Het streven

Padhana Sutta

Mara verzoekt de Boeddha tevergeefs.

425. Ik leefde op de bank van de rivier de Nerañjara en ik was verwikkeld in een zware strijd. Ik beoefende meditatie om uit alle macht bevrijding van slavernij te vinden.

426. Mara kwam naar mij toe en begon tegen me te praten alsof hij vol van sympathie was: "Je bent zo dun en zo bleek," zei hij, "waarom toch? Je bent al bijna dood."

427. "Ik wed duizend tegen één dat je zult sterven. Er is slechts een geringe kans dat je het zult overleven. Mijn beste Heer, leef! Het is veel beter om te leven! Je zou veel meer verdiensten vergaren als je in leven blijft!"

428. "Je zou het religieuze leven moeten leiden. Verricht offergave aan de vuurgod; dan ben je er zeker van dat je veel verdiensten verwerft. Wat heb je aan al deze inspanning?"

429. "Het pad van inspanning en strijd is moeilijk, het is hard, het kost veel energie en is vol met problemen." Toen hij deze woorden uitsprak, stond Mara aan de rechterkant van de Boeddha.

430. Toen sprak de Boeddha Mara aan met de woorden: "Waarom ben je hier gekomen, kwade? Jij, vriend van nalatigheid?"

431. "Ik heb niet de minste geringste verdienste nodig van dat waarover jij spreekt. O Mara, jij zou over verdiensten moeten prediken tegen hen die deze nodig hebben."

432. "Ik heb zelfvertrouwen (saddha), zelfcontrole (tapo), energie (viriya) en wijsheid (pañña). Waarom vraag je mij, die vastbesloten (adhimokkha) is, naar leven?"

433. "Als de wind waait, zullen zelfs rivieren en stromen opdrogen. Waarom zou dan mijn bloed niet opdrogen terwijl ik in diepe strijd ben?"

434. "Zoals het bloed opdroogt, zo zal dat ook met gal en met slijm zijn. Het lichaam mag dan wel verspild zijn, maar de geest zal meer en meer verankerd zijn. Indachtigheid (sati), wijsheid (pañña) en concentratie (samadhi) worden steeds dieper in mij gevestigd."

435. "Terwijl ik op deze wijze leef, en daardoor de extremen van het zinnelijke ervaar, streeft mijn geest niet langer meer naar zintuiglijke genoegens."

436. "Het meest vooraanstaande van jouw legers is dat van zintuiglijke begeerte kama, het tweede wordt aversie (tegen het heilige leven) genoemd (arati). Het derde honger en dorst (khuppipasa), als gevolg van vrijwillige armoede, en het vierde is hunkering (tanha)."

437. "Het vijfde is het leger van luiheid en traagheid (thina middha) en het zesde is angst (bhiru). Het zevende is twijfel (vicikiccha) en het achtste is afbreuk doen aan en stijfhoofdigheid (makkha thambha)."

438. "Dan is er ook nog winstbejag (labha) naar materiële dingen, lof (siloka), eer (sakkara), en roem verkregen vanuit verkeerde bedoelingen (yasa) (het negende leger). Het tiende is zichzelf verheffen en anderen kleineren (attukkamsanaparavambhana)."

439. "Dit, Mara, zijn jouw krachten, de aanvallers van het kwade. Iemand die geen held is, zal ze niet overwinnen en geluk verwerven."

440. "Kijk: zie je deze bundel muñja gras die ik draag? Ik geef niet om leven. Ik zou nog liever sterven in deze strijd dan in leven zijn, maar verslagen."

441. "Er zijn asceten en kluizenaars die verdronken zijn (in bezoedelingen) en die nooit het pad zien dat de deugdzamen gegaan zijn."

442. "Ik kan de troepen om mij heen zien, met Mara gezeten bovenop een olifant, en ik ga verder in de strijd. Mara zal mij niet van mijn positie verdrijven."

443. "Zelfs de hele wereld, inclusief zijn goden, kan dat leger van jouw niet verslaan, maar ik ga het vernietigen met de kracht van wijsheid zoals een ongebakken kleipot met een steen (kapot gegooid wordt)."

444. "Met gedisciplineerde gedachten en stevig gegrondveste indachtigheid, zal ik van land tot land reizen en vele discipelen trainen."

445. "Alert en energiek in de beoefening van mijn Dhamma, zullen zij in tegenstelling tot jouw wens, dat bereiken, waar zij, eenmaal aangekomen, niet meer tot smart zullen komen."

446. Mara: "Ik heb de Gezegende zeven jaren gevolgd en elke stap die hij deed nauwlettend in het oog gehouden. Niet éénmaal kreeg ik toegang tot hem, hij die volledig verlicht en waakzaam is."

447. "Ik herinner me dat ik eens een kraai zag die boven een vette vleesbrok zweefde die beneden hem op de grond lag. 'Ah, eten!', dacht de kraai. Maar de vleesbrok bleek een rots te zijn, hard en oneetbaar, en de kraai vloog vol van walging weg."

448. "Wij hebben genoeg gehad; het is voor ons zoals bij die kraai die rots wilde eten. Wij gaan weg! Wij zijn klaar met Gotama!"

449. "Mara was door zijn falen zó van streek, dat hij de luit die hij droeg, liet vallen. Op het moment dat de luit op de grond viel, verdween de kwaadwillende yakkha."

RegID: Snp3-02
Bijgewerkt op: 12 oktober 2006
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Geen