Boeddhisme — Het Edel Achtvoudige Pad

Ariya Atthangika Magga

Het Edel Achtvoudige Pad — Ariya Atthangika Magga — is het trainingssysteem dat de Boeddha voor ons heeft opgezet zodat het voor iedereen mogelijk is een einde aan het lijden te maken.

De Boeddha kan alleen maar wijzen en de juiste instructies geven, maar wijzelf moeten het werk doen.

Iedereen heeft het potentieel in zich om bevrijding van lijden te bereiken. Jij dus ook. Daarom is er veel werk van gemaakt om het Edel Achtvoudige Pad — dat perfect door de Boeddha is verkondigd — hier perfect uiteen te zetten en toe te lichten. Deze voorwaarde maakt ook jouw bevrijding zeer realistisch. Denk er dus niet te moeilijk over. Gewoon starten en doorgaan.

Inhoudsopgave

Studie tips

Voorwoord

Belangrijkste toespraken in deze leerstelling

De samenwerkende groepen van het pad

Begrip geeft aanleiding tot deugdzaamheid

Deugdzaamheid geeft aanleiding tot mentale training

Concentratie leidt tot wijsheid en wijsheid leidt tot bevrijding

DE GROEP VAN WIJSHEID

1. Juist begrip

2. Juiste gedachten

DE GROEP VAN MORALITEIT

3. Juiste spraak

Onthouding van het vertellen van leugens

Onthouding van het spreken van lasterende taal

Onthouding van het spreken van harde woorden

Onthouding van onzinnig gepraat

4. Juist handelen

Onthouding van doden

Onthouding van nemen wat niet gegeven is

Onthouding van seksueel wangedrag

5. Juiste wijze van levensonderhoud

DE GROEP VAN CONCENTRATIE

6. Juiste inspanning

7. Juiste indachtigheid

8. Juiste concentratie

De ontwikkeling van wijsheid

De samenwerkende factoren van het pad

Tendensen

De drie hoofd begoochelingen

Zonder een zelf of ziel

De vier bovenwereldse paden

Het doorkappen van de tien banden

Wegwijzer

Meer details

De instructies op deze pagina zijn gebaseerd op D22 — Maha Satipatthana Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid.

  • In D22 geeft de Boeddha een veel ruimere verklaring van elk van de Vier Edele Waarheden dan in zijn eerste toespraak.
  • In D22 licht hij alle factoren van het Edel Achtvoudige Pad nader toe.
  • De uiteenzetting van de vier fundamenten van indachtigheid complementeert niet alleen het belangrijkste boeddhistische meditatiesysteem (de satipatthana meditatie die in het bijzonder betrekking heeft op de 7e factor van het pad) maar de training van het gehele pad.

Raadpleeg de toespraak voor een gedetailleerde verhandeling, inclusief belangrijke eindnoten.

Meer over deze serie

Meer pagina's en informatie over deze serie, zie Boeddhisme — De Leer van de Boeddha.

Studie tips

Het is goed om eerst een redelijk goed beeld te krijgen van de structuur van het pad en hoe het trainingssysteem werkt.

Het Edel Achtvoudige Pad verkennen — de structuur en hoe het werkt

Tip 1

Houdt het eerst bij het oppervlakkig doorlezen zodat je een redelijk goed beeld krijgt. Het is in dit stadium niet belangrijk dat je links gaat volgen. Houdt het doel — een redelijk goed beeld te krijgen van de structuur van het pad en hoe het trainingssysteem werkt — goed in de gaten.

Tip 2

Lees dit document vervolgens nog een keer (of vaker als je dat prettig vindt) zodat het geheel nog duidelijker wordt. Ook dit is meditatie. Omdat je er meer van begrijpt, wordt het steeds leuker wat erg belangrijk is in elk leerproces. Je kan nu wat meer links gaan volgen, maar houdt het bij een 'speelse verkenning'. Prop je geest niet teveel vol met informatie; geef het tijd en ruimte om te groeien. Bovendien: hardlopers zijn doodlopers. Zorg dat het leuk is en leuk blijft. Op die manier zal je er vreugde in vinden om de Leer langzaam 'in te drinken'. Door training maak je deze levenswijze meer en meer eigen en dan gaan dingen op een gegeven moment op een natuurlijke en ongedwongen wijze. Wat begon als een 'leuk' leerproces, zal uiteindelijk uitmonden in zegeningen die je ongetwijfeld zult ervaren.

Tip 3

Boeddhisme is een levenswijze. Daarom kan je al snel beginnen om je dagelijkse leven in te richten op basis van de groep van moraliteit, de derde divisie van het pad. Hiervoor heb je niemand nodig, geen tempels, geen monniken, helemaal niets. Slechts de juiste instructies en een beetje wil zonder jezelf te forceren. De Boeddha heeft dit systeem heel nadrukkelijk opgezet dat de beoefenaar dit 'alleen' kan trainen.

In deze verhandeling zullen op de juiste locaties verwijzingen worden gemaakt zodat je ook al meteen met meditatie kan beginnen. Zo kan je je studie en je training goed combineren.

Tip 4

Blijf leren, blijf oefenen. Beleef alles steeds weer opnieuw. Dan zal het een proces zijn waarin je geest steeds breder en dieper wordt. Net zoals een rivier die bij haar oorsprong eerst smal en ondiep is, maar steeds breder en dieper wordt naarmate zij bij haar bestemming komt, de zee.

Voorwoord

De Boeddha was niet iemand die uit was op persoonsverheerlijking. Natuurlijk waardeerde hij wanneer mensen respect voor hem toonde, maar waar hij echt om gaf, was dat mensen een einde aan het lijden maken. De beoefening van de Dhamma was voor de Boeddha daarom van het grootste belang. Hij zag liever dat wij Dhammanuvatti's zijn (zij die de Leer beoefenen). In het volgende citaat dat stamt uit zijn laatste dagen, benadrukte hij dat.

Stop het diep in je hart zodat je nooit vergeet hoe je deze prachtige mens (Acchariya Manussa) in de hoogste graad respecteert.

5.3. En de Heer sprak tot de Eerwaarde Ananda: "Ananda, de tweeling sala bomen komen spontaan tot volle bloei, hoewel het niet het seizoen voor bloeien is. En de bloesems regenen op het lichaam van de Tathagata neer, bestrooien en bedekken het uit eerbied voor de Tathagata. En hemelse koraalbloemen en hemels poeder van sandelhout regenen vanuit de hemel op het lichaam van de Tathagata neer, bestrooien en bedekken het uit eerbied voor de Tathagata. En de muziek van hemelse stemmen en hemelse instrumenten klinkt in de lucht, uit eerbied voor de Tathagata."

"En toch, Ananda, is het niet op deze manier dat de Tathagata in de hoogste graad gerespecteerd, vereerd, gewaardeerd, geëerd en aanbeden wordt. Maar, Ananda, welke monnik of non, lekenman of lekenvrouw oprecht de Dhamma in praktijk brengt, die de weg van de Dhamma perfect vervult; het is door zo iemand dat de Tathagata in de hoogste graad gerespecteerd, vereerd, gewaardeerd, geëerd en aanbeden wordt. Daarom, Ananda, moeten jullie jezelf op deze manier trainen: 'Wij zullen volharden in de Dhamma, oprecht de Dhamma in praktijk brengen, de weg van de Dhamma perfect vervullen.'"

D16 — Maha Parinibbana Sutta — Het grote heengaan

Uit de Dhammapada:

276. Boeddha's verkondigen slechts het pad, maar jij bent degene die zich moet inspannen. De mediterenden die het pad bewandelen, raken volledig bevrijd van de banden van Mara.

Jijzelf moet de inspanning leveren. Boeddha's onderwijzen slechts de weg. Betreed het pad en je zult jezelf bevrijden.

Belangrijkste toespraken in deze leerstelling

De Boeddha heeft 45 jaar lang gepredikt. Dit gegeven alleen zegt al heel wat over hoeveel toespraken er in zo'n periode kunnen zijn ontstaan. Het is goed te weten dat de Boeddha zijn eerste prediking beperkt hield. In zijn tweede prediking legde hij extra aandacht op een specifiek aspect. In een later stadium zette hij de volledige satipatthana methode uiteen.

De volgende toespraken vormen de kern van dit document en dus de kern van de boeddhistische Leer.

S56-011 — Dhamma Cakka Ppavattana Sutta — Het in beweging zetten van het Wiel der Wet

Dit is de eerste toespraak waarin de Boeddha Dhamma verkondigde. Deze kan je beschouwen als een 'eerste introductie' van zijn Leer. Met deze toespraak heeft hij 'slechts' het Wiel der Wet in beweging gezet.

S22-059 — Anatta Lakkhana Sutta — De kenmerken van niet-zelf

In zijn tweede toespraak benadrukt de Boeddha specifiek de ware aard van fenomenen wat zo belangrijk is voor de ontwikkeling van inzicht.

D22 — Maha Satipatthana Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid

In deze toespraak — die als de meest belangrijkste wordt gezien binnen het boeddhistische meditatiesysteem — komt de Boeddha tot een uitermate gedetailleerde opsomming van alle onderwerpen van de satipatthana meditatie en hoe bevrijding kan worden gerealiseerd. Hoewel de satipatthana training de 7e factor van het Edel Achtvoudige Pad benadrukt, omvat deze de training van het gehele pad. Een volledige bestudering van het pad én de satipatthana training laat duidelijk zien dat meditatie niet beperkt is tot 'stil zitten', maar een levenswijze is die het gehele dagelijkse leven doordringt.

Overige toespraken

Bij de factoren van het pad wordt o.a. naar toespraken verwezen die dat onderwerp omsluiten. Natuurlijk zijn er vele toespraken die dat doen, maar het moet overzichtelijk blijven. Toespraken waarvoor nog geen link is, worden z.s.m. geplaatst.

De samenwerkende groepen van het pad

Het pad bestaat uit drie groepen factoren die elkaar ondersteunen. De ene groep kan niet zonder de andere. Het is als bij een pot op drie poten: als je één poot weghaalt, valt de pot om. Op die manier bestaat ook het Achtvoudige Pad uit drie hoofddelen welke de voorwaarden zijn om het hele pad te ontwikkelen, namelijk: 1. wijsheid (pañña); 2. moraliteit (sila); 3. concentratie (samadhi). Deze drie divisies omvatten samen de acht factoren van het pad, en door elke factor van het pad die gecultiveerd wordt, wordt de ontwikkeling van de andere factoren ondersteund.

Elke factor van het Achtvoudige Pad kan niet in één keer tot in de volledigheid beoefend worden, omdat de ene factor van het pad de andere aanvult, stabieler en dieper maakt. Wanneer er een factor ontwikkeld is, geeft die de aanleiding om een andere factor te ontwikkelen, maar zonder de ontwikkeling van de ene factor, zal en kan er geen sprake zijn van de ontwikkeling van de andere. Zo is dat ook met de drie groepen of divisies van het pad. Het is een proces dat geleidelijk groeit door steeds het gehele pad te blijven cultiveren. Zoals de ribbels op een strand steeds sterker worden door elke golf, zo wordt door oefening elke factor van het pad steeds sterker waardoor het pad op den duur volledig ontwikkeld is.

In de volgende drie rubrieken zullen we zien hoe de factoren van het pad elkaar aanvullen en samenwerken.

Begrip geeft aanleiding tot deugdzaamheid

De samenwerking tussen juist begrip en juiste gedachten

Als kardinaal startpunt dient iemand te begrijpen dat handelingen gevolgen hebben. Slechte, immorele handelingen, dragen bittere vruchten en zijn dus nadelig; goede, morele handelingen, dragen zoete vruchten, voordelig dus. Om een beslissing te maken zich te trainen in het pad naar bevrijding, is deze kennis een eerste vereiste. Welke gedachten (of intenties) iemand er op na houdt, hangt af van zijn begrip: is iemand bevangen door hebzucht, haat en kwelzucht, dan is er geen plaats voor juist begrip en zal deze persoon zich er niet toe zetten om een moreel leven te leiden. Wanneer het eigenbelang de prioriteit krijgt boven moraliteit, is het vanzelfsprekend dat anderen hierdoor benadeeld worden en daar schade van ondervinden. In hebzucht is geen aanleiding te vinden tot deugdzaamheid, moraliteit. Een hebzuchtig iemand zal in extreme gevallen, 'door dik en door dun gaan' om zich in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Deze persoon wordt snel boos wanneer iets niet verkregen wordt wat hij begeerde en hij is meedogenloos ten opzichte van anderen. Is er daarentegen afwezigheid van hebzucht, een intense verzaking van zelfzucht, dan is er een ruimer begrip ten aanzien van alles wat er is en leeft. Dit is het begrip waarin vriendelijkheid en mededogen huizen en wat de voorwaarde is voor ware moraliteit. Begrip is het kardinale startpunt voor de beoefening en de ruggengraat van de boeddhistische Leer.

Juiste gedachten en juist begrip vullen elkaar daarom aan en vormen samen de groep van wijsheid. In het eerste stadium van wijsheid zal iemand een deugdzamer leven gaan leiden, de tweede groep van het Achtvoudige Pad. Dit is 'het eerste licht van wijsheid', de aanleiding die nodig is om het pad te bewandelen en te cultiveren. Zo'n begrip zorgt uiteraard tevens voor een verdraagzamere en meer harmonieuze samenleving.

Deugdzaamheid geeft aanleiding tot mentale training

De samenwerking tussen moraliteit en juiste concentratie

Wanneer iemand uit eigen ervaring weet dat een deugdzaam leven zegenrijk is en veel geluk en voordeel brengt, zal een serieuze training in een deugdzaam leven aanvangen. Dit deugdzame leven helpt iemand om de geest constant te richten op een goed (heilzaam) object waardoor de concentratie van een betere kwaliteit wordt[1]. Deugdzaamheid kan gezien worden als de werkvloer van een geest die zich in de goede richting ontwikkelt. Het is zoals een boer die zijn land bewerkt voor het verkrijgen van een goede oogst.

Langzaam maar zeker ontstaat er een steeds dieper begrip dat deugdzaamheid (zie straks de groep van moraliteit) niet voort kan komen uit een bezoedelde[2] en verwarde geest, maar dat het een vereiste is om helderheid van geest te hebben. Pas als de ondergrond goed voorbereid is, kan men winst boeken in de training van concentratie, de derde groep van het Achtvoudige Pad. Door de training in concentratie is de geest minder snel afgeleid en komt hij meer tot heelheid (wasdom) zodat de aandacht beter bij een (heilzaam) object gehouden kan worden.

Concentratie leidt tot wijsheid en wijsheid leidt tot bevrijding

De samenwerking tussen concentratie en wijsheid

Doordat de aandacht vanwege een goede concentratie beter bij een object gehouden kan worden, komt er een dieper inzicht (wijsheid) in de ware aard van dingen. Hoewel de eerste groep van wijsheid in de beginfase de functie had om iemand tot training aan te zetten, krijgt zij nu een veel diepere betekenis: de drie kenmerken van het bestaan (ti lakkhana) worden nu duidelijker gezien en begrepen, daardoor ook de vijf aggregaten van hechten (pañca upadana kkhandha) en daarmee de Vier Edele Waarheden (cattari ariya sacca). Deze ware wijsheid (samma pañña) is uiteindelijk de bevrijdende factor omdat hierin de dingen worden gezien zoals zij werkelijk zijn. Een vaak geciteerde uitspraak van de Boeddha luidt als volgt:

"De geïnstrueerde edele leerling, monniken, die het zo ziet, hunkert niet naar materiële vorm, gevoel, waarneming, mentale factoren en bewustzijn[3]. Door hartstochtloosheid is hij onthecht, door onthechting is hij bevrijd; in bevrijding ontstaat het besef dat hij bevrijd is, en hij begrijpt: 'Geboorte is vernietigd, het heilige leven is geleefd (magga brahmacariya), wat gedaan moest worden is gedaan (katam karniyam), er komt niets meer tot elke staat van bestaan (naparam itthattaya)[4].'"

Laten we nu de drie groepen van het Edel Achtvoudige Pad bekijken met daarin de acht factoren van het Pad zoals het door de Boeddha is onderwezen.

DE GROEP VAN WIJSHEID

1. Juist begrip

"En wat, monniken, is juist begrip (samma ditthi)? Begrijpen wat lijden is; begrijpen wat de oorzaak van lijden is; begrijpen wat het ophouden van lijden is; begrijpen wat het pad is dat leidt naar de opheffing van lijden. Dit is juist begrip."

D22 — Maha Satipatthana Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid

Recht, zuiver of juist begrip is de ruggengraat van het boeddhisme omdat zonder begrip de overige fases van het Achtvoudige Pad niet ontwikkeld kunnen worden. In de Leer van de Boeddha wordt juist begrip als volgt omschreven:

  1. Begrijpen wat lijden is (dukkhe ñana).
  2. De oorzaak van lijden begrijpen (dukkhasamudaye ñana).
  3. De opheffing van lijden begrijpen (dukkhanirodhe ñana).
  4. Het pad begrijpen dat leidt naar de opheffing van lijden (dukkhanirodhagamini patipadaya ñana).

Juist begrip (samma ditthi) is een helder begrip van de ware aard van het bestaan dat drie hoofdkenmerken heeft (ti lakkhana)

  1. Vergankelijkheid, onbestendigheid of tijdelijkheid (aniccata). Alles stroomt en is in een voortdurend veranderende toestand.
  2. Onbevredigend, lijden (dukkha). Er is geen enkel fenomeen waar echte bevrediging in gevonden kan worden, want wát het ook is waar we ons aan vastklampen, uiteindelijk zullen we moeten lijden door het vergankelijke aspect dat in de ware aard van alle dingen verscholen ligt. Dat is de hoofdoorzaak van alle frustraties, conflicten en lijden. Je ergens aan vastklampen is vragen om problemen, wat het ook is.
  3. Alles is instabiel, onwezenlijk en zonder enige vaste kern, ego-loos, veranderlijk, zelf-loos (anatta). Er is niets dat op zichzelf kan bestaan. In vele religies wordt gezocht naar of spreekt men over een 'zelf' of een 'ziel' maar de Boeddha onderwijst dat zoiets niet bestaat. Dit betekent echter niet dat er voor een boeddhist geen doel is. Het doel is Nibbana, het ongeconditioneerde, het ongeschapene, het ongewordene. Dat betekent ook niet dat Nibbana niets is, maar het is niet afkomstig van iets, anders zou het niet het ongeconditioneerde zijn.

Als je deze drie kenmerken van het bestaan goed ziet, kunnen de vijf aggregaten die het gehele bestaan omvatten (pañca upadana kkhandha) volledig begrepen worden. Pas dan is het mogelijk de Vier Edele Waarheden (cattari ariya sacca) volkomen te doorgronden omdat het licht van inzicht in de drie kenmerken een alles doordringend licht werpt op de essentie van het gehele bestaan en de Vier Edele Waarheden hetgeen essentieel is. Het zijn universele waarheden. Voordat je de Edele Waarheden helemaal goed begrijpt, moet je eerst door lagere niveaus van inzicht heen.

Wanneer het eerste stadium van juist begrip (samma ditthi) verworven is, ziet men duidelijk in dat goede handelingen goede gevolgen hebben, en dat slechte handelingen slechte gevolgen hebben. Dit is de wet van kamma zien. Wie dat niet ziet, zal zich niet inspannen om slechte dingen te vermijden en goede dingen te ontwikkelen. Daartegenover zal iemand met een dieper inzicht moeite doen om zoveel mogelijk het goede te doen. De Dhammapada geeft dat ondubbelzinnig weer:

116. Haast jezelf om het goede te doen en controleer je geest op kwade zaken. Iemand die traag is om het goede te doen, van hem beleefd zijn geest vreugde in het kwade.

Haast jezelf om het goede te doen. Bewaak de geest tegen slechte zaken. Vertraging stuurt de geest naar het kwaad.

