Ongeëvenaarde liefdadigheid

Dwazen bezigen zich niet met liefdadigheid; hun wereld is beperkt tot hun eigen wereld, hun 'ik'.

Inderdaad, vrekken prijzen liefdadigheid nooit en banen zich nooit een weg naar een hemelse sfeer.

177. Vrekken gaan niet naar de hemelse sferen, dwazen juichen grootmoedigheid nooit toe, maar iemand met wijsheid verheugt zich daarover bij het geven en zal gelukkig zijn in toekomstige levens.

na ve kadariya devalokam vajanti bala have nappasamsanti danam dhiro ca danam anumodamano ten'eva so hoti sukhi parattha

De extreme gierigaards bereiken niet de hemelse werelden. De slechte, onwetenden, keuren daden van liefdadigheid niet goed. Maar de edele wijzen, keuren liefdadigheid goed en nemen er deel aan. Als gevolg daarvan zijn zij gelukkig in de volgende geboorte.

Terwijl hij in het Jetavana Klooster verbleef, sprak de Boeddha dit vers, verwijzende naar de ongeëvenaarde offergave van koning Pasenadi van Kosala.

Op een keer offerde de koning op grote schaal giften aan de Boeddha en aan andere monniken. Zijn onderdanen, die met hem wedijverden, organiseerden een ander liefdadigheidsceremonie en wel op een nog grotere schaal dan die van de koning. En zo bleven de koning en zijn onderdanen wedijveren over het verstrekken van giften. Uiteindelijk bedacht koningin Mallika een plan. Om dit plan ten uitvoer te kunnen brengen, vroeg zij aan de koning om een groot paviljoen te bouwen. Vervolgens vroeg zij om vijfhonderd witte paraplu's en vijfhonderd tamme olifanten; die vijfhonderd olifanten hielden de vijfhonderd witte paraplu's boven de vijfhonderd monniken, en in het midden van het paviljoen hielden zij ook nog tien schuiten vast die gevuld waren met parfums en wierook. Er waren ook nog tweehonderdvijftig prinsessen die de vijfhonderd monniken koelte toe wuifden. Omdat de onderdanen van de koning geen prinsessen hadden, noch witte paraplu's, noch olifanten, konden zij de strijd met de koning niet langer aan. Toen alle voorbereidingen getroffen waren, werd het aalmoezenvoedsel geofferd. Na de maaltijd offerde de koning alle voorwerpen in het paviljoen, die bij elkaar wel veertien biljoen waard waren.

Tijdens dat gebeuren waren er twee ministers van de koning aanwezig. Van deze twee was de minister Junha, erg blij en prees de koning omdat hij zo vrijgevig deze giften aan de Boeddha en zijn monniken geofferd had. Ook merkte hij op, dat zulke gaven alleen door een koning gedaan konden worden. Hij was erg blij omdat de koning de verdiensten van zijn goede daden met alle wezens wilde delen. Kortom: de minister Junha was blij met de ongeëvenaarde liefdadigheid van de koning. Aan de andere kant dacht minister Kala, dat de koning alleen maar verkwistend was door in één dag veertien biljoen weg te geven omdat de monniken na deze ceremonie gewoon weer terug naar het klooster zouden gaan om daar wat te gaan slapen.

Na de maaltijd keek de Boeddha over de toehoorders heen en hij wist hoe Kala de minister zich voelde. Toen dacht hij, als hij een lange toespraak uit dankbaarheid zou houden, Kala slechts nóg ontevredener zou zijn en als gevolg daarvan nóg meer zou moeten lijden in zijn volgende bestaansvorm.

Bij het zien van de koning, zei de Boeddha: "Grote koning! U kunt zich verheugen dat u geslaagd bent in het offeren van de ongeëvenaarde liefdadigheid (asadisadana). Zulk een gelegenheid doet zich zelden voor; het komt slechts één maal voor tijdens het leven van elke Boeddha. Maar uw minister Kala voelde het alsof het een verspilling was, en hij was in het geheel niet dankbaar. Wanneer ik een lange toespraak gehouden zou hebben, zou hij zich meer en meer ontevredener en ongemakkelijker hebben gevoeld. Als gevolg daarvan, zou hij nog veel meer moeten lijden in zowel zijn huidige leven, als in zijn volgende levens. Dat was de reden waarom ik zo kort predikte." En de Boeddha voegde eraan toe: "Grote koning! Idioten verheugen zich niet in de liefdadigheden die door anderen verricht zijn en gaan naar de lagere werelden. De wijzen verblijden zich over de liefdadigheden van andere mensen, en vanwege die dankbaarheid delen zij de verdiensten die door anderen verworven worden en gaan naar de verblijven der deva's."

Uitleg vertaling vers 177

kadariya ve devalokam na vajanti, bala have danam nappasamsanti dhiro ca danam anumodamano so tena eva parattha sukhi hoti

kadariya: de extreme gierigaards; ve: zeker; devalokam: wereld van goden; na vajanti: bereiken niet; bala: de idioten; have: zeker; danam: liefdadigheid; nappasamsanti: waarderen niet dhiro ca: zoals de edele wijze; danam: de handeling van liefdadigheid; anumodamano: verheugen over; so: hij (daarom) tena eva: door die goedkeuring zelf; parattha: in de volgende geboorte; sukhi: een genieter van geluk; hoti: wordt

Commentaar

Naar het Woordenboek dana: Daad van liefdadigheid; vrijgevigheid. Dana is de eerste perfectheid (paramita). Het verleent de gever een dubbele zegening van het tegengaan van immorele gedachten van zelfzuchtigheid, terwijl er pure gedachten van onzelfzuchtigheid ontwikkeld worden. "Het zegent hem die geeft en hem die ontvangt." Het gaat er de Bodhisatta niet om of de ontvanger werkelijk in nood verkeert of niet, want zijn enige object in zijn beoefening van liefdadigheid, zoals hij dat doet, is om de hunkering uit te roeien die sluimerend in hemzelf verscholen ligt. De vreugde van dienstverlening, haar hulpverlenende geluk, en de verzachting van lijden zijn andere zegeningen die door liefdadigheid verkregen zijn.

RegID: Dhp177
Bijgewerkt op: 8 mei 2005
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Dhammapada 177