begrepen heeft en door deugd goed bedwongen is, snel het pad vrijmaken dat naar Nibbana leidt.

etamatthavasam ñatva pandito silasamvuto nibbanagamanam maggam khippameva visodhaye

Wanneer men gewaar is van het feit dat niemand je van de dood kan redden, moet een wijs mens die beheerst en gedisciplineerd is, zonder tijd te verliezen het pad naar Nibbana vrijmaken.

Terwijl hij in het Jetavana Klooster verbleef, sprak de Boeddha deze verzen, die verwijzen naar Patacara, de dochter van een rijke man van Savatthi.

(Zie de tekst bij Dhp113) (...) En toen de Boeddha zich gewaar werd dat haar verdriet intens afnam, vervolgde hij zijn toespraak als volgt: "Patacara, voor hem die op weg is de wereld voorbij te gaan, kunnen noch zonen noch familie of kennissen ooit een veilige toevlucht zijn. Ook al zouden zij in leven zijn, dan nog kunnen zij hieromtrent niets voor je betekenen. Hij die wijs is, moet zijn gedrag zuiveren, en zo voor zichzelf het pad vrijmaken dat naar Nibbana leidt." Met die woorden onderrichtte hij haar de Dhamma.

Aan het einde van de leerrede, verwierf Patacara de vrucht van de in de stroom getredene (sotapatti), en de bezoedelingen in haar, die zo talrijk waren als de deeltjes van de aarde, brandden weg. Vele anderen verwierven eveneens de vrucht van de in de stroom getredene, en de vruchten van de tweede en derde paden.

Uitleg vertaling vers 288

antakena adhipannassa tanaya putta na santi, pita na, pi bandhava na, ñatisu tanata natthi

antakena: door de beëindiger (de koning van de dood); adhipannassa: persoon die gegrepen wordt door; tanaya: voor de bescherming; putta: kinderen; na santi: niet daar; pita: vader; na: (is) niet (daar); pi: ook; bandhava: verwanten; na: (daar zijn); ñatisu (deze vorm) van verwanten; tanata natthi: heeft (hij) geen bescherming

Uitleg vertaling vers 289

pandito etam atthavasam ñatva silasamvuto nibbanagamanam maggam khippam eva visodhaye

pandito: de wijze; etam atthavasam: dit feit; ñatva: gewaar zijn; silasamvuto: beheerst en gedisciplineerd; nibbanagamanam maggam: het pad naar het onsterfelijke; khippam: snel; eva visodhaye: moet zeker vrijmaken

Commentaar

Naar het Woordenboek antakenadhipannassa natthi ñatisu tanata: Als een persoon door de dood gegrepen wordt, kan niemand, zelfs zijn verwanten niet, hem daartegen bescherming bieden. In de Salla Sutta Snp3-08 wordt dit als volgt benadrukt:

Omgaan met de dood (5)

Salla Sutta

574. Het leven is onvoorspelbaar en onzeker in deze wereld. Het leven hier is moeilijk, kort en gebonden aan lijden.

575. Een wezen dat eens geboren is, zal ook sterven, daar is geen ontkomen aan. Wanneer de ouderdom bereikt wordt, of vanwege een andere oorzaak, is er de dood. Dit is de wijze waarop het met levende wezens gaat.

576. Als vruchten rijp worden, kunnen ze in de vroege morgen vallen. Op precies dezelfde wijze is het gesteld met een wezen, dat eens is geboren, op elk moment kan sterven.

577. Net zoals aardewerk dat door de pottenbakker gemaakt is, het einde bereikt als het uiteen valt, zo is het ook met het leven van de sterfelijke.

578. Beiden, de jonge en de oude, of zij idioten of wijzen zijn, ontkomen niet aan de hinderlagen van de dood. Alle wezens bewegen zich richting de dood.

579. Zij worden overvallen door de dood. Zij gaan naar de andere wereld. En dan kan zelfs een vader niet zijn zoon redden, of een familie haar verwanten.

580. Kijk: terwijl verwanten toekijken, kreunend en vol van tranen, worden mensen één voor één afgevoerd, zoals vee dat naar de slachtbank geleid wordt.

