Atula de lekenvolgeling

In deze wereld zijn er altijd wel mensen waarbij je het nooit goed doet. Als je dat weet, als je de wereld kent, als je weet hoe het er in deze wereld aan toegaat, dan is dat een rede minder om aan jezelf te twijfelen.

Hij die zwijgt, hij die veel spreekt en hij die matig spreekt, worden allemaal bekritiseerd. Geen van hen wordt gespaard.

227. Er is een oud gezegde, Atula, dat niet alleen vandaag de dag verteld wordt: -- "Zij die zwijgen worden berispt, zij die veel spreken worden ook berispt, en berispt worden zij die matig spreken." -- Er is niemand in de wereld die niet berispt wordt.

poranametam atula netam ajjatanam'iva nindanti tunhimasinam nindanti bahubhaninam mitabhaninam'pi nindanti natthi loke anindito

Atula! Dit is ook al in de oudheid gezegd -- het is niet alleen van vandaag de dag. Men berispt de persoon die zwijgt. Men heeft opmerkingen over de persoon die te veel spreekt. Men weet zelfs wel fouten te vinden in een persoon die goed gedoseerd en matig spreekt. In deze wereld bestaat er geen mens die onberispt blijft.

Er was nooit, en er zal nooit iemand zijn, die enkel en alleen bekritiseerd of enkel en alleen geprezen wordt.

228. Er was nooit, en er zal nooit zijn, noch is er heden een persoon in de wereld, die enkel berispt wordt of iemand die enkel geprezen wordt.

na cahu naca bhavissati na cetarahi vijjati ekantam nindito poso ekantam va pasamsito

Er is nog nooit een persoon geweest die geheel, totaal en enkel berispt werd. Ook is er nog nooit een persoon geweest die geheel, totaal en enkel geprezen werd. Er zullen nooit zulke personen zijn. Zelfs vandaag de dag zijn zulke personen niet te vinden.

Door eerst een diepgaand onderzoek in te stellen, prijst de wijze hen die een onberispelijk karakter hebben dat met deugdzaamheid en wijsheid doordrongen is.

229. Maar zij die intelligent zijn prijzen iemand die vlekkeloos in het gedrag is, -- de wijze, die in wijsheid en deugd goed gevestigd is, -- na hem dag in dag uit gade te hebben geslagen.

yañ'ce viññu pasamsanti anuvicca suve suve acchiddavuttim medhavim pañña silasamahitam

Maar zij die de wijzen prijzen, na een dagelijks onderzoek te hebben ingesteld, zijn mensen wiens gedrag onberispelijk is. Het zijn mensen die intelligent zijn, begiftigd met inzicht en discipline.

Zelfs de deva's en Brahma prijzen hem die van zulke zuivere kwaliteiten is. Er zijn geen gegronde feiten om hem te berispen.

230. Maar wie kan hem berispen, hij die zo zuiver is als een goudstuk uit de rivier de Jambu? Zelfs de deva's prijzen hem, ook wordt hij geprezen door Brahma.

nekkham jambonadass'eva ko tam ninditum arahati deva pi tam pasamsanti Brahmuna'pi pasamsito

Een persoon die zich op die manier onderscheid is voorbij alle blaam en gebreken - zoals een munt van puur goud. Niemand kan enig gebrek in zo'n persoon vinden. Hemelwezens prijzen hem.

Terwijl de Boeddha in het Jetavana Klooster verbleef, sprak de Boeddha deze verzen, met verwijzing naar Atula en zijn metgezellen.

Atula was een lekenvolgeling die in Savatthi leefde; hij had een gevolg van vijfhonderd andere lekenvolgelingen. Op een dag nam hij die lekenvolgelingen mee naar het klooster om naar de Dhamma te luisteren. Omdat hij het verlangen had om de Eerwaarde Revata de Dhamma te horen prediken, groette hij de Eerwaarde Revata en zat hij respectvol aan zijn zijde. Nu was deze Eerwaarde Revata een alleen levende monnik, hij hield van afzondering, net zoals een leeuw van afzondering houdt. Daarom had hij Atula niets te zeggen.

"Deze Eerwaarde heeft niets te zeggen", dacht Atula. Kwaad stond hij van zijn zitplaats op, ging naar de Eerwaarde Sariputta, en ging respectvol aan zijn zijde staan. "Met welke reden ben je naar mij toegekomen?", vroeg de Eerwaarde Sariputta.

"Eerwaarde", antwoordde Atula, "ik heb deze lekenvolgelingen van mij met me meegenomen om naar de Dhamma te luisteren en benaderde daarvoor de Eerwaarde Revata. Maar hij had me niets te zeggen; daarom was ik boos op hem en ben naar hier toe gekomen. Verkondig de Dhamma aan mij."

"Goed dan, lekenvolgeling", zei de Eerwaarde Sariputta, "ga zitten." En onmiddellijk daarop predikte Sariputta de Abhidhamma in haar volle lengte. En de lekenvolgeling dacht: "De Abhidhamma is buitengewoon diepzinnig, en de Eerwaarde heeft dit geheel voor mij in volle lengte uiteengezet; wat heeft dat nu voor zin?"

Boos nam hij zijn gevolg met zich mee en ging naar de Eerwaarde Ananda. Deze vroeg hem: "Wat is er aan de hand, lekenvolgeling?", waarop Atula zei: "Eerwaarde, wij benaderden de Eerwaarde Revata met de bedoeling de Dhamma te horen, maar kregen niet eens zoveel als een lettergreep van hem te horen. Hierdoor werden wij boos en gingen naar de Eerwaarde Sariputta die voor ons de Abhidhamma in haar volle lengte tot in de kleinste details uiteen zette. En wij dachten: 'Wat heeft dat nu voor zin voor ons?', en ook boos op hem geworden, zijn we naar hier gekomen. Predik de Dhamma tot ons, Eerwaarde."

"Goed dan", antwoordde Eerwaarde Ananda, "ga zitten en luister." Daarop zette de Eerwaarde Ananda de Dhamma héél kort uiteen en maakte het hen erg makkelijk om deze te begrijpen. Maar zij werden ook boos op de Eerwaarde Ananda en gingen naar de Boeddha, groette hem, en gingen respectvol aan zijn zijde zitten. De Boeddha sprak tot hen: "Lekenvolgelingen, waarom zijn jullie hier gekomen?"

"Om de Dhamma te horen, Eerwaarde." -- "Maar jullie hebben de Dhamma al gehoord." -- "Eerwaarde, eerst gingen wij naar de Eerwaarde Revata, maar hij had ons niets te zeggen; boos op hem, benaderden wij de Eerwaarde Sariputta, en die zette de Abhidhamma in haar volle lengte voor ons uiteen, maar wij waren niet bekwaam deze redevoering te begrijpen. Boos op hem, benaderden wij de Eerwaarde Ananda. Echter, Eerwaarde Ananda, hoe het ook zij, zette voor ons de Dhamma wel erg kort uiteen, waarop wij ook boos op hem werden. Zodoende zijn wij hier naar toe gekomen."

De Boeddha hoorde hen aan, en zei: "Atula, al sinds lang vervlogen tijden tot aan de dag van vandaag, is het een onveranderde gewoonte van mensen om degene te berispen die niets zegt, degene te berispen die veel zegt, en degene te berispen die weinig zegt. Er is niemand in de wereld die enkel berispt wordt en niemand die enkel geprezen wordt. Zelfs koningen worden door sommigen berispt en door anderen geprezen. Zelfs de grote aarde, zelfs de zon en de maan, zelfs een volledig verlichte Boeddha, zittend en sprekend te midden van de Viervoudige Bijeenkomst, wordt door sommigen berispt en door anderen geprezen. Maar als berisping of eerbied door onwetende mensen gebezigd wordt, dan heeft dat geen enkele waarde. Maar wanneer diegene een man van geleerdheid en intelligentie is, en hij berispt of prijst dan, dan is die persoon (die berispt of geprezen wordt) terecht berispt of geprezen."

En zo hoorde Atula alsnog de Dhamma, perfect door de Boeddha aangepast aan de persoon en aan de situatie die zich voordeden.

