De Eerwaarde non Patacara

Vanwege verscheidene mentale bezoedelingen is het onmogelijk om dingen in hun ware perspectief te zien, om een nuchtere kijk op de wereld te hebben. Maar woorden van waarheid brengen troost: men wordt kalmer van geest wanneer men de Dhamma hoort. Hierdoor kan de geest dieper tot in de kern van dingen doordringen. De chaos verdwijnt, de verlichting daagt...

Het leven van n enkele levensdag waarin het opkomen en het vergaan van dingen wordt gezien, is meer waard dan een leven van honderd jaar, zonder dat te zien.

113. Ofschoon iemand honderd jaren kan leven en niet het opkomen en vergaan (van dingen) ziet, dan is n levensdag veel beter als men het opkomen en vergaan wel ziet.

yo ca vassasatam jive apassam udayabbayam eka'ham jivitam seyyo passato udayabbayam

De ervaring van n enkele levensdag in het leven van iemand die het opkomen en verdwijnen van dingen waarneemt, is edeler en verhevener dan een leven van honderd jaren van iemand die het opkomen en verdwijnen van dingen niet waarneemt.

Terwijl hij in het Jetavana Klooster verbleef, sprak de Boeddha dit vers, verwijzende naar Patacara.

Patacara was de dochter van een rijke man uit Savatthi. Ze had n broer. Ze was erg mooi en haar ouders hielden zoveel van haar, dat zij haar in een speciale kamer hielden en haar nergens heen lieten gaan. Toen ze zestien jaar was, regelden haar ouders een huwelijk voor haar met de zoon van een andere miljonair. Maar Patacara was al verliefd op een andere jongen. Een dag voor de trouwdag zei ze tegen haar vriend: "Mijn ouders gaan mij aan een andere jongen ten huwelijk geven, en als ik eenmaal in het huis van mijn man ben, zul je daar nooit meer binnen komen. Laat daarom -- als je werkelijk van me houdt -- geen moment verloren gaan en zoek naar de een of andere oplossing om me hiervandaan te halen."

"Goed, m'n lieveling. Morgen, heel vroeg in de ochtend, ga ik naar de stadspoort en wacht daar op je. Regel op de een of andere manier dat je hier weg kunt zodat we elkaar daar kunnen treffen."

Zoals afgesproken, verkleedde Patacara zich de volgende dag als een koopman. Ze nam een waterpot en deed alsof ze water ging halen. Ze ontmoette haar vriend en samen met hem vluchtte ze naar een ver weg gelegen dorp. Daar leefde ze als de vrouw van een arme man.

Na verloop van tijd raakte Patacara zwanger, en ze zei tegen haar man: "Hier heb ik niemand die me kan helpen, maar een moeder en een vader hebben altijd een zwakke plek in hun hart voor hun kinderen. Breng me daarom naar huis, zodat ik in hun huis onder hun bescherming van mijn kind kan bevallen."

"M'n lieverd, wat zeg je nou!", zei hij, "als je moeder en vader me zouden zien slaan ze me dood! Er is geen sprake van dat ik ga!"

Ze smeekte hem telkens en telkens weer en elke keer weigerde hij om te gaan. Op een dag toen haar man niet thuis was, ging ze naar de buren en zei hen: "Als mijn man u vraagt waar ik heen ben, zeg hem dan dat ik naar huis ben gegaan, naar mijn ouders." En toen ging ze weg. Toen de man 's avonds thuiskwam, vertelden de buren hem waar zijn vrouw naar toe was.

Onmiddellijk ging hij haar achterna en toen hij haar had ingehaald, smeekte hij haar om met hem terug te keren. Maar ze weigerde en liep door, gevolgd door hem, totdat ze aan een zekere plaats kwamen. Daar begonnen de ween en Patacara beviel van een zoon. En ze dacht: "Nu is er geen reden meer om naar het huis van mijn ouders te gaan", en ze ging met haar man terug naar hun eigen huis.

Ze raakt wederom zwanger, en toen de tijd om te bevallen naderde, nam ze haar zoon met zich mee, en vertrok ze weer naar het huis van haar ouders in Savatthi. Haar man ging haar wederom achterna om haar over te halen terug te keren, maar toen ze ook nu weer weigerde, volgde hij haar zoals voorheen.

Onderweg brak er een hevige storm los. De hemel werd verlicht met bliksemflitsen; er woei een sterke wind en het regende hevig. En Patacara zei tegen haar man: "Lieveling, de ween komen weer op. Ik kan het niet meer houden; zoek een plaats voor me die vrij van regen is."

