Ekudana de Arahat

Je kunt veel praten zonder veel te zeggen. Iemand kan veel wijze woorden spreken, maar dat maakt hem nog geen waar Dhamma beoefenaar. Aanvankelijk wordt er vanuit gegaan dat een wijs mens, een stil mens is. Maar men moet voorzichtig zijn met oordelen: een stil mens is niet per definitie wijs, en iemand die veel spreekt is niet per definitie dom. Een 'stil' mens kan een gesloten mens zijn die zich moeilijk kan uiten terwijl het van binnen stormt. Iemand die van tijd tot tijd veel kan spreken, kan een openhartig en helder mens zijn met een rustig hart.

Zo was de Boeddha een wijs mens. Vanwege zijn diepe inzicht, zijn openheid en zijn voortdurende poging om duidelijkheid te scheppen en misverstanden te voorkomen, sprak hij vaak, lang en zeer gedetailleerd. Zoals hij zelf zei: "Met betrekking tot de Leer, Ananda, heeft de Tathagata niet zoiets als een gesloten vuist van een leraar die iets achter houdt." Overdag trok hij door het land en onderwees en verkwikte hij velen. 's Avonds was het de tijd voor de monniken en de lekenvolgelingen, terwijl de deva's tot diep in de nacht onderwezen werden... Wees dus voorzichtig met het oordelen of iemand een domme kletskous is of iemand is met een missie. Iemand is niet per definitie een Dhamma beoefenaar door veel te spreken of vaak te zwijgen, maar wijze mensen kakelen niet.

Veel spreken maakt iemand geen Dhamma beoefenaar. Maar door alert te zijn in zijn oefening, dat is wat iemand een beoefenaar maakt.

259. Iemand is niet bedreven in de Dhamma door louter veel te spreken; maar iemand die er zelfs weinig over heeft gehoord maar die de Dhamma in het lichaam ziet, diegene is inderdaad kundig en niet onachtzaam in de Dhamma.

na tavata dhammadaro yavata bahu bhasati yo ca appam'pi sutvana dhammam kayena passati sa ve dhammadharo hoti yo dhammam nappamajjati

Iemand is niet bedreven in de Wet van Rechtvaardigheid doordat iemand louter veel spreekt. Zelfs als iemand maar een klein beetje van de Dhamma heeft gehoord, maar de Dhamma door zijn lichaam heeft ervaren, is hij bedreven in de Dhamma.

Terwijl de Boeddha in het Jetavana klooster verbleef, sprak de Boeddha dit vers, met verwijzing naar een monnik die een Arahat was. Deze monnik leefde in een bos bij Savatthi. Hij stond bekend als Ekudana, omdat hij slechts één vers van verrukking (udana) van buiten geleerd had, namelijk:

"Tot de monnik met verheven gedachten, indachtig, zichzelf oefenend in de wegen van de stilte;
tot zulk een monnik, die altijd rustig en oplettend is, komt verdriet niet."

Maar de monnik verstond de betekenis van de Dhamma zoals die in het vers werd weergegeven, volledig. Op elke vastendag (uposatha), spoorde hij anderen aan om naar de Dhamma te luisteren, en zelf wilde hij dan het enige vers reciteren dat hij kende. Telkens als hij z'n recitatie beëindigde, prezen de beschermgeesten van het bos hem met een applaus dat weergalmde.

Eens op een vastendag kwamen ouderlingen naar deze plaats. Deze monniken waren goed bedreven in de geschriften en ze werden vergezeld door vijfhonderd monniken. Ekudana vroeg de twee ouderlingen de Dhamma te prediken. De ouderlingen vroegen of er op deze afgelegen plek veel mensen waren om naar de Dhamma te luisteren. Ekudana antwoordde bevestigend en vertelde hen dat zelfs de beschermgeesten van de bossen kwamen en dat zij hem gewoonlijk prezen door te applaudisseren aan het eind van de toespraak. En zo besloten de twee geleerde ouderlingen om de Dhamma te prediken. Maar aan het einde van de toespraken, kwam er geen applaus van de beschermgeesten van de bossen.