Uitleg vertaling vers 227

Atula! etam poranam etam ajjatanam iva na tunhimasinam api nindanti bahubhaninam api nindanti mitabhaninam api nindanti loke anindito natthi

Atula: Atula; etam: dit; poranam: is van ouds; etam: dit; ajjatanam iva na: is niet iets van alleen deze tijd; tunhimasinam: zij die zwijgen; api nindanti: (zijn) waar men dingen over af te keuren heeft; bahubhaninam api: zij die veel spreken; nindanti: daar heeft men afkeuringen over; mitabhaninam api: zelfs zij die matig zijn in spreken; nindanti: daar heeft men afkeuringen over; loke: deze wereld; anindito: onberispelijke personen; natthi: bestaan niet

Uitleg vertaling vers 228

ekantam nindito poso va ekantam pasamsito na ca ahu na ca bhavissati etarahi ca na vijati

ekantam: uitsluitend; nindito poso: berispelijke personen; va: of; ekantam pasamsito: uitsluitend geprezen personen; na ca ahu: zijn er nooit geweest; na ca bhavissati: en zullen er nooit zijn; etarahi ca: zelfs vandaag: na vijati: (zulke mensen) zijn er niet

Uitleg vertaling vers 229

ce viññu acchiddavuttim medhavim pañña silasamahitam yam anuvicca suve suve pasamsati

ce: daarom; viññu: de wijze mens; acchiddavuttim: van vlekkeloos gedrag; medhavim: intelligent; pañña silasamahitam: in het bezit van wijsheid en beteugelt (deugdzaam): yam: die; anuvicca: na onderzoek; suve suve: dag in dag uit; pasamsati: wordt geprezen

Uitleg vertaling vers 230

tam jambonadassa nekkham iva ko ninditum arahati tam deva api pasamsanti Bramuna api pasamsito

tam: hem; jambonadassa nekkham iva: zoals een muntstuk van puur goud; ninditum: te berispen; ko: wie; arahati: is in staat?; tam: hem; deva api: zelfs de goden; pasamsanti: prijzen; Bramuna api: zelfs door Brahma; pasamsito: wordt geprezen

Commentaar

De hulpverlening die door de Boeddha gegeven werd

In de loop van zijn lange missie verrichtte de Boeddha werkzaamheden met de bedoeling het spirituele welzijn van velen te doen groeien in de meest verheven manier die maar mogelijk is. Hij ontmoette een grote verscheidenheid aan mensen waaronder koningen, ministers, zakenlui, handelaren en de doorsnee mannen en vrouwen. Hij verkondigde de Dhamma overeenkomstig de behoefte en het inzicht van de mensen die hij ontmoette, zoals in het geval van Atula in deze verzen. In de boeddhistische literatuur staat het een en ander beschreven hoe hij zijn dagen doorbracht.

De Boeddha kan beschouwd worden als de meest energieke en meest actieve religieuze leraar die ooit op de aarde heeft geleefd. De gehele dag was hij bezig met zijn religieuze activiteiten, behalve dan wanneer hij in zijn fysieke behoefte moest voorzien. Hij was methodisch en systematisch in de volbrenging van zijn dagelijkse taken. Zijn innerlijke leven bestond uit meditatie en werd gekenmerkt door ervaringen van Nibbanische zegeningen, terwijl zijn sociale leven er een was van onzelfzuchtige dienstverlening voor de morele opleving van de wereld. Hijzelf een verlichte, deed zijn uiterste best om anderen de weg te wijzen naar de verlichting, de bevrijding van de ziektes des levens.

Doorgaans overzag hij vroeg in de morgen de wereld met zijn Boeddha-oog (Buddhacakku) en ging hij na wie hij van dienst kon zijn. Als er iemand behoefte had aan zijn geestelijke ondersteuning, ging hij vrijwillig, vaak te voet, soms door de lucht gebruik makend van zijn psychische vermogens, en bekeerde hij die persoon tot het rechte pad. In de regel ging hij op zoek naar de verdorven en onzuivere mensen, terwijl de zuivere en deugdzame naar hem toekwamen. Zo vertrok de Boeddha bijvoorbeeld naar de rover en moordenaar Angulimala en naar de slechte demon Alavaka om hen te bekeren, maar de eerbiedige jonge Visakha, de vrijgevige miljonair Anathapindika, en de intellectuele Sariputta en Maha Moggallana kwamen naar hem toe voor geestelijke begeleiding.

Zulk een geestelijke service verleende hij aan wie die ook maar nodig had. Als hij door lekenvolgelingen niet was uitgenodigd om deel te nemen aan een maaltijd, dan ging hij met zijn bedelnap in zijn handen op zoek naar aalmoezen door stegen en straten, alleen of met zijn discipelen; en toch was dit een man waarvoor koningen uit eerbied aan zijn voeten vielen. Stilzwijgend voor de deur van een huis, zonder een woord te spreken, verzamelde hij wat hij krijgen kon en legde het in de bedelnap waarna hij terugging naar het klooster waar hij op dat moment zijn verblijfplaats had. Zelfs op zijn tachtigste jaar, toen hij oud was en met gezondheidsproblemen kampte, ging hij in Vesali op voedselronde.

De Boeddha verzaakte op zijn negenentwintigste jaar de wereld, op zijn vijfendertigste jaar verwierf hij de Verheven Verlichting, en hij predikte de Dhamma tot aan zijn dood op zijn tachtigste jaar. De eerste twintig jaar na zijn verlichting trok hij door het Midden Land (Majjhimadesa) om zijn Leer aan de mensen te verkondigen.

Tijdens de regenseizoenen (vassa) leidde hij een teruggetrokken bestaan. Dit was de gewoonte onder alle asceten in India gedurende zijn tijd, en niet zonder reden: rivieren traden buiten hun oevers, wegen waren nauwelijks te begaan, en de vele insecten die tot leven kwamen maakte het iemand zo goed als onmogelijk om onbewust op de diertjes te trappen.

De regenseizoenen werden tevens benut om de individuele geestelijke oefening voort te zetten. Ook kwamen de mensen tijdens de regenseizoenen naar de Boeddha om naar zijn prediking te luisteren. Het regenseizoen begint halverwege juli (asalha) en duurt tot midden november (assayuga). In India kent men drie jaargetijden: regenseizoen (vassa), winter (hemanta) en het hete seizoen (gimhana).

Gedurende de eerste twintig jaar van zijn dienstverlening, bracht de Boeddha de regenseizoenen door in de volgende plaatsen (nummer 1 is het eerste jaar, nummer 2 is het tweede jaar etc.):

  1. Isipatana (Sarnath) in Benares (Varanasi);
  2. Veluvana te Rajagaha;
  3. Veluvana te Rajagaha;
  4. Veluvana te Rajagaha;
  5. Mahavana te Vesali, in de Grote Hal;
  6. Mankula Pabbata te Kosambi bij Allahabad;
  7. Tavatimsa hemel;
  8. Bhesakala Vana bij Sumsumara Giri in het district Bhagga;
  9. Kosambi;
  10. Parileyyaka woud;
  11. Nala, een brahmaans dorp;
  12. Veranja;
  13. Caliya Pabbata;
  14. Jetavana te Savatthi;
  15. Kapilavatthu;
  16. Alavi;
  17. Rajagaha;
  18. Caliya Pabbata;
  19. Caliya Pabbata;
  20. Rajagaha.

(pabbata = heuvel/rots; vana = woud/bos)

Vanaf het 21e jaar tot aan het 44e jaar van zijn dienstverlening, bracht de Boeddha de regenseizoenen door in het Jetavana Klooster en het Pubbarama Klooster te Savatthi, dit vanwege de grote vrijgevigheid van Anathapindika en Visakha, de respectvolle donateurs van de twee plaatsen. Het laatste jaar bracht hij het regenseizoen door in Vesali.

Als de Boeddha de nacht doorbracht in het Jetavana Klooster, zou hij de volgende morgen, in het gezelschap van een groep van monniken, voor de voedselronde de stad Savatthi binnengegaan zijn door de zuidelijke poort, waarna zij de stad weer verlieten door de oostelijke poort. Daar ging hij het Pubbarama Klooster binnen om de dag door te brengen. Wanneer ook de nacht in het Pubbarama was doorgebracht, ging hij de volgende morgen voor zijn voedselronde de stad binnen aan de oostelijke kant en vertrok dan weer door de zuidelijke poort om de dag in het Jetavana Klooster door te brengen.

Voor de Boeddha gold, dat hij geen vruchteloze jacht meer maakte, omdat zulke vruchteloze jachten, als die er waren, verdwenen waren met de verwerkelijking van de verlichting aan de voet van de Bodhi-boom. En zo was de dag van de Boeddha verdeeld in vijf delen voor zijn activiteiten, namelijk: 1) de voormiddag; 2) de namiddag; 3) de eerste wake van de nacht; 4) de middelste wake van de nacht; en 5) de laatste wake van de nacht.

