Aggidatta de brahmaan

Door angst gedreven zoekt de menigte zijn heil in bomen, in rotsen, in bergen, in goden, in een god, in profeten, in beeldjes, in tempels, in heilige plaatsen, in sommige dieren, etc. etc. Maar dat zijn geen veilige toevluchtsoorden. De oplossing om aan dit grote lijden te ontkomen, moet gezocht worden bij een mens, een bijzonder mens, een buitengewoon mens. Een mens die in staat was een buitengewone realiteit te ontdekken en te verkondigen. Daarom wordt hij de Samma Sambuddha genoemd.

Vele toevluchtsoorden zoeken zij; op heuvels, in wouden, in heilige bomen, zij gaan naar kloosters en heiligdommen, volk dat door angst wordt gepijnigd.

188. Men zoekt velerlei toevluchtsoorden zoals heuvels, wouden, heilige bomen; naar kloosters en naar tempels gaan zij, volk dat door angst wordt gefolterd.

bahum ve saranam yanti pabbatani vanani ca arama rukkha cetyani manussa bhayatajjita

Mensen die beven van angst, zoeken vastbesloten hun toevlucht in heuvels, wouden, parken, bomen en heiligdommen.

Dit is geen veilige toevlucht. Dit is niet de weg naar totale vrijheid.

189. Maar zo'n toevlucht is niet een veilige, zo'n toevlucht is niet de beste. Men is niet vrij van lijden, zolang er naar zo'n toevlucht gegaan wordt.

n'etam kho saranam khemam n'etam saranam uttamam n'etam saranam agamma sabbadukkha pamuccati

Dit zijn geen veilige toevluchtsoorden. Het zijn niet de meest verheven toevluchtsoorden. Iemand die zijn toevlucht daarin neemt, wordt niet bevrijd van alle lijden.

Zoek je toevlucht in de Boeddha, de Dhamma en de Sangha en komt tot volledig begrip van de Vier Edele Waarheden.

190. Maar als men de toevlucht in de Boeddha neemt, in de Dhamma en ook in de Sangha, dan ziet men met perfecte wijsheid de Vier Edele Waarheden, (namelijk):

yo ca Buddha˝ ca Dhamma˝ ca Sangha˝ ca saranam gato cattari ariyasaccani sammappa˝˝aya passati

Als een wijs iemand zijn heil zoekt in de Boeddha, de Dhamma en de Sangha, zal hij de Vier Edele Waarheden doorzien met diepe wijsheid.

Het Edele Pad.

191. Lijden, het oorzakelijk ontstaan, de opheffing van lijden, en het Edele Achtvoudige Pad dat het lijden tot bedaren brengt.

dukkham dukkhasamuppadam dukkhassa ca atikkamam ariyam c'atthangikam maggam dukkhupasamagaminam

De Vier Edele Waarheden zijn: het lijden, het ontstaan van lijden, de opheffing van lijden, het Achtvoudige Pad dat leidt naar de beŰindiging van lijden.

Deze vormen de hoogste toevlucht. Via deze toevlucht is de bevrijding van pijn en verdriet gewaarborgd.

192. Zulk een toevlucht is veilig, zulk een toevlucht is de beste. Men is vrij van lijden, wanneer men zo'n toevlucht neemt.

etam kho saranam khemam etam saranam uttamam etam saranam agamma sabbedukkha pamuccati

Deze drievoudige toevlucht is met zekerheid absoluut veilig. Dit is de beste toevlucht. Als je deze toevlucht eenmaal genomen hebt, zul je bevrijding van alle lijden verwezenlijken.

Terwijl de Boeddha in het Jetavana Klooster verbleef, sprak de Boeddha deze verzen, met verwijzing naar Aggidatta, een brahmaan.

Aggidatta was de huispriester van Maha Kosala. Toen Maha Kosala stierf, wees zijn zoon koning Pasenadi Kosala, uit respect voor Aggidatta, hem dezelfde post aan als die hij voorheen had gehad, omdat hij de huispriester van zijn vader was geweest. Wanneer Aggidatta gekomen was om de koning op te wachten, zou de koning hem tegemoet getreden hebben om hem te onthalen en een gelijkwaardige zetel als die van hemzelf aangereikt hebben en tegen hem gezegd hebben: "Leraar, alstublieft, ga zitten."

