Boeddhisme — De meditatie van de indachtigheid van de dood

Marananussati bhavana

De dood is niet iets om bang voor te zijn. Het indachtig zijn van de dood maakt ons lievere mensen en zo sterk als een pilaar in een stadspoort.

In het boeddhistische meditatie systeem vormt het gewaar zijn en het indachtig zijn van de dood, een cruciaal gebied van meditatie. Een praktische gids voor deze meditatieve contemplatie van de dood, is iets essentieels voor alle mensen. Deze vorm van meditatie heet: marananussati bhavana — de meditatie van de indachtigheid van de dood. Marananussati betekent de continue indachtigheid van de dood.

In deze verhandeling nemen we de verzen Dhp235-238 van de Dhammapada als kenmerkend uitgangspunt. Maar achteraan verwijzen we naar meer waardevolle teksten.

Deze verzen van de Dhammapada hebben de dood als hun centrale punt. De noodzakelijkheid om gewaar te zijn dat het leven tot een einde komt, is in deze verzen samengevat. De Boeddha vermaande de oude persoon omtrent de mogelijkheid van de dood en zich van proviand te voorzien om het lijden te beëindigen. Dit is in principe, om hem indachtig en alert te maken op de altijd aanwezige bedreiging van de dood.

Uit de Dhammapada.

238. Maak van jezelf een eiland! Maak voort en wordt wijs! Bevrijd van onzuiverheden en hartstochtloos, zul je niet meer tot geboorte en ouderdom komen.

so karohi dipamattano khippam vayama pandito bhava niddhantamalo anangano na puna jatijaram upehisi

Maak snel en op een wijze manier een eiland voor jezelf. Vlekkeloos, vrij van dood en verval.

Noot[1]

Zoals de zon, die zonder te stoppen tussen zonsopgang en zonsondergang beweegt, zo gaat ook het leven van wezens van deze wereld door, van geboorte naar dood. Niets in deze wereld is onsterfelijk. Het leven van een wezen is net zo vergankelijk als een dauwdrop aan het puntje van een grassprietje, vroeg in de morgenzon. Het verdwijnt net zoals een lijn die op het water getrokken wordt of zoals een luchtbel aan de oppervlakte van het water. Het leven komt tot een einde gedurende een van de volgende fases: tijdens de kinderjaren, tijdens de jeugd of bij ouderdom.

Het leven eindigt in de dood. Alle wezens die het leven beginnen, moeten dat ook weer eindigen, want alle dingen die de aard van opkomen in zich hebben, hebben ook de aard van vergaan in zich. Dit is een universele wet, een vaststaand feit. Alle wezens moeten op een dag sterven; daar is niemand van uitgezonderd. Of een gestorven wezen ergens wordt wedergeboren en dus opnieuw geconfronteerd wordt met de dood, hangt af van zijn of haar hevig hunkeren naar zintuiglijke dingen waardoor het wezen zichzelf opnieuw — en geheel door de eigen wil — gevangen zet in de cyclus van geboorte en dood, de voorwaarde van lijden.

Alle bezittingen, status, macht etc., moeten bij de dood achtergelaten worden, maar de vruchten van de daden die men met het lichaam, met de spraak en met de gedachten begaat, nemen we met ons mee. Slechte daden dragen bittere vruchten, goede daden dragen zoete vruchten. Daden begaat men zelf, door onze eigen wil verrichten we goede of slechte daden. De vruchten daarvan, zullen ons onafscheidelijk volgen zoals onze schaduw dat doet. Maar een wezen dat het Pad van de Boeddha tot op het hoogste niveau heeft gerealiseerd, heeft zich vrijgemaakt van alle banden. Voor hem is er geen geboorte meer, want zelfs de begeerte naar de allerhoogste sferen is door zijn training volledig uitgerukt. Elke wereld is als een luchtbel voor hem. Hij hecht niet aan het gewordene, het ontstane, het geconditioneerde; hij heeft het ongeconditioneerde bereikt, Nibbana.

De dood is een erfenis die alle wezens hebben verkregen — of zij mensen, dieren, hemelwezens of brahma's zijn. Het is de ware natuur van deze wereld, dat alles dat eens in het bestaan komt, eens moet ophouden te bestaan. Deze vergankelijkheid die gekarakteriseerd wordt door het in bestaan komen en het verdwijnen, hebben alle bezielde en onbezielde dingen van de wereld gemeen.

Wij moeten ons heel goed in onze geest inprenten dat bomen, bergen, rivieren, steden, oceanen, de zon en de maan, machines en andere werktuigen — dat al deze dingen onderhevig zijn aan verandering en verval. Alle wezens in de wereld zullen op een dag geconfronteerd worden met 'de drievoudige angst', namelijk ouderdom (jara), ziekte (vyadhi) en dood (marana). Het is onmogelijk deze factoren te weren door bijvoorbeeld rijkdom, status, macht of geleerdheid. Daarom kunnen wij het leven niet aanschouwen als iets dat bevredigend of comfortabel is.

Iemand die nooit aan de dood denkt, kan de vergankelijke natuur van het leven niet begrijpen. De geest van zo'n persoon is vatbaar voor kwaad en gevaarlijke gedachten zoals vijandigheid, wraak, hebzucht, zelfzucht en buitensporige eigendunk. De beoefening van de indachtigheid van de dood is van onnoemelijke waarde om de bovengenoemde kwade gedachten tegen te gaan en om deugden te ontwikkelen zoals vriendelijkheid, sympathische vreugde, eerlijkheid, gelijkmoedigheid, geweldloosheid en vrijgevigheid.

De Boeddha heeft ons laten zien dat er drie hemelse boodschappers in de gemeenschap zijn die ons drie belangrijke lessen leren; het zijn ouderdom, ziekte en de dood. Deze boodschappers ontmoeten we regelmatig. Als je iemand ziet die door ouderdom is uitgeschakeld, denk er dan eens over na dat jijzelf op een dag ook aan zulk een toestand onderhevig bent; wanneer je een zieke persoon ziet, denk dan aan de mogelijkheid dat jijzelf ook door ziekte getroffen kunt worden; wanneer je een begrafenis ziet of een dood lichaam ziet of van de dood hoort, denk er dan over na dat ook jij op een dag zult sterven. Door dat te doen zul je vanzelf de ouderen beginnen te eren, de armen en de zieken helpen en een deugdzaam leven gaan leiden. Bovenal zal het je helpen een eenvoudiger en vertroost leven te leiden door het opgeven van eigendunk die ontstaat door rijkdom, status, machtspositie, geleerdheid en jeugdigheid.

Door het dagelijks beoefenen van marananussati bhavana kun je langzaamaan van de angst voor de dood afkomen. Bovenal zul je niet terneergeslagen zijn door buitensporig verdriet, zelfs niet bij de dood van je ouders, je kinderen, je broers, je zusters, of anderen die je lief hebt. Dit feit werd duidelijk door de oude verhalen van Mallika, Patacara en Kisa Gotami of van de Jataka verhalen zoals de Uraga Jataka. Beschouw daarom altijd de grote voordelen die je zult verwerven door de beoefening van de marananussati meditatie.

Voordat je met de beoefening van marananussati bhavana begint, moet je schoon en netjes zijn, doe een offer van bloemen vanuit een dankbaar hart etc., en neem je toevlucht in het Drievoudig Juweel (Ti Ratana) en neem de vijfvoudige regels (pañca sila) van deugdzaamheid in acht.

Ga daarna in een gemakkelijke houding zitten op een plaats die geschikt is voor meditatie. Begin nu met de meditatie door de volgende feiten keer op keer te overdenken:

Ik ben onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood. Net zoals ik, zijn alle wezens in de wereld onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.

Nu kun je het volgende stadium ingaan door het volgende, keer op keer van het begin tot het einde, te overdenken:

  1. Mijn leven is vergankelijk. Mijn dood is zeker. Ik ben onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  2. Het leven van mijn ouders is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  3. Het leven van mijn leraren is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  4. Het leven van mijn broers en zusters is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  5. Het leven van mijn familieleden is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  6. Het leven van iedereen die ik liefheb is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  7. Het leven van mijn buren is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  8. Het leven van hen die zich kwaadaardig tegen mij stemmen is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.
  9. Het leven van alle wezens in deze wereld is vergankelijk. Hun dood is zeker. Zij zijn allemaal onderworpen aan ouderdom, ziekte en dood.

Zelfs tijdens de dood of bij het verlies van kinderen of rijkdom, moet iemand aldus overdenken:

Granen, rijkdom, zilver, goud of wat voor bezit er ook is: bedienden, ambachtsmensen, ingehuurde werkkrachten en allen die daar aan verbonden zijn. Al deze objecten moeten bij de dood achtergelaten worden; maar wat men ook doet door daad, woord en gedachte, alleen dat behoort tot hem, alleen dat neemt hij met hem mee en alleen dat volgt hem als een onafscheidelijke schaduw.

