De zoon van de houthakker

Altijd in gedachten dicht bij de Boeddha, de Dhamma en de Sangha. Altijd een geweldloos leven leidend en liefdevolle vriendelijkheid cultiverend. Degene die continu vreugde vindt in meditatie en altijd wakker is, dat is degene die het doel zal bereiken. Dat is de leerling die waar respect heeft getoond aan zijn Leraar.

Zij zijn de Boeddha dag en nacht indachtig; zijn discipelen staan op met volledige ontwaking.

296. Goed ontwaakt, zijn de discipelen van Gotama altijd waakzaam. Hun geest is voortdurend, dag en nacht, geconcentreerd op de Boeddha.

suppabuddham pabujjhanti sada Gotamasavaka yesam diva ca ratto ca niccam Buddhagata sati

De discipelen van de Boeddha, die de deugden van hun Leraar dag en nacht indachtig zijn, staan altijd goed ontwaakt en met volledige controle over hun zintuigen, op.

Zij zijn de Dhamma dag en nacht indachtig; zijn discipelen staan op met volledige ontwaking.

297. Goed ontwaakt, zijn de discipelen van Gotama altijd waakzaam. Hun geest is voortdurend, dag en nacht, geconcentreerd op de Dhamma.

suppabuddham pabujjhanti sada Gotamasavaka yesam diva ca ratto ca niccam Dhammagata sati

De discipelen van de Boeddha, die de deugden van de Dhamma dag en nacht indachtig zijn, staan altijd goed ontwaakt en met volledige controle over hun zintuigen, op.

Zij zijn de Sangha dag en nacht indachtig; zijn discipelen staan op met volledige ontwaking.

298. Goed ontwaakt, zijn de discipelen van Gotama altijd waakzaam. Hun geest is voortdurend, dag en nacht, geconcentreerd op de Sangha.

suppabuddham pabujjhanti sada Gotamasavaka yesam diva ca ratto ca niccam Sanghagata sati

De discipelen van de Boeddha, die de deugden van de Sangha dag en nacht indachtig zijn, staan altijd goed ontwaakt en met volledige controle over hun zintuigen, op.

Zij zijn het lichaam dag en nacht indachtig; zijn discipelen staan op met volledige ontwaking.

299. Goed ontwaakt, zijn de discipelen van Gotama altijd waakzaam. Hun geest is voortdurend, dag en nacht, geconcentreerd op (de voorbijgaande aard van) het lichaam.

suppabuddham pabujjhanti sada Gotamasavaka yesam diva ca ratto ca niccam kayagata sati

De discipelen van de Boeddha, die de ware natuur van het lichaam dag en nacht indachtig zijn, staan altijd goed ontwaakt en met volledige controle over hun zintuigen, op.

Zij vinden dag en nacht vreugde in geweldloosheid; zijn discipelen staan op met volledige ontwaking.

300. Goed ontwaakt, zijn de discipelen van Gotama altijd waakzaam. Hun geest is voortdurend, dag en nacht, in de deugd van geweldloosheid.

suppabuddham pabujjhanti sada Gotamasavaka yesam diva ca ratto ca niccam ahimsaya rato mano

De discipelen van de Boeddha, wier gedachten dag en nacht vreugde vinden in geweldloosheid, staan altijd goed ontwaakt en met volledige controle over hun zintuigen, op.

Met een geest die dag en nacht vreugde vindt in zelfontwikkeling; zijn discipelen staan op met volledige ontwaking.

301. Goed ontwaakt, zijn de discipelen van Gotama altijd waakzaam. Hun geest verheugt zich, dag en nacht, in meditatie.

suppabuddham pabujjhanti sada Gotamasavaka yesam diva ca ratto ca bhavanaya rato mano

De discipelen van de Boeddha, wier gedachten dag en nacht vreugde vinden in meditatie, staan altijd goed ontwaakt en met volledige controle over hun zintuigen, op.

Deze verzen sprak de Boeddha, toen hij in het Jetavana Klooster verbleef, met verwijzing naar de zoon van een houthakker.

Er ging eens in Rajagaha een houthakker met zijn zoon het bos in om wat brandhout voor het vuur te kappen. Toen zij 's avonds terugkeerden, stopten ze bij een begraafplaats om hun maal te nuttigen. Ze namen het juk van de twee ossen af om ze de gelegenheid te geven in de nabijheid te grazen. Echter, de twee ossen liepen weg, zonder dat de houthakker en zijn zoon het bemerkten. Toen ze beseften dat de ossen verdwenen waren, vertrok de houthakker onmiddellijk om ze te zoeken. Zijn zoon liet hij bij de kar met brandhout achter. De vader ging de stad in, op zoek naar zijn ossen. Toen hij naar zijn zoon terug wilde gaan, was het al laat geworden en de stadspoort was al gesloten. Daarom moest de jongen de nacht alleen doorbrengen onder de kar.

Hoewel de zoon van de houthakker nog jong was, was hij altijd indachtig, en hij contempleerde zoals gewoonlijk de unieke kwaliteiten van de Boeddha. Die nacht kwamen twee kwade geesten om hem angst aan te jagen en om hem te kwellen. Toen een van de kwade geesten aan het been van de jongen trok, schreeuwde hij uit: "Ik betuig eer aan de Boeddha!" (Namo Buddhassa). Toen de kwade geesten deze woorden hoorden, werden ze bang en zij voelden dat ze op de jongen moesten passen. Een van hen bleef bij de jongen en beschermde hem tegen alle gevaren; de ander ging naar het paleis van de koning en haalde het bord met voedsel van koning Bimbisara. De twee kwade geesten voedden de jongen alsof hij hun eigen zoon was. Op het paleis liet de kwade geest op de plaats van het koninklijke bord een geschreven boodschap achter; deze boodschap was alleen zichtbaar voor de koning.