Echter, na een tijdje dacht Aggidatta bij zichzelf: "Deze koning toont mij zeer veel eerbied, maar het is onmogelijk om voor al het goeds in de goedgunstigheid van koningen te blijven. Het huiselijke leven van een koning is erg aangenaam voor iemand die van gelijke leeftijd is als de koning. Maar ik ben een oude man en zou er daarom beter aan doen om een asceet te worden."

En zo vroeg Aggidatta de koning toestemming om een asceet te worden. Hij gebood om door de hele stad heen op een trommel te slaan. Hij besteedde al zijn geld binnen een week tijd aan aalmoezenvoedsel, en trok zich terug van de wereld en werd een asceet van een of andere ketterse gemeenschap. Een groot aantal mannen volgden hem om ook asceet te worden.

Aggidatta en zijn asceten vestigden zich aan de grens van het land van de Anga's en Magadha's en het land van de Kuru's. Daarna sprak hij zijn asceten met de volgende woorden toe: "Vrienden, in het geval iemand van jullie lastig gevallen wordt door slechte gedachten -- of die nu hartstochtelijk zijn, kwaadaardig, of wreed -- laat hen die op deze wijze lastig gevallen worden, een kruik met zand uit de rivier vullen en die hier ledigen."

"Goed", zeiden de asceten, en ze beloofden dat ze dat zo zouden doen. En iedere keer wanneer ze lastig gevallen werden door slechte gedachten -- of die nu hartstochtelijk waren, kwaadaardig, of wreed -- deden zij wat hij hen opgedragen had. En in een mum van tijd ontstond er een grote hoop zand, en Ahicchatta, de koning van de Naga's (draken), nam er bezit van.

De inwoners van Anga en Magadha en de inwoners van het koninkrijk van de Kuru's, brachten maand na maand rijke offergaven ter eerbetuiging van deze asceten. En Aggidatta spoorde hen als volgt aan: "Zo zeker als jullie je toevlucht zoeken in een heuvel; zo zeker als jullie je toevlucht zoeken in een woud; zo zeker als jullie je toevlucht zoeken in een boom; net zo zeker zullen jullie bevrijding bereiken van al het lijden." Met deze aansporing vermaande Aggidatta zijn discipelen.

In die tijd had de Boeddha, na de grote verzaking en na het verwerven van de volkomen verlichting, zijn intrede gedaan in het Jetavana Klooster nabij Savatthi. Toen hij vroeg in de morgen de wereld overzag, bemerkte hij dat de brahmaan Aggidatta, samen met zijn discipelen, binnen het bereik van zijn gezichtsveld was gekomen[1]. En hij overwoog: "Bezitten al deze levende wezens de benodigde vermogens voor Arahatschap?" Toen hij waarnam dat zij de benodigde vermogens bezaten, zei hij in de avond tegen de Eerwaarde Maha Moggallana: "Moggallana, zie jij, dat de brahmaan Aggidatta een koers van daden onder de massa aanzet die anders is dan de ware? Ga er heen en vermaan hem."

"Eerwaarde, deze asceten zijn in grote aantallen, en als ik alleen ga, ben ik bang dat ze zullen laten blijken dat ze onhandelbaar zijn; maar als u ook gaat, zullen ze handelbaar zijn." -- "Moggallana," zei de Boeddha, "ik zal ook gaan, maar jij gaat vooruit."

Intussen dat Eerwaarde Maha Moggallana voortging, dacht hij bij zichzelf: "Deze asceten zijn machtig Ún in grote getalen. Als ik iets tegen hen zeg wanneer zij allemaal tezamen zijn, zullen ze zich allemaal als ÚÚn groep tegen me keren." Daarom veroorzaakte hij door zijn eigen bovennatuurlijke krachten, grote, neervallende regendruppels. Toen deze grote regendruppels neervielen, stonden de asceten ÚÚn voor ÚÚn op, en ieder van hen ging z'n eigen hut van bladeren en gras binnen. De Eerwaarde liep door en stond op een gegeven moment voor Aggidatta's bladerenhut en riep uit: "Aggidatta!" Toen Aggidatta het geluid van de Eerwaarde z'n stem hoorde, dacht hij bij zichzelf: "Niemand in deze wereld is in staat om mij bij mijn naam aan te spreken; wie zou het kunnen zijn die mij bij mijn naam aanspreekt?" En door de hardnekkigheid van zijn trots, antwoordde hij: "Wie is daar?"

"Ik ben het, brahmaan", zei Moggallana. -- "Wat heb je te zeggen?" -- "Laat me hier een plaats zien waar ik deze nacht kan doorbrengen." -- "Er is hier geen plaats voor je om te blijven. Hier is slechts een enkele hut van bladeren en gras voor een enkele asceet." -- "Aggidatta, mensen gaan naar de verblijven van mensen, vee gaat naar de verblijven van vee, en asceten naar de verblijven van asceten. Doe zo niet. Geef me een onderkomen." -- "Ben jij een asceet?" -- "Ja, ik ben een asceet." -- "Als je een asceet bent, waar is je bedelnap dan? Wat heb je voor benodigdheden?", vroeg Aggidatta.

"Ik heb benodigdheden, maar omdat het lastig is om ze van plaats tot plaats te dragen, schaf ik die ter plaatse aan en vervolg dan weer mijn weg."

"Zo, je beweert dus dat je die ter plaatse aanschaft en dan je weg vervolgt!", zei Aggidatta kwaad tegen de Eerwaarde.

De Eerwaarde zei tegen hem: "Ach kom, Aggidatta, ben nou niet kwaad; laat me een plek zien waar ik de nacht kan doorbrengen."

"Hier is gÚÚn verblijfplaats!" -- "Goed, wie is het die daar in die hoop zand leeft?" -- "Een zekere Naga koning." -- "Geef mij de hoop zand", zei de Eerwaarde Moggallana. -- "Ik kan je die hoop zand niet geven; dat zou een pijnlijke belediging voor hem zijn!" -- "Maakt niet uit, geef hem aan mij." -- "Goed dan, omdat je zo eigenwijs bent!"

De Eerbiedwaardige liep op de hoop zand toe. Toen de Naga koning hem zag naderen, dacht hij bij zichzelf: "Die monnik daar komt hier naar toe. Geen twijfel mogelijk dat ik hier de baas ben. Ik zal vuur naar hem spuwen en hem doden." De Eerwaarde dacht bij zichzelf: "Deze Naga koning denkt zonder twijfel: 'Alleen ik ben in staat om rook te spuien; anderen zijn daartoe niet in staat.'"

En zo spuide de Eerwaarde ook vuur. Wolken van rook kwamen van de lichamen van beiden en stegen op naar de Wereld van Brahma. De wolken van rook deerde Moggallana in het geheel niet, maar maakten het de Naga koning zeer lastig. De Naga koning -- niet in staat de krachtige luchtstroom van rook te doorstaan -- barstte in vlammen uit. De Eerwaarde zette zichzelf aan tot meditatie en mediteerde op het element van vuur en bereikte een staat van trance. Daarop barstte hij in vlammen uit die opstegen naar de Wereld van Brahma. Zijn hele lichaam zag eruit, alsof het met fakkels in vlammen was gezet. Het gezelschap van asceten keek toe, en dachten: "De Naga koning verbrandt de asceet; de goede asceet heeft inderdaad het leven verloren omdat hij niet naar onze woorden wilde luisteren."

Toen de Eerwaarde de Naga koning had overmeesterd en hem zijn wangedrag kwijtschold, zette hij zich neer op de hoop zand. Daarop omringde de Naga koning de hoop zand met goed eetbare dingen, creŰerde een koepel zo groot als het inwendige van een piekhuis, en hield die boven het hoofd van de Eerwaarde.

In de vroege morgen dachten de asceten bij zichzelf: "We zullen eens gaan kijken of de monnik dood is of levend." Dus gingen ze naar de plaats waar de Eerwaarde was, en toen ze hem op de hoop zand zagen zitten, betuigden zij eerbied aan hem, prijsden hem en zeiden: "Monnik, je moet wel enorm geplaagd zijn door de Naga koning."

"Zien jullie hem hier niet staan met zijn koepel boven mijn hoofd gerezen?", zei de Eerwaarde Moggallana. De asceten stonden in een cirkel rond de Eerwaarde en antwoordden: "Wat voor wonderbaarlijk ding heeft de monnik gedaan om daarmee de zo machtige Naga koning te overmeesteren!"

Op dat moment kwam de Boeddha ter plaatse. Toen de Eerwaarde hem zag, stond hij op en groette hij hem. De asceten zeiden tegen Maha Moggallana: "Is dit een groter man dan u?" De Eerwaarde antwoordde: "Dit is de Boeddha; ik ben slechts zijn leerling." De Boeddha ging bovenop de hoop zand zitten. Het gezelschap van asceten zei tegen elkaar: "Als dit de bovennatuurlijke kracht van slechts een leerling is, hoe moet de bovennatuurlijke kracht van deze man er dan wel niet uitzien?" En hun samengevouwen handen uitstrekkend in een houding van eerbiedwaardige begroeting, verleenden zij hulde aan de Boeddha.

De Boeddha zei tegen Aggidatta: "Aggidatta, omtrent het onderricht aan je leerlingen en donateurs, hoe vermaan je hen?" Aggidatta antwoordde: "Ik vermaan hen als volgt: 'Zoek je toevlucht in deze heuvel, zoek je toevlucht in dit woud, bos of boom. Want iemand die zijn toevlucht zoekt in deze dingen, verwerft bevrijding van lijden.'" De Boeddha zei: "Nee, Aggidatta, iemand die zijn toevlucht zoekt in deze dingen, zal geen bevrijding van lijden verwerven. Maar hij die zijn toevlucht zoekt in de Boeddha, de Dhamma en de Sangha, hij zal bevrijding van de cyclus van lijden verwerven."

Aan het slot van deze les, verwierven alle asceten Arahatschap, samen met de bovennatuurlijke vermogens. Daarop begroetten zij de Boeddha en vroegen zij ingewijd te worden in de Sangha. De Boeddha strekte zijn hand van onder zijn pij uit, en zei: "Kom, monniken! Leidt het religieuze leven!" Op dat moment waren zij uitgerust met de acht benodigdheden en werden zij monniken alsof zij dat al honderd jaar waren.

Nu gebeurde dit alles op de dag dat de inwoners van Anga en Magadha en de inwoners van het land van de Kuru's volgens vast gebruik met rijke offergaven kwamen. Toen zij voor de offergaven naderden en zagen dat de asceten allemaal monniken waren geworden, dachten ze bij zichzelf: "Is onze brahmaan Aggidatta de grote, of is de monnik Gotama de grote?"

De Boeddha doorzag hun gedachten, en zei: "Aggidatta, vernietig de twijfel in de geesten van je leerlingen." Aggidatta antwoordde: "Dat zal ik graag doen." En door bovennatuurlijke kracht rees hij zeven maal in de lucht en daalde toen weer neer op de grond, groette de Boeddha en zei: "Eerwaarde, u bent mijn Leraar, en ik ben uw leerling." Zo sprak Aggidatta, die verklaarde een leerling te zijn van de Boeddha.

Uitleg vertaling vers 188

bhayatajjita manussa pabbatani vanani arama rukkha cetyani ca ve bahum saranam yanti

bhayatajjita: beven van angst; manussa: menselijke wezens; pabbatani: rotsen; vanani: wouden; arama: bossen; rukkha: bomen; cetyani ca: en heiligdommen; ve: vastbesloten; bahum saranam: vele toevluchten; yanti: gaan naar

Uitleg vertaling vers 189

etam saranam kho na khemam etam saranam na uttamam etam saranam agamma, sabbadukkha na pamuccati

etam saranam kho: dit soort van toevlucht is zeker; na khemam: niet veilig; etam saranam: dit soort toevlucht; na uttamam: is niet de beste; etam saranam agamma: zo'n toevlucht nemen; sabbadukkha: van alle lijden; na pamuccati: wordt iemand niet bevrijd

Uitleg vertaling vers 190

yo ca Buddha˝ca Dhamma˝ca Sangha˝ca saranam gato cattari ariyasaccani sammappa˝˝aya passati

yo ca: als iemand; Buddha˝ca: in de Boeddha; Dhamma˝ca: in de Dhamma; Sangha˝ca: en in de Sangha (gemeenschap); saranam gato: zijn toevlucht neemt; cattari ariyasaccani: vier edele waarheden; samma: goed; pa˝˝aya: met diepzinnig inzicht; passati: zal (hij) zien

Uitleg vertaling vers 191

dukkham dukkhasamuppudam dukkhassa atikkamam ca dukkhupasamagaminam ariyam atthangikam maggam ca

dukkham: lijden; dukkhasamuppudam: het ontstaan van lijden; dukkhassa atikkamam: de beŰindiging van lijden; ca dukkhupasamagaminam: en de weg die leidt naar de opheffing van lijden; ariyam atthangikam maggam: (dat is) het Achtvoudige Pad

Uitleg vertaling vers 192

etam saranam kho khemam etam saranam uttamam etam saranam agamma, sabbadukkha pamuccati

etam saranam kho: deze toevlucht is zeker; khemam: veilig; etam saranam: deze toevlucht; uttamam: is de beste; etam saranam agamma: als men deze toevlucht neemt; sabbadukkha: alle lijden; pamuccati: (zul je) vrij worden

Commentaar

Iemands veiligste toevlucht is hijzelf

Naar het Woordenboek n'etam kho saranam khemam: Iemands veiligste toevlucht is hijzelf. Een boeddhist zoekt toevlucht (of heil) in de Boeddha, de Dhamma en de Sangha als de Leraar, de Leer en de Onderrichten, om bevrijding van de ziektes des levens te verwerven. De Boeddha is de verheven leraar die de weg naar bevrijding laat zien. De Dhamma is de unieke weg. De Sangha vertegenwoordigt de Onderrichten die de weg gevolgd hebben en die levende voorbeelden geworden zijn. Formeel gezien wordt iemand boeddhist door op een verstandige manier zijn of haar toevlucht in dit Drievoudig Juweel (Ti Saranagamana) te nemen. De toevlucht nemen, betekent niet 'het vluchten in', maar een heil zien in het Drievoudig Juweel. Of iemand werkelijk heil ziet in het Drievoudige Juweel, zal blijken als men voor grote problemen komt te staan en dan dit Drievoudig Juweel ook daadwerkelijk gebruikt om ze te boven te komen.

Een boeddhist neemt niet zijn toevlucht in de Boeddha met de hoop dat hij gered zal worden door een persoonlijke handeling van bevrijding alsof dit van de Boeddha afhangt. Het vertrouwen van een boeddhist in de Boeddha, is als die van een ziek persoon in een goede dokter, of van een student in zijn leraar.

Naar het Woordenboek yo ca Buddha˝ca Dhamma˝ca Sangha˝ca saranam gato: Zij die hun toevlucht nemen in de Boeddha, de Dhamma en de Sangha. Hoewel de Sangha haar carriŔre begon met slechts zestig discipelen, breidde zij zich uit tot duizenden discipelen. Destijds deden aanhangers hun intrede door het uitspreken van de drievoudige formule die bekend staat als de Drievoudige Toevlucht:

Ik ga naar de Boeddha.
(Buddham saranam gacchami).
Ik ga naar de Dhamma.
(Dhammam saranam gacchami).
Ik ga naar de Sangha.
(Sangham saranam gacchami).

Voor de tweede maal ga ik naar de Boeddha.
(Dutiyampi Buddham saranam gacchami).
Voor de tweede maal ga ik naar de Dhamma.
(Dutiyampi Dhammam saranam gacchami).
Voor de tweede maal ga ik naar de Sangha.
(Dutiyampi Sangham saranam gacchami).

Voor de derde maal ga ik naar de Boeddha.
(Tatiyampi Buddham saranam gacchami).
Voor de derde maal ga ik naar de Dhamma.
(Tatiyampi Dhammam saranam gacchami).
Voor de derde maal ga ik naar de Sangha.
(Tatiyampi Sangham saranam gacchami).

De Boeddha legt extra nadruk op het belang van het individuele streven naar zuivering en bevrijding van de alledaagse ziektes des levens. Het bidden tot anderen of het rekenen op anderen, helpt niet. Men kan zich afvragen waarom boeddhisten hun toevlucht in de Boeddha, de Dhamma en de Sangha moeten zoeken, hoewel de Boeddha zijn volgelingen zo met nadruk geadviseerd heeft om hun toevlucht niet in anderen te zoeken, maar in het nemen van de toevlucht in het Drievoudig Juweel. Echter, boeddhisten zien de Boeddha enkel en alleen als een instructeur die het pad naar bevrijding toont: de Dhamma als de enige weg of het middel, en de Sangha als het levende voorbeeld van een juiste leefwijze. Boeddhisten nemen niet aan dat zij bevrijding verwerven door louter deze woorden van vertrouwen te reciteren. Men moet zijn woorden in praktijk brengen.

Realiteit

Naar het Woordenboek cattari ariya sacca: De Vier Edele Waarheden. Sacca is de Pali term voor realiteit, hetgeen de realiteit betekent waar tot de Boeddha ontwaakt is, welke anders is dan de gewone en daarom edel is, buitengewoon is. De Boeddha drukt een viervoudige realiteit uit die de basis vormt van zijn Leer, welke direct in verband staat met het zogenaamde bestaan of het leven. Of Boeddha's verrijzen of niet, deze realiteit is blijvend, en het is een Boeddha die deze realiteit aan de begoochelde wereld openbaart. Zij zal en kan niet veranderen door het verstrijken van tijd omdat deze altijd van toepassing is. De Boeddha heeft altijd de eigen verantwoordelijkheid genomen voor wat hij ontdekt heeft zoals hij opmerkte in zijn eerste toespraak (S56-011): "Dit is de Edele Waarheid van het Lijden (...); dit is de Edele Waarheid van de Oorzaak van het Lijden (...); dit is de Edele Waarheid van de Opheffing van het Lijden (...); dit is de Edele Waarheid van het Pad dat leidt naar de Opheffing van het Lijden (...). Dit is de visie, de kennis, de wijsheid, de ontdekking, het licht van inzicht dat in mij verrezen is omtrent dingen waar ik voorheen nog nooit van gehoord had." Deze woorden zijn zeer betekenisvol omdat ze getuigen van de originaliteit van zijn ervaring.

Deze realiteit wordt in het Pali weergegeven als ariya saccani (Edele Waarheden). Deze waarheden worden zo ˇˇk genoemd, omdat ze ontdekt zijn door de Grootste Ariya; dat is iemand, die afgedaan heeft met de gewoonlijke staat en daardoor buitengewoon is. De term ariya, doorgaans vertaald als edel, is hier vertaald als buitengewoon, in tegenstelling tot het gewone (puthujjana). Wij zien een verschil tussen de gewone of na´eve realiteit die gezien wordt door de gewone mens op straat, en de buitengewone realiteit die ervaren wordt door de Boeddha en zijn discipelen.

De 1e edele waarheid

Dit gedeelte van die buitengewone realiteit betreft dukkha dat voor de duidelijkheid een Nederlands gelijkwaardig woord behoeft, namelijk: lijden. Als gevoel, betekent dukkha pijn. In het kort: wat pijnlijk is, is de persoonlijkheid die een onmogelijke last is die we constant meedragen. Het is voor ons niet mogelijk om die persoonlijkheid te behouden omdat het onrealistisch is. Lijden ontstaat om datgene te doen dat onmogelijk is.

Gemiddelde mensen zijn slechts oppervlakkige zoekers. Maar een Ariya ziet de dingen zoals zij werkelijk zijn. Voor een Ariya is het leven slechts lijden, hetgeen betekent dat hij geen echt geluk ziet in deze bedrieglijke wereld met haar illusionaire plezieren. Materieel geluk is slechts de tijdelijke bevrediging van verlangen.

Iedereen is onderhevig aan geboorte (jati) en als gevolg daarvan, aan ouderdom (jara), ziekte (vyadhi) en uiteindelijk aan dood (marana). Niemand is uitgezonderd van deze vier fasen van het leven. Het leven is niet een statische entiteit. Het is een dynamisch proces van verandering. Het idee van 'zelf' is een conceptuele toestand die we proberen te handhaven in een dynamische realiteit. En deze wens, wanneer die onvervuld blijft, is lijden. Wanneer men dit 'zelf' probeert te handhaven ontmoet men vele problemen of men wordt gescheiden van personen of dingen. Dikwijls is hetgeen dat men het minst verwacht of het minst verlangt, het vertrouwen in jezelf -- dat alle benodigde kracht in je is. Bij een gebrek aan zo'n zelfvertrouwen, kunnen onaangename omstandigheden dermate onverdraaglijk en pijnlijk worden, dat het mensen soms zover afzwakt dat zij zelfmoord plegen alsof dat een daad is die een oplossing voor het probleem biedt.

De 2e edele waarheid

Drie vormen van begeerte

De hoofdoorzaak van het lijden dat ervaren wordt, is een emotionele drang (begeerte) om te 'verpersoonlijken'. De persoonlijkheid komt in het bestaan door deze 'verpersoonlijking'.

Er zijn drie vormen van begeerte:

  1. kama tanha: Wanneer hunkering, begeerte naar objecten, verbonden is met zintuiglijke geneugten, wordt dit genoemd: zintuiglijke begeerte (kama tanha).
  2. bhava tanha: Wanneer zintuiglijke begeerte gepaard gaat met het geloof in een eeuwig persoonlijk voortbestaan, dat alles eeuwig is, dan noemen we dat: 'hunkering naar bestaan en worden' (bhava tanha). Dit staat bekend als: 'het van mening zijn dat alles eeuwig is' (sassata ditthi), gehecht zijn aan het proces van worden, het verlangen om steeds te continueren en voor altijd te bestaan.
  3. vibhava tanha: Wanneer zintuiglijke begeerte gepaard gaat met de mening dat alles vernietigd wordt (ook dat er na de dood niets meer zal zijn), de mening van vernietiging, wordt het 'hunkering naar niet-bestaan' genoemd (vibhava tanha). Dit staat bekend als 'de mening van het nihilisme' (uccheda ditthi).

Deze begeerte is een sterke emotionele kracht die in elk wezen latent aanwezig is. Het is de hoofdoorzaak van lijden. Het is deze begeerte, zowel in grovere als in subtielere vorm, die steeds weer naar geboorte in samsara leidt en dat ervoor zorgt dat men zich vastklampt aan alle vormen van het leven en aan persoonlijkheid (waardoor men niet objectief kan zijn).

De meest krachtige vorm van begeerte is (kama tanha) die verzwakt wordt door de realisering van sakadagami, de tweede fase van heiligheid. Bij het realiseren van anagami wordt kama tanha volledig uitgerukt. De subtielere vormen van begeerte (de begeerte naar de fijnstoffelijke en onstoffelijke sferen (rupa tanha en arupa tanha) worden uitgerukt bij het realiseren van Arahatschap.

De 3e edele waarheid

De derde van de Vier Edele Waardheden, deze derde buitengewone realiteit, is het volledige ophouden van lijden hetgeen Nibbana is, het ultieme doel van boeddhisten[2]. Het kan zelfs in dit leven worden bereikt door het uitrukken van alle begeerten. Dit Nibbana moet worden gerealiseerd (sacchikatabba) door het (in mentaal opzicht) verzaken, het loslaten van zowel de interne als de externe wereld. Dit is de depersonalisatie van de aggregaten van personifieerde fenomenen (zie pa˝ca upadana kkhandha) welke de persoonlijkheid vormt, en het idee van een 'zelf', een 'ziel', 'ik' etc.

Deze buitengewone derde realiteit moet worden gerealiseerd door het ontwikkelen (bhavetabba) van het Edele Achtvoudige Pad (ariya atthangika magga), de vierde buitengewone realiteit. Dit unieke pad is de enige rechte weg om het Nibbana te realiseren.

De 4e edele waarheid

Naar het Woordenboek ariya atthangika magga: Het Edele Achtvoudige Pad oftewel het buitengewone achtvoudige pad. Deze unieke weg vermijdt twee extremen: zelfkastijding, hetgeen iemands lichaam verzwakt, en zelfzuchtige toegeeflijkheid, hetgeen de ontwikkeling van iemands mentale gesteldheid vertraagt. Het Pad bestaat uit de volgende factoren:

  1. Juist begrip (samma ditthi)
  2. Juiste gedachten/intenties (samma sankappa)
  3. Juiste spraak (samma vaca)
  4. Juist handelen (samma kammanta)
  5. Juiste wijze van levensonderhoud (samma ajiva)
  6. Juiste inspanning (samma vayama)
  7. Juiste indachtigheid (samma sati)
  8. Juiste concentratie (samma samadhi)

Zie ariya atthangika magga voor uitgebreide informatie over elk van de factoren.

Eindnoten

[1] Zie Dhp227-230, paragraaf De laatste wake, voor een gedetailleerde beschrijving over hoe de Boeddha zijn dag begon.

[2] Dit is het hoogste doel van het leven en elk wezen staat voor de taak om dat te realiseren. Echter, niet iedereen kiest voor dat doel. Daarom staat er dat dit 'het ultieme doel van boeddhisten is'; het zijn boeddhisten die hier doelbewust voor kiezen.

RegID: Dhp188-192
Bijgewerkt op: 5 juni 2005
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Dhammapada 188; 189; 190; 191; 192