De verkoper van Seri

Serivanija Jataka

De hebzuchtige en de eerlijke venter.

Deze les werd door de Gezegende in Savatthi onderwezen toen een monnik het doorzettingsvermogen opgaf. Toen de man, zoals in Jataka nr. 2, door de monniken bij de Boeddha werd gebracht, zei de Boeddha: "Monnik, omdat jij, die jezelf geoefend hebt in deze glorieuze Leer die pad (magga) en vrucht (phala) oplevert, jouw vastberadenheid opgeeft, zul je lang lijden, net zoals de verkoper van Seri die een gouden kom misliep met een waarde van honderdduizend geldstukken."

De monniken vroegen de Gezegende dit aan hen te verklaren. En de Gezegende maakte aan hen duidelijk wat voor hen door wedergeboorte verborgen was gebleven.

Eens ten tijde van het koninkrijk van Seri, vijfhonderd jaar geleden[1], handelde de Bodhisatta in potten en pannen, en werd hij 'de Serivan' genoemd. Vergezeld door een andere handelaar in dezelfde goederen -- een vrekkige kerel die eveneens bekend stond als 'de Serivan' -- kwam hij over de rivier de Telavaha en liep de stad Andhapura binnen. Toen de twee ieder hun handelsgebied afgebakend hadden, begon hij aan zijn ventronde door de straten van zijn district.

Nu was er in die stad een verpauperde familie. Eens waren zij rijke kooplieden, maar ten tijde van ons verhaal, hadden zij al hun zonen, broeders en al hun weelde verloren. De enige overlevenden waren een meisje en haar grootmoeder; zij kwamen aan de kost door voor anderen te gaan werken. Desalniettemin, hadden ze in hun huis een gouden kom die in de oude tijd door de grote koopman, het hoofd van de familie, gebruikt werd om uit te eten. Deze kom was tussen de potten en pannen gegooid, en omdat deze lange tijd niet gebruikt was, was de kom bedekt met vuil zodat de vrouw niet wist dat deze van goud was. De vrekkige verkoper kwam op zijn ronde aan de deur van hun huis, en riep: "Waterpotten te koop! Waterpotten te koop!" Toen het jonge meisje hoorde wie daar was, zei ze tegen haar grootmoeder, "Koop een sieraad voor mij, grootmoeder."

"We zijn arm, m'n liefje; wat hebben wij ervoor in ruil aan te bieden?"

"Wat kunnen wij met deze kom doen? Laat ons die ervoor ruilen", zei het meisje.

De oude vrouw liet de verkoper binnen, bood hem een zitplaats aan, gaf hem de kom, en zei: "Neem dit, meneer, en wees zo goed om je zuster er in ruil iets voor terug te geven."

De verkoper nam de kom in zijn handen, draaide hem om, en met de verwachting dat hij van goud was, kraste hij met een naald een lijn in de achterkant, waardoor hij zeker wist dat de kom van echt goud was. Toen, denkende dat hij de kom zou krijgen zonder er iets voor in de plaats aan de vrouw te hoeven geven, klaagde hij: "Ik vraag u, wat is de waarde hiervan? De kom is niet eens een halve munt waard!" En daarmee gooide hij de kom op de grond, stond van zijn zitplaats op en verliet het huis.

Nu waren de twee verkopers het erover eens, dat de een de straten mocht proberen waar de ander al geweest was, en de Bodhisatta kwam in dezelfde straat en verscheen aan de deur van het huis van de vrouw en het meisje, en riep: "Waterpotten te koop!" En het jonge meisje deed hetzelfde verzoek aan haar grootmoeder. De oude vrouw antwoordde: "Mijn liefje, de eerste verkoper gooide onze kom op de grond en verliet in boosheid het huis. Wat hebben we verder nog over om aan te bieden?"

"Die verkoper was een zeer onvriendelijke man, lieve grootmoeder," zei het meisje, "terwijl deze een heel aardige man lijkt omdat hij zo vriendelijk spreekt. Hij neemt ze wellicht heel graag mee."

"Roep hem dan maar binnen", zei de grootmoeder. Dus kwam hij in het huis, en zij boden hem een zitplaats aan en legden de kom in zijn handen. Toen hij zag dat de kom van goud was, zei hij: "Moeder, deze kom is honderdduizend geldstukken waard; ik heb de waarde van deze kom niet bij me."

"Meneer, de eerste verkoper die hier kwam zei dat hij nog niet eens een halve duit waard was, dus wierp hij de kom op de grond en ging heen. Het moet de werkzaamheid van uw goedheid zijn die deze kom heeft veranderd in goud. Neem hem; geef ons er maar iets voor, en ga uw eigen weg."

In die tijd had de Bodhisatta vijfhonderd geldstukken bij zich en een voorraad die nog veel meer waard was. Dit alles gaf hij aan hen, en zei: "Laat me mijn schalen behouden, mijn tas, en acht geldstukken." En met hun toestemming nam hij deze met zich mee. Hij vertrok naar de oever van de rivier waar hij zijn acht muntstukken aan de veerman gaf en in de boot sprong.

Hierna kwam de vrekkige verkoper terug naar het huis waar hij hen vroeg de kom te brengen; hij zei dat hij er wel wat voor wilde geven. Maar de oude vrouw viel tegen hem uit met deze woorden: "Jij beweerde dat onze gouden kom die honderdduizend geldstukken waard is, niet eens een halve duit waard zou zijn. Maar er kwam een oprechte verkoper -- ik neem aan jouw Meester -- die ons duizend geldstukken gegeven heeft. Hij heeft de kom meegenomen."

Hierop riep hij uit: "Hij heeft me beroofd van een gouden kom die zeker honderdduizend geldstukken waard is! Hij heeft me een verschrikkelijk verlies toegebracht!"

En er kwam zo'n intense spijt in hem op, dat hij volledig de controle over zichzelf verloor. Hij werd radeloos. Hij smeet z'n geld en goederen door de deur van het huis; hij gooide z'n onder- en bovengewaad van zich af; en, gewapend met het juk van zijn schalen als knots, volgde hij het spoor van de Bodhisatta tot aan de rivieroever. Toen hij de Bodhisatta daar bespeurde terwijl deze de overtocht reeds maakte, schreeuwde hij naar de veerman dat die terug moest komen, maar de Bodhisatta zei deze dat niet te doen.

Toen hij daar stond te staren naar de vertrokken Bodhisatta, kwam een intens lijden in hem op. Zijn hart werd heet; het bloed gutste van zijn lippen; en z'n hart scheurde zoals de modder op de bodem van een vat scheurt, die door de zon werd opgedroogd. Door de haat die in hem opwelde vanwege de Bodhisatta, slonk hij ter plekke ineen[2]. De Bodhisatta stierf na een leven te hebben doorgebracht in liefdadigheid en met andere goede werken, en reisde naar een volgend leven overeenkomstig met zijn verdienste.

Toen de Verheven Boeddha deze les beŽindigd had, sprak de Alwetende dit vers uit:

Als je in deze Leer zwak blijkt te zijn, en er niet in slaagt het doel te bereiken waar deze Leer heen leidt, dan zul je gedurende lange tijd vol berouw zijn om de prijs van je dwaze verlies, zoals de verkoper die 'de Serivan' genoemd werd.

Na aldus zijn toespraak gehouden te hebben op de manier die naar Arahatschap leidt, zette de Meester de Vier Waarheden uiteen, en aan het einde daarvan werd de wankelmoedige monnik gegrondvest in de hoogste vrucht, hetgeen Arahatschap is.

Toen de twee verhalen verteld waren, verduidelijkte de Meester de connectie tussen deze beide en identificeerde tenslotte de geboorte, door te zeggen: "Devadatta was de dwaze verkoper, en de wijze en goede verkoper was ikzelf."

Eindnoten

[1] Vele jaren geleden.

[2] Dit was de eerste keer dat Devadatta wrok koesterde tegen de Bodhisatta.

RegID: J003
Bijgewerkt op: 27 juni 2004
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Jataka 3