Boeddhisme — Geduld en verdraagzaamheid

Geduld en verdraagzaamheid kan worden ontwikkeld wanneer rusteloosheid en haat al in de geest tot bedaren zijn gebracht zoals dat gedaan wordt bij de meditatiebeoefening.

Het Pali woord khanti betekent geduld, verdraagzaamheid, tolerantie. Het is een buitengewone kwaliteit die in de boeddhistische lectuur hoog geprezen wordt. En vooral voor iemand die wil vorderen op de meditatieve weg, is dit een essentieel aspect. Geduld is de hoogste ascese (khanti paramam tapo). Het is het geduldig verdragen van lijden dat door anderen toegebracht wordt en het verdragen van iemands verkeerde daden. Deze beproevingen die we in het dagelijkse leven kunnen ondervinden, dragen bij aan een sterke basis voor onze meditatie. Precies zoals de Bodhisatta dat in vele levens heeft ervaren.

In deze verhandeling nemen we de verzen Dhp183-185 van de Dhammapada als kenmerkend uitgangspunt.

Een Bodhisatta beoefent geduld in zulk een omvang, dat hij niet boos wordt, zelfs al worden zijn handen en voeten afgekapt. In J313 — Khantivadi Jataka — De Leer van geduld, blijkt dat de Bodhisatta niet alleen opgewekt de martelingen verdraagt die door een dronken koning werden toegebracht die genadeloos beval dat zijn handen, voeten, neus en oren moesten worden afgehouwen, maar deze verwondingen zelfs beantwoordde met een zegening. Toen hij daar op de grond lag, in een plas van zijn eigen bloed en met verminkte lichaamsdelen, zei de Bodhisatta:

"Lang leve de koning,
wiens wrede hand mijn lichaam zo heeft verminkt.
Zuivere wezens zoals ik,
kijken nooit met boosaardigheid op zulke daden neer."

Van zijn verdraagzaamheid wordt gezegd, dat wanneer hij gekweld werd, hij aan de kwaadwillige dacht: "Deze persoon is een medemens van mij. Bewust of onbewust, moet ikzelf de bron van boosaardigheid zijn geweest, of het kan vanwege slecht kamma uit het verleden zijn geweest. Als het 't gevolg is van mijn eigen daden, waarom zou ik er dan kwade gedachten op na houden?"

Het mag opgemerkt worden dat een Bodhisatta door niemand in beroering wordt gebracht en ook niet door iemands schaamteloze gedrag. Toen hij zijn discipelen aanmaande om verdraagzaamheid te beoefenen, zei de Boeddha in M021 — Kakacupama Sutta — De gelijkenis van de zaag: "Ofschoon dieven, die mensen van de hoofdweg zijn, je ledematen met een zaag met twee handvaten zouden afzagen en je daardoor je geest bezoedelt, dan ben je geen volgeling van mijn Leer. Aldus moeten jullie jezelf trainen: 'Onze harten zullen onbevlekt blijven. Geen enkel kwaad woord zal aan onze lippen ontsnappen. Vriendelijk en met een mededogend hart, zullen wij leven zonder boosaardigheid te koesteren en zelfs deze bandieten zullen wij omringen met gedachten vol van liefdevolle vriendelijkheid. En van hen uit zullen wij doorgaan, wij zullen leven door heel de wereld te overstralen met gedachten vol van liefdevolle vriendelijkheid; uitbreidend, onbegrensd, geweldloos en harmonieus.'" Door zijn training in verdraagzaamheid, probeert de Bodhisatta in plaats van de lelijkheid in anderen te zien, het goede en het schone in iedereen te ontdekken.

Geduld; verdraagzaamheid; tolerantie (khanti) is een buitengewone kwaliteit die in de boeddhistische lectuur hoog geprezen wordt. Het kan alleen maar ontwikkeld worden wanneer rusteloosheid en haat al in de geest tot bedaren zijn gebracht zoals dat gedaan wordt bij de meditatiebeoefening. Ongeduld, hetgeen de tendens heeft iemand erg gejaagd te maken zodat hij vele goede kansen in het leven mist, is een gevolg van het onvermogen om passief te zijn of stil te zijn en dingen uit zichzelf op te laten lossen, hetgeen soms spontaan gebeurt zonder de bemoeienis van het ik.