's Ochtends ontdekte het personeel dat het bord met het koninklijke voedsel verdwenen was, en men was tegelijk erg verrast en erg geschrokken. De koning vond de boodschap die door de kwade geest achtergelaten was en wees zijn mensen waar zij moesten gaan zoeken. De mensen van de koning vonden het koninklijke bord tussen het brandhout in de wagen terug. Ook vonden ze de jongen die nog steeds onder de kar lag te slapen. Toen de jongen ondervraagd werd, antwoordde hij dat zijn ouders 's nachts naar hem toegekomen waren om hem te voeden, en dat hij, nadat hij z'n voedsel genuttigd had, weer tevreden en zonder angst was gaan slapen. Dat was alles wat de jongen wist. De koning liet de ouders van de jongen opsporen en bracht de jongen en zijn ouders naar de Boeddha. Intussen had de koning gehoord dat de jongen altijd de unieke kwaliteiten van de Boeddha indachtig was en ook dat hij had uitgeroepen: 'Namo Buddhassa!' toen de kwade geest hem die nacht aan zijn been had getrokken.

De koning vroeg aan de Boeddha: "Is indachtigheid van de unieke kwaliteiten van de Boeddha de enige Dhamma die iemand bescherming biedt tegen kwaad en gevaar, of is indachtigheid van de unieke kwaliteiten van de Dhamma net zo machtig en krachtig?" De Boeddha antwoordde hem: "O koning, mijn discipel! Er zijn zes dingen, waarvan de indachtigheid een goede bescherming biedt tegen kwaad en gevaar." Toen hield de Boeddha een toespraak met betrekking tot de zes verzen waar dit verhaal mee begon[1].

Aan het eind van de toespraak verwierven de jongen en zijn ouders de vruchten van sotapatti. Later sloten ze zich bij de Sangha aan werden tenslotte Arahats.

Uitleg vertaling vers 296

yesam diva ca ratto ca niccam Buddhagatasati Gotamasavaka sada suppabuddham pabujjhanti

yesam: als iemand; diva ca: gedurende de dag; ca ratto: en bij nacht; niccam: constant; Buddhagatasati: beoefent de Boeddha-indachtigheid; Gotamasavaka: de discipelen van de Boeddha; sada: altijd; suppabuddham: goed ontwaakt; pabujjhanti: opstaan

Uitleg vertaling vers 297

yesam diva ca ratto ca niccam Dhammagata sati Gotamasavaka sada suppabuddham pabujjhanti

yesam: als iemand; diva ca: gedurende de dag; ca ratto: en bij nacht; niccam: constant; Dhammagata sati: beoefent de Dhamma-indachtigheid; Gotamasavaka: de discipelen van de Boeddha; sada: altijd; suppabuddham: goed ontwaakt; pabujjhanti: opstaan

Uitleg vertaling vers 298

yesam diva ca ratto ca niccam Sanghagata sati Gotamasavaka sada suppabuddham pabujjhanti

yesam: als iemand; diva ca: gedurende de dag; ca ratto: en bij nacht; niccam: constant; Sanghagata sati: beoefent de Sangha-indachtigheid; Gotamasavaka: de discipelen van de Boeddha; sada: altijd; suppabuddham: goed ontwaakt; pabujjhanti: opstaan

Uitleg vertaling vers 299

yesam diva ca ratto ca niccam kayagata sati Gotamasavaka sada suppabuddham pabujjhanti

yesam: als iemand; diva ca: gedurende de dag; ca ratto: en bij nacht; niccam: constant; kayagata sati: beoefent de meditatie met aanschouwing van de fysieke realiteit; Gotamasavaka: de discipelen van de Boeddha; sada: altijd; suppabuddham: goed ontwaakt; pabujjhanti: opstaan

Uitleg vertaling vers 300

yesam mano diva ca ratto ca ahimsaya rato Gotamasavaka sada suppabuddham pabujjhanti

yesam mano: als iemands gedachten; diva ca: gedurende de dag; ca ratto: en bij nacht; ahimsaya: in geweldloosheid; rato: vreugde vinden; Gotamasavaka: de discipelen van de Boeddha; sada: altijd; suppabuddham: goed ontwaakt; pabujjhanti: opstaan

Uitleg vertaling vers 301

yesam mano diva ca ratto ca bhavanaya rato Gotamasavaka sada suppabuddham pabujjhanti

yesam: als iemands; mano: gedachten; diva ca ratto ca: dag en nacht; bhavanaya: in meditatie; rato: vreugde vinden; Gotamasavaka: de discipelen van de Boeddha; sada: altijd; suppabuddham: goed ontwaakt; pabujjhanti: opstaan

Commentaar

Meditatie objecten

Mediteren op de deugden van de Boeddha

Naar het Woordenboek buddhanussati bhavana: Mediteren op de deugden van de Boeddha. Deze meditatie is geschikt om door iedereen beoefend te worden, jong en oud. Het woord anussati betekent 'bespiegeling'. Daarom betekent buddhanussati bhavana: 'de meditatie die beoefend wordt terwijl men de deugden van de Boeddha bespiegelt'. Zie anussati.

De Boeddha heeft oneindig veel deugden; ze zijn verenigd in negen hoofddeugden, en worden de negenvoudige deugden van de Boeddha genoemd, opgesomd als Itipiso bhagava (...). Buddhanussati bhavana moet beoefend worden terwijl men deze deugden bespiegelt. Zie Dhp320-322 voor de beschrijving van het mediteren op de deugden van de Boeddha.

Het is moeilijk om op al deze deugden van de Boeddha tegelijkertijd te mediteren. Het is veel makkelijker om deze deugden één voor één te bespiegelen. In een later stadium kan de meditatie beoefend worden door alle deugden te bespiegelen. Men kan beginnen bij de eerste deugd, namelijk Arahatschap. Daarbij gaat men op de volgende manier te werk:

Allereerst moet men schoon zijn, en eer betuigen aan het Drievoudig Juweel (Ti Ratana) door het offeren van bloemen. Dan neemt men de drievoudige toevlucht en aanschouwt men de vijf regels van moraliteit. Daarna, gezeten in een gemakkelijke houding voor een beeld van de Boeddha, dient men ernaar te streven het beeld van de Boeddha in zijn geest te creëren door ernaar te kijken met liefde en verering[2]. Dan sluit men de ogen en plaatst de rechterhand op de linker, en denkt men, opmerkzaam van het feit dat de Boeddha in zijn geest is, aldus:

  1. "De Heer Boeddha begaat geen enkele zonde, zelfs niet stiekem. Daarom wordt hij Arahat genoemd." Men dient een bepaalde tijd continu op deze manier te denken. Daarna moet men aldus mediteren:
  2. "De Boeddha begaat geen enkele zonde, zelfs niet stiekem. Hij heeft alle bezoedelingen vernietigd. Hij is alle offeranden waardig. Daarom wordt de Boeddha een Arahat genoemd."

Op deze manier moet iemand ook de meditatie over de andere deugden van de Boeddha voortzetten. Als we op deze manier mediteren blijft onze geest direct gericht op de Boeddha, zonder af te dwalen naar andere objecten. Hierdoor wordt onze geest puur en worden we vertroost. Hoewel op kleine schaal, beginnen we de deugden van de Boeddha te verwerven. Daarom moeten we steeds streven naar deze vorm van meditatie.

Mediteren op de vijf onderwerpen van de Dhamma

Naar het Woordenboek Dhamma nupassana bhavana: Dhamma nupassana is het vierde onderdeel van de satipatthana training. Dhamma nupassana betekent het observeren van dingen zoals gedachten omtrent de Dhamma (cetasika dhamma): de hindernissen zoals kamacchanda, vyapada, etc. (nivarana), de aggregaten zoals rupa, vedana, etc. (khandha), de zintuigbases zoals oog, oor, etc. (ayatanadhamma), de factoren van verlichting zoals sati, dhamma vicaya, etc. (bojjhangadhamma), en de Vier Edele Waarheden (Cattari Ariya Sacca). Deze meditatie kan beschouwd worden als de moeilijkste in de satipatthana meditatie series.

Hierna volgen de onderdelen in detail. 'Pariggaha' betekent 'het in delen bespiegelen'.

1. DE HINDERNISSEN (nivarana pariggaha): de groep van de hindernissen. Er zijn vijf hindernissen die het pad naar Nibbana blokkeren. Het zijn: 1) zinnelijk verlangen (kamacchanda); 2) kwade wil (vyapada); 3) luiheid (thina middha); 4) rusteloosheid en zorgelijkheid (uddhacca kukkucca); 5) sceptische twijfel (vicikiccha).

a. kamacchanda: zintuiglijke verlangens ontstaan door objecten als bevredigend zijnde te beschouwen. Men dient naar kamacchanda op de volgende vijf manieren te kijken:

  1. als een zintuiglijk verlangen (kamacchanda) opkomt in de geest, de aanwezigheid ervan gewaar zijn;
  2. als er geen zintuiglijk verlangen in de geest is, de afwezigheid ervan gewaar zijn;
  3. de manier gewaar zijn waarop een zintuiglijk verlangen dat tot nu toe nog niet in de geest is opgekomen, tot stand zal komen;
  4. de manier gewaar zijn waarop een zintuiglijk verlangen dat is opgekomen in de geest, zal ophouden te bestaan;
  5. de manier gewaar zijn waarop een zintuiglijk verlangen, dat niet meer in iemands geest bestaat, niet meer tot stand zal komen.

b. vyapada: kwade wil bezoedelt de geest en blokkeert de weg naar Nibbana. Men dient naar vyapada op de volgende vijf manieren te kijken:

  1. als er kwade wil (vyapada) in de geest opkomt, de aanwezigheid ervan gewaar zijn;
  2. als er geen kwade wil in de geest is, de afwezigheid ervan gewaar zijn;
  3. de manier gewaar zijn waarop kwade wil die tot nu toe nog niet in de geest is opgekomen, tot stand zal komen;
  4. de manier gewaar zijn waarop kwade wil die is opgekomen in de geest, zal ophouden te bestaan;
  5. de manier gewaar zijn waarop kwade wil die is opgehouden te bestaan in iemands geest, niet meer tot stand zal komen.

c. thina middha: luiheid en traagheid met betrekking tot zowel de geest als het lichaam. Thina middha moet bespiegeld worden op dezelfde vijf manieren die eerder bij kamacchanda en vyapada gegeven zijn.

d. uddhacca kukkucca: rusteloosheid en overbezorgdheid die in de geest ontstaat. Deze mentale agitatie is een blokkade voor kalmte, en een hindernis op het pad naar Nibbana. Ook deze hindernis moet op de vijf manieren bespiegeld worden die al eerder zijn genoemd.

e. vicikiccha: twijfel die verschijnt omtrent de volgende acht aspecten van de Leer, namelijk:

  1. twijfel omtrent de Boeddha;
  2. twijfel omtrent de Dhamma;
  3. twijfel omtrent de Sangha;
  4. twijfel omtrent de regels/training (sikkha);
  5. twijfel omtrent iemands vorige leven;
  6. twijfel omtrent iemands volgende leven;
  7. twijfel omtrent iemands vorige én volgende levens;
  8. twijfel omtrent de Leer van het afhankelijke ontstaan (paticcasamuppada).

Ook deze twijfels moeten bespiegeld worden op de vijf manieren die al eerder zijn genoemd. De bespiegeling van elke van deze vijf hindernissen (nivarana) in delen, wordt nivarana pariggaha genoemd.

2. DE AGGREGATEN (khandha pariggaha): de groep van de aggregaten. Een wezen bestaat uit vijf aggregaten van hechten. Deze groep aggregaten houdt het leven (het rad van geboorte en dood) in stand. Zij bestaat uit:

  1. het aggregaat van hechten aan vorm (rupa upadana kkhandha);
  2. het aggregaat van hechten aan sensaties of gewaarwordingen (vedana upadana kkhandha);
  3. het aggregaat van hechten aan waarnemingen (sañña upadana kkhandha);
  4. het aggregaat van hechten aan mentale formaties (sankhara upadana kkhandha);
  5. het aggregaat van hechten aan bewustzijn (viññana upadana kkhandha).

Men dient vorm (rupa) op de volgende manier te bespiegelen: "Vorm heeft een wereldse aard. Op deze manier is vorm in het bewustzijn gekomen. Vorm zal ook op deze manier weer verdwijnen." Dezelfde procedure dient men ook te volgen bij de bespiegeling van de andere aggregaten van hechten: gewaarwordingen of gevoelens (vedana), waarnemingen (sañña), mentale formaties (of mentale factoren) (sankhara), en bewustzijn (viññana). Het doel van deze meditatie is om bevrijd te raken van iedere gehechtheid aangaande deze aggregaten, door hun vergankelijke natuur te beseffen, oftewel hun leegheid in te zien in het licht van de drie karakters (ti lakkhana) van het bestaan: vergankelijkheid, onbevredigende aard en instabiliteit of onwezenlijk karakter.

3. DE ZINTUIGSFEREN (ayatana pariggaha): ayatana betekent zintuigbasis. Er zijn er twaalf in getal, en zij zijn in twee groepen ingedeeld -- inwendige en uitwendige.

De zes inwendige zintuigbases (adhyatma ayatana) zijn:

  1. de basis van het oog (chakkayatana);
  2. de basis van het oor (sotayatana);
  3. de basis van de neus (ghanayatana);
  4. de basis van de tong (jivhayatana);
  5. de basis van het lichaam (kayayatana);
  6. de basis van de geest (manayatana).

De zes uitwendige zintuigbases (bahir ayatana) zijn:

  1. de basis van vorm (rupayatana);
  2. de basis van geluid (saddayatana);
  3. de basis van reuk (gandhayatana);
  4. de basis van smaak (rasayatana);
  5. de basis van tastbare objecten (potthabbayatana);
  6. de basis van mentale objecten (dhammayatana).

Men moet elke zintuigbasis op de volgende vijf manieren bespiegelen:

  1. weten wat die zintuigbasis is;
  2. weten hoe de zintuigbasis opgekomen is;
  3. weten hoe de zintuigbasis die tot nu toe nog niet is opgekomen, tot stand komt;
  4. weten hoe de zintuigbasis die opgekomen is, ophoudt te bestaan;
  5. weten hoe de zintuigbasis die opgehouden heeft te bestaan, niet meer opkomt.

Als men deze meditatie eenmaal goed beoefent door op deze manier naar zichzelf te kijken, kan men de meditatie ook tot anderen uitbreiden.

4. DE FACTOREN VAN VERLICHTING (bojjhanga pariggaha): bojjhanga, of factoren van verlichting, hebben betrekking op de condities die een persoon in zijn streven naar verlichting dient te volgen. Het zijn er zeven: 1. indachtigheid (sati sambojjhanga), 2. onderzoek naar waarheid (dhamma vicaya sambojjhanga), 3. energie (viriya sambojjhanga), 4. vreugde (piti sambojjhanga), 5. kalmte (passaddhi sambojjhanga), 6. concentratie (samadhi sambojjhanga), 7. gelijkmoedigheid (upekkha sambojjhanga).

Deze zeven condities, beginnende met sati, zijn fases die geleidelijk aan in iemand groeien die naar verlichting streeft. Ze worden in de satipatthana methode beschouwd als zijnde essentieel om iedere dag te cultiveren en te ontwikkelen, aangezien ze de weg naar het laatste doel vergemakkelijken. Zelfs gedeeltelijke ontwikkeling hiervan brengt harmonie in het dagelijkse leven en langzamerhand zal men zich minder verward voelen en minder in beslag worden genomen door de wisselvalligheden van een eeuwig veranderende en bedrieglijke wereld. Deze zeven kwaliteiten zijn bij elkaar gegroepeerd als 'verlichtingsfactoren' omdat zij naar verlichting voeren en zij samen de verlichting vormen. De factoren zijn onderling met elkaar verbonden. Het is daarom moeilijk om ze apart te beschrijven.

