Sirima de courtisane

Het lichaam is iets waar veel mensen op verzot zijn, waar vaak aan gedacht wordt. Het wordt vaak beschouwd als iets dat volmaakt is. Aan de buitenkant is het mooi opgemaakt, maar in werkelijkheid is het vol met ziektes en gebreken.

Zie dit verfraaide lichaam, waar vaak aan wordt gedacht. Maar in werkelijkheid is het vol zweren. Het is niet blijvend.

147. Zie dit mooie lichaam, een massa zweren, overeind gehouden door vele beenderen, door velen als iets volmaakts beschouwt, maar (het is) aangetast door ziekten. Want niets is stabiel, niets is blijvend.

passa cittakatam bimbam arukayam samussitam aturam bahusankappam yassa natthi dhuvam thiti

Dit lichaam blijft niet bestaan. In feite is het een lichaam vol met zweren. Het is verwikkeld in ziekten. Het wordt gestut door vele soorten beenderen. Het wordt door velen beschouwd als iets goeds, als iets volmaakts, er wordt vaak en door velen aan gedacht. Het is aanlokkelijk opgemaakt. Beschouw deze ware natuur van het lichaam.

Terwijl de Boeddha in het Jetavana klooster verbleef, sprak de Boeddha dit vers, met verwijzing naar Sirima, de courtisane.

Eens leefde er in Rajagaha een heel mooie courtisane. Haar naam was Sirima. Elke dag offerde Sirima aalmoezenvoedsel aan acht monniken. Op een dag gebeurde het, dat een van de monniken een opmerking naar de andere monniken maakte, dat ze erg mooi was en dat ze elke dag heerlijk voedsel aanbood. Toen een jonge monnik dat hoorde, werd hij plotseling verliefd op Sirima, terwijl hij haar niet eens gezien had. De volgende dag ging de jonge monnik met de andere monniken mee naar het huis van Sirima. Die dag voelde Sirima zichzelf niet lekker (waarschijnlijk lag ze op sterven), maar omdat ze toch eerbied aan de monniken wilde betuigen, werd ze naar de monniken gedragen. Toen de jonge monnik Sirima zag, dacht hij bij zichzelf: 'Zelfs als ze ziek is, is ze erg mooi!' En hij voelde een sterk verlangen naar haar.

Die nacht stierf Sirima. Koning Bimbisara ging naar de Boeddha en informeerde hem dat Sirima, de zuster van Jivaka, was gestorven. De Boeddha vertelde de koning dat hij het dode lichaam naar de begraafplaats moest brengen en het daar drie dagen te houden zonder het te verbranden; hij moest het wel beschermen tegen de kraaien en de gieren. De koning deed wat hem was gezegd. Op de vierde dag was het dode lichaam van de mooie Sirima niet meer zo mooi en begeerlijk; het was opgezwollen en maden kwamen uit de negen openingen. Op die dag nam de Boeddha zijn monniken mee naar de begraafplaats om het lichaam van Sirima te aanschouwen. Ook de koning ging met zijn mensen naar de begraafplaats. De jonge monnik die zo wanhopig verliefd was op Sirima, wist niet dat Sirima was gestorven, en toen hij hoorde dat de Boeddha en de monniken naar Sirima gingen kijken, aarzelde hij niet om met hen mee te gaan. Op de begraafplaats werd het lichaam van Sirima door de monniken omringd met de Boeddha aan het hoofd. Ook de koning was er met zijn mensen.

De Boeddha, die door de congregatie van monniken werd omringd, stond aan de ene kant van het dode lichaam; de congregatie van nonnen en het gevolg van de koning en de lekenvolgelingen, vrouwen en mannen, stonden aan de andere kant van het lichaam. Elke groep mensen stond op de gepaste plaats. Toen vroeg de Boeddha aan de koning: "Grote koning, wie is deze vrouw?" En de koning antwoordde: "Eerwaarde, dit is Jivaka's zuster Sirima." En om het heel zeker te weten, vroeg de Boeddha nogmaals: "Dus dit is Sirima?" "Zeker, Eerwaarde", was het antwoord. "Goed dan," vervolgde de Boeddha, "stuur een trommelaar door de stad en maak de volgende aankondiging: 'Zij die duizend muntstukken voor Sirima willen betalen, mogen haar hebben.'" Maar er was niemand die daar ook maar enige reactie op gaf. De koning bracht de prijs terug naar één muntstuk, toen tot een half, tot een kwart, en vervolgens tot een achtste van één muntstuk. Op het laatst liet hij door de trommelaar verkondigen dat ze gratis was. Maar niemand reageerde. Toen zei de koning tegen de Boeddha: "Eerwaarde, niemand wil haar, zelfs niet gratis." En de Boeddha antwoordde: "Monniken, jullie zien de waarde van een vrouw door de ogen van de massa[1]. In deze stad betaalden mensen duizend muntstukken om een nacht met deze vrouw door te brengen. Nu is er niemand die haar zelfs gratis wil hebben. Zo was haar schoonheid die nu weggerot en verdwenen is. Monniken, beschouw dit lichaam dat vol met ziekten is en onzuiver is."

Uitleg vertaling vers 147

yassa dhuvam thiti natthi arukayam samussitam aturam bahusankappam cittakatam bimbam passa

yassa: voor dit lichaam; dhuvam thiti: blijvend bestaan; natthi: is er niet; arukayam (het is in feite) een lichaam van zweren; samussitam: gestut door vele soorten beenderen; aturam: (het is) aangetast door ziektes; bahusankappam: door velen als iets goeds beschouwd; cittakatam: aanlokkelijk opgemaakt; bimbam: dit lichaam; passa: beschouwd

Commentaar

Naar het Woordenboek natthi dhuvam thiti: dit lichaam blijft niet bestaan. Het heeft geen permanente bestaansvorm (arukayam). Dit is in feite een lichaam (of een groep/behuizing) van zweren.

Naar het Woordenboek aturam: het is vol ziekten.

Naar het Woordenboek bahusankappam: door velen als iets goeds beschouwd.

Naar het Woordenboek samussitam: heeft vele soorten beenderen. Hierdoor wordt het gestut, bij elkaar gehouden.

Naar het Woordenboek cittakatam: aanlokkelijk opgemaakt. Al deze dingen zijn gecategoriseerd als illusionaire concepten ten aanzien van het lichaam.

Eindnoten

[1] Het lijkt me goed om hier de opmerking te maken dat de Boeddha niet bedoeld dat een vrouw niks waard is. Hij bedoeld hier duidelijk het lichaam op zich.

RegID: Dhp147
Bijgewerkt op: 4 mei 2005
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Geen