De zoon van de slachter

Behandel een ander (ook dieren) zoals je zelf behandeld wilt worden.

Jij bent onvoorbereid op de dood en je bent als een verschrompeld blad. Ook vertrek je met lege handen.

235. Je bent nu zoals een uitgedroogd blad, je bent in de macht van de dood; je staat nu op de drempel van de dood, nochtans heb je geen proviand voor onderweg.

pandupalaso'va'dani'si yamapurisa'pi ca tam upatthita uyyogamukhe ca titthasi patheyyam'pi ca te na vijjati

Nu ben je als een verdroogd, verkleurd blad. Het eerste zuchtje van de wind doet je vallen. De machten van de dood zijn voor je gekomen. Je staat nu op de drempel van de dood en je hebt geen enkel proviand voor onderweg.

Ben wijs en streef vol ijver. Maak voor jezelf een eiland. Dan ga je naar het rijk der edelen.

236. Maak van jezelf een eiland! Streef met grote vastberadenheid en wordt wijs! Bevrijd van onzuiverheden en hartstochtloos, zul je de hemelse sfeer van de Edelen binnengaan.

so karohi dipam attano khippam vayama pandito bhava niddhantamalo anagano dibbam ariyabhumim ehisi

Ben als een lamp, een eiland, een toevlucht voor jezelf. Streef vastberaden en ijverig en wordt een wijs mens. Bereik vrij van onzuiverheden en bezoedelingen, de hemelse wereld van de Edelen.

Aan het einde van het leven, worstel je aan de deur van de dood. En je hebt niets voor de lange weg, terwijl er geen stops tussenin zijn.

237. Het einde van je leven nadert, je bent nu binnen het bereik van de Koning van de Dood gekomen; langs het pad is er geen enkele plaats voor je om te rusten, nochtans heb je geen proviand voor onderweg.

upanitavayo'ca'dani'si sampayato'si Yamassa santike vaso'pi ca te natthi antara patheyyam'pi ca te na vijjati

Nu zit de toegewezen lengte van je leven erop. Je bent binnen het bereik gekomen van de koning van de dood (Yama). Daartussen heb je geen rustplaats. En het ziet er naar uit dat je ook geen proviand voor de reis hebt.

Maak snel en op een wijze manier een eiland voor jezelf. Vlekkeloos, vrij van dood en verval.

238. Maak van jezelf een eiland! Maak voort en wordt wijs! Bevrijd van onzuiverheden en hartstochtloos, zul je niet meer tot geboorte en ouderdom komen.

so karohi dipamattano khippam vayama pandito bhava niddhantamalo anangano na puna jatijaram upehisi

Wordt daarom een lamp, een eiland, een toevlucht voor jezelf. Streef vastberaden en wordt een wijs mens. Bevrijd van onzuiverheden, vrij van bezoedelingen, ga je niet meer de cyclus van geboorte en ouderdom in.

Terwijl de Boeddha in het Jetavana Klooster verbleef, sprak de Boeddha deze verzen, met verwijzing naar de zoon van een slachter.

Er wordt ons verteld, dat er in Savatthi een zekere slachter leefde. Hij zou koeien gedood hebben en nadat hij de lekkerste delen van het vlees voor zichzelf er tussenuit gehaald had, beval hij deze delen te braden en ging hij met zijn vrouw en zijn zoon aan tafel zitten om ze op te eten. De rest verkocht hij. Dit beroep van het doden van koeien, oefende hij gedurende vijfenvijftig jaar uit. Deze hele tijd -- ondanks dat de Boeddha in een naburig klooster verbleef -- gaf hij de Boeddha nimmer een lepel rijstepap of gekookte rijst als aalmoes. Zolang hij zelf vlees had om te eten, at hij nooit rijst. Op een dag, toen het nog licht was en nadat hij wat vlees verkocht had, gaf hij aan zijn vrouw een stuk vlees om dat te braden voor zijn maaltijd. Daarna ging hij naar een vijver om zich te baden.

Toen hij weg was, kwam er een vriend van hem naar zijn huis, die tegen de vrouw van de slachter zei: "Geef mij een stuk van het vlees dat je man voor de verkoop heeft. Er is een gast naar mijn huis gekomen!"

"Wij hebben geen vlees meer voor de verkoop", zei de vrouw. "Je vriend heeft al het vlees al verkocht en is nu naar de vijver gegaan om zich te baden."

"Weiger mijn verzoek niet! Als je een stuk vlees in huis hebt, geef het me dan!"

"Er is geen vlees in huis", hield de vrouw vol, "behalve het stuk vlees dat je vriend voor zijn eigen maaltijd apart heeft laten zetten. En omdat hij niets anders zal eten zolang hij vlees heeft om te eten, zal hij dit stuk vlees zeker niet weggeven." Maar de man nam het stuk vlees zelf en liep ermee weg.

Nadat de slachter zijn bad genomen had, keerde hij terug naar huis. Toen zijn vrouw rijst voor hem neerzette dat zij voor hem gekookt had en smakelijk met groente bereid had volgens haar eigen kookkunsten, zei hij tegen haar: "Waar is het vlees?" -- "Manlief, dat is er niet meer." -- "Heb ik je dan geen vlees gegeven om te braden voordat ik het huis verliet?" -- "Dat heb je wel, maar een vriend van je kwam naar ons huis en zei tegen mij: 'Geef mij een stuk van het vlees dat je man voor de verkoop heeft; er is een gast naar mijn huis gekomen.' Daarop zei ik tegen hem: 'Er is geen vlees in huis, behalve het stuk vlees dat je vriend voor zijn eigen maaltijd apart heeft gezet, en omdat hij niets anders zal eten zolang hij vlees heeft om te eten, zal hij dit stuk vlees zeker niet geven.' Maar ondanks dat ik dat tegen hem zei, nam hij zelf het stuk vlees en liep er mee weg."

Maar haar man zei: "Zolang ik vlees heb om te eten, zal ik geen rijst eten! Neem het maar weg!" -- "Wat moet ik dan doen, man? Eet alsjeblieft de rijst op." -- "Dat doe ik niet!", riep hij, en nadat hij zijn vrouw geboden had de rijst weg te nemen, verliet hij met een mes in zijn hand het huis.

Nu stond er achter het huis van de slachter een os vastgebonden. De man liep op de os af, stak zijn hand in de mond van de os, trok zijn tong naar buiten, en sneed de tong met zijn mes aan de basis af en keerde weer met de ossentong terug naar zijn huis. Toen de tong op een bed van kolen bereid was, legde hij de tong op de gekookte rijst en ging hij zitten om zijn maaltijd te nuttigen. Eerst nam hij een mondvol rijst en toen nam hij een stuk vlees in z'n mond. Op dat moment werd zijn eigen tong direct in tweeŽn gekliefd en viel die uit zijn mond op de schaal met de rijst. Dit was de vergelding die in overeenstemming was met de kwade daad die hij begaan had. Met een stroom van bloed die uit zijn mond gutste, liep hij de binnenplaats van zijn huis op en kroop daar op handen en knieŽn rond, loeiend als een os.

Toen dat gebeurde, stond zijn zoon in de buurt die zijn vader daar zo gadesloeg. Zijn moeder zei tegen hem: "Zoon! Zie deze slachter op de binnenplaats van het huis daar op handen en knieŽn rond kruipen, loeiend als een os! Deze vergelding zal ook op jouw hoofd neerkomen! Schenk geen aandacht aan mij, maar breng jezelf in veiligheid door te vluchten!" De zoon -- hevig geschrokken door de angst van de dood -- nam hij snel afscheid van zijn moeder en vluchtte. Toen hij zich veilig waande, ging hij naar Takkasila. Nadat de koeiendoder geruime tijd op de binnenplaats als een loeiende os had rondgekropen, stierf hij, en hij werd wedergeboren in de Avici Hel. De arme os stierf eveneens.

Nadat hij in Takkasila was aangekomen, werd de zoon van de slachter een leerjongen van een goudsmid. Op een dag, toen zijn leermeester naar het dorp ging, zei hij tegen hem: "Je moet een sieraad maken en doe dat zus en zo." Toen hij dat gezegd had, vertrok zijn meester. De leerjongen maakte het sieraad in overeenstemming met de richtlijnen die hij had gekregen. Toen zijn meester terugkeerde en het sieraad bekeek, dacht hij: "Het maakt niet uit waarheen deze jongeman zal gaan; hij zal altijd bekwaam zijn om zich in zijn levensonderhoud te voorzien."

En toen de leerjongen oud genoeg was, gaf de goudsmid hem zijn dochter ten huwelijk. Zij vermeerderden zich met zonen en dochters. En toen zijn zonen op leeftijd kwamen, ontvingen ook zij de verscheidene vakbekwaamheden en gingen vervolgens naar Savatthi om daar te leven, stichtte daar hun eigen gezinnen en werden trouwe volgelingen van de Boeddha. Hun vader bleef in Takkasila en bracht zijn dagen door zonder ook maar ťťn verdienstelijke daad te verrichten en uiteindelijk werd hij een oude man. Zijn zonen dachten bij zichzelf: "Onze vader is nu een oude man", en ze lieten hem vragen of hij naar hen toe kwam om met hen te leven. Ook dachten ze bij zichzelf: "Laat ons bedelspijzen geven uit de naam van onze vader." Vervolgens nodigden zij de congregatie van monniken uit met de Boeddha aan het hoofd voor een maaltijd.

De volgende dag brachten zij de zetels in hun huizen in gereedheid voor de groep monniken met de Boeddha aan het hoofd. Zij bedienden hen met voedsel en gaven blijk van waardering. Aan het einde van de maaltijd zeiden ze tegen de Boeddha: "Eerwaarde, dit voedsel dat wij u aangeboden hebben, is het voedsel dat wij uit naam van onze vader hebben aangeboden; verleen daarom dank aan onze vader[1]."

Daarop sprak de Boeddha deze woorden voor hun vader uit: "Huishouder, je bent een oude man, je lichaam is tot rijpheid gekomen en is als een verdord blad. Je hebt geen goede daden verricht die dienst doen als voedsel op de reis naar de volgende wereld. Maak voor jezelf een toevlucht. Wees wijs; wees geen idioot." Aldus sprak de Boeddha toen hij deze woorden van dank uitsprak.

Uitleg vertaling vers 235

idani pandupalaso iva asi tam yamapurisa api ca upatthita uyyogamukhe ca titthasi te pathyyam api ca na vijjati

idani: nu; pandupalaso iva: zoals een uitgedroogd en verbleekt blad; asi: je bent; tam: voor jou; yamapurisa api ca: ook in de macht van de dood; upatthita: bent gekomen; uyyogamukhe ca: (op) de drempel van de dood; titthasi: u staat; te: voor jou; patheyyam api ca: nochtans proviand voor onderweg; na vijjati: is er niet

Uitleg vertaling vers 236

so attano dipam karohi khippam vayama pandito bhava niddhantamalo anangano dibbam ariyabhumim ehisi

so: (daarom) jij; attano: van jezelf; dipam: een lamp; karohi: ben; khippam: vastberaden (vlug); vayamo: streef; pantito bhava: wordt een wijs mens; niddhantamalo: bevrijd van onzuiverheden; anangano: vrij van pijnen; dibbam: hemels; ariyabhumim: sfeer van de edelen; ehisi: bereik

Uitleg vertaling vers 237

idani upanitavayo ca asi yamassa santike sampayato asi te antara vaso api ca natthi te pattheyyam api ca na vijjati

idani: nu; upanitavayo ca: van de levensspanne; asi: ben je; yamassa: van de Koning van de Dood; santike: de nabijheid; sampayato asi: je bent gekomen; te: voor jou; antara: daar tussen; vaso api ca: zelfs een rustplaats; natthi: is daar niet; te: voor jou; pattheyyam api ca: noch proviand voor onderweg; na vijjati: is er niet

Uitleg vertaling vers 238

so attano dipam karohi khippam vayama pandito bhava niddhatamalo anangano puna jatim jaram na upehisi

so: (daarom) jij; attano: van jezelf; dipam: een lamp; karohi: ben; khippam: vastberaden (vlug); vayama: span je in; pantito bhava: wordt een wijs mens; niddhantamalo: bevrijd van onzuiverheden; anangano: vrij van bezoedelingen; puna: nog eenmaal; jatim jaram: de cyclus van geboorte en ouderdom; na upehisi: niet meer ingaan

Commentaar

Omgaan met de dood (2)

Naar het Woordenboek upanitavayo: Het einde van de levensspanne.

Deze verzen hebben de dood als hun centrale punt. De noodzakelijkheid om gewaar te zijn dat het leven tot een einde komt, is in deze verzen samengevat. De Boeddha vermaande de oude persoon omtrent de mogelijkheid van de dood en zich van proviand te voorzien om het lijden te beŽindigen. Dit is in principe, om hem indachtig en alert te maken op de altijd aanwezige bedreiging van de dood.

In het boeddhistische meditatie systeem, vormt het gewaar zijn en het indachtig zijn van de dood, een cruciaal gebied van meditatie. Een praktische gids voor deze meditatieve contemplatie van de dood, is iets essentieels voor alle mensen. Deze vorm van meditatie heet: marananussati bhavana -- de meditatie van de indachtigheid van de dood. Marananussati betekent de continue indachtigheid van de dood.

Zoals de zon, die zonder te stoppen tussen zonsopgang en zonsondergang beweegt, zo gaat ook het leven van wezens van deze wereld door, van geboorte naar dood. Niets in deze wereld is onsterfelijk. Het leven van een wezen is net zo vergankelijk als een dauwdrop aan het puntje van een grassprietje, vroeg in de morgenzon. Het verdwijnt net zoals een lijn die op het water getrokken wordt of zoals een luchtbel aan de oppervlakte van het water. Het leven komt tot een einde gedurende een van de volgende fases: tijdens de kinderjaren, tijdens de jeugd of bij ouderdom.

Het leven eindigt in de dood. Alle wezens die het leven beginnen, moeten dat ook weer eindigen, want alle dingen die de aard van opkomen in zich hebben, hebben ook de aard van vergaan in zich. Dit is een universele wet, een vaststaand feit. Alle wezens moeten op een dag sterven; daar is niemand van uitgezonderd. Of een gestorven wezen ergens wordt wedergeboren en dus opnieuw geconfronteerd wordt met de dood, hangt af van zijn of haar hevig hunkeren naar zintuiglijke dingen waardoor het wezen zichzelf opnieuw -- en geheel door de eigen wil -- gevangen zet in de cyclus van geboorte en dood, de voorwaarde van lijden.

Alle bezittingen, status, macht etc., moeten bij de dood achtergelaten worden, maar de vruchten van de daden die men met het lichaam, met de spraak en met de gedachten begaat, nemen we met ons mee. Slechte daden dragen bittere vruchten, goede daden dragen zoete vruchten. Daden begaat men zelf, door onze eigen wil verrichten we goede of slechte daden. De vruchten daarvan, zullen ons onafscheidelijk volgen zoals onze schaduw dat doet. Maar een wezen dat het Pad van de Boeddha tot op het hoogste niveau heeft gerealiseerd, heeft zich vrijgemaakt van alle banden. Voor hem is er geen geboorte meer, want zelfs de begeerte naar de allerhoogste sferen is door zijn training volledig uitgerukt. Elke wereld is als een luchtbel voor hem. Hij hecht niet aan het gewordene, het ontstane, het geconditioneerde; hij heeft het ongeconditioneerde bereikt, Nibbana.

De dood is een erfenis die alle wezens hebben verkregen -- of zij mensen, dieren, hemelwezens of brahma's zijn. Het is de ware natuur van deze wereld, dat alles dat eens in het bestaan komt, eens moet ophouden te bestaan. Deze vergankelijkheid die gekarakteriseerd wordt door het in bestaan komen en het verdwijnen, hebben alle bezielde en onbezielde dingen van de wereld gemeen.

Wij moeten ons heel goed in onze geest inprenten dat bomen, bergen, rivieren, steden, oceanen, de zon en de maan, machines en andere werktuigen -- dat al deze dingen onderhevig zijn aan verandering en verval. Alle wezens in de wereld zullen op een dag geconfronteerd worden met 'de drievoudige angst', namelijk ouderdom (jara), ziekte (vyadhi) en dood (marana). Het is onmogelijk deze factoren te weren door bijvoorbeeld rijkdom, status, macht of geleerdheid. Daarom kunnen wij het leven niet aanschouwen als iets dat bevredigend of comfortabel is.

Iemand die nooit aan de dood denkt, kan de vergankelijke natuur van het leven niet begrijpen. De geest van zo'n persoon is vatbaar voor kwaad en gevaarlijke gedachten zoals vijandigheid, wraak, hebzucht, zelfzucht en buitensporige eigendunk. De beoefening van de indachtigheid van de dood is van onnoemelijke waarde om de bovengenoemde kwade gedachten tegen te gaan en om deugden te ontwikkelen zoals vriendelijkheid, sympathische vreugde, eerlijkheid, gelijkmoedigheid, geweldloosheid en vrijgevigheid.

De Boeddha heeft ons laten zien dat er drie hemelse boodschappers in de gemeenschap zijn die ons drie belangrijke lessen leren; het zijn ouderdom, ziekte en de dood. Deze boodschappers ontmoeten we regelmatig. Als je iemand ziet die door ouderdom is uitgeschakeld, denk er dan eens over na dat jijzelf op een dag ook aan zulk een toestand onderhevig bent; wanneer je een zieke persoon ziet, denk dan aan de mogelijkheid dat jijzelf ook door ziekte getroffen kunt worden; wanneer je een begrafenis ziet of een dood lichaam ziet of van de dood hoort, denk er dan over na dat ook jij op een dag zult sterven. Door dat te doen zul je vanzelf de ouderen beginnen te eren, de armen en de zieken helpen en een deugdzaam leven gaan leiden. Bovenal zal het je helpen een eenvoudiger en vertroost leven te leiden door het opgeven van eigendunk die ontstaat door rijkdom, status, machtspositie, geleerdheid en jeugdigheid.

Door het dagelijks beoefenen van marananussati bhavana kun je langzaamaan van de angst voor de dood afkomen. Bovenal zul je niet terneergeslagen zijn door buitensporig verdriet, zelfs niet bij de dood van je ouders, broers, zusters, of anderen die je lief hebt. Dit feit werd duidelijk door de oude verhalen van Mallika, Patacara en Kisa Gotami of van de Jataka verhalen zoals de Uraga Jataka. Beschouw daarom altijd de grote voordelen die je zult verwerven door de beoefening van de marananussati meditatie.

Voordat je met de beoefening van marananussati bhavana begint, moet je schoon en netjes zijn, doe een offer van bloemen vanuit een dankbaar hart etc., en neem je toevlucht in het Drievoudig Juweel (Ti Ratana) en neem de vijfvoudige regels (paŮca sila) van deugdzaamheid in acht.

Ga daarna in een gemakkelijke houding zitten op een plaats die geschikt is voor meditatie. Begin nu met de meditatie door de volgende feiten keer op keer te overdenken:

Ik ben onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood. Net zoals ik, zijn alle wezens in de wereld onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.

Nu kun je het volgende stadium ingaan door het volgende, keer op keer van het begin tot het einde, te overdenken:

  1. Mijn leven is vergankelijk. Mijn dood is zeker. Ik ben onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  2. Het leven van mijn ouders is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  3. Het leven van mijn leraren is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  4. Het leven van mijn broers en zusters is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  5. Het leven van mijn familieleden is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  6. Het leven van iedereen die ik liefheb is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  7. Het leven van mijn buren is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  8. Het leven van hen die zich kwaadaardig tegen mij stemmen is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  9. Het leven van alle wezens in deze wereld is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn allemaal onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.