Haar man had een bijl bij zich. Deze nam hij mee en ging her en der in de regen naar takken en bladeren zoeken om een hut voor haar te maken. Toen hij een struik zag die op een mierenhoop groeide, ging hij erheen om die om te hakken. Hij had nog maar nauwelijks een paar klappen met de bijl gegeven om er wat takken vanaf te hakken, toen er een giftige slang uit de mierenhoop tevoorschijn gleed die hem beet. Onmiddellijk viel hij dood neer.

Patacara wachtte en wachtte op haar man. Haar ween werden alsmaar sterker, en tenslotte beviel ze van een tweede zoon. De kinderen, die niet in staat waren de regen, de wind en de koude te trotseren, begonnen zo hard zij konden te huilen en te schreeuwen. En de arme moeder kon niets doen. Ze nam de kinderen tegen haar boezem, stond op handen en voeten, hield hen tegen elkaar en bracht de hele nacht in die houding door, zonder te slapen. Haar hele lichaam zag eruit alsof er geen bloed meer doorheen stroomde, als een verdord en geel blad.

Vroeg in de ochtend nam ze haar pas geboren zoon, die op een homp vlees leek, op. Ze zette hem op haar heup, reikte de oudere jongen een van haar vingers om die vast te houden, en zei: "Kom, lieverd, jullie vader heeft ons verlaten." Ze ging over het pad dat ook hij gegaan was, en toen ze bij de mierenhoop aankwam, zag ze haar man daar dood op de grond liggen, z'n vlees paars en het lichaam stijf. "Alleen vanwege mij is mijn man langs de weg gestorven!", riep ze, en huilend en jammerend vervolgde Patacara haar weg.

Ze besloot haar tocht naar haar ouders voort te zetten en moest een rivier, genaamd Aciravati, oversteken. Het water stond hoog, maar het kwam niet boven haar taille. Toen ze bij de bank van de rivier aankwam, dacht ze: "Ik ben erg verzwakt doordat ik de hele nacht geen eten heb gehad, ik heb niet geslapen en ik heb veel bloed verloren. Ik kan de kinderen niet allebei tegelijkertijd naar de andere kant van de rivier dragen." Dus liet ze de oudere jongen op de dichtstbijzijnde bank achter. Toen ze haar de jongste zoon naar de overkant had gebracht, brak ze wat takken van een boom, spreidde die op de grond uit, legde hem daar op, en keerde toen terug om de oudere jongen te halen.

Ze was bijna tot het midden van de rivier gekomen toen een adelaar het jongste kind bemerkte en het aanzag voor een homp vlees, en hij dook vanuit de lucht om het kind te grijpen. De moeder zag de adelaar naar het kind duiken om het mee te nemen. Ze zwaaide hevig met beide armen en schreeuwde met luide stem: "Ksst! Ksst!", maar het was allemaal tevergeefs; de adelaar hoorde haar niet. Hij greep de jongen en vloog met hem weg.

De oudere jongen, die aan de andere kant van de rivier achtergelaten was, zag zijn moeder in het midden van de rivier stoppen en haar handen de lucht in steken, en ook hoorde hij haar met luide stem schreeuwen, en hij dacht bij zichzelf: "Moeder roept mij", en in zijn haast viel hij in het water. Terwijl de moeder zich naar hem spoedde om hem te redden, werd hij door de rivier meegesleurd. Natuurlijk was Patacara nu erg, heel erg verdrietig. Ze huilde en huilde, en riep: "Een van mijn zonen is door een adelaar meegenomen; de ander is door het water mee gesleurd; en langs de weg ligt mijn dode man!"

Ze ging er vandoor totdat ze een man tegenkwam en ze vroeg hem: "Meneer, waar woont u?"

"In Savatthi, mijn beste vrouw", zei hij.

"In de stad Savatthi in die en die straat, leeft dat en dat gezin. Kent u hen, meneer?"

"Ja, goede vrouw, ik ken hen. Maar vraag mij niet naar dit gezin. Vraag me naar een ander gezin dat je kent."

"O, goede man! Ik ken alleen dat gezin! Vertel me alstublieft over dat gezin", zei ze.

"Omdat je erop staat, kan ik de waarheid niet voor je verbergen", zei de man. "Weet je dat er vannacht een zware storm heerste?", vroeg hij.

"Ja", antwoordde Patacara, "dat weet ik. Ik dacht dat het alleen maar op mij regende, omdat ik dacht dat ik de storm het ergste ervoer. Maar vertel me nu maar wat er met het gezin van deze rijke koopman is gebeurd, en ik zal je geen vragen meer stellen."

"In die hevige storm", vervolgde de man, "stortte het huis van dat gezin in. De muren vielen op de vader, de moeder en hun enige zoon."

"O! Nee toch! U wilt me toch niet vertellen dat ook zij dood zijn!", zei ze.

"Jawel. Zie je het vuur daarginds?", vroeg hij, terwijl hij naar een vuur in de nabijheid wees.