Alle wezens sterven. Het leven eindigt met de dood. Wezens gaan hun weg overeenkomstig hun daden, zij ervaren de resultaten van hun verdienstelijke én slechte daden. Zij die slechte daden begaan, gaan naar ellendige sferen en zij die verdienstelijke daden begaan, bereiken zegenrijke sferen. Daarom: laat iemand altijd goede daden begaan ten bate van een levensvoorraad elders. Verdienstelijke daden zijn van grote ondersteuning voor wezens in de toekomstige wereld.

Wanneer je deze meditatie gedurende een lange periode beoefent, zullen je lichaam, je woorden en je geest zuiver worden. Je zult niet de oorzaak zijn van geen enkele kwaadwilligheid jegens de gemeenschap. Je daden, woorden en gedachten zullen voor iedereen ten voordeel zijn.

Het leven van iemand die constant deze meditatie beoefent, zal inderdaad gelukkig zijn en hij zal in staat zijn de dood zonder een spoor van welke angst dan ook aan te kijken. Verder zal het hem helpen om de vertroosting van hemelwezens en mensen te verkrijgen in de volgende wereld en om op het einde het Nibbana te bereiken.

Voor de gemiddelde mens is de dood niet een plezierig onderwerp om over te praten. Voor hen is het iets akeligs en iets dat onderdrukt moet worden — een ware spelbederver, een onderwerp dat alleen geschikt is voor de brandstapel. De gemiddelde mens die ondergedompeld is in het zelf, in het ego, die altijd op zoek is naar het plezierige, altijd hetgeen najaagt dat opwindend is en waardoor de zintuigen tijdelijk worden bevredigd, weigert om halt te houden en serieus na te denken over het feit dat deze objecten van geneugten en bevrediging eens op een dag hun einde zullen bereiken. Als wijze raad niet zegeviert en het de onnadenkende plezierzoekende mens niet aanspoort serieus in ogenschouw te nemen dat de dood ook bij hem kan aankloppen, is het alleen de shock van een verlies onder zijn eigen dak — de plotselinge en voortijdige dood van een ouder, vrouw of kind — die hem wakker zal schudden van zijn waanzinnige tour van zintuiglijke bevrediging en hem op ruwe wijze tot de meest harde feiten van het leven doet ontwaken. Alleen dan zullen zijn ogen opengaan, alleen dan zal hij zichzelf beginnen af te vragen waarom er zoiets is als de dood. Waarom is het onvermijdelijk? Waarom zijn er deze pijnlijke scheidingen die het leven zo van vreugde beroven?

Voor de meesten onder ons, moet de aanblik van de dood op een of ander moment, aanleiding hebben gegeven tot de diepste gedachten en meest diepzinnige vragen. Wat is het leven waard, als bekwame lichamen die eens grote daden volbrachten, nu plat en koud op de grond liggen, gevoelloos en levenloos? Wat is het leven waard, als ogen die eens sprankelden van vreugde, ogen die eens vol liefde waren en nu voorgoed gesloten zijn, van hun beweging beroofd zijn en beroofd zijn van leven? Gedachten zoals deze moeten niet onderdrukt worden. Het zijn juist deze vragende gedachten — die, als ze op een wijze manier worden voortgezet — tenslotte de mogelijkheden die in de menselijke geest liggen, ontvouwen, om de hoogste waarheid te ontvangen.

Overeenkomstig met de boeddhistische denkwijze, is de dood, in plaats van een onderwerp dat geschuwd en vermeden moet worden, de sleutel die het schijnbare mysterie van het leven blootlegt. Het is door het begrijpen van de dood, dat wij het leven kunnen begrijpen, want de dood is in ruimere zin een deel van het levensproces. In andere zin, zijn leven en dood twee uiteinden van hetzelfde proces, en als je één uiteinde van een proces begrijpt, begrijp je ook het andere. Vandaar dat we door het begrijpen van het doel van de dood, we ook het doel van het leven begrijpen.

Het is de contemplatie van de dood — de intensieve gedachte dat het ons op een dag zal overkomen — die de meest harde harten verzacht, de een aan de ander bind met koorden van liefde en mededogen en de barrière van kasten, geloof en ras onder de mensen op deze aarde vernietigt voor iedereen die onderworpen is aan de algemene bestemming van de dood. De dood is een grote gelijkheidsprediker. Eigendunk vanwege geboorte, eigendunk vanwege status, eigendunk vanwege rijkdom, eigendunk vanwege macht moet weggegeven worden door de alles verslindende gedachten aan de onvermijdelijke dood. Het is dit gelijkheidsaspect van de dood waaruit het volgende vers voortkomt:

Scepter en kroon
moeten omver vallen
en worden gelijken in het stof
met de arme gebogen zeis en spade.

Het is de indachtigheid van de dood die de onverzadigbare drang naar zintuiglijke plezieren helpt te vernietigen. Het is de indachtigheid van de dood die ijdelheid vernietigd. Het is de indachtigheid van de dood die een evenwichtig en een gezond gevoel van mate geeft aan onze hoogst overprikkelde geest met zijn misleidende gevoel van waarden. Het is de indachtigheid van de dood die kracht, stabiliteit en richting geeft aan de dwalende menselijke geest, die nu eens afdwaalt in de ene richting, dan weer in de andere, zonder een streefpunt, zonder een doel.

Het is niet voor niets, dat de Boeddha in de meest verheven termen, zijn discipelen heeft aanbevolen de indachtigheid van de dood te beoefenen. Dit staat bekent als marananussati bhavana. Iemand die het wil beoefenen, moet zeer vaak in de gedachte verkeren: maranam bhavissati — 'de dood zal plaatsvinden'. Deze contemplatie van de dood is een van de klassieke meditatieonderwerpen die in Vis behandeld worden en waarin vermeld staat dat voor het ontvangen van de hoogste vruchten, iemand deze meditatie op de juiste manier moet beoefenen. Dat is met waakzaamheid (sati), met een gevoel van dringende noodzakelijkheid (samvega) en met begrip. Bijvoorbeeld, stel je eens voor dat het een jonge leerling niet lukt zich vanuit scherpzinnigheid te realiseren dat de dood elk moment kan komen en haar beschouwt als iets dat bij ouderdom in de toekomst verschijnt; dan zal zijn contemplatie van de dood aan kracht en duidelijkheid tekortschieten, en wel zoveel, dat het alleen maar op bepaalde vlakken werkt waardoor zijn contemplatie niet tot succes strekt.

Hoe groot en waardevol de indachtigheid van de dood is, kan worden gezien in de volgende voordelige gevolgen die in de Visuddhi Magga worden opgesomd.

"De discipel die zich toewijdt aan deze indachtigheid van de dood, is altijd waakzaam, beleeft geen genoegen in geen enkele vorm van bestaan, geeft de hunkering naar het hiernamaals op, berispt kwade daden, is vrij van begeerte wanneer hij de benodigdheden van het leven aanschouwt; zijn waarnemen van vergankelijkheid wordt verstevigd, hij realiseert zich de pijnlijke en zielloze natuur van het bestaan. Op het tijdstip van de dood is hij vrij van angst en blijft hij waakzaam en zelfbeheerst. Uiteindelijk, als hij in dit huidige leven faalt om het Nibbana te verwerkelijken, dan is hij bij de ontbinding van het lichaam, verzekerd van een gelukkige bestemming."

Zo zien we, dat de indachtigheid van de dood, niet alleen de geest zuivert en verfijnt, maar ook het effect heeft, de gedachte aan de dood van de angst en terreur te beroven en iemand helpt die op dat plechtig moment wanneer hij zijn laatste adem laat, die situatie met geestkracht en kalmte aan te kijken. Hij wordt nooit van kracht beroofd bij de gedachte aan de dood, maar is er altijd op voorbereid. Het is zulk een man of vrouw die waarlijk uitroept: "O dood, waar is uw prikkel!"

Iemand die constant in beschouwing neemt dat hij eens zal sterven en dat de dood onvermijdelijk is, zal vol geestdrift zijn om zijn verplichtingen ten opzichte van zijn naasten te volbrengen voordat de dood komt, en dit zorgt er zeker ook voor dat hij oplettender wordt ten opzichte van deze wereld en de volgende. Daarom wordt er gezegd, dat "een monnik die de dood indachtig is, is altijd waakzaam" (maranasati manuyutto bhikkhu satatam appamatto hoti).

Er zijn ook extremisten die zeggen dat het beschouwen van de dood een onnodige gedachte is die de vooruitgang van iemand vertragen. Dit is niet zo. En Visnusarman heeft in de Pancatantra gezegd:

Samcintya tamugradandam mrtyum manusyasya vicaksanasya varsambusikta iva carmabandhah sarvaprayatnah sithili bhavanti

Alle inspanningen van een wijze man die constant aan de dood denkt die veel leed teweegbrengt, maken hem kalm en flexibel zoals lederen tassen die bevochtigd worden door regenwater.

Bovengenoemde zijn twee extremen; het boeddhistische pad echter, is een pad dat extremen vermijdt. Daarom wordt het pad ook 'de middenweg' (majjhima patipada) genoemd. Tevens dient opgemerkt te worden, dat boeddhisme nooit een voorstander is van neerslachtigheid en iemands verplichtingen ontkent door het nadenken over de dood. In tegenstelling daarvan, is hetgeen dat in het boeddhisme onderwezen wordt, de volbrenging van iemands taken en plichten op een zo goed mogelijke manier; zelfs op het randje van de dood. De Boeddha heeft zijn categorische afkeuring over het uitstellen van iemands plichten onder andere op deze manier weergegeven:

Zelfs vandaag, moet iemand streven naar de volbrenging van zijn taken, want, wie weet, slaat de dood morgen toe...

Ajjeva kiccam atappam ko jañña maranam suve...

De Uraga Jataka, zie J354 — Uraga Jataka — Een mens verlaat zijn sterfelijke lichaam, verhaalt hoe een vader — toen zijn enige zoon door een slang gebeten werd en dood op de grond neerviel — het nieuws van het voorval naar de overige inwoners van het huis zond. Zonder op hun aankomst te gaan staan wachten, ging hij door met het ploegen van zijn land; hij was iemand die regelmatig mediteerde op de dood. Door zo de onoverkomelijkheid van de dood te beschouwen, wordt iemand uitermate actief in de volbrenging van zijn taken; zo wordt ook een gevoel van 'angstloosheid' ten opzichte van de dood ontwikkeld. Nog dieper bekeken, past zo iemand er zelfs goed voor op, niet de minste of geringste verkeerde daad te begaan die lijden teweegbrengt in de volgende wereld; ook wordt hij een vrij mens die alle banden en gehechtheid ten opzichte van zijn geliefden en andere objecten heeft laten varen. En de mensen van de wereld vinden dat als we niet gek worden van verdriet, we dan niet van een overleden persoon houden. In de Uraga Jataka wordt heel goed geïllustreerd hoe zinloos dit is en hoe de Bodhisatta zijn gezin heeft voorbereid op de komst van de dood.

Beiden, monniken en leken, die de dood niet indachtig zijn en zichzelf beschouwen als onsterfelijk, zijn vaak nalatig om deugdzaamheid te cultiveren. Zij gaan strijd en argumentaties aan en zijn vaak ontmoedigd en neerslachtig, verdeeld vanwege hun hoop en aspiraties. Soms stellen ze hun werk uit met de hoop het in de toekomst op grote schaal te zullen verrichten, maar uiteindelijk komt er allemaal niets van. Daarom is het goed om dagelijks de dood recht in de ogen te kijken. Van de viervoudige meditatieonderwerpen die voor boeddhisten beschreven zijn als zijnde geschikt om overal te beoefenen (sabbattha kammatthana) komt beschouwing van de dood op de vierde plaats (Buddhanussati metta ca — asubham maranassati).

"Er is, monniken, een Dhamma, die, wanneer daar op gemediteerd wordt en als die constant beoefend wordt, naar de onthechting van de wereld van worden voert, naar zuivering van alle bezoedelingen, naar bevrijding van werelds lijden, het verwerven van hogere kennis, het realiseren van de Vier Edele Waarheden en de verwezenlijking van Nibbana. Wat is die ene Dhamma? Het is de constante beschouwing van de dood."

"Ekadhammo bhikkave bhavito bahulikato ekanta nibbidaya viragaya nirodhaya upasamaya abhiññaya sambodhaya nibnanaya samvattati; katamo ekadhammo maranassati."

De verhevenheid en betekenis van de beschouwing van de dood, wordt duidelijk weergegeven in deze leerstellige passage.

Zie ook

Eindnoten

[1] In deze verhandeling is een tekst opgenomen die geschikt is voor een boeddhistische uitvaart. Het betreft de alinea "Zoals de zon, die zonder te stoppen (...)" tot en met de alinea "De Boeddha heeft ons laten zien dat er drie hemelse boodschappers (...)."

Document info
RegID leer-003-07-meditatie
Bijgewerkt 13 december 2020 22:24:17
Auteur Peter van Loosbroek — Ananda
Locatie www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright Zie a.u.b. copyright www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overig Geen