Wanneer je deze meditatie gedurende een lange periode beoefent, zullen je lichaam, je woorden en je geest zuiver worden. Je zult niet de oorzaak zijn van geen enkele kwaadwilligheid jegens de gemeenschap. Je daden, woorden en gedachten zullen voor iedereen ten voordeel zijn.

Het leven van iemand die constant deze meditatie beoefent, zal inderdaad gelukkig zijn en hij zal in staat zijn de dood zonder een spoor van welke angst dan ook aan te kijken. Verder zal het hem helpen om de vertroosting van hemelwezens en mensen te verkrijgen in de volgende wereld en om op het einde het Nibbana te bereiken.

Voor de gemiddelde mens is de dood niet een plezierig onderwerp om over te praten. Voor hen is het iets akeligs en iets dat onderdrukt moet worden -- een ware spelbederver, een onderwerp dat alleen geschikt is voor de brandstapel. De gemiddelde mens die ondergedompeld is in het zelf, in het ego, die altijd op zoek is naar het plezierige, altijd hetgeen najaagt dat opwindend is en waardoor de zintuigen tijdelijk worden bevredigd, weigert om halt te houden en serieus na te denken over het feit dat deze objecten van geneugten en bevrediging eens op een dag hun einde zullen bereiken. Als wijze raad niet zegeviert en het de onnadenkende plezierzoekende mens niet aanspoort serieus in ogenschouw te nemen dat de dood ook bij hem kan aankloppen, is het alleen de shock van een verlies onder zijn eigen dak -- de plotselinge en voortijdige dood van een ouder, vrouw of kind -- die hem wakker zal schudden van zijn waanzinnige tour van zintuiglijke bevrediging en hem op ruwe wijze tot de meest harde feiten van het leven doet ontwaken. Alleen dan zullen zijn ogen opengaan, alleen dan zal hij zichzelf beginnen af te vragen waarom er zoiets is als de dood. Waarom is het onvermijdelijk? Waarom zijn er deze pijnlijke scheidingen die het leven zo van vreugde beroven?

Voor de meesten onder ons, moet de aanblik van de dood op een of ander moment, aanleiding hebben gegeven tot de diepste gedachten en meest diepzinnige vragen. Wat is het leven waard, als bekwame lichamen die eens grote daden volbrachten, nu plat en koud op de grond liggen, gevoelloos en levenloos? Wat is het leven waard, als ogen die eens sprankelden van vreugde, ogen die eens vol liefde waren en nu voorgoed gesloten zijn, van hun beweging beroofd zijn en beroofd zijn van leven? Gedachten zoals deze moeten niet onderdrukt worden. Het zijn juist deze vragende gedachten -- die, als ze op een wijze manier worden voortgezet -- tenslotte de mogelijkheden die in de menselijke geest liggen, ontvouwen, om de hoogste waarheid te ontvangen.

Overeenkomstig met de boeddhistische denkwijze, is de dood, in plaats van een onderwerp dat geschuwd en vermeden moet worden, de sleutel die het schijnbare mysterie van het leven blootlegt. Het is door het begrijpen van de dood, dat wij het leven kunnen begrijpen, want de dood is in ruimere zin een deel van het levensproces. In andere zin, zijn leven en dood twee uiteinden van hetzelfde proces, en als je ťťn uiteinde van een proces begrijpt, begrijp je ook het andere. Vandaar dat we door het begrijpen van het doel van de dood, we ook het doel van het leven begrijpen.

Het is de contemplatie van de dood -- de intensieve gedachte dat het ons op een dag zal overkomen -- die de meest harde harten verzacht, de een aan de ander bind met koorden van liefde en mededogen en de barriŤre van kasten, geloof en ras onder de mensen op deze aarde vernietigt voor iedereen die onderworpen is aan de algemene bestemming van de dood. De dood is een grote gelijkheidsprediker. Eigendunk vanwege geboorte, eigendunk vanwege status, eigendunk vanwege rijkdom, eigendunk vanwege macht moet weggegeven worden door de alles verslindende gedachten aan de onvermijdelijke dood. Het is dit gelijkheidsaspect van de dood waaruit het volgende vers voortkomt:

Scepter en kroon
moeten omver vallen
en worden gelijken in het stof
met de arme gebogen zeis en spade.

Het is de indachtigheid van de dood die de onverzadigbare drang naar zintuiglijke plezieren helpt te vernietigen. Het is de indachtigheid van de dood die ijdelheid vernietigd. Het is de indachtigheid van de dood die een evenwichtig en een gezond gevoel van mate geeft aan onze hoogst overprikkelde geest met zijn misleidende gevoel van waarden. Het is de indachtigheid van de dood die kracht, stabiliteit en richting geeft aan de dwalende menselijke geest, die nu eens afdwaalt in de ene richting, dan weer in de andere, zonder een streefpunt, zonder een doel.

Het is niet voor niets, dat de Boeddha in de meest verheven termen, zijn discipelen heeft aanbevolen de indachtigheid van de dood te beoefenen. Dit staat bekent als marananussati bhavana. Iemand die het wil beoefenen, moet zeer vaak in de gedachte verkeren: maranam bhavissati -- 'de dood zal plaatsvinden'. Deze contemplatie van de dood is een van de klassieke meditatieonderwerpen die in de visuddhi magga (pad van zuivering) behandeld worden en waarin vermeld staat dat voor het ontvangen van de hoogste vruchten, iemand deze meditatie op de juiste manier moet beoefenen. Dat is met waakzaamheid (sati), met een gevoel van dringende noodzakelijkheid (samvega) en met begrip (mana). Bijvoorbeeld, stel je eens voor dat het een jonge leerling niet lukt zich vanuit scherpzinnigheid te realiseren dat de dood elk moment kan komen en haar beschouwt als iets dat bij ouderdom in de toekomst verschijnt; dan zal deze contemplatie van de dood aan kracht en duidelijkheid tekortschieten, en wel zoveel, dat het alleen maar op bepaalde vlakken werkt hetgeen niet tot succes strekt.

Hoe groot en waardevol de indachtigheid van de dood is, kan worden gezien in de volgende voordelige gevolgen die in de visuddhi magga worden opgesomd.

"De discipel die zich toewijdt aan deze indachtigheid van de dood, is altijd waakzaam, beleeft geen genoegen in geen enkele vorm van bestaan, geeft de hunkering naar het hiernamaals op, berispt kwade daden, is vrij van begeerte wanneer hij de benodigdheden van het leven aanschouwt; zijn waarnemen van vergankelijkheid wordt verstevigd, hij realiseert zich de pijnlijke en zielloze natuur van het bestaan. Op het tijdstip van de dood is hij vrij van angst en blijft hij waakzaam en zelfbeheerst. Uiteindelijk, als hij in dit huidige leven faalt om het Nibbana te verwerkelijken, dan is hij bij de ontbinding van het lichaam, verzekerd van een gelukkige bestemming."

Zo zien we, dat de indachtigheid van de dood, niet alleen de geest zuivert en verfijnt, maar ook het effect heeft, de gedachte aan de dood van de angst en terreur te beroven en iemand helpt die op dat plechtig moment wanneer hij zijn laatste adem laat, die situatie met geestkracht en kalmte aan te kijken. Hij wordt nooit van kracht beroofd bij de gedachte aan de dood, maar is er altijd op voorbereid. Het is zulk een man of vrouw die waarlijk uitroept: "O dood, waar is uw prikkel!"

Eindnoten

[1] Na de materiele gave volgt de gave van de Dhamma, anumodana.

RegID: Dhp235-238
Bijgewerkt op: 25 juli 2005
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Dhammapada 235; 236; 237; 238