"Ja, dat zie ik", antwoordde Patacara.

"Dat is het vuur van hun begrafenis", zei de man.

Zodra Patacara dit tragische nieuws hoorde viel ze op de grond en ze begon alsmaar op en neer te rollen van verdriet. Ze werd gek van verdriet. Ze merkte niet eens dat haar kleren van haar afvielen en dat ze halfnaakt was, en ze schreeuwde: "O, wat ben ik ongelukkig! Mijn beide zoons zijn dood; mijn man ligt dood langs de weg; mijn moeder, mijn vader en mijn broer branden op de brandstapel!"

Zij die haar zo zagen, schreeuwden tegen haar: "Gekke idioot! Gekke idioot!" Sommigen gooiden vuilnis naar haar, anderen strooiden stof over haar hoofd, weer anderen bekogelden haar met kluiten aarde. Maar een paar mensen kwamen naar de bewuste plek en namen haar mee naar de tempel in het Jetavana. De Boeddha, die daar temidden van zijn discipelen de Dhamma predikte, zag Patacara van grote afstand naderen, en hij herkende in haar iemand die gedurende honderdduizend cyclussen van geboorten de Perfectheden (dasa paramita) beoefend had; iemand die haar vurige wens vervuld had.

Patacara's wens

Er wordt ons verteld dat zij tijdens de religie van de Boeddha Padumuttara, had gezien hoe de Leraar Padumuttara een non, die een expert was in de Leer, aanwees als zijnde de allerhoogste onder degenen die bedreven waren in de Leer. Het was alsof de Leraar de non bij de arm nam en haar toeliet tot het Park van Verrukking. En zo nam Patacara in dat leven haar besluit en ontwikkelde ze deze aspiratie: "Dat ik ook, net zoals jij, te midden van nonnen die bedreven zijn in de Leer, van een Boeddha het allerhoogste mag ontvangen."

De Boeddha Padumuttara breidde zijn bewustzijn uit naar de toekomst en nam waar dat haar aspiratie vervuld zou worden, en hij deed de volgende voorspelling: "In het tijdperk van een Boeddha die gekend wordt als Gotama, zal deze vrouw de naam Patacara dragen, en zij zal te midden van nonnen die bedreven zijn in de Leer, het allerhoogste bereiken."

En zo sprak de Meester, toen hij Patacara van een afstand zag naderen, terwijl haar aspiratie volbracht was, haar vurige wens vervuld was: "Er is niemand die voor deze vrouw een toevlucht kan zijn, behalve ik." En hij wilde dat ze naar het klooster kwam. Op het moment dat zijn discipelen haar aan zagen komen, riepen ze: "Laat die gekke vrouw niet binnenkomen!" Maar de Boeddha vertelde hen dat ze niet moesten proberen haar dat te beletten. Toen Patacara dicht genoeg bij hem was om hem te horen, zei hij tegen haar: "Zuster, herstel je indachtigheid!" En plotseling, door de kracht van de Boeddha, realiseerde ze zich dat ze halfnaakt was, en schaamtevol zat ze op de grond. Een man gaf haar een kleed dat ze om zich heen sloeg. Ze liep naar de Meester toe en wierp zichzelf voor zijn gouden voeten op de grond. Toen zei ze tegen de Boeddha: "Eerwaarde Heer, wees mijn toevlucht! Wees mijn steun! Een van mijn zonen is meegenomen door een adelaar; de andere is meegesleurd door het water; langs de weg ligt mijn dode man; mijn vaders huis is neergehaald door de wind, en daarin zijn mijn moeder, mijn vader en mijn broer omgekomen! Op dit moment branden hun lichamen op een brandstapel!"

De Leraar luisterde naar wat ze te zeggen had, vroeg een paar vrouwen om haar te wassen, haar te eten te geven en haar te kleden. Hij troostte haar op de meest lieflijke wijze met zijn wonderlijk zachte, troostende stem: "Patacara, wees nu maar gerust. Je bent naar iemand gekomen die capabel is je schuilplaats te zijn, jouw toevlucht. Wat je hebt gezegd is waar. Een van je zonen is meegenomen door een adelaar; de andere is meegesleurd door het water; langs de weg ligt je dode man; je vaders huis is neergehaald door de wind, en daarin zijn je moeder, je vader en je broer omgekomen. Maar net zoals vandaag, zo heb je al vaker -- tijdens deze grote ronde van bestaansvormen -- gehuild vanwege het verlies van zonen en anderen die je lief waren, en je hebt overvloediger tranen gelaten dan er water is in de vier oceanen." En hij uitte het volgende vers:

"De vier oceanen bevatten maar weinig water, vergeleken met de tranen die een mens heeft gelaten, door verdriet getroffen en door lijden radeloos. Vrouw, waarom ben je dan nog steeds onoplettend?"

