Dhammika

Dhammika Sutta

De plichten van de monnik en de lekenvolgeling.

Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Gezegende nabij Savatthi in het Jetavana, het park van Anathapindika, toen de lekenvolgeling Dhammika hem daar met vijfhonderd collega's bezocht. Nadat zij hun respect hadden betuigd namen zij plaats en Dhammika sprak tot de Boeddha:

376. "O Gotama van grote wijsheid, ik vraag u: hoe handelt een discipel die van het huiselijke leven het thuisloze leven ingaat en hoe handelt iemand goed wanneer die nog een lekenvolgeling is?"

377. "Want u kent de koers van de wereld inclusief die van de goden (deva's) en ook de weg die daaraan voorbij gaat. Er is niemand die met u te vergelijken is die de subtiele betekenissen van dingen ziet. Men zegt dat u inderdaad de meest verhevene en de verlichte bent."

378. "Na alle wijsheid gerealiseerd te hebben en vanuit mededogen (karuna) voor alle voelende wezens, verkondigde u de Dhamma. U bent de vernietiger van de sluier van onwetendheid (avijja). U bent de bezitter van ogen op elk vlak. Onbevlekt, verlicht u de hele wereld."

379. "De koning van de olifanten, Eravana, kwam naast u, toen hij hoorde dat u de veroveraar was. Na geluisterd te hebben, slaakte hij met triomf een kreet van verrukking en liep weg met de woorden: 'Uitmuntend!'."

380. "Toen vroeg koning Vessavana Kuvera u of hij u een vraag mocht stellen over de Dhamma. Toen u op die manier door hem ondervraagd werd, wijze, sprak u tot hem, en na geluisterd te hebben, was ook hij diep geraakt."

381. "Geen van die redetwistende asceten, of zij nu sofistische redenaars zijn[1] of naakte asceten (Nigantha's) konden u in wijsheid overtreffen; net zoals iemand die stilstaat, niet degene kan inhalen die snel loopt."

382. "Die redetwistende brahmanen, wie zij ook mogen zijn, die ervaren zijn, die anderen beschouwen als redetwisters -- zij verwachten allemaal enige uitleg van u."

383. "Inderdaad, deze Dhamma, subtiel en aangenaam, die door u goed gepredikt is, Gezegende, wij allen verlangen die te horen. O edele Boeddha, zult u tot ons spreken wanneer u daarom gevraagd wordt?"

384. "Laat al deze monniken als ook de lekenvolgelingen die hier tezamen zitten, de Dhamma horen die gerealiseerd is door de Vlekkenloze, zoals goden naar de goed gesproken woorden van Indra luisteren."

385. De Boeddha: "Monniken, luister naar mij. Ik zal jullie de zuivere Dhamma laten horen. Prent dit goed in je geest in! Laat de wijze mens die zijn eigen voortgang liefheeft, de manier van gedrag beoefenen die geschikt is voor verzaking."

386. "De monnik moet niet op de verkeerde tijd, maar op de juiste tijd naar het dorp gaan voor bedelspijzen. Verzoekingen kleven aan hem die op de ongeschikte tijd gaat. Daarom gaan de wijzen niet op de verkeerde tijd."

387. "Vormen, geluiden, geuren, smaken en tastbare dingen, bedwelmen mensen volledig; voor het wegdoen van de begeerte naar deze dingen, moet hij op de geschikte tijd vertrekken voor het morgenmaal."

388. "De monnik die aldus zijn maal verkregen heeft en alleen teruggekeerd is, moet in afzondering zitten, en naar binnen kijkend, moet hij bedaard zijn en afleiding vermijden."

389. "Als hij met een volgeling spreekt of met iemand anders of met een medemonnik, moet hij over de verheven Dhamma spreken. Hij moet geen lasterpraat verkopen of slecht over anderen spreken."

390. "Sommigen hangen persoonlijke meningen (ditthi) aan, maar wij prijzen mensen van zulk een laag begrip niet. Verzoekingen van her en der verstrikken hen, want hun geest raakt er diep in betrokken."

391. "De volgeling van de meest Edele Wijze, die de Dhamma hoort die door hem is onderwezen, moet gebruik maken van voedsel, onderdak, een bed, een zetel, water, en moet zijn gewaad met grote zorg schoonmaken."

392. "Daarom, om vrij te zijn van deze dingen, moet een monnik zijn zoals een waterdruppel op een lotusblad."

393. "Nu zal ik jullie vertellen over de regels van de huishouder. Als hij daar naar handelt is hij een goede discipel. Als de plicht van de monnik volbracht moet worden, kan deze plicht niet worden vervuld door degene die huishoudelijk eigendom bezit."

394. "Laat hem geen leven vernietigen noch anderen aanzetten tot het vernietigen van leven en ook niet het doden van anderen goedkeuren. Laat hem onthouden van het onderdrukken van alle levende wezens in de wereld, of zij sterk zijn of zwak."

395. "Dan, omdat de discipel weet dat het aan anderen toebehoort, moet elk stelen te allen tijde worden vermeden. Laat hem een ander niet aanzetten tot stelen, noch het stelen van anderen goedkeuren. Elk stelen moet worden vermeden."

396. "Een wijze man moet het niet-celibatair leven vermijden als ware het een brandend stuk houtskool. Als hij niet in staat is het celibatair leven volledig te leiden, laat hem dan niet een overtreding begaan met de vrouw van een ander."

397. "Of hij in een vergadering is of in een publieke plaats, laat hem dan geen leugens tegen een ander vertellen. Laat hem niet aanzetten tot het vertellen van leugens noch de leugens van anderen goedkeuren."

398. "De huishouder die vreugde vindt in zelfbeheersing en die weet dat bedwelmende middelen resulteren in verlies, moet niet toegeeflijk zijn aan bedwelmende middelen noch moet hij anderen aanzetten in het nemen van bedwelmende middelen, en ook moet hij het niet goedkeuren dat anderen dat zo doen."

399. "Idioten begaan kwade daden ten gevolgen van dronkenschap en zetten andere mensen, die nalatig zijn, ertoe aan om hetzelfde te doen. Men moet deze sfeer van slechte daden vermijden, deze krankzinnigheid, deze begoocheling, deze vreugde van de idioten."

400. "1. Men moet geen leven vernietigen; 2. niet nemen wat niet is gegeven; 3. geen leugens vertellen; 4. geen drinker zijn; 5. alle onkuisheid vermijden; 6. niet op een ongepaste tijd eten;

401. 7. men moet geen sieraden dragen noch parfum gebruiken; 8. men moet de grond als bed gebruiken of op een mat slapen[2]. Dit noemt men een achtvoudige inachtneming (attha sila) verkondigd door de Boeddha die gekomen is om met het lijden af te rekenen."

402. "Terwijl men gelukkig van geest is[3], moet men deze deugd van acht regels in acht nemen op de veertiende, vijftiende en de achtste dagen van de tweewekelijkse het gehele jaar[4]."

403. "Dan, op de volgende morgen, moet de wijze die de acht regels in acht genomen heeft, de gemeenschap van monniken met blijheid in zijn hart en op een aangename wijze voorzien van voedsel en drinken."

404. "Laat hem zijn vader en moeder ondersteunen op een deugdelijke manier en streven naar een onberispelijke carrière. De huishouder die deze plichten ijverig in acht neemt, wordt wedergeboren in de sfeer van de 'lichtgevende wezens'."

Eindnoten

[1] Ajivika's.

[2] Met andere woorden: geen luxueus bed gebruiken.

[3] Wanneer men niet ziek is, in goede staat is.

[4] En gedurende de patihariyapakkha, de drie maanden van het regenseizoen samen met de voorgaande en volgende tweewekelijkse op dit seizoen, vijf maanden in totaal.

RegID: Snp2-14
Bijgewerkt op: 12 oktober 2006
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Geen