Boeddhisme — Het eten van vlees

Is het toegestaan voor boeddhisten vlees te eten? Wat heeft de Boeddha daarover gezegd?

Of een boeddhist nu wel of geen vlees 'mag' eten, daarover zijn de meningen nogal verdeeld. Dit is niet zo vreemd, want meningen zijn geen feiten; ze zeggen niets over wat de Boeddha werkelijk heeft onderwezen. Integendeel. Laten we daarom eens beschouwen wat de Boeddha werkelijk heeft gezegd over het eten van vlees en vooral wat hij in zijn Leer benadrukt.

Kort gezegd heeft de Boeddha ons twee dingen geleerd: dat er lijden is en dat er een ophouden van dat lijden is. Uiteraard is het ophouden van dat lijden, hetgeen de Boeddha zo benadrukt. Daarom heeft hij duidelijk gemaakt dat karmische handelingen (handelingen die gepaard gaan met begeerte en onwetendheid, en vaak ook met haat) leiden tot wedergeboorte, en dus uiteindelijk lijden veroorzaken omdat er ouderdom, ziekte, dood, weeklagen, pijn, smart en wanhoop op volgt. Dit is waarom het belangrijk is te weten dat karmische handelingen een essentiële kern is die de Boeddha benadrukt.

Het eten van vlees is iets anders dan het doden. Doden heeft een karmisch gevolg, maar het eten van vlees niet in alle gevallen. Op zich is het louter eten van vlees karmisch neutraal. Het eten van vlees is door de Boeddha dan ook niet (in alle gevallen) afgekeurd. De intentie van de Boeddha was dat wij heel goed begrijpen wat karmische handelingen zijn zodat we die kunnen voorkomen[1]. Wanneer de Boeddha het eten van vlees (in alle gevallen) zou hebben afgekeurd, zouden wij wellicht een verkeerd inzicht krijgen in wat wel of geen karmische handelingen zijn. Nogmaals: dat wel goed begrijpen, is juist datgene waar de Boeddha zo de nadruk op legt.

Bovenstaande is ook de reden waarom de Boeddha het voorstel van zijn zwager Devadatta — om het eten van vlees te verbieden — met kracht verwierp. Devadatta was van mening dat het eten van vlees verkeerd was, maar hijzelf werd het toonbeeld van mensen met de slechtste daden ten tijde van de Boeddha[2].

Een monnik die langs de deur gaat voor aalmoezenvoedsel, moet niet kieskeurig zijn en tevreden zijn met wat hem aangeboden wordt. Hij behoort 'te eten wat de pot schaft'. Lekenvolgelingen kunnen ervoor kiezen vegetariër te zijn, maar dat kan ertoe leiden dat je denkt daardoor een betere boeddhist te zijn en je daardoor de kern van de Leer juist volledig mist. Het is gezonder om af en toe wat vlees te eten dan te zelfingenomen te worden (zoals Devadatta) vanwege het vermijden van het eten van vlees.

Voor wat betreft het wel of niet eten van vlees en of dat wel of geen karmische gevolgen heeft (oftewel of die handelingen heilzaam of onheilzaam zijn), heeft de Boeddha (o.a. in M055 — Jivaka Sutta) gezegd dat er drie gevallen zijn waarin vlees niet moet worden gegeten: wanneer gezien is, gehoord is, of dat er een vermoeden is dat het levende wezen speciaal voor jou is geslacht.

Dit roept natuurlijk de reactie op, dat wanneer je onder deze voorwaarden zou deelnemen aan het eten van vlees, de moord op dieren zou goedkeuren en de dierenmoordenaar zou aanmoedigen door te gaan met zijn vermoorden van levende wezens. Echter, in de divisie van moraliteit van het Achtvoudige Pad, geeft de Boeddha nadrukkelijk als 5e factor van het Pad de juiste wijze van levensonderhoud aan. Eén aspect daarvan is 'geen handel in levende wezens voor vleesproductie en slachterij of elke andere handel in wezens'. Het eten van vlees onder genoemde voorwaarden is daarom niet in strijd met de Leer (de Dhamma). Daarom is het eten van vlees iets anders dan het doden. In M055 — Jivaka Sutta, geeft de Boeddha vijf gevallen aan waardoor degene die levende wezens slacht, veel schuld vergaart. Vermeldenswaardig is ook dat de Boeddha niet probeerde de wereld te veranderen. Zijn Leer is er voor iedereen, maar in het bijzonder voor de Sangha, de boeddhistische gemeenschap. De morele regels gelden dus in het bijzonder voor de Sangha. Dit impliceert ook dat het niet te voorkomen is dat dieren worden geslacht voor consumptie of met andere 'reden' worden gedood.

In Dhp124 vragen de monniken aan de Boeddha of de vrouw van Kukkutamitta de jager, ook schuldig is aan het doden omdat zij haar man dingen heeft aangereikt zoals netten, bogen en pijlen toen hij op jacht ging. Het antwoord hierop kan je lezen via de zie ook lijst onderaan deze pagina.

In M055 — Jivaka Sutta, benadrukt de Boeddha dat de monnik die het voedzame aalmoezenvoedsel eet, zeer toegewijd is. Dat houdt in dat hij begiftigd is met wijsheid. Vanwege zijn gewaarzijn (vijañana) waarin de dingen gezien worden zoals ze werkelijk zijn, beschikt hij over helder begrip. Zo weet hij o.a. in welke gevallen het eten van vlees verantwoord of niet verantwoord is en of dat wel of niet tot wedergeboorte leidt hetgeen voorkomen moet worden omdat dat lijden impliceert.

Uit diverse passages van de sutta's kan duidelijk begrepen worden dat de Boeddha in normale omstandigheden, nooit bezwaar heeft gemaakt tegen het eten van vlees zoals in M055; A05-044; A08-012 etc.

Verder waren (louter om externe redenen) 10 soorten vlees verboden voor de monniken, namelijk van olifanten, tijgers, slangen etc.

Zie ook

Eindnoten

[1] Om meer inzicht te krijgen in wat karmische handelingen zijn, zie Kamma — Boeddhisme — Kamma, heilzame en onheilzame wilshandelingen.

[2] Om een goede indruk te krijgen hoe verdorven Devadatta was en dus de Leer niet begrepen had, is er op een compilatie pagina's over hem. Zie hiervoor Tijdgenoten van de Boeddha.

Document info
RegID leer-010-02-facet
Bijgewerkt 21 februari 2021 21:58:15
Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen