Magha

Magha Sutta

Wie een offergave waardig is.

Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Boeddha op de Gierenpiek, nabij Rajagaha. En op een dag kwam een jonge man, een brahmaan Magha genaamd, om de Meester te zien. Zij begroetten elkaar op de gebruikelijke manier en de jonge man ging aan zijn zijde zitten.

"Heer Gotama," zei hij, "ik ben een lekensponsor. Ik doe donaties, ik geef financiële hulp, geschenken, offergaven en dergelijke dingen. Ik ben een persoon die aanspreekbaar is en open staat voor verzoeken. De weelde die ik weggeef, heb ik rechtmatig verdiend en ik verspreid deze legaal verkregen voordelen onder één of twee mensen, soms onder twintig of dertig mensen, en soms ook wel onder honderd of meer mensen. Wat ik graag wil weten, Heer, is of het lonend is al deze giften en offergaven te doen. Kunt u mij vertellen of zij verdiensten voor mij teweegbrengen?"

"Jongeman," zei de Meester, "al deze giften en offergaven die je doet, zijn zeker lonend en zij brengen grote verdiensten teweeg. Hetzelfde geldt voor iedereen die donaties doet en hulp biedt, wie aanspreekbaar is en open staat voor verzoeken en wie zijn rechtmatig verdiende weelde onder één, twee, twintig, dertig, honderd mensen of meer deelt. Al deze giften zullen hem grote verdiensten brengen."

Toen stelde de jonge brahmaan een andere vraag, en deze keer sprak hij in versvorm:

487. "Heer Gotama," zei hij, "u bent een in het geel geklede zwerver, een man zonder een thuis; u bent een man die zinvol spreekt. Kunt u mij alstublieft deze vraag beantwoorden: als een lekenman, die een vrijgevig persoon is, iemand is waarvan een gift verwacht mag worden, als hij iemand is die verdiensten verlangd vanwege het geven van voedsel aan anderen; aan wie zal zijn offergave dan goed zijn?"

488. "Als" zei de Meester, "deze vrijgevige lekenman een offergave doet of voedsel verstrekt, en als hij verdiensten nodig heeft en deze wil, dan moet hij, om de offergave succesvol te laten zijn, het geven aan iemand die een offergave kan ontvangen. Hij moet het geven aan iemand die een gift waardig is."

489. Toen vroeg de brahmaan de Boeddha om te vertellen wie deze mensen zijn die een offergave kunnen ontvangen van een vrijgevig en goed gezinde lekenman. "Wat voor mensen" vroeg hij, "zijn een gift waardig?"

490. De Meester antwoordde: "Er zijn mensen die in deze wereld leven zonder gehechtheden, bezittingen, zonder iets. Zij zijn volledig en perfect en zij hebben zichzelf onder controle. Wanneer de tijd daar is voor de gift, dan zijn het deze personen aan wie je het best een gift kunt geven. Dit zijn de mensen aan wie de goed gezinde brahmaan geeft[1]."

491. "Zij die de banden en ketenen (saññojana) doorgekapt hebben, die getemd zijn, die vrij zijn, die hartstochtloos en begeerteloos zijn."

492. "Zij die bevrijd zijn van de boeien, die het wilde getemd hebben en vrij geworden zijn; vrij van de razernij van hartstocht en vrij van begeerte."

493. "Afgedaan hebben met hartstocht (lobha), haat (dosa) en begoocheling (moha), hebben zij de bezoedelingen (asava's) uitgerukt en leiden het perfecte religieuze leven."

494. "Er zijn mensen in wie geen plaats is voor bedrog of eigendunk. Zij hebben geen hebzucht, geen gedachten van 'ik', geen begeerte."

495. "Zij zijn de oceaan overgestoken want zij vielen niet ten prooi aan begeerte (tanha). En zo kunnen zij leven en zich bewegen zonder gedachten van 'ik'."

496. "Zij hebben geen verlangens of begeerte naar wat dan ook in de wereld. Zij hebben niet het verlangen om iets te zijn in de wereld en geen verlangen om iets te zijn in iedere andere wereld[2].

497. "Zij hebben het plezier opgegeven dat gebaseerd is op de zintuigen en zij hebben perfecte en subtiele zelfcontrole. Zij gaan lopend van de ene plaats naar de andere zonder een vaste verblijfplaats om naar terug te keren en zij bewegen zich doelgericht zoals een pijl."

498. "Zij zijn vrij van genot, hun zintuigen zijn kalm. Zij zijn vrij, weggegleden, zoals de maan dat makkelijk doet van de tanden van Rahu (de verduistering)."

499. "Zij zijn kalm en tot rust gekomen, zonder hartstochten of boosheid. Als zij sterven gaan zij in deze wereld nergens meer naar toe; zij hebben wedergeboorte opgegeven."

500. "Zij hebben zonder overblijfsel geboorte en dood opgegeven en zij zijn voorbij alle twijfel en onzekerheid gegaan."

501. "Zij zijn een eiland voor zichzelf. Zij hebben niets. Zij gaan van plaats naar plaats en zij zijn in alle opzichten vrij."

502. "Zij weten precies wat deze zin betekent: 'Er zal geen wedergeboorte meer zijn; geen worden meer. Dit is mijn laatste bestaan.'"

503. "In de vreugde van meditatie, in de volledigheid van kennis en in de kracht van indachtigheid (sati), heeft iemand volledige verlichting en is hij een schuilplaats voor velen. Wanneer de tijd daar is om gaven te geven, dan is dit de persoon om aan te geven; dit is de persoon waar de goed gezinde brahmaan aan geeft."

504. "Meester," zei Magha, "mijn vraag heeft me zeer zeker veel beloning gebracht! U heeft mij uitgelegd wat de waarde van geven inhoud en wie deze mensen zijn die het geven waard zijn, want u weet dat zoals het werkelijk is. U heeft dit gezien overeenkomstig met de realiteit."

505. "Maar vertel mij nog één ding. Wanneer een vrijgevig en goed gezinde lekenman een offergave doet of voedsel weggeeft, hoe moet hij dit doen om de offergave succesvol te laten zijn?"

506. "Doe je offergave, Magha," zei de Meester, "met een goed gestemde geest. Maak je geest volkomen kalm en tevreden. Richt en vul de gevende geest met hetgeen dat gegeven wordt. Vanuit deze veilige positie kun je vrij zijn van kwade wil."

507. "Als je geen onrust of hartstochten hebt en je kunt vrij zijn van kwade wil, en als je een geest ontwikkelt vol met onbegrensde liefdevolle vriendelijkheid met constante zorg en oplettendheid, dag en nacht, dan zal de liefdevolle vriendelijkheid zich oneindig verspreiden in elke richting."

508. "Meester," zei Magha, "vertel mij hoe men zuiver kan zijn, hoe men vrij kan zijn, hoe men verlicht kan zijn? Hoe komt u tot de Brahma wereld in uw eentje? Meester van wijsheid, alstublieft geef mij deze antwoorden! Meester, uzelf kunt getuigen dat ik vandaag Brahma gezien heb, want voor ons bent u dezelfde als Brahma. Het is echt waar! Meester, schijnend licht, vertel mij alstublieft hoe een man tot de Brahma wereld kan komen!"

509. "Magha," zei de Meester, "ik zal dit tegen je zeggen: wanneer de derde van de drie kwaliteiten van perfect geven is volbracht door het geven aan een persoon die een gave waard is, voert deze volbrachte handeling van geven zelf de gever naar de wereld van Brahma."

Toen sprak Magha de jonge brahmaan uit lof voor de Meester: "Het is verbazingwekkend, Eerwaarde Gotama, het is wonderbaarlijk, Eerwaarde Gotama! Net zoals iemand rechtzet wat op z'n kop staat, openbaar maakt wat verborgen was, of de weg wijst aan hem die verdwaald is, of een lamp omhoog houdt in de duisternis zodat zij die ogen hebben dingen zullen zien; net zo is de Dhamma door de Eerwaarde Gotama op vele manieren uitgelegd! Daarom, neem ik mijn toevlucht in hem, in zijn Dhamma en in zijn Sangha. Dat de Gezegende mij als een volgeling moge aannemen als iemand die zijn toevlucht heeft genomen vanaf deze dag tot het einde van zijn leven!"

Eindnoten

[1] Van 491 t/m 502 wordt deze alinea steeds herhaald.

[2] Dit duidt op een van de drie hoofdbegeerten, namelijk de begeerte om te worden (bhava tanha).

RegID: Snp3-05
Bijgewerkt op: 12 oktober 2006
Auteur: Peter van Loosbroek - Ananda
Locatie: www.sleuteltotinzicht.nl
Copyright: Zie voor gebruik van deze tekst www.sleuteltotinzicht.nl/glb_copyright.htm
Overige informatie: Geen