Boeddhisme — De zes hogere krachten oftewel bovenwereldse kennis

Abhiñña

De zes hogere krachten oftewel bovenwereldse kennis volgens het boeddhisme. Deze zijn geen voorwaarde om verlichting te realiseren, op één na.

De 6 hogere krachten oftewel bovenwereldse kennis (abhiñña). Deze bestaan uit 5 wereldse (lokiya) krachten die te verwerven zijn door de hoogste perfectie in mentale concentratie (samadhi), en één bovenwereldse (lokuttara) kracht door inzicht (vipassana), dat wil zeggen, de uitblussing van alle bezoedelingen (asavakkhaya, zie ook asava). Deze laatste heeft betrekking op de realisatie van Arahatschap.

Van 1-5 zijn geen noodzakelijke voorwaarden om Arahatschap te bereiken, nummer 6 wel en is het doel binnen het boeddhisme.

De 6 hogere krachten zijn:

  1. Magische krachten (iddhi vidha).
  2. Goddelijk oor (dibba sota).
  3. Het doorzien van de geest van anderen (parassa ceto pariya ñana).
  4. Het kunnen herinneren van vorige levens (pubbenivasanussati).
  5. Goddelijk oog (dibba cakkhu). Dit is identiek aan yatha kammupaga ñana en cutupapata ñana.
  6. Het begrijpen dat alle bezoedelingen zijn uitgeblust (asavakkhaya ñana).

De standaardtekst die we tegenkomen in alle vier de sutta collecties, bijvoorbeeld in D34; M004; M006; M077; A03-099; A05-023; S15-009 en Pug. 271, 239 is als volgt:

  1. "Nu, monniken, geniet de monnik verscheidene magische krachten (iddhi vidha), zoals dat hij één iemand is geweest, hij velen wordt, en nadat hij velen is geweest, wordt hij weer één iemand. Hij verschijnt en verdwijnt. Zonder gehinderd te worden gaat hij door muren en bergen, net zoals hij door de lucht gaat. Hij duikt in de aarde en komt daar weer uit tevoorschijn, net zoals in het water. Hij loopt over water zonder te zinken, net zoals hij over aarde loopt. Met zijn benen gekruist zweeft hij door de lucht, net zoals een vogel op zijn vleugels. Met zijn hand raakt hij de zon en de maan aan, deze zo machtige, zo krachtige. Tot zelfs de Brahma-wereld is hij meester over zijn lichaam."
  2. "Met het goddelijk oor (dibba sota) hoort hij geluiden, hemelse en menselijke, ver weg en dichtbij."
  3. "Hij herkent de geest van andere wezens (parassa ceto pariya ñana), van andere personen, door deze te doordringen met zijn eigen geest. Hij herkent de hebzuchtige geest (lobha citta) als de hebzuchtige geest en de niet hebzuchtige geest (alobha citta) als de niet hebzuchtige geest; hij herkent de hatende geest (dosa citta) als de hatende geest en de niet hatende geest (adosa citta) als de niet hatende geest; hij herkent de begoochelde geest (moha citta) als de begoochelde geest en de niet begoochelde geest (amoha citta) als de niet begoochelde geest; hij herkent de vernauwde geest (sankhitta citta) en de afgeleidde geest (vikkhitta citta), de ontwikkelde geest (mahaggata citta) en de niet ontwikkelde geest (amahaggata citta), de overtrefbare geest (sauttara citta) en de onovertrefbare geest (anuttara citta), de geconcentreerde geest (samahita citta) en de ongeconcentreerde geest (asmahita citta), de bevrijde geest (vimutta citta) en de niet bevrijde geest (avimutta citta)."
  4. "Hij herinnert zich vele vorige bestaansvormen (pubbenivasanussati), zoals één geboorte, twee, drie, vier en vijf geboorten (...) honderdduizend geboorten; hij herinnert zich vele formaties en ontbindingen van werelden: 'Daar was ik, zo'n naam had ik (...) en verdwijnende van daar ging ik ergens anders een bestaan binnen (...) en verdwijnende van daar verscheen ik wederom hier.' Zo herinnert hij zich, altijd samengaand met de kenmerken en bijzonderheden, vele vorige bestaansvormen."
  5. "Met het goddelijk oog (dibba cakkhu = yatha kammupaga ñana of cutupapata ñana, ziet de zuivere, wezens verdwijnen en wederom verschijnen, lage en edelen, mooie en lelijke; hij ziet hoe wezens wederom verschijnen overeenkomstig hun daden (zie kamma): 'Inderdaad, deze wezens begingen slechte daden voor wat betreft lichamelijke handelingen, woorden en gedachten, zij beledigden de edelen van geest, hielden er verkeerde opvattingen op na, en overeenkomstig hun verkeerde opvattingen, handelden zij. Na de ontbinding van hun lichaam, na de dood, verschenen zij in lagere werelden, in pijnlijke sferen van bestaan, in de wereld van lijden, in de hel. Andere wezens, echter, zijn begiftigd met goede daden (...) verschenen in een gelukkige sfeer van bestaan, in een hemelse wereld."
  6. "Door de uitblussing van alle bezoedelingen (asavakkhaya), verwerft hij, zelfs al in dit leven, bevrijding van geest (ceto vimutti), bevrijding door wijsheid (pañña vimutti), nadat hij dat zelf begrepen en gerealiseerd heeft (asavakkhaya ñana)."

Dergelijke kennis wordt volgens de Boeddha verduisterd door hartstochtelijke begeerte (chanda raga). Door verzaking wordt de geest kneedbaarder deze kwaliteiten te realizeren.

Hoewel dergelijke krachten worden beschouwd als indicatief voor spirituele vooruitgang, waarschuwt het boeddhisme voor hun toegeeflijkheid of tentoonspreiding, aangezien dit iemand zou kunnen afleiden van het ware pad om de bevrijding van lijden te verkrijgen.

4-6 Verschijnt vaak onder de naam van de 'drievoudige kennis' (te vijja).

De drievoudige kennis wordt in meerdere toespraken genoemd waaronder M036 — Maha Saccaka Sutta — De grote toespraak tot Saccaka, waarin de Boeddha het verwerven van elk van de drievoudige kennis toelicht op de respectievelijk eerste, de tweede en de derde nachtwake in de nacht van zijn verlichting. Deze soorten van kennis worden doorgaans vermeld te ontstaan na het verwerven van de vierde jhana.

Vis.M. 11-13 geeft een gedetailleerde verklaring van de 5 wereldse hogere krachten, samen met de methoden hoe ze te verwerven zijn.

Zie ook

Document info
RegID leer-010-50-facet
Bijgewerkt 24 november 2020 22:14:25
Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen