Stank

Amagandha Sutta

De spirituele betekenis van 'stank'.

De asceet Tissa sprak tot de Boeddha Kassapa:

239. "Gierst, bonen en erwten, eetbare bladeren en wortels, de vrucht van een kruipplant; de deugdzame die dit eet, wat rechtmatig verkregen is, vertelt geen leugens in het belang van zintuiglijke genoegens."

240. "Kassapa, u die elk voedsel eet wat door anderen is gegeven, hetgeen goed bereid is, mooi gerangschikt, zuiver en aantrekkelijk; hij, die zulk voedsel eet, dat bereid is met rijst, eet stank."

241. "Brahmaan[1], hoewel u zegt dat de tol van stank voor u niet van toepassing is terwijl u rijst eet met goed bereid gevogelte, vraag ik nu de betekenis hieromtrent aan u: van welk soort is uw stank?"

242. De Boeddha Kassapa: "Doden, slaan, verwonden, vastbinden, stelen, liegen, misleiding, waardeloze kennis, overspel; dit is stank, maar niet het eten van vlees."

243. "Zulke individuen in deze wereld, die onbeheerst zijn in zintuiglijke genoegens, die begeerte hebben voor zoete dingen, die zich bezigen met onzuivere handelingen, die er een nihilistische kijk op na houden hetgeen krom is, die (leerstellingen die) moeilijk te volgen zijn; dit is stank, maar niet het eten van vlees."

244. "Zij die in deze wereld ruw zijn, arrogant, lasterend, verraderlijk, onvriendelijk, buitensporig egoÔstisch, ellendig, en nooit iets aan iemand geven; dit is stank, maar niet het eten van vlees."

245. "Boosheid, trots, koppigheid, vijandigheid, eigendunk, afgunst, grootspraak, buitensporig egoÔsme, omgaan met de immorele; dit is stank, maar niet het eten van vlees."

246. "Zij die niet deugen, die weigeren hun schuld te betalen, lasterlijk, bedrieglijk in hun zaken, aanmatigend, zij die in deze wereld de laagste der mensen zijn, begaan zulke verkeerde dingen; dit is stank, maar niet het eten van vlees."

247. "Deze personen, in deze wereld, zijn onbeheerst jegens levende wezens, zijn afgebogen om anderen te kwetsen, hun bezittingen te hebben genomen; immoreel, wreed, wrang, oneerbiedig; dit is stank, maar niet het eten van vlees."

248. "Zij die deze levende wezens aanvallen of vanwege hebzucht of vanwege vijandelijkheid altijd naar het kwade neigen, gaan na de dood naar de duisternis en vallen regelrecht in onheilzame staten; dit is stank, maar niet het eten van vlees."

249. "Onthouding van vis en vlees, naaktheid, het kaalscheren van het hoofd, het zich besmeren met as, het dragen van ruwe hertenhuiden, het bijwonen van het offervuur; geen enkel van deze veelvuldige boetedoeningen die in de wereld worden uitgevoerd om een einde te maken aan wat niet pluis is, noch toverij, noch offerande, noch slachtingen noch seizoengebonden tradities, zuiveren een persoon die zijn twijfel niet overwonnen heeft."

250. "Hij, die leeft met de zintuigen bewaakt, die zichzelf overwonnen heeft en bedreven is in de Dhamma, vindt vreugde in gerechtigheid en in vriendelijkheid. Wie gehechtheden achter zich gelaten heeft en alle verdriet overwonnen heeft; die wijze mens hecht niet aan wat gezien of gehoord is."

251. Aldus predikte de Boeddha Kassapa dit keer op keer. De asceet die goed bedreven was in de (vedische) geschriften begreep het. De wijze die vrij van bezoedelingen is, die niet gehecht is en niet moeilijk te volgen is, uitte deze toespraak in prachtige verzen.

252. Op die manier te hebben geluisterd naar de perfect gesproken woorden van de Boeddha die vrij van bezoedelingen is waarmee alle lijden wordt beŽindigd, aanbad hij de Tathagata met nederige geest en verzocht toegelaten te worden tot de Sangha op die bijzondere plaats.

Eindnoten

[1] Het is nog steeds de asceet Tissa die tot Boeddha Kassapa spreekt. Boeddha Kassapa werd geboren in een brahmaanse familie.

RegID: Snp2-02
Bijgewerkt op: 16 mei 2005
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Geen