581. Zo zijn dood en ouderdom het karakter van de wereld. Daarom treurt de wijze niet als hij de natuur der wereld ziet.

582. Noch het pad waar hij vandaan kwam noch het pad waar hij naar toegaat kun je kennen. Dus heeft het geen zin om vanwege hem verdrietig te zijn.

583. Een mens die treurt wint niets. Hij doet niets anders dan een idioot die zichzelf tracht te pijnigen. Als een wijs mens dat doet, is dat voor hem hetzelfde.

584. Vrede in de geest kan niet door jammeren en weeklagen bewerkstelligd worden. Integendeel, het zal naar meer ellende en naar hevigere pijn leiden.

585. Degene die jammert zal bleek en slap worden. Hij doet zichzelf geweld aan en kan nog steeds de dood niet levend houden; zijn weeklagen is zinloos.

586. De mens die zijn verdriet niet achter zich kan laten, verkrijgt alleen maar meer pijn. Zijn weeklagen maakt hem een slaaf van zijn smart.

587. Kijk naar wezens die de dood in de ogen zien, die de resultaten van hun voorgaande daden uitleven; mensen zijn verschrikt als zij zien dat zij gevangen door de dood in de val zitten.

588. Wat mensen verwachten dat er gebeurt, verschilt met van wat er werkelijk gebeurt. Hierdoor komt grote teleurstelling; dit is de manier hoe het er in de wereld aan toegaat.

589. Een mens kan honderd jaar leven, of zelfs meer, maar aan het einde wordt hij gescheiden van zijn verwanten en moet hij het leven in deze wereld achterlaten.

590. Zo kunnen we luisteren naar en leren van een edel mens (arahat) als hij zijn verdriet opgeeft. Als hij ziet dat iemand gestorven is en zijn leven geleefd heeft, zegt hij: "Hij zal door mij niet meer worden gezien."

591. Wanneer een huis in brand staat, wordt het vuur geblust door water. Op dezelfde manier blust een wijs mens -- vaardig, goed onderwezen en vol zelfvertrouwen -- verdriet, zodra het in hem opkomt. Het is zoals de wind een plukje katoen wegblaast.

592. Een mens die zoekt naar zijn eigen geluk, zou de pijl die hij in zichzelf stak moeten uittrekken; de pijlkop van jammeren, van verlangen naar, van wanhoop.

593. Wie deze pijl uitgetrokken heeft, iemand die zich nergens aan vastklampt, die vrede in de geest volbracht heeft, is gezegend en vrij van alle smart en overwint alle verdriet.

Einde Salla Sutta.

Omgaan met de dood (6)

Mediteren op de dood

Zelfs tijdens de dood of bij het verlies van kinderen of rijkdom, moet iemand aldus overdenken:

Granen, rijkdom, zilver, goud of wat voor bezit er ook is: bedienden, ambachtsmensen, ingehuurde werkkrachten en allen die daar aan verbonden zijn. Al deze objecten moeten bij de dood achtergelaten worden; maar wat men ook doet door daad, woord en gedachte, alleen dat behoort tot hem, alleen dat neemt hij met hem mee en alleen dat volgt hem als een onafscheidelijke schaduw.

Alle wezens sterven. Het leven eindigt met de dood. Wezens gaan hun weg overeenkomstig hun daden, zij ervaren de resultaten van hun verdienstelijke én slechte daden. Zij die slechte daden begaan, gaan naar ellendige sferen en zij die verdienstelijke daden begaan, bereiken zegenrijke sferen. Daarom: laat iemand altijd goede daden begaan ten bate van een levensvoorraad elders. Verdienstelijke daden zijn van grote ondersteuning voor wezens in de toekomstige wereld.

Omgaan met de dood (7)

Fragment uit de Uraga Jataka

In de Uraga Jataka (een man brengt zijn sterfelijke aard tot rust) wordt een verhaal geschetst waarin de zoon van een landeigenaar sterft. In dit verhaal gaat de Boeddha naar het huis van de man, en nadat hij was gaan zitten, vroeg de Boeddha: "Alstublieft meneer, waarom heeft u verdriet?"

De man antwoordde: "Ik heb verdriet omdat mijn zoon dood is."

