Sela

Sela Sutta

De brahmaan Sela treedt met 300 brahmanen toe tot de Sangha.

Aldus heb ik gehoord. Eens, was de Boeddha op weg en werd vergezeld door ongeveer 1250 monniken, toen hij een marktstad genaamd Apana in Ariguttarapa bereikte.

En een asceet met gevlochten haar Keniya genaamd, hoorde: "De Eerbiedwaardige Gotama, de monnik, de zoon van de Sakya's, is in Apana gearriveerd. De goede reputatie van de Eerwaarde Gotama is op deze wijze verspreid: 'Inderdaad, de Gezegende is volmaakt, volledig verlicht, begiftigd met kennis en oefening, verheven, de kenner van de werelden, de onvergelijkbare leider van mensen die beteugeld dienen te worden, de Leraar van goddelijke en menselijke wezens, verlicht en gezegend. Hij maakt deze wereld met haar wezens, haar mara's en brahma's, en de groep van wezens, met haar monniken en brahmanen, en haar goddelijke en menselijke wezens bekend, datgene wat hij zélf door rechtstreekse kennis helder begrepen heeft. Hij zet de Dhamma uiteen die goed in het begin is, goed in het midden en goed aan het einde, betekenisvol en letterlijk, en compleet in alles; en hij verkondigt het heilige leven dat volmaakt zuiver is. Zulke volmaakten te zien is inderdaad goed!'"

Toen ging de asceet Keniya naar de Boeddha om hem te ontmoeten en na het uitwisselen van enige begroetingen, ging hij aan zijn zijde zitten. De Boeddha verkwikte hem met een toespraak waarna Keniya hem en zijn monniken uitnodigde voor een maaltijd de volgende dag. Maar de Boeddha waarschuwde hem voor het grote aantal monniken waardoor hij vergezeld werd en wees Keniya op zijn hechte vriendschap met de brahmanen. Maar Keniya bleef bij zijn uitnodiging. Pas toen hij het voor de derde keer vroeg, stemde de Boeddha door zijn stilzwijgen toe. Daarop vertrok Keniya naar zijn huis en vroeg om assistentie van zijn vrienden, bedienden en verwanten om hem te helpen bij de bereiding van het voedsel. Iedereen verrichtte er verschillende taken en Keniya zelf trok een paviljoen op.

In die tijd leefde er in Apana een brahmaan genaamd Sela. Hij was erg goed bedreven in de drie Veda's, in verbale zin, prosodisch[1], retorisch[2], etymologisch[3], historisch; hij was bedreven in lange verzen, hij was een grammaticus, hij was iemand die erg goed was in de populaire twistgesprekken en de wetenschap van de gelaatkunde. Hij onderwees driehonderd mannen.

Omdat hij op vriendschappelijke voet leefde met Keniya, bezocht hij met zijn leerlingen diens huis. Toen hij zag dat er allerlei voorbereidingen getroffen werden, maakte hij de opmerking tegen Keniya: "Is er een huwelijk van een zoon of een dochter? Vindt er een grote offerande plaats, of is Koning Bimbisara van Magadha samen met zijn grote leger voor de maaltijd van morgen uitgenodigd?"

Keniya antwoordde: "Niets daarvan is hier gaande. Toch staat er een grote offerande van mij in het vooruitzicht; de asceet Gotama de Boeddha en zijn discipelen zijn voor de maaltijd van morgen uitgenodigd."

"Zeg je dat hij een Boeddha is!?"

"Ja, dat zei ik."

Toen ontstond er deze gedachte in Sela: 'Het woord 'Boeddha' is inderdaad zeldzaam. Maar in onze drie Veda's worden de drieëndertig tekenen van een groot man aangetroffen. Voor zo'n persoon zijn er maar twee mogelijkheden en geen enkele andere: als hij het huiselijke leven leidt zal hij een koning worden, een keizer, een rechtvaardig regeerder. Als hij echter het huiselijke leven verzaakt voor dat van het thuisloze leven, zal hij een heilige worden, een volledig verlichtte, iemand die de aantasting van bezoedelingen heeft verwijderd.'

"Keniya, waar verblijft de Boeddha nu?"

"Daar, Sela, aan de rand van het bos."

Toen naderde Sela, samen met zijn driehonderd discipelen, de Boeddha. Toen hij de tekenen van een groot man op zijn lichaam bemerkte, prees hij hem in een mooi vers:

548. "O Boeddha, u heeft een perfect lichaam, u bent schitterend, u bent van goede geboorte, mooi, van een gouden kleur, u heeft witte tanden en u bent energiek."

549. "Als er tekenen zijn van iemand van goede geboorte, dan zijn dat wel deze tekenen op uw lichaam."

550. "U heeft stralende ogen, een mooi gelaat, u bent groot, recht, majestueus; u schijnt als de zon in het midden van de congregatie van monniken."

551. "U bent een monnik met een lieflijk voorkomen; wat een voordeel kan er zijn om een asceet te zijn wanneer u in het bezit bent van zulk een schitterende gelaatskleur?"

552. "U verdient het een koning te zijn, een keizer, de heer van de rijtuigen, wiens overwinning tot de grenzen van de vier oceanen reikt, Heer van Jambudipa."

553. "Krijgers en rijke koningen aanbidden u. O Gotama, oefen uw koninklijke macht uit als een koning der koningen, een leider van mensen!"

554. De Boeddha: "Sela, ik ben een koning, een uitmuntende koning van de Leer der Waarheid; ik zet het wiel met zuivere bedoelingen in beweging -- dit wiel is levensvatbaar."

555. Sela: "U beweert dat u een volledig verlichtte bent, de Koning der Waarheid. Gotama, u zegt: 'Ik zet het wiel met zuivere bedoelingen in beweging.'"

556. "Waar is uw generaal, waar is uw discipel? Wie is de opvolger van de Leraar? Wie zal hierna, achter u, het Wiel van Waarheid in beweging zetten?"

557. De Boeddha: "Sela! Sariputta zal hierna het onvergelijkbare Wiel van Waarheid doen wentelen dat door mij in beweging is gezet; hij volgt de Tathagata."

558." Wat gekend moet worden is bij mij bekend; wat ontwikkeld moet worden is door mij ontwikkeld; wat vernietigd moet worden is door mij vernietigd. Daarom, brahmaan, ben ik de Boeddha."

559. "Brahmaan, houw uw twijfels over mij af, heb vertrouwen in mij! Het is een zeldzaam iets om van aangezicht tot aangezicht met volledig verlichtten te zijn."

560. "Brahmaan, van hen, wiens manifestatie voor u zeldzaam om te zien is; ik ben als een onvergelijkbare dokter."

561. "Meest verheven, machtig, een overwinnaar van Mara en zijn legers. Door alle vijanden onderworpen te hebben ben ik veilig in alle richtingen."

562. Sela: "Vrienden! Schenk aandacht aan wat de ziener zegt! Hij is als een dokter, een grote held en hij brult zoals een leeuw in het woud."

563. "Nu heb ik hem gezien, de meest verhevene, machtige, een overwinnaar van Mara en zijn legers die hem niet hebben kunnen overwinnen, zelfs al is hij van zwarte afkomst[4]."

564. "Laat degene die het wil, mij volgen. Laat degene die dat niet wil, weggaan. Want ik zal tot de Gemeenschap treden onder leiding van de uitstekende wijze!"

566. De volgelingen van Sela: Deze driehonderd brahmanen met hun samengevouwen handen, zeiden: "Wij zullen het heilige leven beoefenen onder de leiding van de Gezegende."

567. De Boeddha: "Sela, het zuivere leven is goed verkondigd door mij; zichtbaar hier en nu, het brengt vruchten voort zonder uitstel. Het is niet vergeefs dat iemand een monnik wordt waardoor iemand zichzelf ijverig traint."

Toen trad de brahmaan Sela samen met zijn groep tot de Gemeenschap en zij ontvingen de hogere inwijding nabij de Boeddha.

Ondertussen berichtte de asceet Keniya de Boeddha dat het maal gereed was. Daarop liep hij naar Keniya's huis, samen met de groep monniken waar zij rijkelijk bediend werden met rijkelijk voedsel. Toen de maaltijd gedaan was, verkwikte de Boeddha Keniya met deze woorden:

568. "Het vooraanstaande item in de offergave is vuur; de vooraanstaande figuur in de verzen is Savitri; de koning is de vooraanstaande figuur onder de mensen, en onder de wateren is de zee de vooraanstaande[5]."

569. "Onder de planeten is de maan de vooraanstaande; onder brandende objecten is de zon de vooraanstaande; onder hen die offergaven verrichten -- die verdiensten verlangen -- is de gemeenschap van monniken, inderdaad, de vooraanstaande."

Toen, na Keniya met deze verzen verkwikt te hebben, vertrok de Boeddha.

En de Eerwaarde Sela trok zich samen met zijn groep terug. Later, door een leven te leiden in afzondering, ijverig, energiek en met een vastbesloten wil, begreep, ervoer en verwezenlijkte zij in korte tijd, die hoogste perfectie van een edel leven waarvoor de zonen van goede gezinnen het huiselijke leven op harmonieuze wijze verlaten, en het thuisloze leven aangaan. Wedergeboorte werd ten einde gebracht; een edel leven was geleefd; wat gedaan moest worden was gedaan en in dit aardse bestaan was er niets anders meer wat nog gedaan moest worden. En zo werden de Eerwaarde Sela samen met zijn groep, Arahats. Daarna gingen zij naar de Boeddha en na hem begroet te hebben, spraken zij hem in verzen aan:

570. "Op de achtste dag voor vandaag, namen wij onze toevlucht in u. Eerwaarde Heer, gedurende zeven nachten werden wij in uw Leer getraind."

571. "U bent de Boeddha; u bent de Leraar; u bent de wijze die Mara heeft overwonnen; na het afkappen van latente neigingen bent u de stroom van het bestaan overgestoken en heeft u deze wezens naar de andere kant gedragen."

572. "De objecten van gehechtheid zijn door u allemaal overwonnen; de bezoedelingen (asava's) zijn door u vernietigd; u bent als een leeuw waarin geen enkel hechten meer is; u heeft angst en terreur achter u gelaten."

573. "Deze driehonderd monniken staan hier met samengevouwen handen. O held, strek uw voeten uit en laat de Naga's[6] de voeten van de Leraar aanbidden!"

Eindnoten

[1] Prosodie: leer van het gebruik van de woorden en lettergrepen in de vers- of zinsbouw.

[2] Retorica: leer van de welsprekendheid.

[3] Etymologie: wetenschap die de oorsprong en de geschiedenis van de woorden opspoort.

[4] In de hindoe traditie heeft enkel de brahmaan een stralende kleur terwijl de andere drie kasten van de hindoe gemeenschap van een 'zwarte kleur' zijn. De Boeddha was geboren in de krijgers kaste, vandaar de toebedeling van deze term.

[5] De Boeddha past hier zijn uitspraken aan die van de brahmaanse cultuur aan.

[6] In deze context wordt Naga bedoeld als 'heiligen' of 'bevrijdden'.

RegID: Snp3-07
Bijgewerkt op: 12 oktober 2006
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Geen