Maar wie voor een groot gedeelte vrij is van begeerte, zinnelijk verlangen, zal zichzelf aansporen tot een deugdzaam leven. Zo is het eerste licht, de eerste fase van juist begrip, een aanzet voor de praktische training in moreel gedrag, de tweede divisie van het pad. Of je de wet van kamma duidelijk voor je ziet is deels afhankelijk van je visie maar tevens van je ervaringen in deugdzaamheid. Wie geen ervaring in deugdzaamheid heeft, weet ook niet hoe de vruchten smaken. Eigen ervaring is altijd nodig om dingen in hun kern te begrijpen. In de tweede fase, wanneer een radicale aanvang is gemaakt met het cultiveren van het gehele pad, zal juist begrip van een veel dieper niveau zijn dan in de eerste fase, en op het hoogste niveau is er een helder begrip van de Vier Edele Waarheden (cattari ariya sacca).

Zie ook

2. Juiste gedachten

"En wat, monniken, zijn juiste gedachten (samma sankappa)? Gedachten die vrij zijn van wellust; gedachten die vrij zijn van kwade wil; gedachten die vrij zijn van kwelzucht. Dit zijn juiste gedachten."

D22 — Maha Satipatthana Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid

Juiste gedachten is drievoudig:

  1. Gedachten van het verzaken van zelfzucht (nekkhamma sankappa).
  2. Gedachten van welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid (avyapada sankappa).
  3. Gedachten van geweldloosheid, harmonie of mededogen (avihimsa sankappa).

De tegenstellingen van juiste gedachten zijn:

  1. Gedachten van zintuiglijke verlangens (kama sankappa).
  2. Gedachten van kwade wil (vyapada sankappa).
  3. Gedachten van gewelddadigheid, kwelzucht (vihimsa sankappa).

Het woord 'sankappa' betekent letterlijk 'gedachten' en daarom wordt juist dit woord dan ook vaker in de boeddhistische literatuur gebruikt dan 'intenties'. Echter, het cultiveren van de juiste gedachten heeft de functie om de juiste intenties te ontwikkelen. Het is misschien niet zo moeilijk jezelf voor te stellen dat, wanneer iemand bezeten is van zelfzuchtige gedachten, hij onvriendelijker en gewelddadiger in het leven staat. Begeerte, zelfzuchtigheid, zinnelijk verlangen, is diep verweven met onwetendheid, een gebrek aan juist begrip omdat de 'voeder' haat is (een gevoel); wanneer je erg boos bent, is er geen echt begrip maar onverstand, je kunt niet goed nadenken. Iemand met een zelfzuchtig karakter, hecht geen waarde aan een moreel leven omdat de prioriteit ligt bij bezit, status, macht, uiterlijkheden, etc. Het vastklampen aan eigen meningen, hetgeen de geest vernauwt tot slechts de eigen wereld, speelt daarin een vooraanstaande rol. Niets ontziend gaat zo'n persoon door dik en door dun om zich in allerlei dingen te bevredigen. Juist spreken, juist handelen en een juiste wijze van levensonderhoud is voor zulke mensen van geen betekenis. Hier ontbreekt liefdevolle vriendelijkheid en een mededogend hart. Voor hebberige mensen is het onmogelijk om ten alle tijden vriendelijk te blijven.

Door zelfzucht gedreven, worden mensen nietsontziende immorele wezens die zich nergens voor schamen of terugdeinzen. Wanneer hebzuchtige mensen iets niet kunnen krijgen of iets verliezen wat ze wilden hebben, worden ze boos, ontsteken ze in razernij. Deze sferen van hebzucht zijn de wortels, de voeders van eindeloze haat. En wanneer de hebzucht diep zit, steekt het meedogenloze daarmee tegelijkertijd de kop op. Op die wijze leveren zelfzuchtige gedachten steeds brandstof voor de overige twee slechte gedachten en vormen zij een bron van lijden voor degene die ze in stand houd.

Tegengesteld aan de verkeerde gedachten, zal iemand die zich oefent in het verzaken van zelfzuchtigheid, niet kwaad worden als hij iets niet kan krijgen. Omdat er tevredenheid is, is er verdraagzaamheid en tolerantie. Deze mens hecht meer waarde aan moraliteit omdat er juist begrip is (eerste factor) omtrent handelingen en gevolgen. Alleen een hart vol mededogen (karuna) voor alle levende wezens kan dat werkelijk zien en begrijpen. Het is een hart dat niet door zelfzucht gefixeerd is op zichzelf waardoor kloven gecreëerd worden; dit hart is er een dat het geheel kan overzien en rekening houdt met anderen en tegelijkertijd ook voor zichzelf kan opkomen. En een mens met zo'n hart heeft niet de intenties om zoveel mogelijk te bezitten, en is niet op jacht naar titels, eer en macht, meningen en opvattingen. Een waarlijk lief mens is vol goedheid en vanwege een diep zittend mededogen kan hij goedheid niet alleen voor zichzelf houden. Als een bloem opengaat, is dat in de omgeving te ruiken. Daarom is zijn leven gevuld met goedheid en ware universele liefdevolle vriendelijkheid (metta). Deze mens buit niemand uit want hij zuigt niet, maar straalt van lieflijkheid en maakt de ruwste harten onder wezens zacht en zijn innige wens is constant: "Dat alle wezens gelukkig en vrij van lijden mogen zijn!"

Zo zien we dat iemand met de juiste gedachten heel andere intenties heeft, dan iemand met onzuivere gedachten, en dat is nu precies de bedoeling van het cultiveren van juiste gedachten. Juiste gedachten, juiste intenties. Het begrijpen wat de functie van juiste gedachten is, zorgt niet alleen voor een besef waarvoor je dit alles doet, maar maakt de training tevens zo zinvol en onvermijdelijk zegenrijk.

In M019 — Dvedhavitakka Sutta — De twee soorten gedachten heeft de Boeddha in detail uitgelegd hoe hij vóór zijn verlichting die tweevoudige gedachten ervoer. Gedachten van zintuiglijke verlangens (kama sankappa), kwade wil (vyapada sankappa) en kwelzucht (vihimsa sankappa) plaatste hij in één categorie, terwijl hij gedachten van verzaking (nekkhamma sankappa), welwillendheid/liefdevolle vriendelijkheid (avyapada sankappa/metta en mededogen (karuna) in een andere categorie plaatste. Wanneer gedachten van zinnelijke verlangens, kwade wil, en kwelzucht in hem opwelden, wist hij dat hij daar zichzelf en anderen mee pijnigde; dat zij intuïtieve wijsheid zouden blokkeren; pijn veroorzaakten, en niet naar Nibbana leiden. Zo bespiegelde hij zijn gedachten en bleef doorvechten om zichzelf van dergelijke gedachten te bevrijden. Wanneer gedachten van verzaking, liefdevolle vriendelijkheid, en mededogen in hem opwelden, wist hij dat hij daar noch zichzelf, noch anderen mee pijnigde; dat zij intuïtieve wijsheid zouden ontwikkelen; geen pijn veroorzaakten bij zichzelf en anderen, en naar Nibbana leiden.

Wanneer iemands geest bezeten is van begeerte, boosheid en kwelzucht, is het erg moeilijk om inzicht te krijgen in de dingen zoals zij werkelijk zijn (dhamma). Toch betekent de verwijdering van deze verderfelijke gedachten die over de geest heersen niet, dat je op een geforceerde manier te werk moet gaan. Het belangrijkst is om te leren dergelijke gedachten scherp te observeren; zien hoe ze opkomen, hoe ze verdwijnen, en hoe ze de geest overmannen. Je moet hun aard aandachtig bestuderen. Als iemand constant de geest toestaat verderfelijke gedachten toe te laten en niet probeert hen onder controle te krijgen, zullen ze in kracht toenemen zodat zij over de geest gaan heersen. Maar als iemand werkelijk bereid is om slechte gedachten te verwijderen, zal hij proberen om goede gedachten gestaag te ontwikkelen die de slechte gedachten tegengaan. Zo wordt de geest gezuiverd en kalm gemaakt. Op deze manier zal intuïtieve wijsheid stromen, want een liefdevolle geest is niet opstandig en gesloten, maar kan alles openlijk verwelkomen zodat hij om kan gaan met alles dat zijn pad kruist.

Het is interessant om hier te zien hoe de verwijdering van de drie hoofdoorzaken van al het kwaad, de wortels (mula), namelijk begeerte (lobha), haat (dosa), en onwetendheid (moha), afhankelijk is van juist begrip en juiste gedachten, de eerste twee factoren van het pad. Begoocheling, hetgeen een ander woord is voor onwetendheid (avijja), wordt teniet gedaan door juist begrip (eerste factor van het pad). Begeerte en haat worden verwijderd door de juiste gedachten (tweede factor van het pad). Deze eerste twee factoren — juist begrip en juiste gedachten — ondersteunen beiden weer de overige factoren van het Pad. De ene factor ontwikkelen zonder de andere factoren te ontwikkelen is niet mogelijk.

Om de hoogste waarheid te kunnen bevatten is het absoluut noodzakelijk dat iemand vrij is van zinnelijk verlangen. We zien dus dat juiste gedachten, juist begrip voortbrengt. Deze zijn onderling afhankelijk van elkaar en brengen ware wijsheid voort (samma pañña). Daarom vormen deze twee factoren de groep van wijsheid (pañña).

Zie ook

DE GROEP VAN MORALITEIT

3. Juiste spraak

"En wat, monniken, is juiste spraak (samma vaca)? Onthouding van het vertellen van leugens; onthouding van het spreken van lasterende taal; onthouding van het spreken van harde woorden; onthouding van onzinnig gepraat. Dit is juiste spraak."

D22 — Maha Satipatthana Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid

Juiste spraak is viervoudig:

  1. Onthouding van het vertellen van leugens (musavada veramani).
  2. Onthouding van het spreken van lasterende taal (pisunaya vacaya veramani).
  3. Onthouding van het spreken van harde woorden (pharusaya vacaya veramani).
  4. Onthouding van onzinnig gepraat (samphappalapa veramani).