"Meneer," zei hij, "voorwaar, datgene dat aan ontbinding onderhevig is, is opgelost, en datgene dat aan vernietiging onderhevig is, is vernietigd; dit overkomt niet een enkele man, dit gebeurt ook niet in een enkel dorp, maar in ontelbare sferen en in de drie sferen van het bestaan. Er is geen enkel wezen dat niet onderhevig is aan de dood, noch is er enig bestaand ding dat in staat is in dezelfde toestand te blijven. Alle wezens zijn onderworpen aan de dood, en alle samengestelde dingen zijn onderhevig aan ontbinding. Maar de wijzen uit het verleden zeggen wanneer zij een zoon verliezen: 'Datgene dat aan vernietiging onderhevig is, is vernietigd (...) en lijden geen verdriet.'" En hierop, op het verzoek van de man, vertelde de Boeddha het verhaal van het verleden.

Eens, toen Brahmadatta regeerde in Varanasi (Kasi), was de Bodhisatta geboren in een brahmaans gezin in een dorp buiten de poorten van Varanasi, en stichtte daar zelf een gezin. Hij onderhield hen door op het land te werken. Hij had twee kinderen, een zoon en een dochter. Toen de zoon groot genoeg was, bracht de vader een vrouw voor hem mee naar huis, die van gelijke stand was. En zo bestond het gezin, inclusief een dienstmeisje, uit zes leden: de Bodhisatta en zijn vrouw, de zoon en de dochter, de schoondochter en het dienstmeisje. Zij leefden gelukkig en liefhebbend samen. De Bodhisatta waarschuwde aldus de andere vijf: "Overeenkomstig jullie ontvangen hebben, aalmoezen gegeven hebben, heilige dagen in acht genomen hebben, je aan de morele wet gehouden hebben; blijf de dood altijd indachtig, ben jullie sterfelijke staat gewaar. Want in gevallen bij wezens als wijzelf, is de dood zeker en het leven onzeker; alle bestaande dingen zijn vergankelijk en onderhevig aan verval. Daarom, ben oplettend in jullie gedrag, dag en nacht." Zij accepteerden graag zijn Leer en bleven ijverig de dood indachtig.

Op een dag, toen de Bodhisatta met zijn zoon het land aan het beploegen was, werd de jongen gebeten door een slang en viel dood op de grond neer. Toen de Bodhisatta hem zag vallen, verliet hij z'n ossen en liep naar hem toe. Toen hij ontdekte dat hij dood was, tilde hij hem op en bracht hem naar de voet van een boom in de nabijheid. Toen hij hem met een kleed bedekte, huilde noch weeklaagde hij. Hij zei: "Datgene dat aan ontbinding onderhevig is, is opgelost, en datgene dat aan de dood onderhevig is, is dood. Alle samengestelde bestaansvormen zijn vergankelijk en onderworpen aan de dood." En bewust van de vergankelijke natuur der dingen, ging hij door met zijn ploegen. Toen hij de buurman zag die voorbij kwam, vroeg hij: "Vriend, ga je naar huis?"

"Ja", antwoordde de man.

"Ga dan alstublieft naar ons huis en zeg tegen de huisvrouw: 'Je hoeft vandaag niet, als voorheen, voedsel voor twee te brengen, maar slechts voor één. Tot nog toe heeft alleen het dienstmeisje het voedsel gebracht, maar vandaag moeten jullie alle vier schone kleren aan doen en met reukwerken en bloemen in jullie handen hier naar toe komen.'"

"Goed", zei hij, en hij ging heen en sprak deze woorden tot de brahmaan z'n vrouw. "Van wie, meneer, komt dit bericht?" -- "Van de brahmaan, mevrouw", antwoordde hij. Ze begreep dat haar zoon dood was, maar ze raakte niet in paniek. En zo gaf ze blijk van perfecte zelfcontrole, en in witte kleren en met reukwerken en bloemen in haar hand, gebood ze de andere leden van het gezin voedsel te brengen en vergezelde ze hen naar het veld. Niemand van hen liet een traan of liep te weeklagen. De Bodhisatta ging in de schaduw van de boom zitten waar de jongen lag, en nuttigde daar zijn maaltijd.

Toen ze hun maaltijd beëindigd hadden, raapten ze wat brandhout bij elkaar en droegen het lichaam naar de brandplaats, maakten offerranden van reukwerken en bloemen, en staken het toen in brand. Er werd door niemand één enkele traan gelaten. Allen bleven de dood indachtig. Hun deugdzaamheid was zó werkzaam, dat de troon van Sakka, de heerser van de drieëndertig goden, er heet van werd. En hij zei: "Ik vraag mezelf af, wie er verlangend is mij van mijn troon naar beneden te halen?" Na beschouwing ontdekte hij dat de hitte te wijten was door de kracht van de deugd die in deze mensen was en tot zijn grote genoegen zei hij: "Ik moet naar hen toegaan en een luide roep van verrukking uiten zoals de brul van een leeuw en onmiddellijk daarna hun verblijfplaats vullen met de zeven schatten."

En toen hij daar in zijn haast gearriveerd was en naast de brandstapel stond, zei hij: "Wat zijn jullie aan het doen?"

"Wij verbranden het lichaam van een man, mijn Heer."

"Het is niet het lichaam van een man," zei Sakka, "maar ik denk dat jullie het vlees van een of ander beest roosteren dat jullie geslacht hebben."

"Dat niet, mijn Heer", zeiden ze, "het is slechts het lichaam van een man dat wij verbranden."

"Dan moet het een of andere vijand zijn."

Maar de Bodhisatta zei: "Het is onze enige, ware zoon, en niet een vijand."

"Dan kan het niet een zoon zijn geweest waarvan u veel gehouden heeft."

"Hij was heel geliefd, mijn Heer", kwam er als antwoord.

"Waarom huilen jullie dan niet?"

Toen sprak de Bodhisatta, om uit te leggen waarom hij niet huilde, dit eerste vers:

Een man brengt zijn sterfelijke aard tot rust,
wanneer vreugde in het leven verleden tijd is,
ook al wil een slang niet haar oude versleten huid weggooien.
Geen enkel geweeklaag van vrienden kan de dood levend maken.
Waarom zou ik verdriet hebben? Hij maakt zijn weg die hij moest gaan, verder af.

Toen Sakka de woorden van de Bodhisatta hoorde, vroeg hij aan de vrouw van de brahmaan: "Hoe, mevrouw, stond de dode man tot u?"

"Ik gaf hem voor tien maanden onderkomen in mijn baarmoeder, voedde hem aan mijn borsten, begeleidde de bewegingen van zijn handen en voeten. Hij was mijn grote jongen, mijn Heer."

"Aangenomen, mevrouw, dat een vader, met het karakter van een man, niet moet huilen, is een vrouwenhart vast en zeker zachter. Waarom huilt u dan niet?" En om uit te leggen waarom zij niet huilde, sprak zij een aantal verzen:

Ongevraagd kwam hij hier naar toe, er is hem niet bevolen spoedig te gaan;
Zoals hij kwam, is hij gegaan. Welke reden is hier voor ellende?
Geen enkel geweeklaag van vrienden kan de dood levend maken.
Waarom zou ik verdriet hebben? Hij maakt zijn weg die hij moest gaan, verder af.

Nadat hij de woorden van de vrouw van de brahmaan had aangehoord, vroeg Sakka aan de zuster van de dode: "Mevrouw, wat was die dode man tot u?"

"Hij was mijn broer, mijn Heer."

"Mevrouw, zusters houden vast en zeker heel veel van hun broers. Waarom huilt u niet?" Maar ook zij verklaarde de reden waarom zij niet huilde, en sprak een paar verzen:

Al zou ik vasten en wenen, hoe kan dat voordelig voor mij zijn?
Mijn familie en kennissen helaas, zouden nóg ongelukkiger worden!
Geen enkel geweeklaag van vrienden kan de dood levend maken.
Waarom zou ik verdriet hebben? Hij maakt zijn weg die hij moest gaan, verder af.

Toen hij de woorden van de zuster van de dode hoorde, vroeg hij de vrouw van de gestorvene: "Dame, wat was hij tot u?"

"Hij was mijn man, mijn Heer."

"Vrouw, het is vast en zeker, dat als een man sterft, weduwen hulpeloos zijn. Waarom huilt u niet?" Maar ook zij verklaarde dezelfde reden waarom zij niet huilde.

RegID: Dhp288-289
Bijgewerkt op: 17 juni 2005
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Dhammapada 288; 289