De twee geleerde ouderlingen waren verward; zij twijfelden zelfs aan de woorden van Ekudana. Maar Ekudana bleef erbij dat de beschermgeesten altijd komen en altijd applaudisseren aan het einde van elke toespraak. Toen stonden de twee ouderlingen erop dat Ekudana zelf predikte. Ekudana hield de waaier voor zich en reciteerde zijn gebruikelijke vers. Aan het einde van de recitatie applaudisseerden de beschermgeesten zoals gebruikelijk. De monniken die de twee geleerde ouderlingen vergezelden, klaagden dat de deva's die in de bossen woonden, erg partijdig waren.

Ze rapporteerden de zaak bij de Boeddha toen ze bij het Jetavana Klooster terug waren. De Boeddha sprak tot hen: "Monniken! Ik zeg niet dat een monnik die veel geleerd heeft en veel praat over de Dhamma, dat 'dat iemand is, die bedreven is in de Dhamma'. Iemand die weinig geleerd heeft, en slechts één enkele vers van de Dhamma verstaat, maar de Vier Edele Waarheden (cattari ariya sacca) volledig begrijpt, en altijd indachtig, is iemand die waarlijk bedreven is in de Dhamma." En toen sprak hij het vers waar dit verhaal mee begon.

Uitleg vertaling vers 259

yavata bahu bhasati, tavata dhammadharo na yo ca apam api sutvana kayena dhammam passati, yo ve dhammadharo hoti so dhammam nappamajjati

yavata: louter door; bahu bhasati: iemand veel spreekt; tavata: door dat; dhammadharo na: is iemand niet bedreven in de dhamma; yo ca: als iemand; apam api: zelfs een beetje van de dhamma; sutvana: heeft gehoord; kayena: door zijn lichaam; dhammam passati: de dhamma beoefent; so: hij; ve: zonder twijfel; dhammadharo hoti: wordt een bedreven beoefenaar van dhamma; yo: als iemand; dhammam: in dhamma; nappamajjati: is zorgvuldig

Commentaar

Naar het Woordenboek bahu bhasati: Spreekt onophoudelijk. De neiging overvloedig te praten kan tegengegaan worden door het zwijgen van de geest. Dit bereik je door meditatie. Het kijken naar de geest in meditatie, en de geest toestaan om stil te zijn, kan bewerkstelligd worden door het beschouwen van de geest (citta vipassana).

Citaat uit de Maha Satipatthana Sutta (D22)

"En hoe, monniken, beoefend een monnik de indachtigheid van de geest met betrekking tot de geest?"

"Hierin, monniken, kent een monnik de geest met begeerte (lobha) als de geest met begeerte; de geest zonder begeerte als de geest zonder begeerte; de geest met haat (dosa) als de geest met haat; de geest zonder haat, als de geest zonder haat; de geest met onwetendheid (moha) als de geest met onwetendheid; de geest zonder onwetendheid als de geest zonder onwetendheid; de vernauwde geest (sankhitta citta) als de vernauwde geest; de afgeleide geest (vikkhitta citta) als de afgeleide geest; de ontwikkelde staat van de geest (mahaggata citta) als de ontwikkelde staat van de geest; de onontwikkelde staat van de geest (amahaggata citta of kamavacara citta) als de onontwikkelde staat van de geest; de overtrefbare geest (sauttara citta) als de overtrefbare geest; de onovertrefbare geest (anuttara citta) als de onovertrefbare geest; de geconcentreerde geest (samahita citta) als de geconcentreerde geest; de ongeconcentreerde geest (asmahita citta) als de ongeconcentreerde geest; de bevrijde geest (vimutta citta) als de bevrijde geest; de niet bevrijde geest (avimutta citta) als de niet bevrijde geest."

"Zo, met het beschouwen van zijn eigen geest beschouwt hij de geest; met het beschouwen van de geest van anderen beschouwt hij de geest; en met de beschouwing van beiden beschouwt hij de geest. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent de geest; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent de geest; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent de geest."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er bestaat slechts bewustzijn', juist zoveel als nodig is voor inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van de geest."

RegID: Dhp259
Bijgewerkt op: 11 mei 2004
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Dhammapada 259