Onthouding van het vertellen van leugens

De bepalende factor achter een leugen is de intentie om te bedriegen. Iemand die oprecht is spreekt altijd de waarheid. Hij wijkt niet voor de waarheid om te winnen in reputatie of voor welk ander belang dan ook voor zichzelf of dat van anderen. Echter, als iemand onwaarheid spreekt, maar niet beter weet dan dat het de waarheid is, is dat geen overtreding omdat de 'intentie' afwezig is. Iemand die de waarheid spreekt lijkt vaak streng, maar er is maar één waarheid, geen tweede. "De Boeddha zei niet de ene dag iets, en de andere dag het tegenovergestelde[5]." Hij sprak nooit dubbelzinnig of geheimzinnig, maar was als een open boek zonder iets te verbergen, noch draaide hij om dingen heen.

Onthouding van het spreken van lasterende taal

Het Pali woord 'pisunaya', betekent letterlijk: 'beëindiging van vriendschap'. Lasterende taal of het klikken over anderen, heeft de bedoeling om vijandschap en tweedracht te zaaien. Het motief hierachter is aversie of wrok over het succes van een rivaal, de intentie om iemands goede naam te schaden in beschimpende en leugenachtige zin. Het kan ook in dit licht gezien worden: de wrede bedoeling hebben om iemand pijn te doen of een ziekelijke vreugde hebben wanneer vriendschap tussen bepaalde mensen verbroken wordt. Lasterende taal is één van de meest erge morele overtredingen en leidt tot wedergeboorte in een zeer lage wereld. Het tegenovergestelde van lasterende spraak, is spraak die vriendschap en harmonie bevordert.

Onthouding van het spreken van harde woorden

Ruwe, wrede, harde woorden zijn woorden die in boosaardigheid gesproken worden met de intentie om de toehoorder pijn te doen. Zulke spraak kan zich in verschillende manieren aanwenden:

  1. Scheldwoorden of grove woorden: een uitbrander geven, beschimpen, of iemand berispen met bittere woorden.
  2. Beledigende of honende spraak: iemand pijn doen door hem op een aanvallende toon toe te spreken waardoor zijn waardigheid ernstig aangetast wordt. Iemand smadelijk bejegenen.
  3. Sarcastische spraak. Bittere, bijtende spot. Iemand toespreken op een manier die zich ogenschijnlijk voordoet als lofspraak, maar met zulk een toon van lofprijzing dat de onderliggende intentie duidelijk wordt en bij de toehoorder pijn veroorzaakt. Een dubbelzinnige en niet gemeende lofspraak.

De hoofdoorzaak van harde taal is aversie dat opkomt in de vorm van kwade wil. Het tegengif is tolerantie. Het leren tolereren van blaam en ongegronde kritiek van anderen en te sympathiseren met de tekortkomingen van dergelijke individuen, het respecteren van verschillende gedachtegangen en beledigende taal te verdragen zonder wrokgevoelens. Soms is het echter wel eens nodig om mensen wat harder met de waarheid te confronteren, hen wegens noodzakelijke omstandigheden ernstig aan te spreken, maar dat is geen immoreel gedrag zolang de spraak niet met verkeerde intenties gesproken wordt. Het gaat steeds over de intentie achter de handeling. Dat is kamma, en is bepalend of er pijnlijke of vreugdevolle gevolgen uit voort zullen komen.

Onthouding van onzinnig gepraat

Dom geklets is onnozele of doelloze praat zonder diepgang. Zulk gepraat heeft totaal niets van waarde en doet enkel en alleen maar de bezoedelingen (kilesa) in de eigen geest en in die van anderen aanwakkeren. Mensen die babbelziek zijn richten op allerlei fronten veel schade aan. De Boeddha adviseerde dat onnozel gepraat ingedamd moet worden en spraak zoveel mogelijk bepaald moet worden door wat echt belangrijk is.

Toen de Boeddha vernam dat de monniken in het klooster met elkaar in gesprek waren verwikkeld over wie de rijkste en machtigste koning van het land was, zei hij dat een verstandige monnik twee dingen doet voor wat betreft de spraak: over de Dhamma spreken of zwijgen. De teksten verwijzen in feiten alleen naar het vermijden van onnozele praat met betrekking tot de persoon zelf. Maar toch kan het een waardevolle tip zijn om deze factor van het pad, in het licht van deze tijd een tendens méér mee te geven. Denk eens aan het internet, de radio en de tv waar een continue stroom van vaak nodeloze informatie wordt uitgestoten. De ontwikkeling van communicatie systemen is zonder enige twijfel bijzonder belangrijk, maar het onzinnige gekrakeel dat die ontwikkeling met zich meebrengt, veroorzaakt een erg oppervlakkige geest bij mensen die zich continu met dergelijke onzin inlaten. Al deze ontwikkelingen, deze 'vooruitgang' bedreigen de spirituele sensitiviteit en verdoven ons in de hogere roep naar het contemplatieve leven wanneer hier onverstandig mee omgegaan wordt.

Zie ook

4. Juist handelen

"En wat, monniken, is juist handelen (samma kammanta)? Onthouding van doden; van het nemen wat niet gegeven is; van seksueel wangedrag. Dit is juist handelen."

D22 — Maha Satipatthana Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid

Juist handelen betekent hier onthouding van onheilzame daden via het lichaam. De Boeddha bedoeld hier drie componenten van juist handelen:

  1. Onthouding van doden (panatipata veramani).
  2. Onthouding van nemen wat niet gegeven is (adinnadana veramani).
  3. Onthouding van seksueel wangedrag (kamesu micchacara veramani).

Verder is het ook belangrijk dat elke lichamelijke handeling zo goed mogelijk uitgevoerd wordt om de correctheid van de bewegingen van het lichaam (dus het algehele gedrag) te bevorderen. Zuivere, kundige handelingen, is wijsheid in beweging. Wijsheid die zich manifesteert.

Onthouding van doden

Onthouding van doden heeft in het boeddhisme een veel bredere betekenis dan slechts het niet doden van andere mensen. Deze morele regel duidt op de onthouding van doden van elk voelend wezen (pani satta). Een voelend wezen is een levend wezen dat begiftigd is met bewustzijn — menselijke wezens én dieren. De grootte doet er niet toe. Hoewel planten in enige mate sensitiviteit vertonen, hebben zij geen 'volledig' bewustzijn in de zin van dieren en mensen en vallen daarom niet in deze categorie. Het principe van zich onthouden van doden, is gegrondvest in het feit dat elk voelend wezen het leven lief heeft en de dood vreest. Allen zoeken geluk en hebben een afkeer tot pijn.

Onthouding van nemen wat niet gegeven is

Het nemen wat niet gegeven is, betekent: met een diefachtige intentie dingen toe-eigenen die aan anderen toebehoren. Als je een juweel vindt en het toe-eigent, is het nog geen overschrijding vanwege het feit dat het niet gegeven is. Het is wél een overschrijding als het juweel van iemand anders is en je daar van op de hoogte bent. Je kunt dan misschien wel het standpunt omhoog houden dat je niet wist of het van iemand was, maar de wet van kamma houdt geen rekening met je excuses. Als iets voor iemand achtergehouden wordt terwijl hij daar recht op heeft, is ook dat een overschrijding. De teksten geven verschillende manieren weer waarop diefstal begaan wordt. Een paar van de meest gebruikelijke:

  1. Stelen. In het geheim goederen van anderen nemen zoals inbreken, zakkenrollen, etc.
  2. Roof. Openlijk nemen wat aan anderen toebehoord door geweld of onder dreigementen.
  3. Graaien. Het plotseling wegnemen van iemands bezit voordat hij de tijd heeft zich te verweren.
  4. Frauduleus. Het in bezit nemen van een ander z'n bezittingen door deze op een valse manier te claimen.
  5. Bedrog. Valse gewichten en maten gebruiken om klanten te bedriegen.

Hebzucht is meestal de meest vooraanstaande oorzaak van stelen, maar het kan ook haat zijn met de intentie anderen te kwellen. De positieve tegenhanger van stelen is eerlijkheid, hetgeen respect impliceert voor de bezittingen van anderen. Een ander samenhangende deugd is tevredenheid (appicchata) met de eigen bezittingen. Maar de meest verheven deugd als tegenhanger van stelen, is vrijgevigheid (dana); het weggeven van je eigen bezittingen om anderen te bevoordelen.

Onthouding van seksueel wangedrag

"Hij vermijdt seksueel wangedrag en onthoudt zich ervan. Hij heeft geen geslachtsgemeenschap met personen die nog onder de bescherming zijn van vader, moeder, zuster of verwanten, noch met getrouwde vrouwen, noch met vrouwelijke gevangenen, en ten laatste, noch met verloofde meisjes." (A10-176)

Bovenstaande woorden van de Boeddha verwijzen naar de man, maar latere verhandelingen verwijzen naar beide geslachten. De bedoeling van deze regel vanuit ethisch standpunt gezien, is om echtelijke relaties van verstoringen van buitenaf te beschermen en de betrouwbaarheid in de echtelijke verbindingen te promoten. Vanuit spiritueel standpunt gezien helpt het de neiging van uitdijende seksuele begeerten in te perken. Aldus leidt deze regel een mens dichter tot verzaking waar het de vervolmaking bereikt omtrent de celibataire staat (brahmacariya) die de monnik en de non op zich genomen hebben. Voor lekenvolgelingen houdt de regel in, dat zij zich dienen te onthouden van onwettige seksuele relaties. Een wettige relatie is niet enkel een relatie die de landelijke wet 'wettelijk' maakt, maar behelst ook een relatie tussen mensen die duidelijk partner van elkaar zijn. Het 'boterbriefje' heeft in morele zin geen beduidende betekenis. Uiteraard zijn alle vormen van seksueel misbruik en seksueel geweld en het afdwingen van seksualiteit een ernstige overschrijding. In zo'n geval begaat het slachtoffer geen verkeerde daad, maar de dader omdat deze de wilshandeling activeert, dus de intentie heeft.

Man en vrouw moeten elkaar trouw zijn en aan elkaar toegewijd zijn en tevreden zijn met hun eigen relatie. Het essentiële doel in deze regel is, om seksuele relaties met anderen te voorkomen omdat je er je partner en de partner van een ander veel pijn mee doet. Wanneer volwassen onafhankelijke mensen, die geen partner hebben en in een seksuele relatie betrokken raken met iemand die eveneens geen partner heeft en dat vrijwillig toestaat, dan is er geen inbreuk op deze regel, zolang er geen personen gekwetst worden.