Bij de geduldige mens vallen vele vruchten zomaar in de schoot, terwijl de ongeduldige en hebberige mens deze steeds mist. Een van die vruchten is de stille geest, want ongeduld doet de geest opwoelen en brengt daarmee de bekende angstziekten van de moderne wereld met zich mee. Geduld verdraagt dingen rustig — het is deze kwaliteit die het zo waardevol maakt in de mentale training en in het bijzonder in meditatie. Het is niet goed om na vijf minuten oefenen directe verlichting te verwachten. Het roeren in een kop koffie met melk kan dan wel onmiddellijk een zichtbaar resultaat geven, maar met meditatie is dat niet zo. Je zult er alleen maar door gekweld worden als je het probeert op te jagen. Voor lange tijd hebben onreinheden zich opgestapeld tot een enorme stapel mentale weerstand. Wanneer iemand dan met een zeer dun theelepeltje begint om het vuil te verwijderen, kan men dan wel verwachten dat de onreinheden dan snel verdwenen zullen zijn? Het antwoord is geduld en er moet een vastbesloten inspanning voor aangewend worden. De geduldige mediterende mens ontvangt werkelijk resultaat van blijvende waarde, maar de najager van 'vlugge methodes' of 'plotselinge verlichting' is door zijn eigen houding gedoemd tot lange teleurstelling.

Het zal voor iedereen die de Dhamma onderzoekt weldra duidelijk zijn, dat deze leerstellingen niet voor een ongeduldig persoon is. Een boeddhist bekijkt zijn huidige leven als een kleine tijdseenheid, misschien van zo'n tachtig jaar of zo, en dat laatste leven is er een uit een reeks van vele. Dit in zijn geest ingeprent, besluit hij in dit leven zoveel mogelijk te doen voor de verwerving van zijn verlichting, maar hij overschat niet zijn capaciteiten en gaat gewoon kalm en geduldig door met het in praktijk brengen van de Dhamma. Een stormloop naar verlichting (of wat iemand dan ook denkt wat dat is) is niet de weg om iemand naar het hoge doel te brengen; dat is alleen maar voor iemand met een zeer ontvankelijk karakter, iemand die zulk een behandeling kan aannemen, en het meest belangrijke is nog, dat hij zich toegewijd heeft aan een zeer kundige meditatiemeester.

Met geduld zal iemand zichzelf niet kneuzen maar voorzichtig stap voor stap het pad opgaan. Wij leren dat de Bodhisatta hiervan goed gewaar was en dat hij zijn geest met deze perfectie (paramita) ontwikkeld had zodat zijn geest niet verstoord werd door de verdorven verschijningen die in deze wereld gewoon zijn. Hij besloot dat hij geduldig zou zijn in het verdragen van uitwendige omstandigheden — zich niet van zijn stuk zou laten brengen wanneer de zon te heet was of het weer te koud; zich niet zou laten verontrusten door andere wezens, zoals bijvoorbeeld insecten die een aanval pleegden op zijn lichaam. Noch zou hij verstoord raken wanneer mensen lelijke woorden tot hem spraken, over hem logen of hem beschimpten, of dat nu in zijn gezicht was of achter zijn rug. Zijn geduld bleef zelfs onaangetast toen zijn lichaam een onderwerp van marteling werd, van slaag, stokken en stenen, van folteringen en zelfs de dood zou hij kalm verdragen; zo onwrikbaar was zijn geduld. De Boeddha werd niet voor niets 'Prachtig Mens' (Acchariya Manussa) genoemd. Aan boeddhistische monniken wordt geadviseerd om zich in dezelfde verdraagzaamheid te oefenen.

Zie ook

Document info
RegID leer-004-03-meditatieExtra
Bijgewerkt 16 december 2020 21:46:12
Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen