Het goede gedrag van de brahmaan

Brahmanadhammika Sutta

De Boeddha beschrijft de ideale levenswijze van brahmanen in de 'Gouden Tijd' en hoe zij ontaardden.

Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Gezegende nabij Savatthi in het Jetavana, het park van Anathapindika. Op dat moment ging een groot aantal rijke brahmanen van Kosala, afgeleefd, bejaard, oud, vele jaren verstreken, van hoge leeftijd, naar de plaats waar de Boeddha verbleef en waren hoogst voldaan hem te zien. Toen zij vriendelijk met elkaar gesproken hadden hetgeen vreugde teweeg bracht en waardig is om herinnerd te worden, zaten zij aan zijn zijde en vroegen de Boeddha: "Eerwaarde Gotama, zijn de brahmanen van vandaag de dag net zo gevestigd in priesterlijke taken als de brahmanen uit het verleden?"

"De brahmanen van vandaag de dag, zijn niet zo gevestigd in priesterlijke taken als de brahmanen uit het verleden."

"Het zou goed van u zijn, Gotama, als u dat wilt uitleggen, als u dat tenminste niet ongelegen komt."

284. De Boeddha: "De wijzen van vervlogen tijden, bezaten zelfbeheersing en een bedwongen geest, zij gaven de vijfvoudige zintuiglijke geneugten op, leidden een leven voor hun eigen welzijn."

285. "De brahmanen van vervlogen tijden hadden geen vee, noch geld noch graan. Leren was weelde en graan voor hen; zo beschermden zij deze goddelijke schat."

286. "Wat voor voedsel er ook voor deze zoekers bereid was en voor de deur werd gezet -- zij waren ervan overtuigd dat het voor hen met toewijding bereid was."

287. "Welvarende mensen uit de provincies en nabij gelegen landen, aanbaden die brahmanen en zorgden voor gewaden van vele kleuren, voor bedden en woonplaatsen."

288. "De brahmanen werden noch gekwetst noch overwonnen. Zij werden beschermd door deugd. Niemand hield hen ooit staande bij de ingang van een huishouden."

289. "Vroeger beoefenden de brahmanen een celibatair leven vanaf hun jeugd tot aan hun achtenveertigste jaar. Zij waren verbonden in het zoeken naar lering en goed gedrag."

290. "De brahmanen hadden geen geslachtsgemeenschap met de vrouw van een ander, noch kochten zij een vrouw. Door wederzijdse liefde hielden zij van elkaar en waren zij tevreden met elkaar."

291. "De brahmanen hadden geen geslachtsgemeenschap behalve met een vrouw wiens maandelijks vloeien had opgehouden en alleen op de juiste tijd."

292. "Zij prezen kuisheid, moraliteit, integriteit, beminnelijkheid, boetedoening, vriendelijkheid, geweldloosheid en onthouding."

293. "Als er een brahmaan van grote invloed was, die de edelste onder hen was, was hij kuis en gaf zelfs in zijn dromen niet toe aan seksuele geslachtsgemeenschap."

294. "Hier volgden sommige wijze mannen zijn regels, prezen kuisheid, moraliteit en onthouding."

295. "Na gebedeld te hebben voor rijst, bedden, kleren, boter, olie, en dat met eerlijke bedoelingen verzameld, offerden zij dingen als deze tijdens de offerranden. Voor de offerranden doodden zij geen koeien."

296. "De koeien zijn door de medicinale ingrediŽnten die zij produceren onze grote vrienden, zoals onze moeder, vader, broeder en andere verwanten."

297. "Zij geven voedsel, kracht, schoonheid, gezondheid. Omdat zij zich bewust waren van deze voordelen, doodden zij geen vee."

298. "De brahmanen waren elegant, groot van lichaam, knap en geŽerd, erg attent in hun plichten en ijverig in wat gedaan moest worden en in wat niet gedaan moest worden. Deze gemeenschap gedijde aldus gelukkig in de wereld zo lang zij op deze manier leefden."

299. "Zij zagen waardeloze dingen en fraai versierde vrouwen als weelde. Hoe dan ook, er kwam een verandering in hen."

300-301. "De brahmanen begeerden de grote genoegens van mannen die omgeven werden door de kudde van koeien, groepen van mooie vrouwen, rijtuigen goed gedecoreerd met mooie gordijnen en goed gedresseerde paarden, en huizen en verblijfplaatsen gebouwd met goede verhoudingen."

302. "Met gecomponeerde liederen naderden zij toen koning Okkaka, en zeiden: "U bent in het bezit van veelvuldige weelde; offer ons uw veelomvattende rijkdom, offer ons uw immense weelde."

303. "Toen volbracht de koning, heer van de rijtuigen en overgehaald door de brahmanen, vrijwillig het paardenoffer, het mensenoffer, de waterriten en het offer van drank. Na deze offers volbracht te hebben, gaf hij rijkdommen aan de brahmanen."

304. "Vee, bedden, kleden, opgetutte vrouwen, mantels van verschillend borduurwerk en goed gefabriceerde rijtuigen getrokken door edele paarden."

305. "Mooie huizen, goed door kamers ingedeeld en deze gevuld met allerlei soorten van graan -- aldus gaf hij deze rijkdommen aan de brahmanen."

306. "En toen zij op die manier rijkdommen ontvingen, kregen zij verlangens om te vergaren. Overstelpt door begeerte, vermeerderde hun hebzucht. Wederom stelden zij liederen samen en naderden Okkaka."

307. "Zoals water, aarde, goud en granen -- zo is ook het vee, omdat zij het noodzakelijke aanhangsel zijn van levende wezens. Daarom, offer ons uw immense rijkdommen, geef ons uw veelomvattende rijkdom."

308. "Toen veroorzaakte de koning, heer van de rijtuigen en overgehaald door de brahmanen, het doden van velen honderdduizenden stuks vee voor de offeranden."

309. "Noch met hun poten noch met hun hoorns hadden die koeien iemand verwond, maar zij waren gehoorzaam als lammeren en zorgden voor kruiken vol met melk. De koning pakte hen bij hun hoorns vast en doodde hen met een zwaard."

310. "Toen het zwaard op de koeien neerviel huilden de goden, de voorvaderen, Indra, de titanen en de demonen: 'Dit is onrecht!'

311. "In vroeger dagen waren er enkel maar drie ziektes: begeerte, honger en verval; maar vanwege het doden van dieren, groeiden deze uit tot achtennegentig soorten van ziekten."

312. "Dit oude onrecht is naar beneden gekomen. De onschuldige koeien zijn gedood. De offerende priesters zijn van de deugd afgeweken."

313. "Daarom wordt deze oude, gemene beoefening, ernstig bekritiseerd door de wijzen. Waar dergelijke praktijken ook gezien worden, verachten de mensen de offerende priesters."

314. "En zo werd plichtsgetrouw gedrag vernietigd, de werkmensen en handelaren werden ingedeeld. Ook de krijgers werden eveneens afgescheiden. De vrouw veronachtzaamde haar man."

315. "De krijgers, brahmanen en anderen die hun kastes beschermden, veronachtzaamden hun kastes en kwamen onder de invloed van zintuiglijke geneugten."

Toen aldus gesproken was, zeiden de brahmanen van grote weelde tegen de Boeddha: "Het is verbazingwekkend, Eerwaarde Gotama, het is wonderbaarlijk, Eerwaarde Gotama! Net zoals iemand rechtzet wat op z'n kop staat, openbaar maakt wat verborgen was, of de weg wijst aan hem die verdwaald is, of een lamp omhoog houdt in de duisternis zodat zij die ogen hebben dingen zullen zien; net zo is de Dhamma door de Eerwaarde Gotama op vele manieren uitgelegd! Daarom, nemen wij onze toevlucht in hem, in zijn Dhamma en in zijn Sangha. Dat de Gezegende ons als lekenvolgelingen moge aannemen als zijn die hun toevlucht hebben genomen vanaf deze dag tot het einde van ons leven!"

RegID: Snp2-07
Bijgewerkt op: 8 mei 2004
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Geen