Ingewijde monniken en nonnen, met inbegrip van mannen en vrouwen die de acht of tien regels op zich genomen hebben, worden geacht een celibatair leven in acht te nemen, tenminste gedurende hun beloften. Zij moeten zich niet alleen van seksueel wangedrag onthouden, maar van elke seksuele betrokkenheid.

5. Juiste wijze van levensonderhoud

"En wat, monniken, is de juiste wijze van levensonderhoud (samma ajiva)? Wanneer de edele leerling een verkeerde wijze van levensonderhoud vermijdt, en zich voorziet in zijn levensonderhoud op een juiste wijze. Dit is de juiste wijze van levensonderhoud."

D22 — Maha Satipatthana Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid

Juiste wijze van levensonderhoud heeft betrekking op in een rechtvaardige wijze voorzien van je levensonderhoud. De Boeddha onderwijst voor de lekenvolgeling, dat weelde in bepaalde maatstaven verworven dient te worden.

"Hij moet het alleen legaal verkrijgen, en niet illegaal; hij moet het vredig verkrijgen, zonder dwang of geweld; hij moet het eerlijk verkrijgen, niet door bedotterij of bedrog; en hij moet het verkrijgen op een wijze die geen pijn of lijden veroorzaakt voor anderen." (A04-62; A05-41; A08-54)

De Boeddha verwijst naar vijf specifieke manieren van levensonderhoud die bij anderen pijn veroorzaken en daarom vermeden moeten worden. Door het opgeven van de verkeerde wijze van levensonderhoud, voorziet iemand zich in de juiste wijze van levensonderhoud (miccha ajivam pahaya samma ajivena jivitam kapetti):

  1. Geen handel in wapens.
  2. Geen handel in slaven en prostitutie.
  3. Geen handel in levende wezens voor vleesproductie en slachterij of elke andere handel in wezens.
  4. Geen handel in vergif.
  5. Geen handel in bedwelmende middelen.

Verder noemt hij nog verscheidene andere manieren waarin op oneerlijke manier weelde verworven wordt die onder een verkeerde wijze van levensonderhoud vallen: bedrog, overreding, insinuatie, waarzeggerij, laster of door woekerprijzen op te leggen. Het spreekt voor zich, dat elke bezigheid of beroep die de morele regels van juist spreken en juist handelen overschrijdt, een foutieve manier is van levensonderhoud. Handel in wapens en bedwelmende middelen bijvoorbeeld, overschrijden dan wel niet deze regels, maar richten ellende aan voor anderen. Vandaar dat deze beroepen de morele code overschrijden.

DE GROEP VAN CONCENTRATIE

6. Juiste inspanning

"En wat, monniken, is juiste inspanning (samma vayama)? 1. "Hierin[6] wekt een monnik zijn wil op om het opkomen van kwaad — onheilzame staten — te vermijden, hij spant zich in, wekt zijn energie op, richt zijn geest daarop en streeft daarnaar. 2. Om het kwaad — onheilzame staten te overwinnen die reeds opgekomen zijn — wekt hij zijn wil op, spant hij zich in, wekt zijn energie op, richt zijn geest daarop en streeft daarnaar. 3. Voor het opkomen van heilzame staten die nog niet opgekomen zijn, wekt hij zijn wil op, spant hij zich in, wekt zijn energie op, richt zijn geest daarop en streeft daarnaar. 4. Voor het handhaven van de heilzame staten die opgekomen zijn, om hen niet af te laten zwakken maar hen tot groei te brengen, tot volle wasdom en perfecte ontwikkeling — wekt hij zijn wil op, spant hij zich in, wekt zijn energie op, richt zijn geest daarop en streeft daarnaar: dit is juiste inspanning."

D22 — Maha Satipatthana Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid

Juiste inspanning bestaat uit vier principes. Met 1 en 2 worden in hoofdzaak de vijf hindernissen (pañca nivarana) bedoeld. Met 3 en 4 worden de zeven factoren van verlichting (bojjhanga) bedoeld.

  1. Slechte gedachten en heilloze (akusala) zaken die nog niet opgekomen zijn vermijden (samvara padhana).
  2. Het overwinnen van slechte gedachten en heilloze zaken die reeds opgekomen zijn (pahana padhana).
  3. Het opwekken en ontwikkelen van heilzame (kusala) zaken en goede gedachten die nog niet opgekomen zijn (bhavana padhana).
  4. Hoewel de te ontwikkelen heilzame zaken en goede gedachten in verscheidene groepen samengevat kan worden, legt de Boeddha speciaal de nadruk op de zeven factoren van verlichting (bojjhanga).
  5. Het in stand houden van heilzame zaken en goede gedachten die reeds opgekomen zijn (anurakkana padhana).

Onderstaande 'zie ook' lijst wordt aangepast.

Zie ook

7. Juiste indachtigheid

"En wat, monniken, is juiste indachtigheid? (samma sati) 1. Hierin verblijft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van het lichaam met betrekking tot het lichaam; 2. hij beoefent de indachtigheid van gevoel met betrekking tot gevoelens; 3. hij beoefent de indachtigheid van de geest met betrekking tot de geest; 4. hij beoefent de indachtigheid van mentale objecten met betrekking tot mentale objecten. Hij doet dat vol ijver, helder begrijpend en oplettend, en overwint de begeerte en smart omtrent de wereld: dit is juiste indachtigheid."

D22 — Maha Satipatthana Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid

De satipatthana training — de fundamenten van indachtigheid — bestaat uit de volgende 4 hoofdgroepen waarvan de laatste uit 5 groepen bestaat.

Zie ook

8. Juiste concentratie

"En wat, monniken, is juiste concentratie (samma samadhi)? Hierin gaat en verblijft een monnik, vrij van zintuiglijke dingen, vrij van karmisch onheilzame zaken, in de eerste meditatieve verdieping, die gepaard gaat met aanvangende gedachten (vitakka)[7] en aanhoudende gedachten (vicara)[8] en die vervuld is van vreugde (piti) en geluk (sukha), geboren uit onthechting (viveka)."

"Dan, met het afnemen van aanvangende gedachten (vitakka) en aanhoudende gedachten (vicara) , door het verkrijgen van innerlijke kalmte (passaddhi) en geestelijke eenheid (ekaggata), gaat en verblijft hij in de tweede meditatieve verdieping, die vrij is van aanvangende gedachten en aanhouden denken, maar vervuld is van vreugde (piti) en geluk (sukha), geboren uit onthechting."

"Met het verdwijnen van vreugde (piti), verblijft hij in gelijkmoedigheid (upekkha), indachtig (sati) en helder van begrip (samma pañña); en hij ervaart in eigen persoon die zegen waarvan de edelen van geest zeggen: 'Gelukkig leeft hij, die gelijkmoedig en indachtig is.' Aldus gaat en verblijft hij in de derde meditatieve verdieping."

"Na het opgeven van geluk (sukha) en pijn (dukkha), en met de hieraan voorafgaande verdwijning van vreugde (piti) en smart (domanassa), gaat en verblijft hij in de vierde meditatieve verdieping die noch geluk noch pijn kent, maar zuiverheid van indachtigheid vanwege gelijkmoedigheid (upekkha). Dit, monniken, is juiste concentratie[9]."

"Dit, monniken, is de edele waarheid van het pad dat leidt naar de opheffing van lijden."

D22 — Maha Satipatthana Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid

In de boeddhistische literatuur wordt voornamelijk gesproken over vier niveaus die de zuiverheid van bewustzijn aanduiden. Deze niveaus heten 'meditatieve verdiepingen' oftewel 'jhana's' en behelzen de fijnstoffelijke sfeer (rupavacara). Ná deze sferen zijn er nog vier jhana's die de onstoffelijke sfeer (arupavacara) behelzen, maar omdat deze zo subtiel zijn, verwijzen de teksten voornamelijk naar de eerste vier jhana's. Hoe subtieler het hechten — hoe subtieler de sfeer waarin men leeft — hoe dichter bij Nibbana, de ongeconditioneerde staat van de geest.

De vier jhana's oftwel meditatieve verdiepingen waar voornamelijk naar verwezen wordt, zijn:

In de drievoudige divisie van het Achtvoudige Pad (moraliteit, concentratie en wijsheid), is concentratie een collectieve naam voor de drie laatste factoren van het pad (juiste inspanning, juiste indachtigheid en juiste concentratie).

Juiste concentratie is de laatste factor van het Edel Achtvoudige Pad, hetgeen gebaseerd is op eenheid (of heelheid) van het bewustzijn, en voortgebracht wordt door kalmte meditatie (samatha bhavana) of ontwikkeling van inzicht (vipassana bhavana). Concentratie wordt niet in één keer verkregen maar wordt in opeenvolgende fases ontwikkeld. Door een betere concentratie verwerven we een zuiverder bewustzijn waardoor we minder verdeeld zullen zijn. Langzaam aan ontstaat er eenheid van geest hetgeen neerkomt op 'totaal gewaarzijn'. Dit totale gewaarzijn — dit totaal zien — is de betekenis van eenheid van geest, en dat is de functie van bewustzijn. Zoals gezegd wordt in de Leer voornamelijk gesproken over vier meditatieve verdiepingen (jhana's), die verband houden met de zuiverheid van het bewustzijn. Jhana is niet een toestand van trance of zelfhypnose zoals sommigen het vertalen, want trance en zelfhypnose moet juist vermeden worden omdat er in trance en in zelfhypnose geen helder gewaarzijn kan zijn omtrent de ware aard van dingen.

Concentratie heeft als functie de geest te ordenen, tot eenheid te brengen, en alle fysieke en mentale aspecten te doordringen en te begrijpen. Maar alleen concentratie kan nog geen bevrijding teweeg brengen. Concentratie (samadhi), of 'eenpuntige gerichtheid' heeft een 'voorbereidende functie', namelijk om de geest tot eenheid te brengen. Wanneer die eenheid van geest verworven is, is er geen spraken meer van 'iemand die zich concentreert'; concentratie heeft dan zijn functie gedaan.

In het hoofdstuk De ontwikkeling van wijsheid zullen we een nabeschouwing houden van hoe wijsheid wordt ontwikkeld en waarom het Achtvoudige Pad onfeilbaar is en trefzeker naar het doel — Nibbana — leidt.

Zie ook

En de Meester sprak:

"Dit, monniken, is de Edele Waarheid van het Pad dat leidt naar de Opheffing van Lijden."

De ontwikkeling van wijsheid

De samenwerkende factoren van het pad

Hoewel juiste concentratie de laatste plaats omtrent de factoren van het Edele Achtvoudige Pad inneemt, markeert het niet het hoogtepunt van het pad. Het verkrijgen van concentratie maakt de geest kalm en evenwichtig, verenigd zijn samenwerking, opent onmetelijke velden van zegening, sereniteit, en kracht. Maar dit alleen is niet voldoende om de hoogste volmaaktheid te bereiken, de bevrijding van de banden van lijden. Om het einde van lijden te bereiken, is het een vereiste om het Achtvoudig Pad om te zetten in een instrument van ontdekking, dat gebruikt wordt om de inzichten op te wekken die de absolute waarheid van dingen blootlegt. Dit vereist de gecombineerde ondersteuning van alle acht factoren, en aldus een nieuwe beweging van juist begrip en juiste gedachten/intenties. Tot aan dit punt hebben de eerste twee factoren van het pad slechts een inleidende functie vervuld. Nu moeten zij wederom opgenomen en ontwikkeld worden tot een hoger niveau.

Juist begrip wordt een direct inzicht hebben in de ware aard van verschijningsvormen, dat voorheen nog maar alleen conceptueel begrepen werd; juiste gedachten of intentie wordt een ware verzaking van bezoedelingen (kilesa), geboren uit diep begrip.

Tendensen

Voordat we verder gaan met de ontwikkeling van wijsheid, zal het behulpzaam zijn te onderzoeken waarom concentratie niet toereikend is voor het verwerven van bevrijding. Concentratie is niet voldoende om bevrijding te bewerkstelligen omdat het faalt de bezoedelingen (kilesa) op hun fundamentele niveau te raken.

Tendensen zijn bezoedelingen, maar hebben daarnaast een speciale rol: "Deze dingen worden 'tendensen' genoemd omdat, vanwege hun hardnekkigheid, zij keer op keer de voorwaarden dreigen te zijn voor het ontstaan van steeds weer nieuwe zintuiglijke hebzucht, etc." (Vis. 22: 60).

De Boeddha onderwijst dat de bezoedelingen gestratificeerd zijn in drie lagen.

  1. De meest diep gegronde is het niveau van de latente tendensen (anusaya), waar een bezoedeling enkel sluimerend ligt zonder enige activiteit.
  2. Het tweede niveau is de stadium van manifestatie (pariyutthana), waar een bezoedeling, door de invloed van een stimulans, opborrelt in de vorm van onheilzame gedachten, emoties, en wilshandelingen (kamma).
  3. Dan, op het derde niveau, gaat de bezoedeling aan een zuivere mentale manifestatie voorbij om een onheilzame handeling door lichaam of spraak, in beweging te zetten. Daarom wordt dit niveau het stadium van overschrijding (vitikamma) genoemd.

De drie divisies van het Edel Achtvoudige Pad leveren de controle op bovengenoemde drievoudige laag van bezoedelingen (kilesa).

De groep van moraliteit

De training in morele discipline, weerhoudt lichamelijke en verbale immorele activiteit en voorkomt zodoende dat de bezoedelingen het stadium van overschrijding bereiken.

De groep van concentratie

De training in concentratie levert de waarborg tegen het stadium van manifestatie. Het verwijdert de reeds ontstane bezoedelingen en beschermt de geest tegen hun continuerende instroming. Maar zelfs wanneer concentratie beoefend wordt tot in de diepste volledige meditatieve verdiepingen, kan het niet de hoofdoorzaak van de kwaal raken — de latente tendensen (zie de specifieke lijst bij anusaya) liggen dan nog steeds als bezoedelingen sluimerend in het mentale continuüm. Nogmaals, deze concentratie is machteloos, omdat het uitroeien van hen meer vergt dan geestelijke kalmte.

De groep van wijsheid

Wat er voor nodig is om de uitroeiing van de latente tendensen (anusaya) volledig te bewerkstelligen, is wijsheid (pañña), een alles doordringende visie van verschijningsvormen in hun fundamentele aard van hun bestaan.

Alleen wijsheid kan de latente tendensen (anusaya) bij hun wortel doorkappen. Dat is omdat het meest fundamentele onderdeel van deze set bezoedelingen die de andere voedt en op hun plaats houdt, onwetendheid (avijja) is. Wijsheid is het geneesmiddel voor onwetendheid. Hoewel onwetendheid verbaal gezien een negatief 'onbekend' is, is onwetendheid niet een feitelijk negatief iets, maar louter een gemis aan juiste kennis. Het is meer een verraderlijke en vluchtige mentale factor, voortdurend aan het werk en zichzelf inplant in elk onderdeel van ons innerlijke leven. Het verdraait herkenning, het domineert wilshandelingen, en bepaald de gehele tint van ons bestaan. Zoals de Boeddha zegt: "Het element onwetendheid is een krachtig element." (S14-013)

De drie hoofd begoochelingen

Op het niveau van herkenning, welke haar belangrijkste basissfeer is waarin het opereert, infiltreert onwetendheid onze waarnemingen, gedachten, en inzichten, zodat we tot verkeerde opvattingen komen over onze ervaringen. We overdekken die met veelvoudige lagen van begoocheling. De meest belangrijke van deze begoochelingen zijn drie in getal: de begoocheling van het onvergankelijke zien in het vergankelijke (annice niccavipallasa); de begoocheling van het bevredigende zien in het onbevredigende (dukkhe sukhavipallasa); en een zelf zien in het zelf-loze (anattani attavipallasa). Zo nemen we onszelf en de wereld waar als zijnde solide, stabiel, altijddurende entiteiten, ondanks de veelvuldige waarschuwingen dat alles onderhevig is aan verandering en afbraak. Wij nemen aan dat het zoeken van plezier een noodzakelijk iets is en wenden onze inspanningen aan om ons genot te laten uitdijen. Dit wordt geïntensiveerd met een onverschrokken geestdrift vanwege herhaalde ontmoetingen met pijn, teleurstelling, en frustratie. M.a.w.: we zoeken vaak plezier om de minder leuke dingen van het leven te ontkennen, waardoor we niet realistisch zijn. Besef echter goed dat het er niet om gaat dat plezier hebben fout is. De Boeddha leerde de middenweg, dus het gaat om het vermijden van extremen.

Wij nemen onszelf waar als op zichzelf bestaande ego's, zich hechtende aan verschillende ideeën en beelden die we van onszelf vormen zoals de onweerlegbare waarheid van onze identiteit.

Zonder een zelf of ziel

Waar onwetendheid dan ook de ware aard van dingen verduisterd, daar zal wijsheid de sluiers van vervorming verwijderen, en ons in staat stellen verschijningsvormen te zien in hun fundamentele aard van bestaan met de waarheidsliefde van direct zien. De training in wijsheid centreert zich op de ontwikkeling van inzicht (vipassana bhavana), een diep en begrijpend zien in de natuur van het bestaan die de waarheid van ons wezen omvat in de enige sfeer waar het direct toegankelijk voor ons is, namelijk, in onze eigen ervaring. Normaliter zijn we ondergedompeld in onze ervaringen, zo volkomen ermee geïdentificeerd dat we er niets van begrijpen. We beleven het, maar falen erin haar ware natuur te begrijpen. Vanwege deze blindheid wordt ervaring verkeerd opgevat. Dit werkt door in de begoochelingen van onvergankelijkheid, plezier, en een zelf. Van deze herkenbare verdraaiingen, is de meest diepgewortelde en weerstand biedende de begoocheling van een zelf, het idee dat het binnenste van ons wezen uit een waarlijk gefundeerd 'ik' bestaat waarmee wij in essentie geïdentificeerd zijn. De Boeddha onderwijst, dat deze notie van een zelf, een dwaling is, louter een vooronderstelling met gebrek aan een echte verwijzing. Hoewel het enkel een vooronderstelling is, is het idee van een zelf niet zonder consequenties; een dergelijk idee brengt weldegelijk consequenties met zich mee die zeer calamiteus kunnen zijn. Omdat we de mening van een zelf het uitgangspunt maken van waaruit we de wereld bekijken, deelt onze geest alles op in tweeën; 'ik' en 'mijn', wat van 'mij' is en wat niet van 'mij' is. Dan, gevangen in deze dichotomie (tweedeling), worden we slachtoffer van de bezoedelingen (kilesa) die ze uitademen, het aanzetten tot vastklampen en vernietigen, en uiteindelijk van het lijden dat onvermijdelijk volgt.

Om onszelf te bevrijden van alle bezoedelingen en lijden, moet de illusie van ikheid die hen ondersteunt worden verdreven en uiteenvallen door de realisatie van zelf-loosheid. Dit is precies de taak die ons te doen staat voor de ontwikkeling van wijsheid. De eerste stap over het pad van ontwikkeling is een analytische stap. Om de opvatting van een zelf te ontwortelen, moet het terrein van ervaring uiteengelegd worden in zekere factoren. Deze moeten dan methodisch moeten worden onderzocht om vast te stellen dat geen van hen, alleen of in combinatie, gezien kan worden als een zelf. Deze analytische behandeling van ervaring, dat zo kenmerkend is voor hogere bereiken in de boeddhistische filosofische psychologie, is niet bedoeld te veronderstellen dat ervaring — zoals een horloge of een auto — gereduceerd kan worden tot toevallig samengepakte of scheidbare delen. Ervaring heeft een onherleidbare eenheid, maar deze eenheid is meer functioneel dan substantieel; het vereist niet de stelling van een verenigend zelf dat gescheiden is van de factoren dat zijn identiteit middenin een onophoudelijke stroom vasthoudt als iets constants.

