Sunita de vuilnisman

Hoe Sunita de staat van de laagste kaste verliet.

In de Indiase traditie is het de gewoonte om mensen te beoordelen aan de hand van waar ze geboren zijn; onder welke familie of onder welke groep mensen. In India hanteert men het kastensysteem, en wanneer je in de laagste kaste geboren bent, onder de 'uitgestotenen' oftewel 'de onaanraakbaren', dan maak je je verdere leven geen schijn van kans meer. Je telt dan niet meer mee. De Boeddha heeft een dergelijk vernederend systeem altijd fel bekritiseerd.

Zo leefde er eens in Savatthi, in India, een vuilnisman die Sunita heette. Als straatveger ontving hij een heel klein loon dat niet genoeg voor hem was om de dingen te kopen die hij voor zijn dagelijkse behoeften nodig had. Hij had niet genoeg geld om kleren en medicijnen te kopen en hij sliep langs de kant van de weg omdat hij geen huis had om de nacht in door te brengen. Hij zag andere mensen zichzelf vermaken maar hij kon zich niet onder hen mengen, want mensen noemden hem 'een uitgestotene'. Hierdoor scheen hij geen recht op geluk en menselijke waardigheid te hebben.

Steeds wanneer er mensen van de hoge kaste over de weg liepen, moest Sunita voor hen uitwijken en ging hij ver van de weg af staan. Want als zijn schaduw op een persoon van de hoge kaste viel, werd hij uitgescholden en geslagen totdat hij bloedde. Hij kon niet gaan studeren omdat hij erg arm was en ook kreeg hij geen kans om zich op religieus gebied te bekwamen. Zo leefde hij een ellendig en ongelukkig leven.

Op een dag was hij een smerige, stoffige en stinkende weg aan het vegen. Zijn lichaam was bedekt met vuiligheid en zweet. Hij droeg slechts n stukje kleding. Plotseling zag hij in de verte de Boeddha met duizenden monniken over de weg naderbij komen. Sunita verzamelde de bij elkaar geveegde smerigheid en afval, deed dit in manden, zette die op zijn hoofd met de bedoeling het vuil weg te werpen. Toen hij de Boeddha en die duizenden monniken zijn richting op zag komen, werd zijn hart doordrongen van vreugde en angst tegelijk; angst, omdat hij gewend was dat mensen altijd iets slechts met hem in de zin hadden.

Toen hij geen plaatsje langs de weg kon vinden om zich te verstoppen, zette hij zijn juk met manden op de rand van de muur en stond er als verstijft tegenaan. Hij vouwde zijn handen samen uit respect voor de Boeddha. De Boeddha kwam dichter bij hem, stopte toen, en sprak met een zachte en lieflijke stem: "Mijn goede vriend, wil je deze baan verlaten en een monnik worden?"

Nog nooit had iemand zo aardig tegen Sunita gesproken. Zijn hart was gevuld met vreugde en geluk, en zijn ogen vulden zich spontaan met tranen. Even kon hij niets zeggen. Hij kon zijn ogen en oren niet geloven. Hij had nooit geweten dat de Boeddha z vriendelijk was. Hij had altijd alleen maar bevelen en slaag van mensen ontvangen, maar nooit een vriendelijk woord van wie dan ook. Daarom zei hij: "O! Meest Eerwaarde Heer! Ik heb altijd alleen bevelen gekregen, maar nooit een vriendelijk woord! Als u een smerige en meest ellendige vuilnisman zoals mij accepteert, waarom zou ik dan niet deze smerige baan willen opgeven, Heer?" Dat is wat Sunita zei.

Toen zij daar op die plaats stonden, wijdde de Boeddha Sunita in en nam hem mee met de andere monniken. Nadien, toen hij net zoals de andere monniken het gele gewaad droeg, wist niemand meer wat zijn kaste was, -- koningen, ministers, opperbevelhebbers -- iedereen respecteerde hem.

Door met grote vastberadenheid te oefenen, werd Sunita een van de Arahats. Hiermee toonde de Boeddha aan dat iemand niet een uitgestotene wordt vanwege geboorte, maar uitsluitend door zijn daden. In de Vasala Sutta (Snp1-07) geeft de Boeddha ondubbelzinnig weer wie nu wel en wie nu niet een uitgestotene is.

RegID: Ovr006
Bijgewerkt op: 25 mei 2005
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Geen