  1. sati: Een persoon die naar verlichting streeft is waakzaam ten opzichte van al zijn gedachten en alle activiteiten van het lichaam. Zulk een waakzaamheid wordt hier sati genoemd. Indachtigheid is het essentiële startpunt voor elke poging tot meditatie.
  2. dhamma vicaya: Met zulk een waakzaamheid kan hij goed en verkeerd onderscheiden, en hij onderzoekt dat met wijsheid. Zulk een kritisch onderzoek noemt men dhamma vicaya. Deze factor van verlichting, die verbonden is met wijsheid, ontwikkelt zich in een persoon die naar verlichting streeft.
  3. viriya: De inspanning van zulk een persoon om het goede (dhamma) te cultiveren en het slechte (adhamma) te laten, wordt hier viriya genoemd. Energie moet met grote vastberadenheid gericht worden op het uitwerken en vervullen van het doel. De viriya sambojjhanga ontwikkelt zich in een persoon die aldus streeft.
  4. piti: De vreugde die in iemands geest ontstaat door het doen en het ontwikkelen van het goede (dhamma) wordt piti sambojjhanga genoemd. Vreugde betekent sereen vermaak, met gelukzalig enthousiasme van de geest.
  5. passaddhi: Door vermijding van zintuiglijke begeerten ontwikkelen vreugde en geluk zich. De kalmte die daardoor in de geest en in het lichaam ontstaat wordt passaddhi genoemd. Aldus ontwikkelt de passaddhi sambojjhanga zich in een persoon die deze procedure volgt.
  6. samadhi: Gebaseerd op deze kalmte kan de geest zich concentreren op een goed (kusala) object. Deze toestand van de geest wordt samadhi sambojjhanga genoemd.
  7. upekkha: Met de ontwikkeling van concentratie realiseert men zich de nutteloosheid van sensaties en ontwikkelt men een gevoel van gelijkmoedigheid (upekkha), waarin men noch door geluk noch door verdriet getroffen wordt. Dit wordt upekkha sambojjhanga genoemd. Gelijkmoedigheid is de laatste essentiële factor van verlichting. Hierdoor is men niet alleen kalm, maar staat de geest, hoewel nog steeds ontvankelijk en alert, los van iedere gebeurtenis of invloed van buiten of van binnen uit.

Bij de beoefening van deze meditatie dient men elk van deze factoren van verlichting op de volgende vier manieren te bespiegelen:

  1. de aanwezigheid van een factor van verlichting (bojjhanga) op te merken, wanneer deze in hem aanwezig is;
  2. de afwezigheid van een factor van verlichting op te merken, wanneer deze afwezig is;
  3. weten hoe een factor van verlichting ontwikkeld kan worden wanneer deze niet in hem aanwezig is;
  4. weten hoe een factor van verlichting die in hem aanwezig is, verder ontwikkeld kan worden.

Door de zeven factoren van verlichting op deze manier te bespiegelen, is het mogelijk ze verder te ontwikkelen, hetgeen iemand helpt om Nibbana vast en zeker te verwezenlijken.

5. DE VIER EDELE WAARHEDEN (cattari ariya sacca pariggaha): de groep van de vier edele waarheden. Dit houdt in dat men zich de feiten realiseert aangaande de Vier Edele Waarheden (Cattari Ariya Sacca), namelijk: 1) dukkha; 2) samudaya; 3) nirodha; 4) magga.

a. dukkha: de waarheid van lijden. Overeenkomstig de Leer van de Boeddha is de gehele wereld voortdurend in verandering, en daarom vol van lijden. Alles glijdt van ons weg. De Boeddha heeft het pad gewezen om een einde aan dat lijden te maken. Er zijn twaalf verschijningsvormen die het bestaan van dat lijden duidelijk zichtbaar maken:

  1. geboorte is lijden (jati);
  2. ouderdom is lijden (jara);
  3. dood is lijden (marana);
  4. verdriet is lijden (soka);
  5. weeklagen is lijden (parideva);
  6. lichamelijke pijn is lijden (dukkha);
  7. mentale pijn is lijden (domanassa);
  8. zware arbeid is lijden (upayasa);
  9. gevoegd worden bij onplezierige personen en bij onplezierige omstandigheden is lijden (appiyehisampayoga);
  10. gescheiden worden van geliefden en van plezierige omstandigheden is lijden (piyehivippayoga);
  11. niet kunnen krijgen wat men wil is lijden (yampiccam nalabhati tampi dukkam);
  12. in het kort: de vijf aggregaten van hechten zijn lijden (samkhittena pañcupadanakkhandha dukkha).

Lijden kan ook begrepen worden door het te bezien vanuit zeven aspecten, namelijk:

  1. lijden ontstaat door de tastbare, gewone, alledaagse pijn (dukkha);
  2. lijden ontstaat door het in bestaan komen en vergaan van geconditioneerde toestanden (sankhara dukkhata of sankhata dukkhata);
  3. lijden ontstaat door verandering (viparinama dukkhata);
  4. lijden ontstaat door lichamelijke en mentale kwalen, waarvan de oorzaken van ontstaan zijn verborgen (paticchanna dukkhata);
  5. lijden ontstaat door vele beproevingen en wederwaardigheden, waarvan de oorzaken van ontstaan zichtbaar zijn (appaticchanna dukkhata);
  6. lijden ontstaat door actuele pijn (dukkha dukkhata) (nippariyaya dukkhata) te voelen, zowel lichamelijk als mentaal;
  7. lijden ontstaat door alle andere soorten van pijn dan dukkha dukkhata (pariyaya dukkhata).

De opsomming van deze zeven aspecten geeft aan hoe lijden ontstaat. Aldus moet men het lijden op verschillende manieren bespiegelen en het feit in acht nemen dat het een staat is die geconditioneerd is door oorzaak en gevolg. Op deze wijze dient men ernaar te streven om zich de ware natuur van lijden te realiseren. Zie ook dukkha.

b. samudaya: de waarheid van de oorzaak van lijden. Hier wordt de hunkering bedoeld welke de hoofdoorzaak van alle lijden is. Die hunkering is in oorsprong drievoudig: 1) hunkering naar zintuiglijke dingen (kama tanha); 2) hunkering naar continuïteit en worden (bhava tanha); 3) hunkering naar het idee dat er geen continuering en worden bestaat (vibhava tanha). Deze hunkering of begeerte is verder geclassificeerd in relatie tot de verscheidene zintuigobjecten:

  1. begeerte naar vorm (rupa tanha);
  2. begeerte naar geluid (sadda tanha);
  3. begeerte naar geur (gandha tanha);
  4. begeerte naar smaak (rasa tanha);
  5. begeerte naar tastbare objecten (potthabba tanha);
  6. begeerte naar mentale objecten (dhamma tanha).

c. nirodha: de waarheid van de opheffing van lijden. Dit behelst de volmaakte staat van Nibbana die men bereikt door de uitroeiing van alle bezoedelingen. Nirodha is tweevoudig, namelijk: het Nibbana verwezenlijken terwijl men dit leven voortzet (sopadisesa nibbana), en het Nibbana verwezenlijken op het moment van de dood (nirupadisesa nibbana).

d. magga: het pad. Met de term magga wordt het achtvoudige pad bedoeld, welke de enige weg is om Nibbana te verwezenlijken. Het pad bestaat uit:

  1. juist begrip (samma ditthi);
  2. juiste gedachten (samma sankappa);
  3. juist spreken (samma vaca);
  4. juiste handelingen (samma kammanta);
  5. juist levensonderhoud (samma ajiva);
  6. juiste inspanning (samma vayama);
  7. juiste indachtigheid (samma sati);
  8. juiste concentratie (samma samadhi).

Voor een nadere beschrijving van het Achtvoudige Pad, zie ariya atthangika magga.

Elk van deze factoren moet apart genomen en bespiegeld worden en men dient ernaar te streven deze bedachtzaam te beoefenen in het dagelijkse leven. Iemand moet waakzaam zijn omtrent zijn gedachten en ernaar streven om zich van kwade gedachten te verlossen en om goede gedachten op te wekken (samma sankappa) door de training in recht begrip (samma ditthi). Vervolgens zal iemand in staat zijn, zijn lichaam, zijn spreken, en zijn denken te bedwingen, en door rechte contemplatie (samma samadhi) de geest te richten op de verwezenlijking van Nibbana.

Het meest betekenisvolle kenmerk van deze viervoudige satipatthana meditatie zoals die tot dusver is beschreven, is de contemplatie van gedachten, zonder onderbreking van het begin tot het einde. Dat is de allerbelangrijkste oefening. Wordt deze meditatie ijverig beoefend, dan stelt dat iemand in staat het pad naar Nibbana te betreden.

Overeenkomstig de Visuddhi Magga (Pad van Zuivering) en andere belangrijke boeddhistische teksten, is het voor iemand die deze meditatie wil beoefenen, noodzakelijk om in contact te staan met een kundig en edel leraar. Dit is uitermate belangrijk, omdat iemand die deze meditatie wil beoefenen, zonder begeleiding door zo'n leraar, misleid kan worden.

Door het beoefenen van de verscheidene secties van de satipatthana meditatie als onderdeel van de dagelijkse routine, zal iemand ook bekwaam zijn om zijn leven onder controle te krijgen. Hij zal het op een succesvolle wijze kunnen regelen, en daardoor een leven kunnen leiden van vrede en tevredenheid.

Bovenstaande instructies heeft de Boeddha gegeven in de Maha Satipatthana Sutta D22. Het is goed om D22 naast bovenstaande informatie door te nemen.

Mediteren op liefdevolle vriendelijkheid

Naar het Woordenboek ahimsaya rato: Positieve vreugde vinden in geweldloosheid, vreugde vinden in het cultiveren van liefdevolle vriendelijkheid. Een zeer speciale karaktertrek van de Leer van de Boeddha, is het kardinale uitgangspunt dat het noodzakelijk is vriendelijk te zijn ten opzichte van alle levende wezens. De beoefening van liefdevolle vriendelijkheid (metta), die geweldloosheid waarborgt, leeft onder boeddhisten op grote schaal.

In zijn vermaning tot Rahula, zei de Boeddha: "Ontwikkel, Rahula, de meditatie van liefdevolle vriendelijkheid (metta); want hierdoor wordt kwade wil verdreven. -- Ontwikkel, Rahula, de meditatie van mededogen (karuna); want hierdoor wordt kwellen en wreedheid verdreven."

Hiervan uitgaande is het duidelijk dat liefdevolle vriendelijkheid oftewel universele liefde (metta), en mededogen (karuna) lijnrecht tegenover kwade wil en wreedheid staan. Kwade wil of haat wordt -- evenals zintuiglijke begeerte (lust) -- veroorzaakt door het vermogen van de zintuigen, zintuiglijke objecten te ontmoeten. Als het oog van de mens in contact komt met een zichtbaar object, dat volgens zijn manier van denken onplezierig en onaangenaam is, rijst er afkeer in hem op, tenzij hij op systematische wijze alertheid beoefent (yoniso manasikara). Datzelfde gebeurt bij het contact tussen het oor en geluiden, de neus en geuren, de tong en smaken, het lichaam en tastbare objecten, de geest en mentale objecten. Zelfs begeerlijke dingen, zowel bezield als onbezield, die een mens met grote vreugde vervullen, kunnen aversie en kwade wil veroorzaken. Iemand kan bijvoorbeeld verlangen naar een ander van wie hij houdt en sensuele genegenheid voelen, maar als de ander niet dezelfde genegenheid laat blijken of zich zelfs geheel tegengesteld gedraagt, staan conflicten en wrok in het vooruitzicht. Als hij dan faalt in het beoefenen van systematische alertheid, als hij niet oordeelkundig is, dan zal hij zich als een waanzinnige gedragen. Zijn gedrag kan dan tot rampspoed leiden, zelfs tot moord of tot zelfmoord. Dat is het gevaar van deze hartstochten en zij kunnen overwonnen worden door metta, universele liefde.