Op deze wijze sprak de Leraar over de cyclus van geboorten die zonder een waarneembaar begin is. En terwijl hij sprak, nam het verdriet dat haar hele lijf doordrong, intens af.

Toen de Boeddha gewaarwerd dat haar verdriet intens afnam, vervolgde hij zijn toespraak als volgt: "Patacara, voor hem die op weg is de wereld voorbij te gaan, kunnen noch zonen noch familie of kennissen ooit een veilige toevlucht zijn. Ook al zouden zij in leven zijn, dan nog kunnen zij hieromtrent niets voor je betekenen. Hij die wijs is, moet zijn gedrag zuiveren, en zo voor zichzelf het pad vrijmaken dat naar Nibbana leidt." (Lees ook verder in Dhp288-289). Met die woorden onderrichtte hij haar in de Wet (de Dhamma) [1].

Aan het einde van de leerrede, verwierf Patacara de vrucht van de in de stroom getredene (sotapatti), en de bezoedelingen in haar, die zo talrijk waren als de deeltjes van de aarde, brandden weg. Vele anderen verwierven eveneens de vrucht van de in de stroom getredene, en de vruchten van de tweede (sakadagami) en derde (anagami) paden, en vroegen de Meester om hen in te wijden.

De Leraar zond Patacara naar de orde van nonnen en gaf hen de opdracht om haar in te wijden. Nadien ontving zij de inwijding als non en vanwege haar gelukkige stemming (Patitacaratta) werd zij bekend als Patacara.

Patacara's verlichting

Op een dag vulde Patacara haar waterpot met water. Zij schonk het water er uit om haar voeten te wassen. Tijdens het schenken morste ze wat water op de grond. Het water vervolgde zijn loop een klein stukje over de grond en verdween daar vervolgens in. De tweede keer liep het wat verder. De derde keer ng wat verder. Zij nam deze bijzondere gebeurtenis als meditatieonderwerp, ordende de drie voorvallen nauwkeurig in haar geest, en mediteerde aldus:

"Net zoals het water dat ik de eerste keer morste, zijn loop een klein stukje over de grond vervolgde en er vervolgens in verdween -- zo zijn er hier in de wereld ook levende wezens, die in hun jeugd sterven."

"Net zoals het water dat ik de tweede keer morste, zijn loop een klein stukje verder over de grond vervolgde en er vervolgens in verdween -- zo zijn er hier in de wereld ook levende wezens, die in de kracht van hun leven sterven."

"Net zoals het water dat ik de derde keer morste, zijn loop nog weer wat verder over de grond vervolgde en er vervolgens in verdween -- zo zijn er hier in de wereld ook levende wezens, die op hoge leeftijd sterven."

De Meester, die in zijn Geurkamer zat, zond een stralend beeld van hemzelf weg, en alsof hij van aangezicht tot aangezicht met haar stond, sprak hij: "Patacara, het is veel beter om slechts n dag te leven, zelfs n moment, en het opkomen en vergaan van dingen te zien, dan honderd jaren te leven en dat niet te zien." En het verband leggende, onderrichtte hij haar in de Dhamma door het vers uit te spreken waar dit verhaal mee begon.

Aan het einde van deze toespraak bereikte Patacara Arahatschap, tegelijk met de Analytische Kennis (patisambhida).

Uitleg vertaling vers 113

udayabbayam apassam yo ca vassasatam jive (tato) udayabbayam passato kusito hinaviriyo ekaham jivitam seyyo

udayabbayam: het opkomen en vergaan; apassam: ziet niet; yo ca: een persoon; vassasatam: honderd jaren; jive: dan te leven; udayabbayam: het opkomen en het verdwijnen; passato: hij die ziet; ekaham: zelfs n dag; jivitam: leven; seyyo: is edel

Commentaar

Naar het Woordenboek udayabbayam: Het opkomen van de vijfvoudige totale ervaringswereld, namelijk de vijf aggregaten (paca khandha): 1. vorm; 2. gevoel; 3. waarneming; 4. geestesformaties; en 5. bewustzijn.

Naar het Woordenboek asava: In dit verhaal als 'bezoedelingen' bedoeld.

Naar het Woordenboek ariya puggala/ariya: Edelen, Edele Personen. Ariya (edele) betekent letterlijk: 'iemand die ver verwijderd is van hartstochten'.

Naar het Woordenboek patisambhida: 'Analytische kennis' of 'onderscheidingsvermogen'.

Eindnoten

[1] Deze en de volgende alinea heb ik in de verzen 288 en 289 herhaald om een aansluiting op Patacara's verhaal te krijgen.

RegID: Dhp113
Bijgewerkt op: 2 juli 2005
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Dhammapada 113