De voormiddag

De Boeddha stond vroeg in de morgen op en voorzag zichzelf in zijn lichamelijke behoefte, zoals het wassen van het gezicht. Hij wachtte in afzondering totdat het tijd was voor de voedselronde. Wanneer die tijd dan aangebroken was, deed hij de gewaden aan en de band, nam zijn bedelnap en verliet hij het klooster om naar een dorp of een buitenwijk te gaan. Soms ging de Boeddha alleen, en soms ging hij in het gezelschap van monniken. Op sommige dagen was de route gewoon.

Als hij daar zo liep, ging er voor de Boeddha een geurige bries uit en kwamen er wolken als mist naar beneden om het opwaaiende stof te stoppen, en soms vormden er zich ook daken van bloemen. De weg werd door de wind met bloemen bezaaid. Heuvels en kuilen in de weg werden geëgaliseerd voor de voeten en voor het comfort van de Boeddha.

Als de Boeddha zijn rechtervoet in de stad zette, straalden er zes kransen van zijn lichaam die de stad doordrongen en de verblijven en andere gebouwen belichtten. Olifanten, paarden en vogels verspreiden zachte geluiden. Melodieuze klanken stroomden voort vanuit muzikale instrumenten zoals trommels en fluiten, en van de sieraden van de mensen.

Door deze geluiden werden de mensen op de hoogte gesteld van de komst van de Boeddha, en ze kleedden zichzelf mooi en kwamen uit hun huizen naar buiten, de straten op, met bloemen en reukwerken in hun handen. Ze toonden hun respect aan de Boeddha en vroegen om een bepaald aantal monniken, zoals tien, twintig of honderd, om hen te kunnen bedienen. Ze namen dan de nap van de Boeddha en wezen hem een zitplaats aan en offerden voedsel.

Na de maaltijd predikte de Boeddha de Leer tot hen in overeenstemming met de respectievelijke staat van de geest van die mensen. Sommige van hen namen hun toevlucht (zochten hun heil) in het Drievoudig Juweel (ti ratana); sommige mensen namen de vijf regels (pañca sila) in acht; en anderen bereikten de verschillende hogere paden. Sommige traden tot de Sangha en verwierven de hoogste heiligheid, Arahatschap. Vervolgens keerde de Boeddha terug naar het klooster en ging op een zetel zitten die voor hem in gereedheid was gebracht. Hij wachtte in de Geurkamer (Gandhakuti) totdat de monniken hun maal beëindigd hadden. Dit was zijn dagelijkse routine in de voormiddag.

De namiddag

Nadat hij de Geurkamer was binnengegaan, waste de Boeddha zijn voeten. Daarna verzamelden de monniken zich om hem heen om naar zijn uiteenzetting van de Dhamma te luisteren. En al staande op een verhoging bij de met juwelen aangezette trap, vermaande hij de monniken aldus: "Monniken, streef vastberaden voor jullie bevrijding. Zeldzaam is de geboorte van een Boeddha in deze wereld; zeldzaam is de geboorte van een menselijk wezen; zeldzaam is de geboorte van een heilig mens; zeldzaam is inwijding; en zeldzaam is de gelegenheid om de Leer te leren."

Sommige monniken kwamen naar hem toe om naar een geschikt meditatie onderwerp te vragen dat in overeenstemming was met hun karakter. De monniken groetten de Boeddha en gingen naar hun verblijfplaatsen waar zij de dag en de nacht door zouden brengen. Sommigen gingen naar het woud. Sommigen gingen naar de voet van bomen. Sommigen gingen naar een berg, en er waren er, die naar de deva-werelden gingen.

Na zijn toespraak of onderricht aan zijn discipelen, trok hij zichzelf terug in zijn privé Geurkamer, en als hij het nodig vond om wat te rusten, ging hij op zijn rechterzij liggen in de houding van een leeuw, bewust en indachtig. Als hij uitgerust was, stond hij op en overzag hij de wereld en vooral de monniken die zich in afzondering voor meditatie hadden teruggetrokken en andere discipelen, om hen iedere geestelijke ondersteuning te kunnen verlenen die maar nodig was. Wanneer degenen die op grotere afstand van hem verbleven zijn advies nodig hadden, ging hij naar hen toe door middel van psychische krachten, onderwees hen en keerde weer terug naar zijn Geurkamer.

De mensen die in de morgen voedsel hadden geofferd, kleedden zich keurig en kwamen tegen de avond naar het klooster met bloemen en reukwerken om de Dhamma te horen. De Boeddha zou dan naar de preekhal gaan en er toespraken houden om er de tijd en de plechtige gelegenheid op een geschikte wijze door te brengen. Wanneer hij hun aangeboren tendensen en hun karakters doorzag met zijn Boeddha-oog (buddhacakku), predikte hij ongeveer een uur tot hen. Hoewel zij verschillend van karakter waren, dacht ieder van de toehoorders dat de Boeddha's toespraak speciaal voor hem bedoeld was. Zo was zijn methode om de Dhamma uiteen te zetten. In de regel bekeerde de Boeddha anderen door zijn Leer uit te leggen met bekende illustraties en parabels; daarbij had hij een voorkeur voor het intellect boven de emotie. Tot de gemiddelde mensen sprak de Boeddha vooral over mildheid, deugdzaamheid, en hemelse zegen. Tot de meer ontwikkelden sprak hij over het kwaad van materiële geneugten en over de zegeningen van de verzaking van zelfzucht. Tot de hoog ontwikkelden zette hij de Vier Edele Waarheden uiteen. In zeldzame gevallen zoals die van Angulimala en Khema maakte de Boeddha gebruik van zijn psychische vermogens om een verandering teweeg te brengen in het hart van zijn luisteraars.

De verheven Leer van de Boeddha stond beide groepen aan, zowel de massa als de intellectuelen. Een boeddhistisch gedicht luidt als volgt:

"Het geven van vreugde aan de wijze, het bevorderen van de intelligentie van de gemiddelde, en het uitdrijven van de duisternis van de stompzinnige, zulke spraak is goed voor alle mensen[1]."

Beide, de rijken en de armen, de hogen en de lagen, verzaakten hun vorige religie en omhelsden de nieuwe boodschap van vrede. De Sasana, de religie van de Boeddha, welke gestart was met een kern van vijf discipelen, groeide op die manier spoedig uit tot een groep van miljoenen volgelingen en verbreidde zich vredig door geheel Centraal India.

Nadat de toespraak voor de lekenvolgelingen ten einde was, begroette de toehoorders de Boeddha en vertrokken ze. Zo zag de namiddag van de Boeddha eruit.

De eerste wake

Nadat het onderricht in de namiddag voorbij was, ging de Boeddha de badkamer in als hij een bad wilde nemen en waste hij zijn lichaam met water dat hem aangereikt werd door een bediende, de hulpmonnik. Dan zette de hulpmonnik de zetel van de Boeddha in de Geurkamer klaar. De Boeddha kleedde zich dan in een rode pij en nam plaats op de zetel. Daar bleef hij voor een ogenblik in stilte, voordat de monniken naar hem toekwamen met hun problemen. Sommigen van hen stelden vragen; sommigen vroegen om meditatieonderwerpen; sommigen wilden een toespraak horen. De Boeddha zou al hun verzoeken inwilligen. Deze periode, die uitsluitend gereserveerd was voor instructies aan monniken, strekte zich uit van 18.00 - 22.00 uur. Zo werd de eerste wake van de nacht doorgebracht.

De middelste wake

Nadat de monniken de Boeddha verlaten hadden, kwamen gedurende deze periode, die zich uitstrekt van 22.00 - 02.00 uur, hemelwezens van het universum, die onzichtbaar zijn voor het fysieke oog, naar de Boeddha om hem te vragen over de Dhamma. Een vaak terugkerende passage in de toespraken is: "Toen de nacht al ver gevorderd was, kwam er een zekere deva van weergaloze pracht naar de Boeddha, begroette hem eerbiedig en stond aan zijn zijde." Verscheidene toespraken en antwoorden gegeven aan de vragenstellers, staan in de Samyutta Nikaya. De Boeddha bracht de middelste wake van de nacht door met het beantwoorden van hun vragen en het oplossen van hun raadsels.

De laatste wake

De laatste wake van de nacht die zich uitstrekt van 02.00 - 06.00 uur, is verdeeld in drie[2] (vier) delen. In het eerste deel liep de Boeddha relaxed op en neer. Dit was voor hem een lichte fysieke oefening. Gedurende het tweede gedeelte, van 03.00 - 04.00 uur, sliep hij indachtig op zijn rechterzij in de Geurkamer, bewust en indachtig in de houding van een leeuw. Gedurende het derde gedeelte, van 04.00 - 05.00 uur, bereikte hij de staat van Arahatschap en ervoer hij Nibbanische zegeningen. Dan, voor een vol uur lang, van 05.00 - 06.00 uur, zat hij rechtop, bereikte de geestesverrukking van groot mededogen (maha karuna samapatti) en zond gedachten van liefdevolle vriendelijkheid (metta) naar alle wezens en verzachtte hij hun harten. In dit vroege uur doorzocht hij de hele wereld en ging na waar hij iemand van dienst kon zijn. De deugdzame en zij die zijn hulp nodig hadden, verschenen levendig voor hem hoewel zij op grote afstand van hem konden verblijven. Uit mededogen voor hen ging hij op zijn eigen manier naar hen toe om de noodzakelijke geestelijke steun te kunnen bieden.

De hele dag was hij bezig met zijn religieuze verplichtingen. Anders dan andere levende wezens, sliep hij maar één uur per nacht. Twee volle uren lang in de morgen en bij dageraad, doordrong hij de hele wereld met gedachten van onbegrensde liefde en bracht hij geluk bij miljoenen. Hij leidde vrijwillig een leven van geringe behoefte en zocht zijn eten zonder iemand lastig te vallen. Lopend van plaats tot plaats gedurende acht maanden per jaar, predikte hij zijn verheven Dhamma, hij zette zich tot aan zijn tachtigste jaar onvermoeibaar in voor het goede en het geluk van alle wezens, zonder er maar één uit te sluiten.

Zelfs toen de Meester al tachtig jaar oud was en gebukt ging onder de pijn van zijn rug en ziekte, doodmoe was en wel vijfentwintig keer moest stoppen toen hij met een grote groep monniken op weg was van Pava naar Kusiñara, zijn laatste tocht, negeerde hij niemand. Met wonderlijke liefde predikte hij de Dhamma welwillend voor iedereen die hij op die moeizame tocht tegenkwam.

En toen de Grote Leraar in Kusiñara op sterven lag, werd hij bezocht door een zwervende asceet, Subhadda, die de Meester graag wilde zien. Ananda vond dat de Meester niet lastig gevallen moest worden en zei dat de Boeddha erg vermoeid was en dat Subhadda daarom niet naar de Meester mocht. Toen hij het gesprek tussen Ananda en Subhadda hoorde, zei hij: "Genoeg, Ananda! Houd Subhadda niet buiten! Subhadda, Ananda, mag toegestaan worden in de nabijheid van de Tathagata te zijn. Want wat Subhadda ook vraagt, zal hij vragen in onderzoek naar verlichting en niet om mij lastig te vallen. En wat ik ook zal zeggen in antwoord op zijn vragen zal hij snel begrijpen." Toen zei Ananda: "Ga dan, vriend Subhadda, de Heer geeft u toestemming." D16.

Ook hier blijkt weer, hoewel hij nog slechts enkele uren te leven had, hoe mededogend en energiek de Boeddha was om de Dhamma te onderwijzen. En nadat de Meester aan Subhadda de Dhamma gepredikt had, was hij vervuld van geluk, en zei tegen Ananda: "Vriend Ananda, het is een grote winst voor jullie allemaal, het is een zegening voor jullie, dat jullie door de Meester zelf besprenkeld zijn voor de inwijding in het leerlingschap!" D16. Subhadda was de laatste die door de Meester persoonlijk werd ingewijd.

Eindnoten

[1] Satapañcasataka 5: 78.

[2] Overeenkomstig de Dharmapradipika, is de laatste wake verdeeld in deze vier delen. Overeenkomstig de commentaren bestaat de laatste wake uit drie delen.

RegID: Dhp227-230
Bijgewerkt op: 5 december 2006
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Dhammapada 227; 228; 229; 230