Naar het Woordenboek metta: Universele liefde; liefdevolle vriendelijkheid. Synoniem: alobha. Metta is een populaire term onder Boeddhisten, maar er is geen westers woord dat de betekenis precies weergeeft. Vriendelijkheid, welwillendheid, goodwill, universele liefde, liefdevolle vriendelijkheid, zijn de favoriete verwijzingen. Metta is de wens voor het geluk en welzijn van alle levende wezens, zonder één uitzondering.

Liefdevolle vriendelijkheid en mededogen (karuna) zijn de ruggengraat van de Leer van de Boeddha omdat zij de basis vormen van alle morele handelingen die op hun beurt de 'werkvloer' zijn voor goede concentratie, en concentratie leidt tot kalmte en inzicht. Metta is één van de 4 verheven verblijven.

Liefdevolle vriendelijkheid heeft het karakter van een welwillende vriend. De vijand van metta is kwade wil (haat), terwijl de indirecte of gemaskerde vijand vleselijke of zinnelijke liefde is of het verlangen naar zelfzuchtige genegenheid (pema). Wanneer het verschil tussen zinnelijke liefde en metta niet wordt gezien, kan zinnelijke liefde veel leed veroorzaken voor jezelf en voor anderen. Iemand moet zichzelf beschermen tegen deze verborgen vijand. Vaak houden mensen zich bezig met gedachten van sensuele genegenheid, en krijgen zij een verkeerd beeld van metta. Zij denken dan dat zij metta cultiveren, maar beseffen niet dat ze op het verkeerde spoor zitten. Als iemand gelijkmoedig zou zijn en zulke gedachten nauwkeurig zou onderzoeken, zou hij zich realiseren dat ze gekleurd zijn door zintuiglijke gehechtheid en voorkeur. Als het gevoel van liefde het directe resultaat van gehechtheid en vastklampen is, dan is het werkelijk geen metta.

De Pali commentaren leggen universele liefde als volgt uit:

Iemand heeft alle wezens lief...

  1. als hij niet kwelt (geen enkel wezen kwelt) en aldus kwellen vermijdt;
  2. als hij niet schadelijk is (ten opzichte van alle wezens) en aldus schadelijkheid vermijdt;
  3. als hij niet martelt (geen enkel wezen martelt) en aldus marteling vermijdt;
  4. als hij niet vernietigt (geen enkel wezen vernietigt) en aldus vernietiging vermijdt;
  5. als hij zich niet ergert (ten opzichte van alle wezens) en aldus ergernis vermijdt;
  6. door te denken 'mogen alle wezens vriendelijk zijn en niet vijandig';
  7. door te denken 'mogen alle wezens gelukkig zijn en niet ongelukkig';
  8. door te denken 'mogen alle wezens gelukkig zijn en vrij zijn van lijden'.

Op deze acht manieren heeft iemand alle wezens lief; daarom wordt dit universele liefde (metta) genoemd.

In het algemeen hebben mensen slechts ideeën over liefde; zij denken daarbij aan gehechtheid: 'Als je niet gehecht bent, is er geen liefde.' Maar het is juist die gehechtheid, die bezitsdrang, die een einde maakt aan liefde, omdat in 'hebben' geen ware vrijheid bestaat. Doordat men niet de juiste liefde ontwikkelt, is het beeld dat men van liefde heeft vaak slechts een zaak van het hoofd, zonder dat het hart wordt geraakt.

Zinnelijke liefde of eigenliefde, is, vanwege persoonlijke voorkeuren die daarachter schuilgaan, een fixatie op slechts een punt. Waar fixatie is, daar is ook uitsluiting, geslotenheid en afkeer, met diverse problemen als gevolg. Iemand of dingen willen 'hebben', willen 'bezitten', iets of iemand altijd bij je willen houden of steeds maar méér willen, dat is de diep zittende wortel die door onwetendheid stevig op zijn plaats gehouden wordt en die zoveel lijden veroorzaakt. Iemand die gretig tracht te 'bezitten' zal in teleurstelling en in woede ontaarden wanneer het 'bezit' er niet meer is. Deze eigenliefde is de weg die leidt naar verdeeldheid en disharmonie, in de persoon zelf, in de relatie en in het gezin.

Daartegenover wordt een alles omvattende universele liefde niet gedreven door hebzucht en persoonlijke voorkeuren. Deze liefde heeft een open hart voor alles wat zij op haar pad tegenkomt. En deze openheid kan er alleen zijn wanneer iemand zonder zintuiglijke begeerte is, en zich niet laat leiden door persoonlijke voorkeuren. Omdat er geen voorkeuren zijn, is er ook geen afkeer, dus ook geen lijden. Het is een onuitputtelijke bron van geluk die niets met zintuiglijkheid te maken heeft, want, wanneer er iets niet is, dan is dat geen enkel probleem omdat in ware liefde niets ontbreekt. In onbaatzuchtige liefde is geen enkel gemis, geen enkele drang om iets te hebben of om ontevreden over te zijn. Deze universele liefde, deze ware metta, is de weg die leidt naar eenheid en harmonie in de persoon zelf, in de relatie en in het gezin.

Zo zien we hoe het niet begrijpen van wat liefde werkelijk is, iemand in ellende doet verkeren, terwijl, wanneer dat wel begrepen wordt, het geluk en zegen voortbrengt.

Een beoefenaar van metta geniet 11 zegeningen:

  1. hij slaapt gelukkig en snel;
  2. hij ontwaakt met een liefhebbend en een blij hart;
  3. hij wordt in zijn slaap niet gestoord door nachtmerries;
  4. hij is geliefd bij alle menselijke wezens;
  5. hij is eveneens geliefd bij niet-menselijke wezens zoals dieren;
  6. hij blijft buiten het bereik van vergif, wapens etc.
  7. hij geniet bescherming van onzichtbare hemelwezens;
  8. hij kan zich snel concentreren omdat zijn geest kalm is;
  9. hij heeft een mooi uiterlijk (haat maakt lelijk);
  10. hij sterft rustig;
  11. hij wordt op z'n minst wedergeboren in een gelukkige staat (brahma vihara).

Zinnelijke liefde of pema is een soort verlangen dat in staat is veel droefheid, verdriet en jammeren voort te brengen. De Boeddha heeft dit duidelijk uitgelegd in zijn toespraken, en vijf verzen (212-216) uit hoofdstuk zestien van de Dhammapada (het hoofdstuk over genegenheid) geven het als volgt weer:

Uit beminnen ontstaat verdriet; uit beminnen ontstaat vrees. Voor hem die vrij is van beminnen bestaat er geen verdriet. Vanwaar dan nog vrees?
Uit genegenheid ontstaat verdriet; (...)?
Uit hartstocht ontstaat verdriet; (...)?
Uit gehechtheid ontstaat verdriet; (...)?
Uit hunkering ontstaat verdriet; (...)?

Men dient dit goed te begrijpen: genegenheid betekent op zo'n manier van iemand houden, dat men een gehechtheid ontwikkelt ten opzichte van degene van wie men houdt; wanneer de laatstgenoemde ook heel veel van jou houdt, wordt er een band gecreëerd. Maar als je van elkaar gescheiden wordt, of als de genegenheid van de geliefde ten opzichte van jou afneemt, voel je je ellendig en kun je je zelfs dwaas gaan gedragen. De Boeddha zegt in zijn uitleg van de Edele Waarheid van het lijden:

"Gevoegd worden bij onaangename mensen en omstandigheden is lijden, gescheiden worden van het aangename is lijden, niet kunnen krijgen wat men wil is lijden (...)."

Hoe dan ook, metta is een zeer zuivere verheven staat van de mens; zoals kwikzilver kan het zichzelf nergens aan hechten. Het is een kalme, niet-aanmatigende superieure vorm van onthechting onder de deugden.

Het is moeilijk om gelijkmoedig van iemand te houden, zonder enige vorm van vastklampen, zonder enig idee van 'zelf', 'mij' en 'mijn'; want in de mens is het 'ik' dominant. Het mag haast onmogelijk lijken om lief te hebben zonder enig onderscheid te maken tussen deze en gene, zonder barricades op te werpen tussen personen, om iedereen als broeders en zusters te beschouwen met een onbegrensd hart. Maar zij die dat zelfs maar een klein beetje proberen zullen worden beloond. Het is zeer de moeite waard. Door voortdurende inspanning en vastberadenheid bereikt men stap voor stap zijn bestemming.

Een beoefenaar van metta moet op zijn hoede zijn voor brutaal, egocentrisch gericht volk. Als iemand vriendelijk en oprecht is, komt het vaak voor dat anderen zijn goede kwaliteiten proberen uit te buiten voor hun eigenbelang. Dat moet niet aangemoedigd worden. Als men toelaat dat mensen die op zichzelf gericht zijn, op oneerlijk wijze misbruik maken van iemands vriendelijkheid en tolerantie, dan leidt dat eerder tot het versterken dan tot het bedaren van het kwaad en het lijden in de gemeenschap.

Universele liefde (metta) is samen met mededogen (karuna) de ruggengraat van het pad van de Boeddha. In tegenstelling tot andere religieuze leraren, leert hij dat bevrijding niet afhankelijk is van een of andere goddelijke macht die zogenaamd boven de mens staat, maar dat het cultiveren van de verheven kwaliteiten die in de mens zelf aanwezig zijn, een voorwaarde is voor die bevrijding. Hierdoor stelt deze Prachtige Mens (Acchariya Manussa) de waarde van de mensheid boven die van een geheimzinnige autoriteit. Bovendien onderwijst de Boeddha zijn eigen ervaringen en daarom is boeddhisme geen verzinsel, maar een ontdekking. Dit is de reden waarom de Boeddha het wachten op 'liefde en mededogen' van een goddelijke schepper van de hand wijst en aanspoort die kwaliteiten zelf te ontwikkelen.

Eindnoten

[1] Deze meditatiemethodes (de zes onderwerpen) worden verderop toegelicht.

[2] Voor een beginner kan het gemakkelijk zijn als er een beeld aanwezig is, maar dat is natuurlijk niet noodzakelijk. Maar al te vaak wordt dit door mensen verkeerd begrepen. Men buigt veel vaker voor het beeld van de Boeddha, dan voor wat dat beeld vertegenwoordigt. Het gaat om dankbaarheid voor wat deze onovertrefbare Leraar uit mededogen voor ons gedaan heeft.

RegID: Dhp296-301
Bijgewerkt op: 29 oktober 2004
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Dhammapada 296; 297; 298; 299; 300; 301