De methode van analyse die het vaakst toegepast wordt, is die van de vijf aggregaten (pañca kkhandha): materiële vorm, gevoel, waarneming, mentale formaties, en bewustzijn. Materiële vorm behelst de materiële kant van het bestaan: de lichamelijke organismen met hun zintuiglijke vermogens en de uiterlijke objecten van herkenning. De andere aggregaten omvatten de mentale zijde. Gevoel zorgt voor de gemoedstoestand, waarneming de factor van opmerken en identificering, de mentale formaties de wil en dieper liggende elementen, en bewustzijn het basis gewaarzijn dat essentieel is voor de gehele gebeurtenis van ervaring. De analyse bereidt de weg voor op een poging om ervaring te zien in alleen de termen van haar samenhangende factoren, zonder weg te glijden in innerlijke verwijzingen naar een onvindbaar zelf. Om dit perspectief te verkrijgen vereist de ontwikkeling van intensieve indachtigheid, nu toegewezen aan het vierde fundament, de contemplatie van de factoren van bestaan (dhamma nupassana) waaronder de vijf aggregaten van hechten:

"En verder, monniken, beschouwt een monnik mentale objecten als mentale objecten, te weten de vijf aggregaten van hechten (pañca upadana kkhandha)."

"Hoe, monniken, beschouwt een monnik mentale objecten als mentale objecten, te weten de vijf aggregaten van hechten? Hierin, monniken, weet een monnik: 'Aldus is materiële vorm (rupa); aldus is het ontstaan van materiële vorm; en aldus is het verdwijnen van materiële vorm. Aldus zijn gevoelens (vedana); aldus is het ontstaan van gevoelens; en aldus is het verdwijnen van gevoelens. Aldus is waarneming (sañña); aldus is het ontstaan van waarneming; en aldus is het verdwijnen van waarneming. Aldus zijn mentale formaties (sankhara); aldus is het ontstaan van mentale formaties; en aldus is het verdwijnen van mentale formaties. Aldus is bewustzijn (viññana); aldus is het ontstaan van bewustzijn; en aldus is het verdwijnen van bewustzijn.'"

"Op deze wijze beschouwt hij intern mentale objecten als mentale objecten, of hij beschouwt extern mentale objecten als mentale objecten, of hij beschouwt zowel intern als extern mentale objecten als mentale objecten. Hij beschouwt het opkomen van dingen (samudayadhamma) omtrent mentale objecten; hij beschouwt het vergaan van dingen (vayadhamma) omtrent mentale objecten; of hij beschouwt het opkomen én het vergaan van dingen omtrent mentale objecten."

"Of zijn indachtigheid is gegrondvest op de gedachte: 'Er zijn slechts mentale objecten', juist zoveel als nodig is voor de uitbreiding van inzicht en indachtigheid, en hij leeft onafhankelijk en grijpt zich nergens in de wereld aan vast. Zo, monniken, leeft een monnik en beoefent hij de indachtigheid van mentale objecten, te weten de vijf aggregaten van hechten."

D22 — Maha Satipatthana Sutta — De grote toespraak over de vier fundamenten van indachtigheid

De opvatting van een zelf wordt verder verdund door een onderzoek in te stellen naar de factoren van het bestaan, niet analytisch, maar in termen van hun relatieve structuur. Inspectie openbaart dat de aggregaten enkel en alleen afhankelijk van condities bestaan. Niets in de set van aggregaten geniet de absolute verwaandheid die toegeschreven is aan het aangenomen 'ik'. Hoe de factoren in het lichaam-geest complex ook mogen lijken, hun basis is dat ze afhankelijk van iets anders ontstaan. Ze zijn gebonden aan het uitgestrekte net van gebeurtenissen die voorbij henzelf strekken in tijd en ruimte.

Deze twee stappen — de analyse van factoren en de scherpzinnigheid van relaties — helpt het intellectuele kleven aan het idee van een zelf door te kappen. Maar zij schieten tekort aan voldoende kracht om het ingewortelde hechten aan het idee te vernietigen dat opgebouwd is uit onjuiste waarneming. Om deze subtiele vorm van ego-hechten te ontwortelen vereist een tegengestelde waarneming: direct inzicht in de lege, kernloze natuur van verschijningsvormen. Zulk een inzicht wordt voortgebracht door de beschouwing van de factoren van bestaan in de termen van hun drie universele kenmerken — vergankelijkheid (aniccata), onbevredigendheid (dukkhata), en zelf-loosheid (anattata). In het algemeen is de eerste van de drie die onderscheiden moet worden, vergankelijkheid, hetgeen op het niveau van inzicht niet louter betekent dat alles tenslotte tot een einde komt. Op dit niveau heeft het een diepere en meer doordringendere betekenis, namelijk, dat geconditioneerde verschijnselen in een constant proces zijn, gebeurtenissen die opbreken en verdwijnen, bijna net zo snel als toen ze ontstonden.

De vaste objecten die voor de zintuigen verschijnen openbaren zichzelf als draden van vluchtige formaties (sankhara). Deze worden als feit aangenomen door de persoon met het gemeenschappelijke zintuig om een actueel voorwendsel te zijn van de twee dooreengevlochten stromen — een stroom van materiële gebeurtenissen (het aggregaat van materiële vorm), en een stroom van mentale gebeurtenissen (de andere vier aggregaten).

Wanneer vergankelijkheid (aniccata) is gezien, zal inzicht in de twee anderen kenmerken (onbevredigendheid (dukkhata) en zelf-loosheid (anattata) spoedig volgen.

Omdat de aggregaten continu opbreken, kunnen wij onze hoop niet op hen vastpinnen voor een altijd durende tevredenheid. Welke verwachtingen we ook van hen hebben, ze zijn gedoemd in stukken te verpletteren vanwege hun onvermijdelijke verandering. Aldus gezien met inzicht zijn ze dukkha, lijden, in de diepste zin. Dan, omdat de aggregaten vergankelijk zijn en onbevredigend, kunnen ze niet gezien worden als een zelf. Als ze het zelf zijn, of de toebehoren van een zelf zijn, zouden we in staat zijn ze onder controle te houden en hen naar onze wil te zetten om zo van hen altijddurende bronnen van zegening te maken. Maar verre zijnde van de staat om zulk een heerschappij aan te wenden, bemerken we dat zij de bases zijn van pijn en teleurstelling. En omdat ze niet onderhevig kunnen zijn aan controle, deze werkelijke factoren van ons wezen, zijn ze anatta: niet een zelf, niet de toebehoren van een zelf, maar gewoon leeg; verschijnselen zonder eigenaar die opkomen in afhankelijkheid van condities.

Zie ook

De vier bovenwereldse paden

Wanneer de gang van de beoefening van inzicht is aangevangen, worden de acht factoren van het pad geladen met een intensiteit die voorheen onbekend was. Ze nemen in kracht toe en vloeien samen in een eenheid van een enkel samenhangend pad dat recht op het doel afgaat. In de beoefening van inzicht werken alle factoren en de drie trainingen (tividha sikkha) samen; elk ondersteund al de anderen, elk maakt zijn eigen unieke bijdrage voor het werk.

Inzicht meditatie (vipassana bhavana) neemt als haar objectieve sfeer de 'geconditioneerde formaties' (sankhara) die samengevat zijn in de vijf aggregaten. Haar taak is om hun essentiële kenmerken bloot te leggen, de drie kenmerken van vergankelijkheid, onbevredigdheid, en zelf-loosheid (ti lakkhana).

Omdat het zich nog steeds inlaat met de wereld van geconditioneerde gebeurtenissen, wordt het Achtvoudige Pad in het stadium van inzicht het 'wereldse pad' genoemd (lokiya magga). Deze aanduiding houdt in geen geval in, dat het pad van inzicht zich bezigt met wereldse doeleinden en successen die vallen onder de rubriek van samsara. Het streeft naar voortreffelijkheid, het leidt naar bevrijding, maar haar objectief gebied van contemplatie ligt nog steeds binnen de geconditioneerde wereld. Hoe dan ook, deze wereldse contemplatie van het geconditioneerde doet dienst als een voertuig om het ongeconditioneerde te bereiken, voor het verkrijgen van het bovenwereldse. Voordat inzicht meditatie (vipassana bhavana) haar hoogtepunt bereikt, wanneer het volledig het vergankelijke, het onbevredigende, en de zelf-loosheid van alle gevormde dingen bevat, breekt de geest door het geconditioneerde heen en realiseert het ongeconditioneerde, Nibbana. Het ziet Nibbana met directe visie, en maakt het een object van onmiddellijke realisatie.

De doorbraak naar het ongeconditioneerde wordt volbracht door een type bewustzijn of mentale gebeurtenis dat het 'bovenwereldse pad' wordt genoemd (lokuttara magga). Het bovenwereldse pad doet zich voor in vier stadia, vier 'bovenwereldse paden' (zie ariya puggala/ariya), elk een dieper niveau markerend van realisatie en uitstromend in een vollere graad van bevrijding; de vierde en laatste in volledige bevrijding. De vier paden (zie ariya puggala/ariya) kunnen verworven worden in korte opeenvolging van elkaar — voor hen met buitengewone scherpe vermogens zelfs op hetzelfde tijdstip — of (zoals dat meer typisch het geval is) kunnen zij over tijd uitgespreid worden, zelfs over verscheidene levens. Maar hoe zij ook verworven worden, zij moeten op volgorde worden afgelegd. Er is geen verwerving van een hoger pad zonder de paden eronder bereikt te hebben.

De bovenwereldse paden (zie ariya puggala/ariya) delen in het algemeen doordringingsvermogen van de Vier Edele Waarheden (Cattari Ariya Sacca). Zij begrijpen deze, niet conceptueel, maar intuïtief. Zij begrijpen hen door visie, zien hen door zelfbevestiging met zekerheid dat zij de onveranderlijke waarheden van het bestaan zijn. De visie van de waarheden die zij vertegenwoordigen is in één moment volledig. De Vier Waarheden worden niet opeenvolgend begrepen, zoals in het stadium van reflectie wanneer gedachten het instrument zijn van begrip. Zij worden gelijktijdig gezien: er wordt niet één waarheid met het pad gezien, maar alle waarheden tegelijkertijd.

Als het pad de vier waarheden doordringt, wendt de geest vier gelijktijdige functies aan. Elk van deze beschouwt elke waarheid. Hij begrijpt volledig de waarheid van lijden, ziet al het geconditioneerde bestaan als verzwolgen door het teken van onbevredigdheid. Op hetzelfde moment geeft hij begeerte op, kapt de hoeveelheid egoïsme en verlangens door die herhaaldelijk aanstoot geven voor lijden. De geest realiseert de opheffing, het onsterfelijke element van Nibbana, wat nu direct aanwezig is in het innerlijk oog. En ten vierde, ontwikkeld (realiseert) de geest het Edel Achtvoudige Pad, wiens acht factoren opkomen en begiftigd zijn met enorme kracht, verkregen door een bovennatuurlijk kaliber: juist begrip als het direct zien van Nibbana; juiste gedachten/intenties als de aanwending van de geest tot Nibbana; het trio van ethische factoren als de controle op morele overschrijding; juiste inspanning als de energie in het pad-bewustzijn, juiste indachtigheid als de factor van gewaarzijn, en juiste concentratie als de eenpuntige focus van de geest. Dit vermogen van de geest om vier functies op hetzelfde moment te volvoeren, is te vergelijken met het vermogen van een kaars om gelijktijdig het lont te verbranden, de was te verteren, duisternis te verdrijven, en licht te geven.

De bovenwereldse paden (zie ariya puggala/ariya) hebben de bijzondere taak om de bezoedelingen (kilesa) uit te roeien. Vóórdat de paden verworven worden, zijn de bezoedelingen in de stadia van concentratie en zelfs inzicht meditatie, nog niet doorgekapt maar enkel verzwakt; ze worden gecontroleerd en de kop ingedrukt door de training van de hogere mentale vermogens. Beneden het oppervlak continueren zij al dralende in de vorm van latente tendensen (anusaya). Maar wanneer de bovenwereldse paden bereikt zijn, vangt het werk van uitroeiing aan.

Het doorkappen van de tien banden

Voor zover als zij ons binden aan de kringloop van worden, zijn de bezoedelingen (kilesa) geclassificeerd in een set van tien 'banden' (saññojana): 1. meningen van persoonlijkheid; 2. twijfel; 3. hechten aan regels en rituelen; 4. zintuiglijke hartstocht; 5. haat; 6. verlangen naar fijnstoffelijk bestaan; 7. verlangen naar onstoffelijk bestaan; 8. verwaandheid; 9. rusteloosheid; 10. onwetendheid.

De vier bovenwereldse paden (zie ariya puggala/ariya) drijven elk een zekere laag van bezoedelingen uit. De eerste, het 'pad van de in de stroom getredene' (sotapatti magga), kapt de eerste drie banden door, de meest grofste van de set, drijft hen dusdanig uit dat zij nooit meer kunnen verrijzen. 'Meningen van persoonlijkheid', de mening van een waarlijk blijvend zelf binnen de vijf aggregaten, is doorgekapt omdat men de zelf-loze natuur ziet van alle verschijningsvormen. Twijfel wordt uitgedreven omdat iemand de waarheid begrepen heeft die door de Boeddha verkondigd is, door zichzelf gezien, en op die manier nooit meer terug kan vallen vanwege onzekerheid. En het vastklampen aan regels en rituelen is verwijderd omdat men weet dat bevrijding alleen gewonnen kan worden door de beoefening van het Achtvoudige Pad, en niet door een strak moralisme of ceremoniële naleving.

Het pad wordt onmiddellijk gevolgd door een ander bovennatuurlijk bewustzijn dat bekend staat als de 'vrucht' (phala), hetgeen het resultaat is van het werk van het pad, namelijk het doorkappen van de bezoedelingen (kilesa). Elk pad wordt gevolgd door zijn eigen vrucht, waarin de geest voor enkele momenten de gezegende vrede geniet van Nibbana voordat hij terugkeert naar het niveau van werelds bewustzijn. De eerste vrucht is de vrucht van de stroom ingaan, en een persoon die door de ervaring van deze vrucht is gegaan, wordt een 'in de stroom getredene' (sotapatti). Hij is de stroom van de Dhamma ingegaan die hem naar de uiteindelijke bevrijding draagt. Hij is bestemd voor bevrijding en kan niet meer terugvallen in de wegen van een onverlichte wereldling. Hij heeft nog steeds een aantal bezoedelingen (kilesa) die in zijn mentale gesteldheid zijn achtergebleven, en het kan hem nog (ongeveer) zeven levens meer kosten om het uiteindelijke doel te verwerkelijken. Echter, hij heeft de essentiële realisatie verkregen die nodig is om dat te bereiken en er is geen manier meer die hem nog kan doen omkeren.

Een enthousiaste beoefenaar met scherpe vermogens, rust niet in zijn streven na het bereiken van het in de stroom treden, maar stuwt energie voort om het gehele pad te vervolmaken, en wel zo snel als mogelijk is. Hij hervat zijn oefening van inzicht contemplatie, gaat door de oplopende stadia van inzicht-kennis (vipassana ñana), en bereikt op een gegeven moment het tweede pad, het pad van de 'eenmaal terugkerende' (sakadagami magga). Dit bovenwereldse pad (zie ariya puggala/ariya) roeit geen van de andere banden totaal uit, maar het verdund de wortels van zintuiglijke hartstocht (kama raga) en kwade wil (vyapada)[10]. Gevolgd na het pad, ervaart de meditator haar vrucht, en komt daar uit als een 'eenmaal terugkerende' die ten hoogste nog éénmaal naar deze wereld zal terugkeren vóór het bereiken van de volledige bevrijding.

Maar onze beoefenaar hervat wederom zijn contemplatie. In het volgende stadium van bovennatuurlijke realisatie verwerft hij het derde pad, het pad van de 'niet terugkerende' (anagami magga), waarmee hij de twee banden van zintuiglijke hartstocht (kama raga) en kwade wil (vyapada) volledig doorkapt. Vanaf dat punt kan hij nooit meer in de grip van enig verlangen vallen voor zinnelijke geneugten, en kan nooit meer aangespoord worden door boosheid of ontevredenheid. Als een niet terugkerende zal hij niet meer terugkeren naar de menselijke staat van bestaan in enig toekomstig leven. Als hij het laatste pad in dit leven niet bereikt, dan zal hij na de dood herboren worden in een hogere sfeer, in de fijnstoffelijke wereld (onder de Suddhavasa Deva's) en van daaruit bevrijding bereiken.

Maar onze meditator wendt wederom inspanning aan, ontwikkelt inzicht, en op het hoogtepunt gaat hij het vierde pad in, het pad van Arahatschap (arahatta magga). Met dit pad kapt hij de overige vijf banden door — verlangen naar fijnstoffelijk (rupa raga) en onstoffelijk bestaan (arupa raga), verwaandheid (mana), rusteloosheid (uddhacca) en onwetendheid (avijja). Hij gaat door de vrucht van Arahatschap en komt daaruit als een arahat, geheel volkomen, bevrijd van alle banden. Zulk iemand heeft hier en nu, in dit leven, het Edel Achtvoudige Pad tot haar einde bewandeld. Hij is niet langer meer een beoefenaar van het pad maar een levende belichaming ervan. Begiftigd met haar acht factoren in volledige perfectie, leeft hij in de vreugde van hun vruchten, verlichting en algehele bevrijding.

Dit completeert onze zoektocht van het Edel Achtvoudige Pad, de weg naar bevrijding die door de Boeddha is onderwezen. De hogere bereiken van het pad mogen ver verwijderd lijken van onze huidige positie; het kan moeilijk zijn om de eisen van beoefening te vervullen. Maar zelfs als de hoogste realisatie nu ver weg is, ligt alles dat we nodig hebben gewoon onder onze voeten.

De acht factoren van het pad zijn altijd toegankelijk voor ons; het zijn mentale bestanddelen die eenvoudig in de geest gesticht kunnen worden door beslissing en inspanning. We moeten beginnen om onze inzichten te ordenen en onze intenties op te helderen. Dan moeten we ons gedrag zuiveren — onze spraak, handelingen, en levensonderhoud. Dan, met het nemen van deze maatstaven als onze fundering, moeten we onszelf toeleggen met energie en indachtigheid voor de ontwikkeling van concentratie en inzicht. De rest is een kwestie van gestage training en gestage vooruitgang, zonder snelle resultaten te verwachten. Voor sommigen gaat de vooruitgang snel, voor anderen kan het langzaam gaan, maar de verhouding waarin dat gebeurt moet geen opgetogenheid of ontmoediging veroorzaken. Bevrijding is de onvermijdelijke vrucht van het pad, en is gedoemd voort te bloeien als er een gestadig en volhardend oefenen is. De enige benodigdheden die nodig zijn om het doel te bereiken, zijn twee in getal: starten en doorgaan. Als deze benodigdheden in acht worden genomen, is er geen twijfel dat het doel verworven zal worden. Dit is de Dhamma, de niet-afwijkende wet.

Tip Vergeet niet de Wegwijzer voor deze pagina te raadplegen.

Eindnoten

[1] Wanneer je geest gericht is op goede, heilzame zaken, noemen we dit een goede concentratie. Is je geest gericht op verkeerde, onheilzame zaken, dan noemen we dit een slechte concentratie.

[2] Er zijn bezoedelingen (kilesa, upakkilesa) van de geest die de ontwikkeling van juiste concentratie blokkeren. Er wordt ook vaak verwezen naar de hoofdbezoedelingen (asava).

[3] Zie pañca upadana kkhandha.

[4] Zie de eindnoot uiteindelijke kennis in M019 voor meer informatie.

[5] Advejjhavacana Buddha. "Hoe kan er, nadat ik het definitief verklaard heb, een alternatief zijn?"

[6] In deze leer, in deze oefening.

[7] Aanvangende gedachten of gedachteconceptie. Zie vitakka.

[8] Aanhoudende gedachten of redenerend denken. Zie vicara.

[9] Zie jhana.

[10] Tevens zijn de hoofdwortels hebzucht (lobha), haat (dosa), en begoocheling (moha) zijn nu alle drie verdund.

Document info
RegID boeddhisme-001-02
Bijgewerkt 9 oktober 2020 22:59:51
Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen